Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

altSchuim der aarde
Roxane van Iperen


Drie verhaallijnen in dit omvangrijke verhaal dat zich afspeelt in een zinderend heet Brazilië, de stad, de sloppen en het achterland.


Anjo, ongeveer 11 jaar, is opgegroeid in een schuur, ergens op de eindeloze zandvlakte, de sertão, waar hij met enkele andere jongens en een hond zo goed en kwaad als het gaat in leven probeert te blijven. Twee oudere mannen, net zo haveloos en verdoemd als de kinderen, gebruiken hen als slaafjes, louter en alleen omdat ze ouder zijn. Paria’s zijn ze, uitgestotenen, die af en toe bezocht worden door hoeren, die gelukkig wat voedsel meenemen. Anjo heeft het kleine meisje Alma in bescherming genomen, vanaf het moment dat zij gedumpt werd. Honger maakt de verhoudingen scherper. De kinderen vrezen voor hun leven. Als de jongen Alma niet meer kan beschermen, vlucht hij.
Verderop ligt de enorm grote stad, met zijn enorme sloppenwijken, waar de Organisatie het voor het zeggen heeft.


‘Er zit een zekere ordening in de wijze waarop de mensen hier bestaan, gecombineerd met een levenslust (-). De verschillende bairro’s hebben alle hun eigen luitenant met een rits personeel. Onder zijn toezicht wordt alles nauwgezet bijgehouden: infrastructuur, hoeveel bakkers, slagers, fruittentjes, rijstverkopers of hoeren de wijk herbergt. Zijn het er ter weinig, dan worden nieuwe aangewezen. Zijn het er teveel, dan moet een aantal hun activiteiten staken. Zo worden ook de baantjes in de bovenwereld bijgehouden: de naaisters, schoonmakers, kindermeisjes, chauffeurs, schoenpoetsers, hondenuitlaters en strontruimers die iedere ochtend als een eindeloze mierenstoet de berg afdalen, worden volgens strak stramien geregistreerd en gecontroleerd. De lange arm van de Organisatie reikt zelfs tot achter gesloten deuren. Mannen die hun vrouw mishandelen of hun dochters verkrachten, moeders die hun kinderen overdag thuis opsluiten als zij aan het werk zijn: de gevolgen variëren van een waarschuwing tot een doodvonnis. Zeker als iemand de fout begaat het wankele evenwicht binnen de bairro’s te verstoren, of erger nog: tussen de bairrio’s en de bovenwereld, grijpt de Organisatie keihard in.’


Maar af en toe wil de regering een daad stellen en dan pakken zij de Organisatie aan. Daar wordt op een dag het kindhoertje Lucy de dupe van. Zij wordt met vele anderen opgepakt. Lucy en Angelica, haar vriendin, wonen samen. Familie hebben ze niet, ze zorgen voor elkaar.
In een leven als dit is een kind niet welkom. Het wordt vaak meegenomen door Maria, de vrouw die voor mensen uit de stad die een kind willen adopteren hun wens vervult.


Via Maria is er de link met de derde verhaallijn: de agente Elizabet, getrouwd met de hoofdcommissaris van politie die vecht tegen de corruptie in zijn korps. ‘Een vrouw is pas volwaardig vrouw nadat ze heeft geworpen.’ En Elizabet raakt niet zwanger. Ze raadpleegt haar huishoudster, die, zelf afkomstig uit de sloppenwijk, Maria wel kent. Zo komt de jongen Edson in haar leven. Elizabets grote geheim.


Het vertelperspectief van Anjo is de ik-vorm. Zijn verhaal is nog indringender dan dat van de vrouwen, Lucy en Elizabet, over wie in de derde persoon verteld wordt.


De kern van alle levende wezens is overleven. Leven, overleven, hoe dan ook. Een hard bestaan maakt keiharde mensen. Voor de jongens in de sertão telt het leven van een ander nauwelijks, getraumatiseerd als ze zijn.
De drie verhaallijnen grijpen hier en daar in elkaar, en gaan steeds meer in elkaar over.
Niet alleen het verhaal, ook de schrijfstijl kruipt onder je huid. Van Iperen geeft angst een vorm:


‘Ik voel niets, dacht niets, maar tegelijkertijd leek het alsof miljoenen krioelende beesten een weg door mijn aderen zochten. En was niet genoeg ruimte in mijn lichaam. Ik dwong mezelf niet toe te geven aan de neiging mijn huid open te krabben om ze die ruimte te geven. Het gekriebel was gekmakend, ze zaten overal.’

‘Er zit een aap op mijn rug. Ze voelt zijn harige lijf tegen haart wervelkolom drukken, zijn pezige armen en benen strak om haar nek en middel geklemd. Als ze per ongeluk in de spiegel kijkt, kijkt hij over haar schouder mee en ontbloot zijn tanden. (-) Ze voelt hoe de aap op haar rug naar haar nek springt en haar hoofd bijna in haar bord duwt. Zijn vingers graaien aan weerszijden naar haar strot.’


