Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

Bang voor de liefde
Niek Bremen

‘Ik vraag mij af,’ zei ik, ‘waarom ik de plank missla in de ogen van mijn ouders. Waarom treitert en pest mijn vader mij voortdurend zonder enige aanleiding?’


Andreas van Hechtel, de zevenenveertigjarige ik-verteller van dit boek, is naar Texel gegaan om op advies van een psychiater op papier te zetten wat hem dwars zit. ‘vertrouw de narigheid aan papier toe en steek het in de fik.’ zei die.


Andreas' jeugd heeft hem opgezadeld met het onvermogen zich te uiten, iets waar zijn vriendinnen op afknappen. Dit is waar de titel vandaan komt natuurlijk, maar dat is enigszins misleidend. Als Andreas zijn ‘memoires’ op gaat schrijven, wordt het verhaal veel meer om een zoektocht naar identiteit. Een deel van wie je bent is natuurlijk wel bepalend voor de mate waarin je kunt liefhebben, of aanvaarden dat men je liefheeft, maar het is niet alles. Dus ook niet in deze roman.


Andreas groeide op als zoon van een Duits echtpaar. Dat dacht hij tenminste. Bij hen opgroeien deed hij wel, maar hun zoon was hij niet, ontdekte hij toen zijn ouders overleden waren. Zijn vader was een sadist, en zijn moeder, die als een huisslaaf behandeld werd door haar man, reageerde zich af op de jongen. Ook de huishoudster was niet aardig tegen hem.
Als het hem eenmaal gelukt is uit de invloedssfeer van zijn ouders weg te komen, probeert hij zijn eigen leven op te bouwen. Maar waarom lukt het hem niet, een leven te leiden zoals de meeste mensen dat lijken te doen?


Andreas wil weten wie hij is, nadat hij de ontdekking heeft gedaan dat zijn jeugd een leugen was. Iemand die niet goed met zijn ouders overweg kan, wil graag denken dat hij een koekoekskind is. Als blijkt dat Andreas dat ook echt is, staat hij voor de keuze: de schier onmogelijke zoektocht naar wat zijn echte wortels dan zijn, of zich erbij neerleggen, accepteren dat hij ‘gewoon’ Andreas is, gevormd door zijn jeugd. Daar heeft hij hulp bij nodig. Hij begeeft zich naar het FIOM (instelling die zich bezig houdt met afstammingsvragen).


‘Theehuis rook naar sigaretten.
In de spreekkamer trok hij een elastiekje van mijn verborgen verleden. Met zijn dikke vingers testte hij de trekkracht van de gummi.
‘Heeft u nog informatie kunnen achterhalen?’
>‘Neen, ik ben onterfd en mijn tante is in een verpleeghuis opgenomen.’
Het elastiekje knapte.
‘Het onderzoek heeft geen nieuwe gegevens aan het licht gebracht. Waarschijnlijk een illegale adoptie. Het is afschuwelijk om niet te weten waar je vandaan komt en bij wie je hoort. Wilt u psychische hulp?’
Ik heb mijn streepjespak al uitgetrokken,’ zei ik, ‘en dat voelde als een bevrijding.’


Wat misschien beter werkt dan het opschrijven van zijn herinneringen, is het leven dat hem op Texel wacht. Zijn huisbaas en diens broer, met ieder een absurde levensstijl, de uitbaatsters van het plaatselijk café, Andreas ondergaat het allemaal, zoals hij altijd alles onderging. Als dan ook nog Maurits, zijn jeugdvriend, naar Texel komt met zijn eigen sores, en het leven een andere wending neemt, moet Andreas een besluit nemen.
En hij schrijft het allemaal op.


Het is wat wij lezen. Absoluut geen zware kost, Bremen schrijft in een frisse stijl met lichte ironie. Er is een afwisseling van heden en verleden, flashbacks en het enigszins bizarre leven op Texel door elkaar, met humor op zijn tijd en een vraag voor wie dat wil. Want wie zijn wij nu eigenlijk?


Niek Bremen (1947) publiceerde in meerdere verhalenbundels, zoals 24 verhalen (2013), Onveranderd Anders (2015), Wilde flora (2016), Uit & Thuis In Sittard (2018) en in het literair tijdschrift Extaze (2018).
Bang voor de liefde is zijn veelbelovende debuutroman.


ISBN 9789062657490 | Paperback | 264 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | april 2019

© Marjo, 29 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een heldenleven
Persis Bekkering


Wie is die man, Igor met een kleine i? Als hij opduikt in het leven van violist Adrian beseft deze laatste nog niet dat die andere violist zijn leven om zal gooien. Hij merkt igor op als die met verve muziek staat te spelen in de hal van het hotel waar het orkestgezelschap logeert. Maar het stuk dat de man speelt, dat is de solo die Adrian zelf moet spelen: Ein Heldenleben van Richard Strauss!
Adrian constateert dat het vlekkeloze statische spel dat de man produceert het publiek begeestert inclusief hemzelf.


‘Perfect getraind, maar zonder moed (…). Spelen zonder de bodem te laten zien, zoiets was het. Zonder verleden, zonder aangekoekte resten, eeuwig nu, eeuwig zonde.’


Het orkest is een week op tournee in Italië, een week waarin Adrian en igor met elkaar optrekken. Igor is anders, een multitalent. Hij kan alles, vertelt hij zonder te snoeven. Alleen in de liefde is hij mislukt. Het is hem niet gelukt dat ene meisje dat hij wilde te veroveren. ‘Ze was te mooi’.
De twee violisten ontdekken dat ze elkaar nog wel het een en ander kunnen leren, hoe goed ze allebei ook al zijn. Voor Adrian heeft de ontmoeting met igor grote gevolgen. Hij vraagt zelfs zijn ex naar Italië te komen, terwijl hij had gedacht haar nooit meer te zullen zien. En Sterre komt…

In een tweede deel gaan we zeven jaar terug in de tijd. Dan is een jonge vrouw het vertelperspectief. Kiriko is beeldend kunstenares, die als zovele kunstenaars dat perfecte kunstwerk wil maken. Het lukt maar niet, en de ontmoeting met igor helpt ook niet echt.


‘Kiriko’s verlangen naar kunst die uit zoiets als een kern voortkwam, een innerlijk vuur, noodzaak, was bovendien een romantische gedachte, en romantische zielen hadden iets belachelijks gekregen, ze waren naïef, of erger: serieus.’
‘Ze had een nulpunt bereikt. Een eind of een begin, met de nul weet je het nooit.’


Is kunst wel gebaat met perfectie? Is het niet juist zo dat het streven naar volmaaktheid de echte kunst de nek omdraait?
In deze ideeënroman stelt Persis Bekkering die vraag. En er is meer: want als iemand perfect wil zijn, wat voor invloed heeft dat dan op zijn eigen leven en dat van de mensen om hem heen?
Een antwoord is er natuurlijk niet, maar genoeg stof tot nadenken waarbij zij zich terzijde laat staan door verwijzingen naar schrijvers als Mulisch en Dante.
Het eerste deel over Adrian boeit meer dan het deel waarin Kiriko de hoofdrol heeft, waarschijnlijk omdat de eerste duidelijker neergezet wordt als een mens buiten zijn muziek om, waar Kiriko meer de kunstenares is.
Het is wat onduidelijk, maar in feite is igor met een kleine i de hoofdpersoon van allebei de delen. Hij is de man die het leven van zowel Adrian als dat van Kiriko op stelten zet. Hoe hij daar zelf uitkomt is de grote vraag. Want igor wil perfectie, op vele terreinen.

Persis Bekkering (1987) heeft Klassieke talen en Literatuurwetenschappen gestudeerd. Ze schrijft columns over klassieke muziek in onder meer De Volkskrant en ze interviewt schrijvers voor verschillende festivals en talkshows. Een heldenleven (2018) is haar debuutroman.


ISBN 9789044631500 | paperback | 248 pagina's | Uitgeverij Prometheus | januari 2018

© Marjo, 19 mei 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De weinigen
of het verhaal van de bankier in de buik van het beest
Lucas Hirsch


Het verhaal begint bij het einde, het is 2009.
Jonas Staal zit in zijn eentje in zijn woning. Hij dwingt zichzelf te gaan zwemmen in het buitenbad ‘omdat hij toch niets te doen heeft’, en eigenlijk toch wel af wil van dat buikje dat ontstaan is tijdens zijn kantoorbaan. De lezer begrijpt wel dat die baan er niet meer is, maar wat er precies gebeurd is wordt pas in de volgende hoofdstukken uit de doeken gedaan.


‘Niets is wat het lijkt.’
‘En jij weet wèl hoe de hazen lopen?’ zei ik vol ongeloof.
‘Als een van de weinigen. Het is mijn taak dat te weten. En de jouwe.’ Hij verzette zich en steunde met zijn ellebogen op tafel.
‘Wanneer je zo lang meeloopt als ik, dan weet je niet alleen hoe de hazen lopen, je wordt ook degene die ze aanstuurt. Die de lijnen uitzet, viert en straktrekt.’


Twee jaar eerder: Jonas is net begonnen in een nieuwe baan, als Intelligence Officer bij een bank op de Zuidas. Al snel wordt een overname aangekondigd waar hij een goede plek zal krijgen. Helaas wel met als baas die man die hem wel kan schieten: Martin.
Aanvankelijk wordt er nog gesproken over diefstal van laptops die door de onachtzaamheid van het eigen personeel voor het grijpen staan voor schoonmaakpersoneel, wat natuurlijk niet gewenst is, maar al snel krijgt Jonas een heel andere opdracht: Hij moet onderzoek doen naar de banden van de Nederlandse overheid bij een Palestijnse bank. Het geanonimiseerde rapport valt goed bij de opdrachtgevers, en een volgende opdracht volgt.


Intussen ziet Jonas met verbijstering hoe een CEO een flinke gouden handdruk krijgt, terwijl anderen hun ontslag krijgen. Er iets van zeggen valt natuurlijk niet best.
Een onderzoek naar bepaalde mensen die eveneens werkzaam zijn binnen het bankwezen zal hem opbreken. Een van de personen die hij moet nagaan was een studievriend van hem en hij probeert hem uit het oog te houden. Helaas lijkt zijn tegenstander slimmer dan hij en doet hij zijn best om te verhinderen dat Jonas ‘een van de weinigen’ wordt.


Jonas was op dat moment nog getrouwd met Evi, maar de sfeer werd thuis steeds slechter, en na een bedrijfsuitje leest Evi bepaalde e-mails en besluit dat het voorbij moet zijn. En zo komt het dat Jonas nu alleen zit. Maar hij zint op wraak…


In een vrij droge stijl, met korte zinnen en dialogen die to the point zijn - hetgeen natuurlijk helemaal bij het onderwerp van de roman past - schetst Lucas Hirsch de bankwereld op zo’n manier dat je na het lezen geen enkele vertrouwen meer hebt in de financiële wereld.
Je voelt hoe Jonas tegen zijn zin steeds meer aangetast wordt in zijn integriteit, hoe hij dan maar meegaat met de stroom. Ook al weet je vanaf het begin dat het fout zal lopen, je leest met verbijstering  hoe dat wereldje in elkaar zit.


De Weinigen is de debuutroman van dichter Lucas Hirsch. Hij heeft zelf een tijd bij een bank gewerkt en putte voor dit boek uit zijn ervaringen. Dat er autobiografische elementen in verwerkt zijn blijkt uit een hoofdstuk waarin verteld wordt over de studietijd van de hoofdpersoon. En Kat Boef, zijn eigen kat, krijgt ook een rolletje…
Het boek heeft een grappige cover: een man met de munten voor zijn ogen!


ISBN 9789062656141 | Paperback | 203 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | februari 2019

© Marjo, 30 april 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Uiterste dagen
Ferdinand Lankamp


Een goede raad voor de lezer die bij het lezen van de eerste pagina’s wat moeite heeft met de sombere sfeer en de enigszins archaïsche taal: lees vooral door: u wordt op het verkeerde been gezet!


Bij het openslaan van het boek stuit je op kaarten van Scandinavië, en dan tweemaal ingezoomd, met op de laatste kaart de plaats waar we beginnen: het zuidwesten van Finland, de regio Österbotten aan de Botnische Golf. Het gebied is tweetalig: de bevolking geeft de voorkeur aan de Zweedse taal. In 1940, de tijd waarin dit verhaal speelt was dat nog sterker het geval.


‘Hoe meer Zweeds bloed, hoe beter. Vergeet niet dat het de Zweden zijn geweest die Finland gemaakt hebben tot wat het is. Zonder de Zweden waren de Finnen nog altijd heidense stammen geweest. Zie maar hoe de aanverwanten van de Finnen in het Oosten leven. Totaal verstoken van elk idee van beschaving.’


Finland ontkomt niet aan de Tweede Wereldoorlog. De Russen zijn binnengevallen in het Oosten, regio Karelië. Op de boerderij van Edvard Haga arriveert een bekende die niet erg welkom is. Edvard weet namelijk wat hij komt doen, hij heeft samen met die officier in de Eerste Wereldoorlog gediend. Zijn angst wordt bevestigd: er worden paarden gevorderd. Ook zijn beste paard moet hij inleveren. Kapitein Falander gaat nog verder: hij vraagt de boer om mee te gaan met het transport. Edvard stemt toe maar het loopt niet allemaal naar wens.


Dan is daar ineens die sprong in de tijd. De taal wordt vloeiender, directer. Het is 1989, en de ik-figuur die aan het woord is, is ook de verteller van het eerdere verhaal. Nu vertelt hij over zijn onderzoek naar dat verleden, zijn eigen familiegeschiedenis, en over de bedenkingen die hij heeft bij het vertellen van het verhaal.
Als je verslagen moet interpreteren die in vroeger tijden door anderen geschreven zijn, weet je nooit hoe het staat met het waarheidsgehalte. Degene die schrijft doet dat bovendien vanuit zijn eigen mensbeeld, inherent aan de tijd waarin hij leeft.


‘In mijn ervaring aanvaarden de meeste historici impliciet dat hun lezing van de bronnen nu eenmaal gekleurd is door hun tijdgebonden mensbeeld, en daarmee onoverkomelijk subjectief. Ze gaan er misschien van uit dat mensen de gebeurtenissen en overwegingen in hun leven tot een verhaal maken; maar in de praktijk is het vaak onmogelijk om te achterhalen wat voor verhaal, laat staan waarom nu juist dat verhaal.’


Dat waar de ik-figuur mee worstelt, is min of meer hetzelfde als waar boer Edvard mee worstelt: in hoeverre mag hij zich laten leiden door het verleden? Is het überhaupt mogelijk dat hij zijn eigen keuzes maakt?


De constructie van deze roman is wat wonderlijk. Was je als lezer begonnen aan een ‘gewoon’ historisch verhaal over een Fins boer in 1940, ineens word je gedwongen na te denken over het waarheidsgehalte. Kun je conclusies trekken uit een landschap dat je in het heden ziet, en waar dat verleden zich heeft afgespeeld? Zijn brieven een weerspiegeling van de werkelijkheid? Kun je karakters van personages van toen ooit echt doorgronden? De schrijver beschrijft zijn personages immers vanuit zijn eigen ideeën!
Als je dan weer terug gaat in de tijd, lees je met een compleet andere insteek.
Dat maakt het lezen van deze roman tot een boeiende leeservaring!


Uiterste dagen is het originele debuut van Ferdinand Lankamp (Voorschoten, 1989).


ISBN 9789025449162 | Paperback | 220 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | februari 2019

© Marjo, 25 maart 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Droog
Robert van Oirschot


De jaren twintig van de vorige eeuw, ook wel de roaring twenties genoemd, was een periode waarin men als reactie op de ontberingen van de eerste wereldoorlog van het leven wilde genieten.
Charles Ruys de Beerenbrouck was sinds 1918 minister-president in een tijd dat een groot deel van het kabinet ijverde om de Olympische Spelen naar Amsterdam te halen. Het zou de economie goed doen. De christelijke partijen vonden het maar niets, er zou op zondag gesport worden en er zouden vrouwen mee doen!


‘De Olympische Spelen zijn in oorsprong en wezen heidensch. In niet één gereformeerd bestuurd land zijn ze ooit gehouden.’


Het gekonkel om tenslotte de Spelen binnen te halen - in 1928 - heeft echt plaatsgevonden.


Intussen was in de Verenigde Staten in de jaren 20 de drooglegging ingevoerd. Productie, verkoop en transport van consumptieve alcohol werd verboden. Het drinken van alcohol niet overigens. In Nederland ging men niet zo ver. Wel was er een drankwet (de plaatselijke handel in wijn en bier zou wettelijk geregeld worden) opgesteld in 1904, die in 1931 aangepast werd: gemeenten mochten zelf bepalen hoeveel drankverkooppunten er in hun stad mochten zijn.


Tegen deze achtergrond schreef Robert van Oirschot een intrigerende roman, waarbij het lastig is feiten van fictie te onderscheiden.
De hoofdpersoon van een van de verhaallijnen, Stouenbergh, is evenwel fictief. Hij is een senator van de SDAP, en hij probeert in navolging van de Verenigde Staten in Amsterdam drooglegging voor elkaar te krijgen. Het wordt een spelletje waarbij inderdaad de Olympische Spelen de inzet zijn.


In de andere verhaallijn ontmoeten we Antonie Donkers, een straatkind in de Jordaan. Samen met zijn vriend Johan scharrelt hij door het leven. Hij lijkt een veelbelovend bokser en ontmoet in die hoedanigheid Bep van Klaveren (de levensechte kampioen in de klasse vedergewicht bij de Olympische Spelen in Amsterdam in 1928). Maar terwijl Van Klaveren een echte carrière in de bokswereld beleeft, is het personage in de roman een ander lot beschoren. Hij raakt in de problemen bij een poging het straatleven vaarwel te zeggen en een fatsoenlijk leven te leiden.


Als Antonie hoort over de plannen voor de drooglegging ziet hij meteen een lucratieve handel. Hij en Johan werken samen met Henry Pierre Heineken (levensecht).
Hun handel loopt als een tierelier, ook al zijn er schermutselingen met andere ‘bendes’ in de stad.
Antonie had graag Helena, de liefde van zijn leven, naast zich gehad, maar zij is afkomstig uit een ander milieu en klimt hoog op de sociale ladder. Toch verliezen ze elkaar niet uit het oog.
Als de Drogekelenwet op springen komt te staan moet Antonie veel problemen het hoofd bieden.


Deze roman is een mengeling van fictie en waarheid waarbij een uitleg met bronnen voor in het boek handig geweest was. Als je nu wilt weten wat er waar is en wat niet kost het je veel zoekwerk.
Een historisch feit: Op 17 mei 1928 werd in Amsterdam het parkeerbord geïntroduceerd – een wereldprimeur. Het was uitgevonden om de buitenlandse bezoekers van de Olympische Spelen duidelijk te maken waar ze hun auto moesten parkeren. Een ander leuk weetje: Het was niet koningin Wilhelmina die de Spelen opende, zij stuurde haar echtgenoot Hendrik. En de Olympische vlam werd daar in Amsterdam voor het eerst ontstoken.
Zo worden er vrij vele leuke weetjes in het boek verwerkt, maar ze leiden af van de kern van het verhaal. Waarom het verhaal van Bep van Klaveren toegevoegd is als een soort omlijsting van de drie delen, is ook onduidelijk.


De vele beschrijvingen over de politieke spelletjes en de beschrijvingen van de straten van Amsterdam maken het verhaal soms traag. Aan de andere kant zijn er spannende, soms heftige scenes, als het gaat om de bendeoorlogen. Maar: met wat doorzetten en misschien zelf tussendoor informatie opzoeken lees je een boeiend verhaal over de Amsterdamse onderwereld.


Het is Van Oirschots debuut als romanschrijver (eerder verscheen van hem de graphic novel De ziel van Leiden. Hij is van plan om een of meer vervolgdelen te schrijven. 

ISBN 9789044354065  | paperback | 336 pagina's | The House of the Books | oktober 2018 

© Marjo, 3 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER 

 

Eerste reserve
Rijan van Leest


2014. Als Simon, zoon uit een riviervissersgeslacht in het dorp Veendijk, hoort dat zijn jeugdliefde Neva terug is in het dorp, snijdt hij zichzelf van schrik in zijn hand. Dat is niet zo’n goede zet, hij is namelijk visfileerder, de beste van het dorp zelfs, en met een gewonde hand kan hij niet werken.


Al woont hij in een vissersdorp, het was niet zijn droom dit beroep uit te gaan oefenen, integendeel, hij wilde gaan reizen. Sinds hij op zesjarige leeftijd een globe cadeau kreeg van zijn tante, die daarna vertrok, wilde hij dat ook. Natuurlijk moest hij eerst de school doorlopen, maar in de tussentijd kon hij in de plaatselijke boekhandel van Roelzema wegdromen. Daar bevond zich een aardige verzameling reisboeken, in de kelder waar hij met rust gelaten liet.


Maar de kleindochter van Roelzema laat hem niet met rust. Zij woont bij haar moeder, is slechts af en toe in het dorp bij haar opa. Neva redt hem uit het water, om daarna zijn ziel weg te kapen. Met haar zal hij gaan reizen! Als ze voor de eerste keer uit zijn leven verdwijnt is hij nog een kind, en kan hij dat nog wel aan.


In 1998 komt ze terug, en de vonk slaat nu pas goed over. Als de plannen allemaal al klaar zijn om naar Londen te vertrekken slaat het noodlot toe. Simons enige broer verdwijnt en wordt later teruggevonden in de rivier. Simon voelt zich schuldig aan diens dood, en kan niet anders: hij trouwt met de zwangere vriendin van zijn broer, en probeert Neva te vergeten.


Als zij in 2014 terug komt om haar opa te begraven, blijkt de vonk nog niet gedoofd. Waarom heb je mijn brieven niet beantwoord, vraagt ze. Als Simon moet bekennen dat hij geen enkele brief gezien heeft, en ook Neva niet de brief van Simon gehad heeft, gaat hij peuteren in oude geschiedenissen. Geheimen komen bovendrijven.  Had Simons leven anders moeten zijn? Is het nu te laat?


Het verhaal is tweeledig. Lijkt het aanvankelijk op een veredelde streekroman, met al die relaties die niet lopen zoals gewenst, die geschetst worden tegen de achtergrond van een oer-Hollands vissersdorp, waar iedereen iedereen kent, en je niets geheim lijkt te kunnen houden, als we een stuk over de helft zijn, blijken die geheimen er wel degelijk te zijn, en wordt het een spannend verhaal, waarbij toch de belofte van die paar opmerkingen in het begin ingelost worden.  
Daardoor overtuigt het verhaal niet helemaal, het lijkt op twee gedachten te hinken: de streekroman en dat duistere geheim met de verrassende ontknoping zijn te weinig met elkaar vervlochten. Als nu het begin van het verhaal broeieriger was geweest…


Vooral Simon is het vertelperspectief en we springen heen en weer in de tijd, waarbij ook een sprong naar de Tweede Wereldoorlog nodig blijkt. Voor de bezitterige moeder is een rol weggelegd, als ook voor het voetbal. Het dorp heeft maar liefst twee voetbalverenigingen, hetgeen ook soms voor netelige situaties zorgt. Simon is reservespeler: voor zijn broer Thijs. En dat geldt niet alleen bij het voetbal!


In deze debuutroman lees je over de kneuterigheid van een dorp, die voor sommige bewoners benauwend werkt. Eenmaal daar geboren ligt je leven vast, en wee degene die probeert te ontsnappen!


Rijan van Leest (1980, Moerdijk) is journalist en houdt een blog bij.


ISBN 9789082841602  | paperback | 212 pagina's | Uitgeverij ZL7 | juni 2018

© Marjo, 6 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kroesvee
Zonen van Jafeth Deel 1
John Meilink


In een nawoord geeft de schrijver aan dat hij de feiten een beetje heeft aangepast om het verhaal goed te laten verlopen, maar dat slaat alleen op enkele jaartallen en levenslopen van de personen die hij in het verhaal verwerkt heeft.
Het feit blijft dat eind zeventiende eeuw de slavenhandel vanuit onder andere Ghana floreerde. En voor het geval iemand denkt dat de Nederlanders daar niet aan mee deden: lees dit boek, en ontdek hoe de West-Indische Compagnie bloeide door de handel in goud en mensen. Want al zijn de meeste personages fictief, het relaas over de handel is dat absoluut niet!


Het verhaal wordt verteld vanuit de handelaren, vooral Nederlanders, maar ook Engelsen, Fransen, Portugezen en Brandenburgers, zo genoemd omdat zij afkomstig waren uit de gelijknamige deelstaat in het oosten van Duitsland, allen handelden in slaven.


‘Ik heb ze geruild tegen brandewijn, tegen vorken, messen en kralen; ik maak op die handel achthonderd procent, zelfs al zou de helft het niet halen.’


De inlanders werden beschouwd als arbeidskracht, onmisbaar om op de suikerplantages op de Antillen en in Suriname te werken. Was het aanvankelijk tegen de calvinistische geest om mensen te verhandelen, er kwam een moment dat theologen dat niet langer verwierpen als zijnde goddeloos, als het maar ging om niet-christenen.


Het verhaal begint in 1687 met een onverhoedse overval op een dorpje in het Denkyira koninkrijk (Ghana): vrijwel alle bewoners worden gevangengenomen door de Afrikaanse slavenjagers om als slaaf verkocht te worden. Ook krijgsgevangenen en dissidenten werden naar de kust vervoerd en geleverd aan de Europese slavenhalers, die op hun schip voor anker lagen te wachten. Maar de Nederlanders hadden een verdrag met de Denkyira. Net als de Engelsen trouwens. De roof van een compleet dorp verhit de gemoederen dan ook behoorlijk. Als de slaven langs een geheim gehouden route vervoerd worden, door een Arabier, denken de Brandenburgers en de Fransen dat ze hun slag kunnen slaan, er van uitgaande dat de Nederlanders het verdrag niet zouden willen schenden. Niet openlijk tenminste.


Verraad en bedrog, onderlinge oorlogjes, slinkse afspraakjes, mensen die hun eigen handeltjes denken te kunnen drijven, het maakt het geheel nogal ingewikkeld. En dan is er nog de hitte, en de vele ziektes, met nauwelijks kennis over hoe die tegen te gaan. Het verhaal over de worm:


‘De bottelier kijkt met afgrijzen naar zijn eigen buik. Hij heeft pijn en loopt gevaar: het uittreden van de worm kan leiden tot levensbedreigende infecties, dat weet iedereen. Het ligt er maar net aan waar het gedrocht verkiest naar buiten te komen en – belangrijker nog – of het heel blijft, want een worm in stukken belooft zeer zwaar weer voor de patiënt.
‘Haal het weg, meneer,’ smeekt hij, hijgend als een karrepaard. ‘Alsjeblieft.’


Intussen bevinden de illegale slaven zich op de Griffioen, waar Aldemar Burghoutsz, schipper van de Griffioen, zich inspant om zijn ruimen voller te krijgen. Slaven brengen geld op. Zij zijn vee. Kroesvee. Veel waard, maar geen mens als hij zelf. Zo vindt ook de dominee die door het lint gaat met al die ‘duivels’ om hem heen.


Af en toe zijn er intermezzo’s, waarin verteld wordt over het verleden van de belangrijkste figuren: Burghoutsz (fictief) en Nicholaas Sweerts, directeur-generaal van de WIC (wel historisch, maar er is weinig over hem bekend). En er is het verhaal over Bomba Jan, een mulat. Hij is slavenopzichter op de Griffioen. Hier laat Meilink zien hoe de tijdsgeest was, hoe iemand er toe kwam te handelen zoals hij deed.


Het moge duidelijk zijn. Op deze flinke hoeveelheid pagina’s wordt veel informatie gegeven. Mooischrijverij is er niet bij, het is kort en feitelijk, hetgeen even wennen is.  Er zijn wel degelijk beschrijvingen van het landschap en cultuurhistorische achtergronden, het is een boeiend en leesbaar verhaal vol actie over een akelige periode uit onze geschiedenis.
Voor in het boek zit een kaart van het gebied waar dit verhaal zich op concentreert, als ook een uitvergroting van alle forten die in die tijd langs die kust stonden. Er is een handige lijst met de belangrijkste personages, zodat je kan terugkijken wie wie is.


Het boek bestaat uit twee delen, het eerste beslaat de maanden november en december van het jaar 1687, het tweede speelt zich af in januari 1688.
Ieder deel is weer onderverdeeld in hoofdstukken waar een stukje tekst boven staat, in de vorm van toepasselijke citaten. Dan vind je achterin nog een aantal opmerkingen, over welk deel fictie is, en wat er gebaseerd is op geschiedenis, er is een uitleg van de citaten, een bibliografie en de woordenlijst, is ook heel handig, want Meilink gebruikt veel woorden uit de talen van de Afrikaanse stammen!
Je kan wel stellen dat het boek volledig is, maar mocht je nog meer willen, kijk dan op de site, https://www.kroesvee.nl waar ook nog informatie te vinden is over de afbeeldingen die in het boek staan.


John Meilink (1961) is werkzaam in de ICT. Dit boek, waaraan hij zes jaar werkte, is zijn debuut. Het zal uiteindelijk uitmonden in een trilogie met als serienaam Zonen van Jafeth.

ISBN 9789460225192 | paperback | 429 pagina's | Uitgeverij LM Publishers | januari 2019

© Marjo, 16 augustus 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De achtste dag
Annemarie Haverkamp


Ooit waren Egbert en zijn vrouw Emma zo gelukkig. Ze woonden in een leuk huis ergens tegen de grens van Duitsland, vlak bij een rivier en met een mooie werkplaats voor Egbert ernaast. Emma was balletdanseres, maar danste niet meer. Egbert was timmerman. Hij bouwde de decors voor het theater toen hij Emma zag dansen en op slag verloren was. Ze werd zwanger, een zoon werd geboren. Toen sloeg het noodlot toe: de jongen bleek te lijden aan een onbekende ziekte. Hij was blind, zou hoogstwaarschijnlijk ook doof worden, en lopen kon hij niet. Een tweede zwangerschap eindigde in een miskraam. Daarna was Emma niet meer dezelfde. Het wordt niet duidelijk verteld hoe dat kwam, maar ze stierf en liet Egbert achter met hun gehandicapte zoon Adam.


Dat was wel genoeg ellende, vond Egbert, maar het noodlot slaat nogmaals toe. Hij krijgt te horen dat hij zelf niet zo lang meer te leven heeft. Hij staat voor een haast onmogelijke beslissing: wat moet er nu met Adam gebeuren? Zou er iemand in zijn zeer kleine familie- en kennissenkring bereid zijn de zorg over te nemen? Moet de jongen naar een instelling? Adam is volledig hulpbehoevend, en er is de belofte aan Emma dat hij hem nooit alleen zal laten. Wat nu?


Als het verhaal begint lijkt de beslissing genomen, maar opnieuw grijpt het lot in. Als Egbert besluit de opdracht van de dokter aan te nemen, stelt dat zijn beslissing met acht dagen uit. Je zou misschien denken dat de dokter met hem meeleeft, hem helpt, maar die denkt alleen aan zijn nieuwe vriendin. Voor haar is de trap. De trap die Egbert zeven dagen uitstel geeft.


‘De route voert hem langs de molen, het rivierlandschap strekt zich voor hem uit. Konikpaarden in de kleur van een mistige dag. In alle gehuchtjes staan delen van zijn nalatenschap. Keukens, badkamers, tuinhekken, wankelbalies, een kinderopvang, een hondenkennel, en zelfs een bunker voor de eigenaar van de steenfabriek die bang was voor een nucleaire oorlog. Als hij er straks niet meer is, zullen de mensen nog aan hem denken wanneer ze een boterham smeren op zijn aanrecht of hun auto parkeren onder zijn carport.’


De lezer volgt hem van dag tot dag, leest over zijn eenzame worsteling. Het gaat immers slechter met hem. En Adam weet van niets, hij leeft zijn eigen minimale leventje. Het verleden toen Emma nog leefde wordt in flashbacks verteld, als Egbert daar aan terugdenkt.
Een klein verhaal naast dat van vader en zoon is dat van de gans Gerrit. Hij ziet Egbert als zijn vader, die hem dingen leert – waar hij zijn zoon niet niet kan leren lopen, kan hij de gans wel leren vliegen. Maar ook in dit verhaaltje slaat het noodlot toe: Gerrit schrikt van een enorme hoestbui en vliegt weg, zijn noodlot tegemoet. Een dilemma voor Egbert, maar nu gaat het nog om een gans, deze beslissing kan genomen worden, al is het moeilijk. Maar als het om Adam gaat?


Dit boek is een schrijnend verhaal dat je goed kan zien als een aanklacht, want de zorg voor gehandicapte kinderen is in Nederland niet al te best. Je kan je goed voorstellen dat je je kind daar niet aan wil blootstellen. Maar mag en kan je als ouder dan de stekker er uit trekken? Als de kans bestaat dat je kind je zal overleven, wat doe je dan? Een vreselijk dilemma.


Er is een scene in het boek waarin Egbert op internet het verhaal vindt over de zaak Robert Latimer. Dat is een waargebeurd verhaal, over een Canadese boer die zijn 12-jarige, ernstig gehandicapte dochter van het leven berooft om haar verder lijden te besparen.


Hoofdfiguur Egbert doet sterk denken aan Helmer, de boer die in Boven is het stil van Gerbrand Bakker vertelt over zijn worsteling met het leven die hem beschoren lijkt. Ook Egbert heeft met een worsteling te maken, al is die stukken schrijnender, want bij hem is eigenlijk al bekend wat het einde voor hem zal zijn. Het is niet alleen deze figuur, ook de stijl van Annemarie Haverkamp komt sterk overeen met die van Bakker. Ook zij schrijft recht voor zijn raap, in korte zinnen die een sfeer oproepen van eenzaamheid, van hulpeloosheid waarvoor hij geen redding ziet. Je durft bijna niet door te lezen, omdat je bang bent voor de afloop.


Annemarie Haverkamp is journalist en schrijver. Ze is ook moeder van een 15-jarige zoon die door een zeldzame chromosoomafwijking ernstig geestelijk en lichamelijk gehandicapt is.  In De Gelderlander schreef ze columns over het dagelijks leven met een gehandicapt kind. De columns werden gebundeld in vier boeken en verschijnen na vijftien jaar nog elke week in de krant.


ISBN 9789048845309 | paperback | 160 pagina's | Uitgeverij Lebowski | maart 2019

© Marjo, 7 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kongokorset
Herlinde Leyssens


Toen Herlinde Leyssens een huis kocht in Bassily (Zullik geheten in het Vlaams), een dorp ten zuiden van Gent, had ze geen idee dat de eerste bewoner van dat huis het hoofdpersonage zou worden in haar eerste roman. Ze ontdekte niet alleen dat Gabrielle Deman een bijzondere vrouw was, maar  ook dat haar brieven, dagboeken en foto’s lagen te wachten in het Afrikamuseum in Tervuren.


Gabrielle Deman koesterde al vroeg een droom die eigenlijk volgens de zeden en normen van die tijd nooit bewaarheid had kunnen worden. Maar dan rekende die wereld toch buiten de doortastendheid en vindingrijkheid van Gabrielle.
Zij heeft het voordeel de dochter te zijn van een vooruitstrevende persoon. Edmond Deman is uitgever van vooral kunstboeken en laat zijn dochter kennismaken met kunstenaars als Léon Spilliaert, Théo van Rysselberghe en Maurice Maeterlinck, Ook mag ze naar school, waar ze leert lezen met als gevolg dat ze groot bewonderaar wordt van de boeken van Jules Verne, boeken die haar leren dromen. Gabrielle wil wetenschapper worden. Maar de ervaringen in de voor 100% mannelijke studentenwereld zijn negatief. Ze stopt er mee, zoekt en vindt andere wegen om te leren. In de tussentijd helpt ze haar vader in de boekhandel, annex bibliotheek die haar vader uitbaat. En daar stapt de oplossing voor haar problemen binnen.


‘Mijn naam is Sillye. Albert Sillye, kapitein-commandant. Reeds zeven jaar in dienst van koning Leopold II in Kongo-Vrijstaat.’


Haar ticket naar Kongo, dat was deze man! Ze verloven zich voordat Albert voor de derde keer naar Afrika afreist. In zijn afwezigheid traint Gabrielle zichzelf: wandelen met gewicht op haar rug, fietsen en zwemmen. Ze verslindt alles wat ze over Kongo te pakken krijgt waaronder ook de brieven van haar verloofde, en ze grijpt met twee handen de kans om te leren fotograferen aan, ze gaat daarvoor zelfs een jaar naar Engeland. Ook leert ze dieren opzetten en insecten prepareren.
Albert keert terug, definitief denkt hij, maar dat is buiten zijn vrouw gerekend. Op 2 juni 1904 vertrekken ze samen voor een laatste reis.


Albert Sillye blijkt ook een verhaal apart. Waarom is hij met Gabrielle getrouwd? Hun huwelijk blijft ongeconsumeerd, tot haar verbazing. Maar ze maakt zich er niet druk om, het zal wel komen, denkt ze, en in de tussentijd storten ze zich allebei op hun bezigheden. Dacht Albert aanvankelijk nog dat hij haar achter kon laten, na een eerste keer vergezelde ze hem op al zijn reizen, over eenpersoonspaden in de jungle, over een wildstromende rivier. Ze komen allerlei pluimage tegen. Betrouwbare en onbetrouwbare mensen en die laatsten zijn niet per definitie zwart van huid, zoals de meeste blanken in die tijd denken.


Zij is de eerste vrouw die Kongo doorkruist waarbij uit haar schrijfsels duidelijk blijkt dat ze de houding van de blanken niet kan waarderen. De superioriteit die deze kolonisten voelen ten opzichte van de lokale bevolking staat haar tegen. Natuurlijk moet ze meegaan in de gewoonten van die tijd, maar zij behandelt haar personeel met vriendelijkheid. Zij zijn meer haar vrienden dan die domme blanke vrouwen. In 1905 schafte koning Leopold de slavernij af, en als zijn werknemer werd ook Albert geacht hierop toe te zien.


Leyssens beschrijft met de dagboeken van Gabrielle in de hand over de ondergeschikte positie van de vrouw, over de tegenstelling tussen blank en zwart, over de superioriteit en laatdunkendheid waarmee de bezetter de Kongolezen behandelde.


‘De gebeurtenissen van mijn leven waren als de circusacts van de kevers en andere kruipers boven onze hoofden. Trapezesprongen waren alleen onaangenaam wanneer ze verkeerd afliepen en met een plof in Alberts soepkom eindigden, of in mijn bord. Waarom emotioneel worden van zo’n ongemak; gewoon eruit vissen, op de grond gooien, vermorzelen en verder eten. In Kongo is zwakte niet geoorloofd. Men kan tenslotte aan alles wennen.’


Tekst als deze of een zin als ‘Overal drupten de donkere bladeren van welbehagen’ als ze een tropische tuin beschrijft, geven ook aan dat Leyssens de kunst van het schrijven beheerst. Door het taalgebruik in het boek aan te passen laat ze de lezer proeven van de sfeer van die tijd.
Natuurlijk is het verhaal geromantiseerd, en kan niet alles historische verantwoord worden, maar het is een boeiend verhaal waarvan de kern in ieder geval op waarheid berust. Het leven in de Belgische kolonie was zoals beschreven en Gabrielle Deman was de eerste vrouw die door dat land reisde. Er is door de schrijfster duidelijk veel onderzoek gedaan naar het leven in die tijd, zowel in België als in de Kongo.


Herlinde Leyssens (1968. Anderlecht) is van oorsprong germanist. Zij besloot pas te gaan schrijven toen zij een huis kocht in het dorpje Bassily.
Enige kennis van het Frans is handig. Achterin een lijstje met verklaringen van vreemde woorden.


ISBN 9789460016530 | paperback | 415 pagina's | Uitgeverij Vrijdag | mei 2018

© Marjo, 5 mei 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Fluistering
Lien van Horen


Een boek met twee hoofdpersonages. De een, Maria, leeft rond 1500, de ander, Anna, in de huidige tijd (2014).


Het verhaal begint met Anna, kunsthistorica, die meedoet aan een belangrijk muziekconcours in Italië omdat ze prachtig op de accordeon kan spelen. We lezen 'Fluisterende stilte is haar specialiteit', maar net op dát moment, als de stilte fluisterend moet zijn, niest Bruno, een van de juryleden. 'Geen besmuikte nies  of ingehouden, maar een uit volle borst.' Heel even is Anna uit haar doen en natuurlijk merken de overige juryleden én het publiek dat. Haar score is er ook naar. 'Een professioneel musicus laat zich niet afleiden.' Anna besluit gelijk af te reizen naar Urbino waar ze stage gaat lopen. Niet om haar accordeonspel te verbeteren maar wel om het vak boekbinden onder de knie te krijgen.


Ze neemt haar intrek bij Constanza Lipi, een markante vrouw, die het grote muzikale talent in bepaalde mensen ziet. Deze worden door Comstanza uitgenodigd om een tijdje bij haar te komen wonen. Zij begeleidt deze mensen dan, zodat ze verder kunnen komen. Ook gaf ze workshops maar dat lukt gezien haar leeftijd niet meer. Voor de aanstaande zangworkshop heeft ze iemand ingehuurd en wel Bruno!
In huis, vooral aan tafel tijdens het diner, is de spanning tussen Bruno en Anna bijna voelbaar, maar Dedrick, een uitmuntend drummer, die erg op zichzelf is maar wel heel directe vragen stelt, maakt de sfeer wat losser.

En dan belanden we ineens in de tijd van Maria, zij observeert de vrouw die naar haar kijkt, die vrouw is Anna. Maria is degene die op het schilderij La Muta (de doofstomme) van Rafael is weergegeven. Vervolgens ontstaat er doorheen het boek een vorm van contact tussen de twee bijzondere vrouwen. Anna vindt haar rustpunt bij La Muta en Maria weet dat Anna voor haar belangrijk is.


We lezen de geschiedenis van beide dames, die in wezen veel overeenkomsten heeft, terwijl de tijd waarin zij leefden toch heel anders was. Het blijkt dat Anna, net als La Muta, een groot verdriet meedraagt die eruit moet. Bruno herinnert haar aan die pijn maar Dedrick is uit ander hout gesneden. Hij confronteert Anna met haar gedrag en zij heeft het daar moeilijk mee.


Het verhaal geeft de worsteling weer van twee vrouwen die hun innerlijke strijd niet kunnen vertellen. Anna uit haar gevoelens steeds via de accordeon, niet via praten. In La Muta herkent zij zichzelf en La Muta verstaat en begrijpt haar. De schrijfster heeft haarfijn aangevoeld en in mooie taal weergeven wat deze vrouwen beroerd. De verweving met elkaar is apart en knap in elkaar gezet. De innerlijke reis van de beiden heeft ze prachtig en zonder vals sentiment beschreven. Kortom, een zeer indrukwekkend boek.


Lien van Horen (1950) schreef artikelen in diverse tijdschriften en tientallen informatieve kinderboeken in de serie 'Junior Informatie'. Haar column 'Koekoek & Fries' is in kleine kring zeer populair. De laatste jaren schrijft ze korte verhalen, waarmee ze regelmatig prijzen wint. Met het schrijven van Fluistering heeft ze haar eerste novelle voltooid.


ISBN 9789493059047 | Paperback | 143 pagina's | Uitgeverij Palmslag | februari 2019

© Dettie, 2 april 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lam
Hannelore Bedert


‘Ik zit al twee weken thuis, Louise. Ik werk niet meer.’
‘Hoezo? Ben je weer ontslagen?
‘De vraag sneed.
‘Nee, Louise, ik ben niet ontslagen. Ik zit gewoon thuis,’


Lucia is bijna veertig, woont alleen, en zit niet goed in haar vel. Als daar nog het bericht bij komt dat haar vader overleden is - hij heeft de hand aan zichzelf geslagen -  zit ze er compleet doorheen.
Alleen Louise is er, een vriendin. Maar wil die haar nog wel helpen? Lucia heeft de laatste tijd niets van zich laten horen.

In tijdsprongen ontwikkelt zich het verhaal van Lucia’s jeugd. Zes jaar oud toen haar moeder haar achterliet in een auto, in de volle zon. Gelukkig waren er omstanders die haar uit de auto haalden, maar haar moeder was verdwenen. Voorgoed. Lucia bleef achter met haar vader, die zich verloor in zijn werk als begrafenisondernemer. Het kind groeide op tot een zelfstandige jonge vrouw, maar emotioneel gezien kon ze het leven niet aan. Eenzaam en gepest op school vindt ze pas een veilige plek als haar vader haar een adres geeft. Op die boerderij werd hulp gevraagd, iets voor haar?
Maar ook Halina die een vervangende moeder werd viel weg, en Lucia stond weer alleen. Ze vertrekt uit het dorp waar behalve Halina alleen maar slechte herinneringen liggen. Maar nu moet ze terug. Het ouderlijk huis opruimen, de boel regelen.
Haar verleden onder ogen komen.
Ze weet dat ze het in haar eentje niet aan kan, en ze belt Louise.


‘Nu ga je heel goed naar mij luisteren, Lucia. Dit is wél om te lachen. Als je er niet om kunt lachen, zul je alleen maar zitten huilen. En dat je je al weken en maanden. Je bent een wrak. Je hebt het misschien zelf niet door, maar je bent een wandelend wrak. Je lijkt even dood als je vader.’


Het valt haar zwaar, Louise weet maar half hoe zwaar. Maar ze moet verder.

Een schrijnend verhaal over een verwoest leven. Het is geschreven in een stijl die op de rand van tranentrekkerij is, maar dat kan haast niet anders in een verhaal dat zo vol emoties zit.


Hannelore Bedert (Deerlijk, 1984) is een Belgische zangeres. Bedert studeerde Kleinkunst aan het Herman Teirlinck Instituut, waar ze in juni 2007 afstudeerde.
Lam is haar prozadebuut.


ISBN 9789022335581 | paperback | 320 pagina's | Uitgeverij Manteau | oktober 2018

© Marjo, 25 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Olifanten warm houden
Dieuwke van Turenhout


De zeventien verhalen in deze bundel gaan vaak over vrouwen, soms ook mannen die zich niet in hun eigenheid erkend voelen. Hoe los je het op als je als ouders een heel andere opvatting hebt over opvoeden? Of als je een reisje naar Parijs associeert met romantiek, en je partner van dat moment denkt bij het woord Parijs aan iets heel anders? Wat als je met een aantal gelijkgezinden je voorbereidt op de Apocalyps, en de dag gaat voorbij zonder dat er iets lijkt te gebeuren? De verhalen gaan over hoe moeilijk het kan zijn om te voldoen aan wat de wereld van je verwacht en zijn daardoor heel herkenbaar.


In ‘De duvel en de dood’ moeten twee meisjes op vrijdag hun vader ophalen in het café, Ze hebben er een hekel aan, omdat ze nooit weten in welke staat hun vader zal zijn. Hoe dronken is hij? Heeft hij een goede of een kwade dronk?


‘De vrijdagen zijn het ergst.  Het ergste begint al meteen wanneer de kerkklok middernacht slaat. Vader slaat meestal mee.  Moeder schreeuwt hoe dan ook. Amélie en Cécile luisteren. Elke dreun nagalmend over St. Germain tot de stilte koud wordt en hun handen warm.’


Mooi is hier hoe Dieuwke van Turenhout het beeld vasthoudt: een galmende kerkklok aan het begin en een juichend carillon aan het einde.


In het titelverhaal ‘Olifanten warm houden’ is een eenzame ik-verteller, die zich staande houdt met de korte dagelijkse contacten: een caissière, met de man van de fietsenstalling.


‘Over bier en eten gesproken: het huis van de buren is eindelijk verkocht. Ik had geen  bord gezien, maar ineens ging de bel. Ik was juist boven de was aan het opvouwen, nog zo’n klusje waarbij ik aan je denk, en aan olifanten, ook al is het alleen nog maar mijn was, - maar eigenlijk denk ik altijd aan je – toen de deurbel ging.'


Pas aan het einde van het verhaal weet je wie de ik-verteller is, wie de ‘jij’ die hij aanspreekt en wat er met die olifanten is.


Het is vaak zo dat het verhaal een beetje geheimzinnig in elkaar zit. Is de ik een man of een vrouw? Wat moeten we als lezer met de situatie die geschetst wordt? En dan volgt een verhelderende wending, die soms oplucht, maar vaak ook niet. De afloop van de verhalen is niet altijd even vrolijk of zelfs maar positief, en toch is de toon niet somber.


Mijn voorkeur gaat uit naar het verhaal ‘De vlucht’, waarin een man en een vrouw op reis gaan, ze zitten in de trein om naar de luchthaven te gaan. De vrouw is de verteller, het is al snel duidelijk dat zij in hun relatie altijd degene is die water bij de wijn moet doen, dat zij altijd het onderspit delft. Deze keer heeft zij het reisdoel uitgekozen voor hun vakantie. Eenmaal de deur uit voelt ze dat haar backpack veel zwaarder is dan ze dacht.


’Heb jij aan mijn backpack gezeten?’
‘Ik heb er wat dingetjes bijgestopt. Jij had zoveel plek over.’
Ze zwijgt, gewoontegetrouw. Ze weet hoe ruzies tussen hen ontstaan, kleine dingetjes die groot worden, een inktvlek uit het kruikje van Serafat. Ze krabbelt een restje opgewektheid bij elkaar. ’Wat dan?’
‘O, gewoon, een boek, nog een paar schoenen, een föhn.’
(…)
‘Ze herinnert zich het compliment van gisteravond, over een potloodschets die ze van hem had gemaakt, met de zachte 4B, haar favoriet. Ze herinnert zich de warme roes die het haar gaf en probeert die sfeer terug te brengen en te laten groeien door haar wil alleen. Liefde die zo groot groeit als een volle tweedeklas coupé tijdens de spits, groter nog, liefde die alle inzittenden verzacht. Het werkt niet, ze ziet zijn ogen afkeurend afglijden naar haar natte oksels en ze denkt aan de föhn in haar backpack.’


Mooie verhalen over herkenbare situaties, over mensen die gewoon zijn, ook al hebben zij een andere cultuur of leven ze in een andere tijd.
De Extazereeks, een gezamenlijk initiatief van het literair tijdschrift Extaze en Uitgeverij In de Knipscheer, biedt schrijvers die eerder in Extaze hebben gepubliceerd de mogelijkheid hun werk in een zelfstandige uitgave te presenteren. De vormgeving van omslag en binnenwerk is van Els Kort.


Dieuwke van Turenhout studeerde Letteren in Tilburg en woonde en werkte onder meer in Nederland, op de Filippijnen, in India en in België. Ze publiceerde verhalen in literaire tijdschriften. Zij is host van de podcast Not just Hemingway, die zich exclusief bezig houdt met het korte verhaal.
Haar debuut Olifanten warm houden is de zesde uitgave in de Extazereeks van het literair tijdschrift Extaze.


ISBN 9789062656875 | Paperback| 148 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | november 2018

© Marjo, 28 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER