Boekenarchief C-D

Adriaan van Dis

http://www.adriaanvandis.nl

 

Ik kom terug
Adriaan van Dis


‘Vraag maar’, zei ze met haar rug naar me toe.
‘Alles?’
‘Alles.’
De bijtendste vragen schoten door mijn hoofd; Waarom vluchtte je naar Indië? Waarom liep je de kamer uit als die gek met het schuim om z’n bek het behang van de muur trok? Zag je mijn blauwe plekken nooit? Waarom smeerde je dochters ‘m zo snel naar het buitenland? En die sterren, dat gewichel… Waarom die kapstok der krankzinnigen? Maar ik hield mijn mond. Ik wilde haar geen pijn doen, nog niet. Vrouwen deed je geen pijn, dat werd er al jong ingeramd. Ze mocht me vertellen wat ze wou.
Als ze maar een beetje meer moeder durfde te zijn en dat innerlijk staal opzij kon schuiven. Het breekijzer hield ik in reserve.


Ze kwam wel eerder voor in de boeken van Adriaan van Dis, zoals zijn hele familie een rol speelt in een groot deel van zijn oeuvre, maar zijn moeder verbleef altijd min of meer op de achtergrond, zowel in de zijn boeken als in zijn echte leven.
In dit boek is daar geen sprake van, in dit boek speelt ze de hoofdrol.
Zijn moeder. Bijna honderd en klaar met het leven.
Ze wil dood en ze wil dat Adriaan haar daar bij helpt en in ruil daarvoor is ze bereid verhalen te vertellen. Voor wat hoort wat.


Het is niet voor niets dat ze denkt dat haar zoon daarmee te verleiden is om haar te helpen, want moeder is een gesloten vrouw, ze praat en commandeert en is zeer aanwezig, maar echt delen hoe het met haar gaat en wat er met haar gebeurd is heeft ze nooit gedaan en écht dichtbij komen mocht haar zoon, zowel letterlijk als figuurlijk, nooit. Van affectie was geen sprake en haar tactiek in het omgaan met haar kinderen was vooral verdeel en heers. Geen warmte, geen nabijheid, geen vertrouwen.
Bovendien was er altijd het kampleven wat ze met zijn drie halfzusjes gedeeld had, maar niet met hem, hij werd pas na de oorlog geboren en voelde zich altijd buitengesloten, hij wilde daar ook graag bij horen, bij die oorlog, maar dat lukte nooit.
Maar nu biedt moeder dus aan om te praten en haar zoon mag het opschrijven als hij wil. Zijn laatste kans om toch nog binnengelaten te worden in haar leven, al laat zijn moeder zich niet zo makkelijk verleiden, de echte verhalen die hij graag horen wil laten lang op zich wachten en er zijn heel wat gunsten, bezoekjes en koekjes van Huize van Laack nodig om haar tot spreken te bewegen.


Zijn moeder heeft een bewogen leven geleid. Een boerendochter uit de polder die drie oorlogen heeft meegemaakt, die trouwde met een Indonesiër, over de kleurlijn heen dus, in een tijd dat de familie en de buurt daar nog schande van sprak.
Haar eerste man werd in  Nederlands-Indië onthoofd en zelf verbleef ze enkele jaren met haar drie jonge dochters in een Jappenkamp.
Na de oorlog kreeg ze nog een kind, Adriaan, van een andere man, met wie ze niet trouwde. Deze tweede man, met dezelfde voornaam als haar eerste, bleek zwaar beschadigd en getraumatiseerd door de oorlog. Een man die nachtenlang vocht met zijn oorlogstrauma’s en demonen en die overdag gewelddadig was. Geen fijne vader.
Moeder had daarbij vooral een afwezige rol, als er geweld was keek ze letterlijk de andere kant op en zette de kraan wat harder om het niet te horen.


Ze leek vooral de vrouw op de achtergrond, maar al luisterend naar haar verhalen komt Adriaan erachter dat ze een veel grotere invloed op zijn leven heeft gehad dan hij ooit heeft beseft en dat ze eigenlijk de vrouw was die de touwtjes in handen had. Een moeder die waakte over een vader die gek is en die tussen de bedrijven door probeerde te leven met de trauma’s van haar leven. Een bange vrouw in de schaduw van haar tierende man, maar toch ook een sterke vrouw.
Een markante vrouw ook, geen doorsnee moeder. Eentje die gek was op tarotkaarten en andere occulte spelletjes, om aan de werkelijkheid van heden en verleden te ontsnappen. Ze geloofde vast in karma, een manier om alles wat haar overkwam, ze verloor ook nog twee dochters en een kleinkind, zonder tegenspreken te kunnen accepteren; het lot had het blijkbaar zo bepaald, je kon er toch niets aan veranderen.
Bovendien geloofde ze heilig in reïncarnatie, wat de titel van dit boek verklaart; ze komt vast en zeker terug, waarmee ze  haar heerschappij, ook die over dit boek, in één klap ook tot na haar leven uitstrekt:…“Als je me beledigt, weet ik je te vinden. Ook na mijn dood.”


Het boek beschrijft een wonderbaarlijk machtsspel tussen een oude bozige moeder en haar inmiddels pensioengerechtigde zoon die nog steeds erkenning wil, goedkeuring, die gezien wil worden, die eindelijk ook ingesloten wil worden en erbij wil horen.
Dat gaat niet vanzelf, het gaat met aantrekken en afstoten, met claimen en verstikken en af en toe met bruut geweld. Er moeten nog heel wat rekeningen vereffend en er is veel schaamte en pijn waar nauwelijks woorden voor te vinden zijn.
Maar beetje bij beetje geeft ze steeds meer van haar verhaal prijs, al manipuleert ze hierbij zonder blikken of blozen en verzint ze ook regelmatig de werkelijkheid bij elkaar.
Van Dis spaart haar niet, haar boosaardige kanten worden vrijmoedig beschreven, maar toch proef je ook genegenheid, erbarmen om een leven wat zo hardvochtig was, al gaat het echt dichterbij komen moeizaam;


Ik wilde haar troosten, tegen beter weten in - hoe kil ook, ze had me ontroerd, zo eenzaam in gesprek met zichzelf. Ook haar hardheid raakte me - wat een overlever was het toch. Maar al bij de eerste aanraking trok ze haar handen terug onder tafel.


Het boek wordt in de publicaties rondom de verschijning nadrukkelijk een roman genoemd. De moeder in het boek is de moeder zoals hij haar ervaarde en niet per definitie wie zij was en ook de feiten zijn hier en daar wat ingedikt of uitgedijd...
Hij zegt daarover in interviews dat hij de kwaadaardige moeder in het boek heeft uitvergroot om bij de aardige moeder uit te kunnen komen.
Dat schetst meteen de drijfveer en de noodzaak van dit boek; hij wil ontdekken wie zijn moeder was, hij wil achter de nare kanten ook de aardige kanten ontdekken.
En dat is gelukt, hij heeft, misschien ongewild, een monument voor haar geschreven, wat tegelijkertijd een prachtig en ontroerend beeld schets van de strijd tussen moeder en zoon.


Een boek over onmacht en liefde. Je voelt de afstand en de moeite, maar ook de toenadering en de oprechte pogingen daartoe.
Bovendien toont dit boek wederom hoe goed van Dis schrijven kan, de zinnen zijn prachtig en je ziet de oude dame voor je ogen tot leven komen.
Wat mij betreft is dit een van de beste boeken van zijn oeuvre.


ISBN 978 90 25444532 paperback 284 pagina's Uitgeverij Augustus november 2014

© Willeke, 13 november 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altTikkop
Adriaan van Dis

Mulder, een Nederlander, gaat op visite bij een oude vriend in Zuid-Afrika. Deze vriend, de Zuid-Afrikaanse Donald, kent hij nog van vroeger. Ze zaten toen beide in Parijs bij een verzetsbeweging tegen de Apartheid. Mulder weet er allemaal het fijne niet meer van want zijn geheugen is aangetast door twee beroertes.

In Zuid-Afrika aangekomen wacht hem een desillusie. Sinds de afschaffing van de Apartheid is het land niet geworden wat Mulder ervan had verwacht. Mulder kan niet gezellig logeren in een knus dorpje. Hij kan geen boodschappen doen in de lokale winkeltjes of gemoedelijk rondstruinen terwijl blank en zwart in harmonie met elkaar omgaan. Zo is het niet. De blanken wonen hoog en droog heuvelopwaarts terwijl de zwarte vissers in modderige en armoedige huisjes vlak aan zee leven. Nog steeds gescheiden van elkaar. Er is veel corruptie waardoor de vissers een schamel bestaan moeten leiden. Er is onvrede en frustratie en de blanken leven uit veiligheidsoverwegingen min of meer opgesloten. Hun huizen luxueuze forten.
Veel visserskinderen zijn verslaafd aan tik, Crystal Meth. Dit wordt op schoolpleinen uitgedeeld en de jeugd valt eraan ten prooi. Zoals buurvrouw Stienie zegt: “Tik vreet je hersens weg. Je geheugen. Je gevoel. Je geweten”.

Donald neemt Mulder mee op een “geheugenreis”. Locaties bekend uit vroegere tijden worden bezocht en herinneringen worden opgehaald. Mulder blijkt zich eigenlijk nog heel veel te herinneren. Heeft hij daadwerkelijk ernstige geheugenproblemen of worstelt Mulder met zijn verleden en probeert hij er gewoon zo min mogelijk aan te denken? Mulder heeft goed willen doen maar twijfelt ook aan zijn beweegredenen. Was hij nu echt een verzetsman in hart en nieren of een hopeloos verliefde jongeman die zich door zijn liefje mee liet slepen?

Donald heeft het ook moeilijk. Zijn vrouw is weer eens vertrokken naar haar thuisland Frankrijk. Het huwelijk loopt stroef. Hij probeert zich als een soort raadsman en helper voor de zwarte bevolking op te stellen maar loopt tegen een muur van onwil aan. Het ene moment lijkt hij door te dringen tot de vissers, het volgende moment keert men hem de rug toe. Hij vindt het zwaar maar kan het niet loslaten. Hij moet blijven proberen. In een poging te doen wat goed is bekommert hij zich om een jongen die verslaafd is aan tik. Omdat eerdere hulppogingen zijn mislukt besluit Donald de knul in huis te nemen en hem persoonlijk te helpen met afkicken.Waarom deze jongen? Er zijn er immers zoveel. Is het een daad uit naastenliefde of een poging tot het vinden van gemoedsrust? Een poging tot het sussen van schuldgevoelens die altijd aanwezig zijn? Donald wordt achtervolgd door zijn verleden. Zijn vader was een belangrijk politicus en  pro-Apartheid. Donald heeft zich als jongeman afgezet tegen zijn vader en zijn manier van denken en dat is wellicht de oorzaak van zijn innerlijke onrust. Het lijkt alsof Donald twijfelt aan zichzelf. Is hij nu echt een weldoener en een goed mens of komt alles voort uit de koppigheid van een jongvolwassene tegen zijn vader?

Een erg mooi en indrukwekkend boek dat ons een kijkje gunt in het Zuid-Afrika zoals het is na de afschaffing van de Apartheid. Het laat zien dat het streven naar een ideaalbeeld een teleurstellend resultaat kan opleveren. Want mensen met tegenovergestelde belangen hebben nu eenmaal ook tegenovergestelde idealen. En een mens kan nu eenmaal niet gedwongen worden zijn bestaan te veranderen. Mensen blijven mensen met hun eigen wil en hun eigen mening.

En is er wel hulp nodig? Is de aangeboden hulp wel de juiste? Wat als iemand geen hulp wil? Moet deze dan opgedrongen worden? Aansluitend aan deze gedachten rijst de vraag waarom wij eigenlijk zo graag onze medemens helpen. Is dat puur uit goedheid of proberen we ons er zelf beter door te voelen? Uit een soort egoïsme dus. En wat is het juiste ideaal? Diepe levensvragen borrelen op. Een pasklaar antwoord is er niet.

Dit prachtig geschreven boek heeft me aan het denken gezet. Zo gemakkelijk is het nog niet om datgeen te doen wat juist is. Want wat in jouw ogen goed is kan naar de mening van een ander fout zijn en vice versa.

ISBN: 9789045702445 | paperback | 221 pagina’s  | Uitgeverij Augustus | september 2010

© Annemarie, 21 augustus 2011

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Tikkop
Adriaan van Dis


In een interview zegt Adriaan van Dis  dat het personage Mulder een uitvergroting van bepaalde aspecten van hem zelf is.
Van Dis studeerde Afrikaans in Amsterdam, hij was de enige student, en zou naar Zuid-Afrika gaan vanwege deze studie. Van Gennep vroeg hem toen 'iets te doen' als hij in Zuid-Afrika was. Het was de tijd van strijd tegen Apartheid. Van Dis kreeg voor zijn vertrek een training in Parijs.


Het boek gaat over twee blanke  mannen, de Nederlander Mulder en de Zuid-Afrikaan Donald, die in de jaren zeventig als student betrokken raakten bij het internationale verzet tegen de Apartheid. Beiden volgden de training in Parijs en zijn, ondanks strikte afspraken over omgang met elkaar, toch vrienden geworden. Na veertig jaar komen beide mannen elkaar weer tegen en wordt Mulder uitgenodigd door Donald die inmiddels in Zuid-Afrika woont. Mulders geheugen is na twee beroertes niet meer helemaal wat het moet zijn en hij accepteert de uitnodiging. Het zal een geheugenreis worden. Hij wil  tussen de donkere Afrikaners komen te wonen. Dat lukt niet, te gevaarlijk volgens Donald, en zo komt Mulder in de witte wijk  bovenaan het dorp terecht. Beneden, aan de haven, wonen de donkere Afrikaanse vissers. Tussen de twee wijken is een soort niemandsland. Donald is arts en woont in een groot wit huis in de blanke wijk met zijn vrouw Sarah. Het huwelijk is slecht, Sarah verdwijnt regelmatig naar Parijs zo ook tijdens het bezoek van Mulder.
De twee mannen halen herinneringen op over hun idealen, hun droom hoe Zuid-Afrika zou zijn als  de Apartheid verdwenen was.
Het vissersdorp laat echter de werkelijkheid zien. Nog altijd wonen de blanken in de grote huizen. Er is voor de (zwarte) vissers nauwelijks geld te verdienen omdat hun visrechten zijn verkwanseld door corrupte leiders, zij  wonen in armoedige huisjes, er is geen werk en hun kinderen vluchten in de tik - een goedkope drug.
De zwarte bewoners voelen zich verraden, zijn ontgoocheld. Er is na de strijd weinig veranderd. De blanken zijn niet geliefd, de vissers zagen ze het liefst vertrekken. De witte wijk is nagenoeg een vesting. Deuren en ramen moeten altijd op slot, er zijn drie rijen prikkeldraad aangebracht op de muren zodat niemand er overheen kan klimmen. Sloten worden telkens opnieuw volgegoten met hars. Alles wat los zit wordt, als het kan, uit de huizen gestolen. Mulder voelt zich verscheurd, niet op zijn gemak. Hij wil nog steeds helpen. Hij zoekt aanvankelijk ook toenadering, maar de vissers moeten hem niet. Dokter Donald is niet erg geliefd ondanks zijn goede bedoelingen.  Mulder heeft medelijden met een jongetje dat aan de tik is en uit een soort algemeen schuldgevoel proberen hij en Donald het verslaafde kind af te laten kicken en een nieuw leven te geven. In feite moet het kind hun schuldgevoel weghalen.


Zoals in alle boeken van Van Dis zijn de personages net zilvervisjes. Je denkt ze te kunnen grijpen en dan glippen ze weg. Dat maken de boeken van Van Dis ook zo apart. Je wilt greep krijgen op het geheel maar dan blijkt iedereen toch anders te reageren dan je verwacht, er blijft een afstand, er blijft een achterdeur openstaan waaruit de personages kunnen ontglippen. Zoals Mulder, hij lijkt erg betrokken, houdt ook van gevaar, hij wil ook helpen, maar toch ook weer niet, hij wil ook  zijn veilige luxe leventje in Parijs waar hij in de anonimiteit kan leven.
Van Dis zou zelf ook willen helpen maar heeft daarover zo zijn eigen meningen. Hij zou alle armoedige wijken goed in de verf willen zetten, de boel daar willen opruimen, goede verlichting willen laten aanbrengen. Nu wordt in  rijke buurten wel vuil opgehaald, in arme buurten niet. Die tweedracht is slecht. Een geordende, goed verzorgde omgeving doet iets met mensen. In het boek verzucht Mulder o.a. dat hij Minister van verf zou willen zijn om dezelfde redenen als Van Dis. In het boek is Mulder oprecht in het willen helpen van de jongen. Hij houdt oprecht van Zuid-Afrika en de taal maar voelt ook dat hij daar niet thuishoort en eigenlijk de op luxe gestelde man is die zich meer thuis voelt in Parijs.


Het boek zet aan tot nadenken. Willen mensen hulp verlenen om hun eigen schuldgevoel weg te werken? Of willen zij daadwerkelijk hulp verlenen? Is de hulp wel gericht op de behoeften van de bewoners zelf? Tot hoever wil je gaan met hulp verlenen. Eeuwig doorgaan, in feite tegen beter weten in, zoals Donald? Of af en toe iets doen zoals Mulder en dan is het weer voor een tijd genoeg?
Moeten idealen af en toe niet bijgesteld worden? Tijden veranderen, is het ideaal dan niet achterhaald?
Door de personages Donald en Mulder op te voeren die een erg verschillend karakter hebben bekijkt Van Dis al deze aspecten op zijn eigen bijzondere manier en geeft hij ze weer in zijn eigen persoonlijke stijl.
Een bijzonder en mooi boek.

ISBN 9789045702445 Paperback 221 pagina's | Uitgeverij Augustus | september 2010

© Dettie, 24 september 2010

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Tikkop
Adriaan van Dis

Uit, en wat een goed boek is dit zeg. In ieder geval een boek wat mij enorm aanspreekt. Ten eerste kan Van Dis schrijven, her en der staan prachtige zinnen, en dan komt ook de mooie Afrikaanse taal er nog regelmatig bij.
Maar ik vind vooral de geëngageerdheid die me in “De wandelaar” ook al zo beviel, erg prettig in dit boek. Van Dis schuwt de morele dilemma’s niet en hij doet dat op een manier die goed na te voelen is. Wat zijn idealen, waarom heb je idealen, waarom doe je goed, voor jezelf of voor de anderen, en wat doe je als de werkelijkheid er na al je idealen anders uit ziet als je vroeger idealistisch dacht.


Er zit een soort spanning in dat boek die ik wel herken uit het denken over “hulpverlening”. Het is bijna onmogelijk hulp te verlenen zonder jezelf boven die ander te verheffen, niet alleen in materialistische zin maar ook moreel.  Mooi vond ik ook dat die spanning tot aan het einde blijft. Van Dis geeft geen kant en klaar afgerond praatje van hoe het dus blijkbaar moet maar laat ons met dat dilemma zitten. Zet ons aan het denken.

Mulder zegt op de één na laatste bladzijde van het boek:


“Cynisme was een luxe. Net zoals zijn betrokkenheid destijds- hoe gemeend die soms ook was. Hij verbood zichzelf nog langer moreel verontwaardigd te zijn. Je moest mensen nemen zoals ze zijn en met verbazing naar ze kijken. Afstand uit liefde. Niet jouw waarde aan een ander opleggen.
De wereld was zoals ie was onrechtvaardig. Mooi soms. En daar keek ie dan naar, liep ie achteraan. La filature. Er zijn door er niet te zijn.

Maar op de láátste bladzijde van het boek, dus maar één bladzijde verder, als iemand op het vliegveld iets negatiefs over de zwarten in Zui-Afrika zegt staat er:

”Zijn hand werd een vuist,een vuist bereid een gutsmes te omklemmen, een bijbel mee uit te hollen en er een kneedbom in te stampen.
Zie je wel, hij kon het niet laten zich met de wereld te bemoeien”


Over de spanning tussen die twee citaten gaat dit boek.
Een aanrader.


ISBN 9789045702445 Paperback 221 pagina's | Uitgeverij Augustus | september 2010

© Willeke, 5 oktober 2010

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De wandelaar


“Ik geloof in de mens die er per ongeluk is en er het beste van probeert te maken.”


Het beste ervan maken is in het begin van het boek voor Mulder, een zestigjarige Nederlander die in Parijs woont, een eenzaam maar eenvoudig gebeuren. Hij heeft zijn zaken goed voor elkaar: hij leeft van een erfenis, houdt van mooie en dure kleding, goed eten en nog betere wijn en bezoekt graag een tentoonstelling of museum om zich daar te goed te doen aan de aanblik van schoonheid. Op doktersadvies wandelt hij kilometers door de stad, altijd in zijn eentje. Dan verandert er iets.


Tijdens een van zijn wandelingen komt hij langs een kraakpand dat in brand staat. Het overvolle huis wordt voornamelijk bevolkt door buitenlanders, waarschijnlijk velen van hen ook nog eens illegaal. Uit een van de ramen springt een hond naar buiten die zich zeer doelbewust op Mulder stort, hij kan niet anders dan het beest in zijn armen nemen. De politie suggereert dat hij de hond kent en meer van de hele zaak af weet. Als een agent hem dan ook naar zijn naam vraagt noemt hij zich spontaan Nicolas Martin, de naam die hij net heeft gelezen op een plaquette in de muur van het brandende gebouw. Deze opwelling zal hem in de loop van het verhaal nog de nodige problemen opleveren.
In de dagen na de brand bezoekt Mulder, die voor de buitenwereld Nicolas Martin blijft, diverse plechtigheden voor de overleden slachtoffers. Hij komt hierdoor in aanraking met père Bruno, een Dominicaner pater die zich vanuit zijn geloof inzet voor de minderbedeelden in de maatschappij, van een flinke borrel houdt, maar niet erg gewaardeerd wordt door de officiële kerk. Van hem hoort hij ook het verhaal over de herkomst van de hond, die na een reis van twee jaar uit Tsjaad in Parijs beland is. De hond, die geen naam heeft, maar door iedereen “le chien” genoemd wordt, verandert zijn leven. Hij loopt hij niet meer alleen door de stad, maar samen met de hond, die hem in contact brengt met een kant van het leven die hij niet kent en eigenlijk ook niet wil kennen: het Parijs van de daklozen, de zwervers, de illegalen en de rebellerende jongeren. Met enkele van de mensen die hij ontmoet krijgt hij een speciale band: de “doofstomme” chinees, de dakloze vrouw met de prothese, de door de brand weduwe geworden Sri en Fanta, een meisje dat met zware brandwonden in het ziekenhuis ligt en dol is op de hond.
In de stad gist het: er zijn demonstraties voor én tegen een generaal pardon van de illegalen, brandjes, relletjes, een (kerk)bezetting, brandende auto’s in de buitenwijken en overal politieagenten. Door de gevolgen van die ene simpele wandeling verandert zijn leven totaal. Hij probeert zelfs “goed te doen”, hoewel de manier waarop hij dat doet door de ontvangers niet op prijs wordt gesteld. Zijn bemoeienis gaat zover dat hij op een donkere nacht een ontmoeting heeft met een Albanese maffioso om een illegaal paspoort voor iemand te kopen, iets onvoorstelbaars voor deze keurige heer. Zijn echte goede daad, recht uit zijn hart, is het afstaan van de hond aan wie hij zeer gehecht is geraakt. Hij draagt hem over aan Fanta, het meisje met de brandwonden, dat inmiddels uit het ziekenhuis ontslagen is.


“Hij liep alleen en zag en rook alles.”


De laatste zin van het boek en vooral het woordje “alles” geeft de verandering aan die in Mulder heeft plaatsgevonden. Hij is niet opeens een sociale en betrokken figuur geworden die zich stort op de hulpverlening aan minder bedeelden, maar hij is wel zodanig veranderd dat hij een open oor en oog heeft gekregen voor de wereld om zich heen. De woorden aan de bovenkant van het verslag, “het beste er van maken”, krijgen dan ook een heel andere inhoud.
Het is een prachtig boek waarin het verhaal en de actuele gebeurtenissen naadloos op elkaar aansluiten en in elkaar overlopen, geschreven in een uitermate zorgvuldige stijl, met prachtige beelden en ook nog wat broodnodige humor.
Een topper!


Uitgeverij Augustus, januari 2007 Paperback, 219 bladzijden ISBN 978 90 457 0015 1

© janna, maart 2007

Reageren? Klik hier!

 

De wandelaar


Mulder heeft zijn leven op orde.
Hij woont in zijn geliefde stad, Parijs, en hoeft dank zij een erfenis niet te werken.
Hij is een keurige man, vrijgezel, die op orde, netheid en regelmaat gesteld is. Omdat de dokter het geadviseerd heeft maakt hij iedere avond voor het slapen gaan een wandelingetje, meestal dezelfde route. Onderweg heeft hij zo zijn vaste rituelen. Soms maakt hij hier en daar een praatje, maar echte vrienden die over de vloer komen heeft hij niet. En dan ineens staat zijn wereld op zijn kop: hij komt in een oploopje terecht, waaruit hij niet weg kan. De menigte drijft hem naar een brandend huis, en hij blijft zijns ondanks staan kijken, naar het blussen en de pogingen van de brandweer om mensen; levens te redden. Dan springt de hond uit het raam en springt tegen Mulder op. Omdat iedereen schijnt te denken dat het 'dus' zijn hond is, neemt Mulder hem maar mee.
Dat is het begin van een totaal ander leven... de hond neemt het heft in handen, brengt Mulder overal waar hij eigenlijk niet wil zijn, brengt hem in contact met mensen waar hij vroeger met een boog omheen liep. Totaal in de war doet Mulder dingen die hij nooit had gedacht te zullen doen: hij geeft bij de politie een valse naam op, hij laat een vieze zwerfster in zijn huis, hij maakt een deal met de maffia.
Nooit zal zijn wereld er nog hetzelfde uitzien...


Het boek begint heel tam, ik had geen idee wat de schrijver nu eigenlijk wilde met dit boek. Al gebeurt er veel, toch kabbelt het maar een beetje. Omdat Mulder passief blijft denk ik.
Het verhaal komt pas tot leven op het moment dat Mulder alles wat hem overkomt begint te accepteren, en er zich actief mee gaat bemoeien. Hij kan zich niet langer aan het ware, het echte leven onttrekken, en wil dat ook niet meer.
Dit besef drong pas tot me door toen ik het boek al lang en breed uit had. Ik wil het dus nog een keer lezen, om te weten of ik het anders beoordeel nu.
Maar nog even niet...


Uitgeverij Augustus, januari 2007 Paperback, 219 bladzijden ISBN 978 90 457 0015 1

© Marjo, april 2007

Reageren? Klik hier!

 

Leeftocht


Adriaan van Dis heeft in een zeer lijvig boek, over zijn hele leven - tot nu toe dan - geschreven. Veel ervan is eerder verschenen. Het zijn stukjes, overpeinzingen, complete columns, stukken van en over vroeger, al of niet bewerkt, en stukken van nu. Zijn jeugd in Bergen, die sterk getekend werd door het Indische verleden van zijn ouders, dat ook nog traumatisch was. Ouders geven altijd iets van die trauma's mee aan hun kinderen, en het blijkt wel dat de jongen van Dis zich een buitenbeentje voelde op school en in het dorp. Bovendien was hij enigszins dyslectisch, en al wist hij zich te handhaven door 'gewoon' alles van buiten te leren, ook dat maakte hem 'ánders'.
Er zijn stukken over zijn Grand Tour, over zijn liefde voor Zuid-Afrika en de ontdekking dat voor hem het Afrikaans zoveel duidelijker was dan het Nederlands. Maar ook de ontdekking dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn was.
Natuurlijk vertelt hij ook over Parijs, hoe hij er kwam en waarom hij bleef.


"Misschien houd ik wel het meest van Parijs omdat ik er nooit bij zal horen, hoe ik me ook aanpas. "


Hij zocht en vond er het isolement, hij kon/ kan er een buitenstaander zijn onder de buitenstaanders.
Ook vertelt hij over zijn televisieoptredens en zijn boeken, en daar kennen we hem toch het best van. Dat blijft ook zo na het lezen van dit boek. Ik beken dat ik niet alles gelezen heb, op een gegeven moment ben je verzadigd, maar ik heb niet het gevoel dat de schrijver zich wil laten doorgronden. Ook al herken je thema's en aanzetjes van zijn boeken, er blijft afstand. Zijn goed recht natuurlijk. Ik wil maar zeggen dat het hoewel het een overzicht van een leven is, het geen biografisch boek geworden is.
Een boek dat zich prima leent om nu en dan eens een stukje te lezen.


Paperback | 519 Pagina's | Uitgeverij Augustus ISBN10: 9045700670 | ISBN13: 9789045700670

© Marjo, januari 2008

Reageren? Klik hier!