Een keihard gruwelijk verhaal, over een door en door rotte maatschappij, waarin het bestaan nauwelijks nog menswaardig is. Het schuim der aarde, precies.Toch weet Roxane van Iperen enkele personen die zich daar staande moeten zien te houden een gezicht te geven, waardoor je met hen gaat meeleven. En dat terwijl je weet dat je misschien wel net als Elizabet nooit een fooi zou geven aan die zwervertjes die, als je stil staat bij de stoplichten, je ramen schoonpoetsen. En dat zijn dezelfde mensen…
Als een boek iets met de lezer doet, is het een goed boek. En dan is Schuim der Aarde een ontzettend goed boek. Het verplettert je!


Roxane van Iperen
(1976) is jurist, strateeg en publicist. Ze combineert een zakelijke adviespraktijk met onderzoek en publicaties, met name gericht op politiek, bedrijfsethiek en mensenrechten. Zo was ze ook adviseur voor de tv-rubriek Buitenhof en kwam ze min of meer spelenderwijs in de journalistiek terecht. Ze debuteert met dit ijzersterke boek Schuim Der Aarde.


ISBN 9789048824205 | Paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Lebowski | juli 2016

© Marjo, 26 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altRetour Calypso
Matthijs Eijgelshoven


Gozo is een klein eiland dat bij Malta hoort. Als haar vader haar laat weten dat hij ongeneeslijk ziek is, komt Suzy voor het eerst in tien jaar terug op het eiland. Op Malta woont ze samen met Victor. Ze maken allebei schilderijen, en kunnen daar redelijk van leven.

‘De zon verschijnt boven Malta en nu het licht wordt, zie ik Gozo als een zwarte monoliet uit het water steken, en voordat alles wat in dat zwart verborgen zit, helder verlicht wordt, draai ik me om.’


Suzy heeft meer slechte dan goede herinneringen aan het eiland. Haar vader, Alfred, was een dwingeland. Hij stond zijn vrouw niet toe haar eigen leven te leiden. Ze ging er aan ten onder. En Suzy greep de komst van Victor met twee handen aan: wèg wilde ze!


Wat er allemaal in haar verleden gebeurd is, komt in flarden terug. Ze ontmoet mensen van vroeger, bezoekt plekken waar ze eerder was, en ontkomt niet aan de herinneringen aan haar moeder. Ze verbaast zich over het kleine meisje dat ze was, dat zo ijverig haar vader hielp in het restaurant dat hij nog steeds open houdt. Maar natuurlijk had ze als kind geen idee. Ze wist niet van de verlangens van haar moeder, ze had geen idee dat er buiten Gozo meer te ontdekken viel.


Tot haar eigen ergernis valt ze moeiteloos terug in een dienstbaarheid aan Alfred en aan het restaurant. Ze probeert er tegen te vechten. Maar als zelfs een stomme hark herinneringen oproept, als de flessen met drank zoals die in een restaurant staan, haar niet met rust laten, dan wil ze maar één ding: opnieuw verdwijnen. Maar ze kan haar steeds zieker wordende vader niet alleen laten. En ook moet ze dat trauma uit het verleden onder ogen zien.


Het boek zal niet voor niets de titel Retour Calypso hebben meegekregen. Calypso en Odysseus, een van de oude legenden die op dit eiland nog steeds in ere wordt gehouden, speelt waarschijnlijk een rol. Calypso is een nimf uit de Odyssee van Homerus. Zij, woonachtig op Gozo, schonk Odysseus gastvrijheid na zijn schipbreuk. De beminnelijke Calypso beloofde Odysseus onsterfelijkheid als hij bij haar zou blijven. Op het eiland bevindt zich de grot waar Odysseus een tijdlang door Calypso gevangen is gehouden. De grot speelt ook een rol in het verhaal.


Er is natuurlijk de symboliek. De moeder van Suzy voelde zich een gevangene, van haar man, van het restaurant. Net als Odysseus wilde zij weg. Net als Calypso hebben haar man en dochter haar moeten laten gaan. Ook Suzy zelf wilde weg, en wist te ontsnappen. Maar het kind, de jongen Daniël niet. Wie is dat jongetje voor wie een onduidelijke, maar belangrijke rol is weggelegd? Zal Suzy met zichzelf in het reine komen?


In korte hoofdstukken vertelt debutant Eijgelshoven een beklemmend verhaal. Het is fragmentarisch en geheimzinnig. Zoals het leven is, lijkt hij te willen zeggen. Kloppen onze herinneringen wel? De kern van het verhaal is de wens om te ontsnappen aan een benauwend leven. Vrij zijn. Maar wanneer ben je vrij?
Het is meer een verhaal dat vragen oproept dan dat ze beantwoord worden, een droefgeestig, maar mooi verhaal, met mooie zinnen, en een knap in elkaar gewrocht plot. Dat is het enige minpuntje: dat het verhaal soms nogal geconstrueerd aandoet.


Matthijs Eijgelshoven (1975) groeide op in Noordhorn en woont met zijn vrouw en twee zoons in Weesp. Hij studeerde geschiedenis in Groningen, Bilbao en Brighton en werkt als docent Nederlands en Engels in Amsterdam.


ISBN 9789035101012 | Hardcover | 218 pagina's | Uitgeverij Ambo Anthos | april 2001

© Marjo, 20 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altOnder de mensen
Mathijs Deen

‘Boerenzoon zoekt vrouw. Woont alleen. 80 ha.’


Jan is boer. Sinds de dood van zijn ouders zet hij het boerenbedrijf in zijn eentje voort.
Maar het is eenzaam op het (waarschijnlijk Groningse) land, en hij zet in een opwelling de contactadvertentie. Uit de enkele reacties kiest hij Wil, een voortvarende jonge vrouw, die al snel bij hem intrekt. Wat Jan niet weet is dat Wil niet is wie zij voorgeeft te zijn. En dat zij heel bewust er voor gekozen heeft op zijn boerderij te komen wonen, waarbij ze die boer dan maar voor lief neemt. Hun motieven zijn dan ook heel uiteenlopend. Maar ze vinden ieder voor zich hun eigen doel zo belangrijk dat ze bereid zijn er een overeenkomst voor te sluiten: als ze niet met elkaar praten, valt er best samen te leven.


Natuurlijk gebeurt er dan van alles waardoor deze boer en de enigszins getroebleerde vrouw onverwachte keuzes moeten maken. Hun leven kan twee kanten op: ze blijven samen, of ze verklaren hun relatie tot niet bestaand. En ze gaan allebei om eigen redenen voor het eerste..

Onder de mensen doet qua stijl erg denken aan ‘Boven is het stil’. Er heerst een soortgelijke sfeer van zwijgen. De communicatie is minimaal, maar tussen de woorden door wordt heel veel gezegd. De beschrijvingen van het landschap, van de boerderij en de aangrenzende maar veelal onzichtbare zee passen uitstekend bij het verhaal. De uitgestrekte winterse, dus kale velden illustreren de verhouding tussen de twee. De onwil van de vrouw om de nieuwe plantjes die hun kopjes laten zien in de lente, te accepteren, tekent de onwil die zij ervaart bij het maken van haar keuzes.


Het verhaal wordt wisselend vanuit Jan en Wil geschreven, zodat de lezer meer weet dan de personages zelf. Daardoor wordt nieuwsgierigheid gewekt: zal Wil slagen in haar opzet? 
Het onderdeel met de vrieskisten, gevuld met maaltijden, is goed gevonden, want eveneens tekenend voor het verhaal: het verzet van Wil tegen het verleden van Jan. Zij wil een nieuw leven, hij blijft liever hangen in de oude waarden.
Ook de stijl past perfect: heldere zinnen, geen mooischrijverij, maar directe taal.
Mooi ook is de scene in de babywinkel, waar ze schuilen voor een stortbui. Jan weet niet dat Wil zwanger is…


Verbazingwekkend dat dit boek dat immers eerder uitgegeven werd onder de naam Moeder doen ( Passage 1997) toen niet aangeslagen is. - Er is wel een en ander aan gesleuteld. - We hebben hier te maken met een schrijver die we in de gaten moeten houden.


Mathijs Deen (1962) maakt reportages, documentaires en hoorspelen, onder meer voor de VPRO. Zijn verhalenbundel Brutus heeft honger werd lovend ontvangen en genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 2013 publiceerde hij het alom geprezen De Wadden, dat op de shortlist van de Jan Wolkers Prijs stond en waarvan ruim 20.000 exemplaren zijn verkocht.


ISBN 9789400407428 | Paperback | 304 pagina's | Uitgeverij Prometheus | augustus 2016

© Marjo, 2 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altZoutberg
Anne Neijzen


De tachtigjarige Paul van Deelden, gepensioneerde advocaat, zit in een Spaanse politiecel. Hij weet heel goed wat hij gedaan heeft, en heeft er eigenlijk niet zo veel moeite mee dat hij daar zit. Hij wil alleen graag zijn zoon Rebus in Nederland bellen. En hoewel het vanwege zijn zoon is dat hij in Spanje zit, had hij toch niet verwacht dat Rebus meteen zou komen aansnellen. Nog minder had hij verwacht wat het gevolg van zijn daden zou zijn…


In flashbacks lezen we dat zijn komst naar Spanje in tweede instantie het gevolg is van iets wat in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog gebeurd is. Iets wat het leven van zijn vader kostte, en het leven van zijn moeder, zussen en broer ontwrichtte. Paul heeft een enorm schuldgevoel. Maar is hij wel schuldig?
En wat is de rol van Oscar Van Zalingen, ooit zijn bloedbroeder? In de oorlog mocht Paul niet met zijn vriend omgaan, en dat is nooit meer goed gekomen. Toch is Paul nu in Spanje, waar Oscar is gaan wonen. Met een mogelijk nog groter schuldgevoel dan Paul.


‘Bijna zeventig jaar heb ik op hem gewacht. Elke dag. Nu is hij gekomen.’


Hoezo wachtte Oscar op Paul?


Het is een verhaal vol geheimen, die in een verhaal met wisselingen in tijd, plaats en persoon, pas op het einde duidelijk worden. Dat is heel mooi gedaan, Anne Neijzen weet de spanning er goed in te houden. Niet alles wordt opgelost en/of uitgepraat. Er blijft een open einde.


In 2016 stond Anne Neijzen (1963) op de uitgebreide lijst met debuten, maar zij haalde de selectie niet. Toch is haar boek waardevol, omdat zij laat zien hoe mensen zich gedragen en hoe door misverstanden hele levens verpest kunnen worden. Meer specifiek geeft zij aan dat de mensen in de oorlog niet of 100% voor of tegen waren. Zwart-witdenken is niet goed, je kan een ander, maar ook jezelf zo makkelijk benadelen.


ISBN 9789046819357  | Hardcover | 208 pagina's | Uitgeverij Nieuw-Amsterdam | augustus 2015

© Marjo, 14 november 2016

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe koning komt
Mohammed Benzakour


‘Ik wil de zoon zijn  die mijn moeder en vader kunnen liefhebben. Een zoon die geslaagd is in het leven. Een zoon om trots op te zijn. Dit moet ik mezelf keer op keer inpeperen.’


En met deze opdracht die hij zichzelf heeft gegeven trekt de bijna dertigjarige Moebdi naar Marokko, het land van zijn voorvaderen, naar het dorp waar hij geboren is: Ouled Ali. Via Ségangan rijdt de taxi hem ‘in een slingerbeweging langs heuvels vol zwerftasjes’. Die tasjes gaan gaan nog een rol spelen in het verhaal.
Het ouderlijk huis - de piso - staat er nog, en hij neemt er zijn intrek. Het kan niet anders, denkt hij, dan dat hij binnen de kortste keren een bruid heeft gevonden.


Maar dat valt vies tegen. De ene na de andere poging mislukt. Hij begrijpt het niet. Zo lelijk is hij toch niet, en hij woont in Nederland, het land waar de welvaart veel te bieden heeft voor een toekomstige bruid. Nu heeft Moebdi ook wel enkele eisen:


‘Bruidjelief moet lief zijn, ietwat verknipt, dat mag; dat houdt de voorspelbaarheid, het dodelijkste in een huwelijk buiten de tent, tenminste, voor een poos. Bruidjelief geniet enige scholing, ze moet, als ik een ondeugende opmerking maak, het vermogen bezitten tot blozen, ik moet met haar kunnen grollen en dollen, alles uiteraard in het Berbers, ik bedoel, in mijn huis geen Arabisch geleuter! Daar krijg ik hoofdpijn van. Verder is ze van eenvoudige komaf, fris, fruitig, een lichaam zo hard als een bloemknop; ze hecht niet niet veel aan dure kleertjes en sieraden, dat verpest de geest en kost mij uitsluitend bakken vol geld en, niet als laatste, ze is gezegend met een smoel- en achterwerk die uitnodigen tot geslachtelijk verkeer. Tenminste, voor de eerste paar jaar. Verder, een klein gebrek geen bezwaar.’


De enige vrouw evenwel die hij leert kennen is Gadoezj, de ezel van de buurvrouw. Een pratende ezel, die eigenlijk volledig voldoet aan de gestelde eisen. Behalve dan dat lichaam...
Gadoezj waarschuwt hem al: het gaat hem niet lukken aan zijn opdracht te voldoen. En terwijl hij - eigenwijs - toch verder zoekt, leert de lezer Marokko kennen. Niet altijd de mooiste kant in feite, want het landschap, de gewoontes, de corruptie en de schijnheiligheid komt heel duidelijk naar voren. Moebdi is teleurgesteld, en richt dan maar zijn aandacht op de komst van de koning. Hij kan er op zijn minst voor zorgen dat als - if ever - de koning langs stad en dorp trekt, de bermen schoon zijn...


Na Yemma viel dit boek wat tegen. En toch: ik heb het nu een tweede keer gelezen, en dat was helemaal niet erg. Ik houd wel van zijn taal, het bloemige, met dan weer een omtrekkende van de woorden, terwijl hij op andere momenten erg direct is.  Gaandeweg verandert de speurtocht in een zwart sprookje, met een uitkomst die te verwachten was.


Naïef, een dromer, een fantast, een jonge man die niet echt durft, te lafhartig is om er echt voor te gaan. Al die pogingen die hij doet: hij kan op zijn klompen (tenslotte heeft hij dertig jaar in Nederland gewoond!) aanvoelen dat deze manier om aan een vrouw te komen niet zal werken. Ik denk dat hij het ook wel weet. Voor zichzelf lijkt hij het niet belangrijk te vinden, maar hij wil liever niet zijn moeder teleurstellen. Want ja, die moeder hè, in de Marokkaanse cultuur!


Of de koning komt? Dat is dezelfde vraag als: Vindt hij een vrouw?


ISBN 9789044531404  | Hardcover | 381 pagina's | Uitgeverij De Geus | september 2015

© Marjo, 6 oktober 2016

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altKopvoeter
Kristof De Muynck


Op de flap:
Erwin Verschote trekt op een dag weg uit de stad om op het platteland een nieuw leven te beginnen. Hij komt er terecht tussen kleurrijke figuren. Er is Marre, de stugge boerin die hem een kamertje geeft op haar erf, Alma, de genereuze kleermaakster uit het dorp, en Antoine, de gevierde acteur. En dan is er nog Modest, de kopvoeter. Hij is al een maand of drie dood, maar hij becommentarieert nog steeds uitgebreid Erwins leven. Zo komen we te weten dat Erwin niet de vrijbuiter is die hij denkt te zijn. Voor hij het weet is hij de wereld binnengedrongen die zijn vader vlak na de Tweede Wereldoorlog is ontvlucht, een plek vol onverwerkte verhalen en onbeantwoorde vragen. Want wie was bijvoorbeeld Elza en wat is er met haar gebeurd?

--

Kristof de Muynck heeft een bizar verhaal geschreven met prachtige zinnen. Het boek zou zwart zien als je al die schoonheid zou arceren.


‘Nu moest hij zijn voeten eens verzetten om een beetje lucht toe te laten in zijn vochtige rubberen laarzen, waarin hij geen kousen droeg. Zijn verweekte tenen waren witgeblakerd van het dagelijkse schuren in de uitgesleten binnenkant. Zijn weke vel omzwachtelde zijn taaie zwartgerande teennagels. Voor geen geld zou hij ze ooit publiekelijk uitdoen. Een hoer die haar rijlaarzen aanhoudt tijdens het werk’.


Het duurt even voor je begrijpt wat hier in feite verteld wordt. Zoals ook hier:


‘Met de moed die hem ingegeven werd door een mok sterke koffie had Erwin zijn ochtendlijke belagers weer het matras in geslagen – terug naar het vage niemandsland, waar geen wetten of restricties gelden, maar waar je ook niet te lang kunt verblijven. ‘


‘Erwin schouwde haar rammelende geraamte als een beenhouwer die radeloos met zijn alaam tegenover een geatrofieerd stuk wild staat, dat aan het einde van een hongerwinter uiteindelijk toch nog geslachtofferd werd.’
‘De oudste duwde hij op het hakblok, dat net stabiel genoeg was om haar te dragen, en dreef Jan Klaassen door het vleesgordijn haar poppenkast binnen, tot hij het publiek hoort gillen.’


En dan de constructie. Dit stukje begint met een summiere samenvatting, maar het boek is zoveel meer dan het verhaal. De symboliek, de stijlvormen, teveel om op te noemen. Ook op de flap staat de informatie dat deze nieuwe schrijver al vroeg vertrouwd raakte met Homerus, en Ovidius. Dat is duidelijk van invloed op zijn manier van schrijven. En ook op het verhaal. Lees mee met de dode Modest die steeds in cursief lettertype de gebeurtenissen van commentaar voorziet en en passant ook nog in het verleden duikt, zodat we kunnen beginnen begrijpen hoe het verhaal in elkaar steekt. Dat is duidelijk een element uit de klassieken. Zoals het paard en het meisje dat ook zijn.
En de vele metaforen, die met de jacht te maken hebben, in vele betekenissen.
Nee, makkelijk is het boek niet, maar het is ongelooflijk boeiend om te ontdekken wat er aan de hand is. Je moet daarvoor goed tussen de regels door lezen.
Wat is er gebeurd daar op de grens van Veldebeke en Aardegem, dat nu nog zo’n impact heeft op het leven van de bewoners? Kan iemand nog weten wat de waarheid is? En hoe moet je daar dan mee omgaan?


Kristof De Muynck (1970) vindt dat hij kapper, paardenhouder, voormalig kostuummaker, cafébaas, modeontwerper en friturist is, maar schrijver? Dat durft hij nog niet te beweren. Dat mag toch best na een debuut als Kopvoeter, dat immers nog lang nadreunt.


ISBN 9789463101332 | Paperback met flappen | 288 pagina's | Uitgeverij Polis| mei 2016

© Marjo, 22 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altRavijn
Jasper van Buren


‘Het voelde alsof ik zojuist een sprong gemaakt had over een ravijn. Het was alleen onzeker of ik de overkant zou halen.’

Een jong stel komt op Tenerife wonen. Het is 1970, de tijd van generaal Franco.
De ik-figuur, Thomas Verhelst, heeft een baan gekregen bij de Britse firma Santa Cruz Wholesale. De verkoop dus. Bier en toffees. Thomas ontdekt al gauw dat de Spanjaarden er andere ideeën op na houden als het gaat om marketing. Ook blijken de Spaanse normen en waarden anders te zijn. Het begint al op kantoor. Van op tijd komen en afspraken nakomen is nauwelijks sprake.


Met Ramon Trujillo, zijn Spaanse collega, is vanaf het begin de omgang enigszins problematisch. Dat wordt erger als Thomas diens vrouw Nuria wel ziet zitten. Ook Thomas’ partner, Jet, is daar niet van gecharmeerd natuurlijk. Zij heeft het toch al moeilijk: in Spanje hoort een vrouw thuis, met haar kinderen en huishouden. Zij heeft niets te doen, en haar poging een dansschool op te zetten wordt niet gewaardeerd. Thomas daarentegen lijkt zijn weg wel te vinden. Het doet hun relatie geen goed.


Niet alleen het Tenerife van 1970 speelt een rol in het verhaal, ook Rotterdam, de stad waar Thomas geboren is, waar zijn vader een oorlogsheld was, en waar Thomas kennis maakte met het ruige leven.


‘Rotterdam, jij desolaat wederopbouwgedrocht dat ik met hart en ziel verdedigd had tegen Leidenaren die je het liefst in de achteruitkijkspiegel zagen, tijdens het bombardement op je centrum werd ik geboren, gelukkig ver buiten het bereik van de Heinkels in kakkineus Hillegersberg.’


Het verleden van Thomas met de verstoorde relatie tot zijn ouders, vooral zijn vader, speelt een steeds grotere rol. Thomas moet constateren dat hij niet zo veel anders is dan zijn vader en dat bevalt hem niet.


Deze debuutroman smaakt naar meer. De soms staccato-achtige stijl geeft swung aan de tekst, en terwijl er geen woord teveel staat, zijn er toch soms die mooie treffende vergelijkingen.


Jasper van Buren
(Schiedam, 1970) studeerde rechten aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is al jarenlang werkzaam als copywriter bij reclamebureaus. Zijn interesse in film, literatuur en alles wat niet Nederlands is, is direct terug te vinden in zijn werk. Ravijn is zijn debuutroman.
En bekijk de mooie omslag...


ISBN 9789492241115 | paperback | 168 pagina's | Uitgeverij Magnolia| september 2016

© Marjo, 24 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altAantekeningen van een hulpweigeraar
Rogier Vogelenzang

Op een bovenwoning in de Amsterdamse Pijp woont Albert, een oudere man op leeftijd met zijn zieke vrouw, Hanni. Hij heeft nauwelijks contact met andere mensen, alleen met de buurvrouw praat hij wel eens. Met andere buren is er ruzie, omdat de man zwerfkatten aantrekt, die overlast veroorzaken. Albert is degene die het verhaal vertelt, het zijn zijn eigen aantekeningen die we lezen. En als er ooit een onbetrouwbare verteller was, dan is het deze man wel.

De lezer begrijpt al snel dat het niet goed gaat met zijn vrouw, dat ze wel dood moet zijn, maar Albert spreekt dat woord niet uit. Hij wikkelt haar in plastic folie en een tapijt en sjouwt daarmee van bed naar bank, en – om te voorkomen dat mensen, die toch er in slagen bij hem binnen te komen, haar zien – naar een verborgen ruimte. Hij vertelt over het verleden, over de oorlog, onderduikers die er waren. Over de abortus waartoe hij zijn vrouw – toen nog niet zijn vrouw overigens - gedwongen heeft, en langzaam wordt duidelijk hoe het leven van deze twee eenzame mensen er uit moet hebben gezien. Een triest leven.

Terwijl de stad en ook de straat waar hij woont, te maken krijgt met krakersrellen, en hij steeds verder in een zelfverkozen isolement komt te verkeren, houdt hij zichzelf voor de gek en blijft praten met Hanni. Dan ziet hij een vrouw terug wiens moeder bevriend was met zijn vrouw. Bij de weigering het heden onder ogen te zien, komt nu ook een verleden tevoorschijn, dat hij eveneens deels verdrongen heeft.

Ergens las ik: ‘Ons geheugen heeft een functie als een prullenbak: iemand kan zijn traumatische herinneringen eenvoudigweg uit zijn geheugen wissen, of ze opschonen om ze dragelijk te maken, zoals een witte bloedcel een virus aanvalt dat het lichaam is binnengedrongen.’


Dat is wat Albert doet, maar hij raakt steeds verder verstrikt in zijn paranoïde wanen, zijn hallucinaties, zijn weigering de feiten onder ogen te zien. Kost wat kost wil hij voorkomen dat hulpverleners zijn huis binnen komen. Het eigenaardige is dat hij zich tegelijk staande weet te houden voor en in de buitenwereld. Hij is in staat om zichzelf anders voor te doen, zich als het ware te vermommen om een normale indruk te maken op de jonge vrouw Ruth.

Een verbijsterend verhaal, waarin het verval van een mens duidelijk getekend wordt.
Rogier Vogelenzang (Hengelo, 1954) is huisarts, was docent aan de huisartsenopleiding van het AMC en was lid van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam. Hij weet waar hij het over heeft, maar om dat aannemelijk op te schrijven is nog iets anders. Dat is helemaal gelukt!

ISBN 9789025446833 | paperback |465 pagina's | Uitgeverij Atlas/Contact| april 2016

© Marjo, 15 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Stromen die de zee niet vinden
Verhalen
Rob Verschuren

Wereldliteratuur


Het lezen van Stromen die de zee niet vinden van Rob Verschuren, een Nederlandse schrijver die al geruime tijd in Vietnam woont, is een bijzondere ervaring. In elf verhalen raak je verzeild in uiteenlopende werelden.


De reis begint in een schroevenfabriek, die ontwaakt ‘als een beer uit zijn winterslaap,’ waar de verteller droomt van verre kusten. In het volgende verhaal rijden we mee naar ‘het donkere land,’ een mysterieuze streek in Frankrijk. De hoofdpersoon zit naar De Vos, een oudere local, te luisteren wanneer dit gebeurt: ‘In het raam achter De Vos verscheen de kop van een grote hond, harig en haveloos en woest. Een barbaarse bedelaar bedekt met het stof van de steppe. Het beest keek de gelagkamer rond. De trage blik achter het raam had iets droevigs en berustends, alsof hij wist dat hij niet zou vinden wat hij zocht.’
Niet vinden wat je zoekt, zoals het meisje Joe dat eigenlijk Hong Hanh heet, en aanvankelijk tierig het leven in springt, of een ander niet bij name genoemd meisje dat teleurgesteld in haar liefde uiteindelijk een ander soort troost ervaart.


Met deze verhalen reis je niet alleen over de aardbol, maar ook in de geest. Ze brengen je dicht op de huid, hier en daar onder de huid van mensen in Vietnam, India, Nederland, Frankrijk. De schrijver zoemt in op gedachten en emoties van een personage, en stijgt naar de omgeving, de natuur en de stad en dat alles op een moeiteloze, soepele manier. Zoals in Krabnevel, dat ergens op zee begint met twee krabben die opgevist worden onder de sterren, twee mensen die elkaar ontmoeten en verliezen gekoppeld aan de geschiedenis van twee identieke eettentjes tegenover elkaar waar uiteindelijk het krabbenpaar opgediend wordt onder een stralende Krabnevel in de sterrenhemel.
Het is zo zintuiglijk geschreven dat je de smeerolie in de fabriek ruikt en de cantharel in het sparrenbos, de zachte zeegolfjes aan je voeten voelt en nu eens het mompelen van een gevangene hoort, dan weer hemelse lijsterzang.
De reis ontvouwt een historische dimensie in ‘Nieuwe maan,’ waarin drie vrouwen die na de Vietnamoorlog een opvallende keuze gemaakt hebben, terugblikken op hun leven.


Veelkantig, gelaagd proza dat het bijzondere van onbekende mensen, de magie van het alledaagse tot leven brengt. Universeel. En dat alles geschreven in een stijl die doet denken aan Luceberts woorden: ‘ik tracht op poëtische wijze / dat wil zeggen / eenvouds verlichte waters / de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen’.


Wereldliteratuur.


ISBN 9789062659456 | Paperback | 174 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | 16 november 2016
Extazereeks 3 (een serie debuten van talentvolle auteurs die eerder in het literaire tijdschrift Extaze publiceerden)

© Yolande Belghazi-Timman, 28 december 2016

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet smelt
Lize Spit


De ouders van Eva hebben besloten naar een dorp onder de rook van Antwerpen te verhuizen, het is een gemeenschap waar iedereen iedereen kent. Eva is in 1988 geboren, en in datzelfde jaar zijn er slechts twee andere borelingen, twee jongens. Pim is een boerenzoon, Laurens de zoon van de slager. Met z’n drieën vormen ze een soort bijklasje, ze hebben een uitzonderingspositie. Dit feit zorgt er voor dat de drie, huns ondanks, een hechte groep zijn, de drie musketiers.


De ouders van Eva blijven buitenstaanders, zij zijn nauwelijks op de hoogte van de dorpsroddels, en ook niet van de wereld van hun kinderen. Eva’s vader werkt in Antwerpen, haar moeder is alcoholist. Er zijn nog twee andere kinderen: Jolan, een oudere broer, en Tesje, het jongere zusje, dat vernoemd is naar de bij de geboorte overleden tweelingzus van Jolan.


Het verhaal begint met een uitnodiging: Pim viert de opening van een geautomatiseerde melkstal, en doet dat op de dag dat zijn overleden oudere broer 30 geworden zou zijn. Eva woont dan al jaren in Brussel, en heeft met niemand uit het dorp nog contact. Jolan en Tesje hebben het dorp ook verlaten, al is het onderlinge contact niet intensief, contact is er wel. Eva twijfelt: moet ze op de uitnodiging ingaan?


Er zijn blijkbaar heel veel redenen om dat niet te doen, maar die kent de lezer nog niet.  Terwijl verteld wordt over de reis die ze dan toch onderneemt – met een blok ijs in de achterbak – gaan we terug in het verleden.
Niet alleen door bovengenoemde omstandigheden was ze overgeleverd aan de twee jongens, ze was ook een halve jongen, en werd door de meisjes uit het dorp niet geaccepteerd.


“Ik keek naar de lange paardenstaarten die afwisselend de ene en de andere schouder aantikten, de nagels zonder modder, de smalle dijen onder de rokjes en wist: deze meisjes hebben hun hele leven met meisjes opgetrokken. Zij zijn fijn geslepen. Ik niet, ik heb een botte punt.’


Bij haar ouders vond ze geen weerklank, maar ze hielden haar ook nauwelijks in de gaten, zo druk hadden ze het met zichzelf en hun slechte huwelijk. Eva’s vader had in de schuur een strop hangen, en op een dag liet hij Eva zien hoe hij die eventueel zou kunnen gebruiken. Eva’s moeder had overal verstopplekjes voor flessen wijn in de veronderstelling dat niemand het wist. Ze zagen niet hoe ernstig de dwangstoornis en anorexia Tesjes leven bedreigde. Als het niet goed gaat met Tesje zijn het haar broer en zus die actie ondernemen!  Als niemand op de kinderen let, dan moeten zij het zelf wel doen...


‘Vertellen wat ik voelde, wat ze wilde horen, kon ik niet. Indien de dingen die ik kwijt wilde elders heen konden, dan had ik ze in eerste instantie ook niet moeten ondergaan.’


Ook Pim en Laurens hadden drukke ouders, en zo kwam het dat de enige die een klein beetje wist waar de drie mee bezig waren, Laurens moeder was. Als slagersvrouw is zij de spil, zij zorgt er voor dat iedereen overal van op de hoogte is, zij is een bron van roddel. Heeft zij beseft dat er iets fout liep? Waarom greep ze dan niet in?
Want als de drie jongeren in de puberteit komen, gebeuren er dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. De zomer van 2002 begint met de geheimzinnige dood van Jan, de oudere broer van Pim, om te vervolgen met wrede puberspelletjes die flink uit de hand lopen.


Er hangt een verstikkend sfeertje in het dorp. En in het boek. De scherpe blik van Eva zorgt er voor dat de lezer begrijpt wat er gebeurt, en tegelijk ook accepteert dat zij er niets mee aan kan vangen. Hoewel de gebeurtenissen in mijn ogen ongeloofwaardig zijn, en ik hoop dat het dichterlijke overdrijving is,  is het drama er niet minder om. Wat gaat Eva doen, nu ze terugkeert naar het dorp? Waarom heeft ze dat blok ijs meegenomen? Als we de link leggen, is er meteen de gedachte: ja, natuurlijk. Maar de spanning blijft er lang in. Verbijsterd blijft de lezer achter als de idylle van het dorpsleven uit elkaar spat.


Lize Spit (1988) is overduidelijk Vlaams, hetgeen niet hindert. Ze schrijft met vaak mooie zinnen, treffende opmerkingen, in een tempo dat je noopt door te lezen, terwijl de karakters duidelijk getekend worden.
Een coming-of-ageroman met autobiografische elementen. Een debuut dat de verschijning van een tweede boek  spannend maakt.


ISBN 9789082410662  | Hardcover |407 pagina's | Uitgeverij Das Mag| januari 2016

© Marjo, 17 oktober 2016

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe kale kaketoe
Anouk Brusse


Aimée de Lange is kunstenares. Alleen verkopen haar schilderijen niet echt, dus moet ze haar brood op een andere manier verdienen. Bij een telemarketingbedrijf leert ze Alba leren kennen.
Aimée was er webdesigner, Alba de vriendin van de baas. Die baas Jack, is een knurft van een vent:


’Jack Veldman, sjacheraar, Hagenees in hart en nieren, ex-miljonair en oud-casinobaas, die na het zoveelste faillissement op zijn 61ste weer opnieuw was begonnen, dit maal in de wereld van telemarketing. Hij had de sociale vaardigheden van een neanderthaler met een slecht functionerende frontale hersenkwab, maar zijn zwartgallige, grove humor maakte voor mij veel goed.’


‘Alba Bonell de Morene was een beetje de Spaanse Patricia Paay. Ze was achter in de vijftig, maar dat zou je haar niet geven, blond, goed gekleed, charmant, petite met een vet Spaans accent dat haar gebrekkige Engels uiterst komisch maakte.‘


Als Alba haar uitnodigt om op haar zestigste verjaardag te komen, in Barcelona, besluit Aimée, nu ze weer alleen is na een relatie van veertien jaar, in een opwelling naar Spanje te gaan.  
Alba vraagt diverse malen om hulp als haar geliefde, Jack dus, het weer eens te bont maakt. Aimée twijfelt of ze wel iedere keer te hulp moet komen, ze waarschuwt Alba steeds weer, zonder dat die luistert. Maar Alba is haar opening naar Sophie, een vrouw die Aimée in Barcelona heeft leren kennen en op wie ze stapelverliefd is geworden. Ze probeert het uit te leggen aan haar vader, die zwaar ziek in Nederland is achtergebleven.


‘Denk je veel aan haar?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Weet ik veel. Ja. Wil ik wel niet, maar ik zit ondertussen wel elke dag als een achterlijke stalker op haar Facebookpagina te kijken.'
‘Wat is een Facebookpagina?'
‘Een pagina op een sociaalnetwerksite.’ Hij keek me niet begrijpend aan. ‘Doet er ook niet toe, het is belachelijk,’ riep ik verontwaardigd. ‘Ik kan me haar gezicht niet eens herinneren, ik weet niet eens meer of ze in het echt op haar foto lijkt! Alleen maar omdat er één stom momentje was waarop ik naar haar keek en...
’Ik maakte de zin niet af.
‘En wat?’
Ik zuchtte.
‘Het was alsof ik dwars door haar heen keek. Zonder muren. Ik zag...’
‘Haar ziel?’

De bladspiegel van deze roman is wat vreemd. Blokken zinnen springen soms raar in, en er staan helaas ook spel- en tikfouten in de tekst. Het verhaal had hier en daar wel wat beknopter gekund, er zijn ook hele mooie stukken tekst, leuke typeringen en spitse dialogen. De mensen in de omgeving van Aimée zijn opportunisten, ze liegen en bedriegen er op los als hen dat uitkomt. Het valt niet mee voor onze hoofdpersoon om daar mee om te gaan. En als je dan weet dat ze zich net uit een depressie heeft geworsteld, is het de vraag welke wending ze aan haar leven zal geven. Klautert ze - net als de kale kaketoe van haar vader - steeds weer omhoog als ze weer eens teleurgesteld is? Dat is de vraag waar het om draait, en het antwoord is de reden waarom je doorleest, dat wil je weten!


‘Wij mensen hebben verwachtingen. Van het leven, van andere mensen. Van papegaaien. Maar soms zijn dingen gewoon wat ze zijn. Je kunt niet meer doen dan je best.  De rest moet je loslaten.’
‘Dus volgens jou is het leven eigenlijk een kale kaketoe.’


Anouk Brusse (1972) studeerde Engels en Publicistiek, zij was onder andere regisseur, vertaler/bewerker, dramaturg maar is nu vooral bezig als kunstenares. Zij baseert het verhaal van haar eerste roman op haar eigen leven.


ISBN 9789402152111| paperback |193 pagina's | Uitgeverij Brave New Books | juli 2016

© Marjo, 30 september 2016

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER