Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

De verschrikkelijke jaren tachtig
Tim Kamps

In het eerste hoofdstuk staat:


Dit verhaal is echt gebeurd, hoewel sommige dingen wel net iets anders gingen, maar als ik de dingen zou opschrijven zoals het echt ging, dan geloof je het niet. Ik moet het hier en daar aanpassen, omdat je anders denkt dat ik het verzin. In het echt was het dus eigenlijk nog veel gekker.


Tim Kamps, bij velen bekend als cabaretier, is geboren in 1977. Zijn bewuste jeugd speelde zich af in de jaren tachtig. Of die echt verschrikkelijk waren? Lees Tims verhaal en je weet wat zich afspeelde in de grote stad.


Voor een kind dat er midden in zit, kan het haast niet anders zijn, dan dat het zo hoort. Maar Tim wordt ouder, en begint langzaam te beseffen dat het niet normaal is zoals hij opgroeit. Als kind kon hij er weinig aan doen, zijn moeder die zich over hem had moeten ontfermen was meer met zichzelf bezig dan met haar zoon. Acht jaar is hij als zijn verhaal begint, een leeftijd waarop een kind zich bewust wordt van de wereld om hem heen.


Hij en zijn moeder woonden in een leefgroep, een commune in Rotterdam. Zij is manisch-depressief, zegt ze. En lesbisch. Hetgeen haar niet verhindert het bed te delen met de leider van de groep, Bert. De woongroep lijkt meer een harem van deze man, die de boel nogal dictatoriaal bestiert.
Tims enige vriend is Donnie, die ook met zijn moeder in de groep woont. Bert zou zijn vader zijn. Het lijkt er later inderdaad steeds meer op: Donnie begint dezelfde trekjes te vertonen.


‘Donnie en ik zitten achter de bar in café Dot. We drinken stiekem bier. Het is heel druk. Kayleigh, een ex-vriendin van mijn moeder, is overleden aan een overdosis heroïne. In de jaren tachtig gaat er voor mijn gevoel bijna elke week wel een lesbische vrouw dood aan een ziekte die ik niet ken of aan zelfmoord of aan drugs. En mijn moeder kent ze allemaal.’

De jaren zeventig worden benoemd als zijnde de tijd van vrije seks, en drugs, maar in Rotterdam ging dat langer door. De kinderen werden nauwelijks opgevoed, zij werden zonder pardon blootgesteld aan het leven dat de volwassenen leidden. De juf van school ziet wel dat de kinderen er niet goed uit zien - wat wil je met een dieet van frites! -  maar in plaats van in te grijpen doet ze gewoon mee!

Later komt de kinderbescherming toch aan de deur, al duurt het even voor zij echt wat kunnen doen.
In de tussentijd komt Donnie met het plan om weg te lopen. Naar België, want daar is de mayo lekkerder. Maar dat is niet zo eenvoudig als je acht jaar bent…


Het verhaal wordt verteld als terugblik, maar er is wel geprobeerd om de gedachtegang van een jong kind weer te geven. Dat lukt doordat er een eenvoudige taal met korte zinnen gebruikt wordt.
Als lezer ben je verbijsterd: kan een kind zo leven? Blijkbaar wel. Het is een bizar verhaal, dat op een nogal onderkoelde manier verteld wordt. Het kind weet immers niet beter dan dat het normaal is dat zijn moeder de hele dag op bed ligt te roken en dat Bert met de deur open ligt te vrijen met een van de vrouwen in de commune.
Doordat de jongen het leven zo bekijkt wordt het verhaal niet zwaar, maar de lezer doorziet het natuurlijk wel.
Maar dan, die twist op het einde! Stomverbaasd blijf je als lezer achter...


Tim Kamps (Utrecht, 1977) is een Nederlandse cabaretier, muzikant, acteur en regisseur.
En nu dus ook schrijver. De verschrikkelijke jaren tachtig is zijn debuut.

ISBN 9789048844975 | Paperback | 208 pagina's | Lebowski | oktober 2018

© Marjo, 11 november 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ik wou dat ik jouw leven had
Rick Treffers


De schrijfstijl van de auteur doet een beetje denken aan de columns van Arthur van Amerongen in De Volkskrant, al is het een en ander wel wat minder grof.


Rick Treffers is een muzikant die misschien niet zo bekend is. Hij kan dan ook niet van z'n muziek leven en moet ook andere bronnen van inkomsten gebruiken.
De verhalen in dit boek gaan hoofdzakelijk over z'n muzikale avonturen en worden afgewisseld met stukken van de (niet-bestaande?) journalist Dick Scheffers. Deels zijn dit dagboekfragmenten en deels stukken van een interview.


Uit de dagboekfragmenten komt Dick Scheffers naar voren als het schoolvoorbeeld van de mislukte muzikant, die vervolgens maar over muziek gaat schrijven. Het dedain voor Rick Treffers straalt er af. Dick Scheffers verwijt Rick Treffers dat hij voor de muziek heeft gekozen, ondanks het feit dat hij daar weinig succes mee heeft. Volgens hem had Rick er voor moeten kiezen om de muziek vaarwel te zeggen en zich te settelen, met een gewone baan, zodat hij gewoon een gezin kan onderhouden. Het vrijbuiter-achtige leven van de muzikant, die daarnaast ook nog schrijft, vindt hij maar niets en hij verwijt hem gebrek aan realiteitszin.


De muziekverhalen geven een aardig beeld van het leven van een niet zo succesvolle muzikant. Ze laten ook zien wat er zoal mis kan gaan. Zoals optredens die niet door blijken te gaan, of publiek dat voor het optreden van de band alweer vertrokken is.


Het einde van het boek zet alles wel een beetje op z'n kop en de vraag is dan ook wel hoeveel er van het boek verzonnen is. Wat klopt is in ieder geval dat Rick Treffers muzikant is en een aantal CD's heeft gemaakt, onder andere een EP met Rob Kloet (drummer van Nits).
Aan het eind van het boek staan een discografie en een bibliografie.


ISBN 978 90 821733 7 6 | NUR 301 | Paperback | 143 pagina’s | Uitgeverij Vreugdenberg | 8 november 2018

© Renate 22 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Nederhalfrond
J.Z. Herrenberg


‘Nederhalfrond’ is een 'boek', dat wil zeggen: het zijn bedrukte bladen papier met een band eromheen.
Grofweg heb je boeken waarin je een verhaal leest, fictie geheten, en er zijn boeken waarin informatie te vinden is, de non-fictie.
Als je begint aan dit boek, denk je een roman te gaan lezen.
Het begint al op een bijzondere manier:


‘Wij schrijven het jaar en wij schrijven het zuchtend. Wij sluiten de jaren als huizen om zuigende leegte aaneen en roepen. Wij, Zonnestraal en Hel, roepen alle mensen, opdat ze komen wonen in de stad van onze allereigenste eeuw. Wij roepen u. Brengt bloed alstublieft en vult onze huizen! Verenigt u onder de daken van talloze dagen en ziet uzelf nieuw door het Oog van onze Cycloon!’


Nu is een proloog wel vaker raadselachtig, dus ik lees door, in de verwachting dat het wel goed zal komen. En dat lijkt ook zo, ruim zeventig pagina’s lang word ik meegesleurd in een verhaal dat heel gewoon lijkt te gaan over een schoolfeest op het John Lennoncollege. Er zijn intriges gaande, en de rectrix gedraagt zich niet alledaags, maar dat wordt vast allemaal nog wel uitgelegd, denk ik op dat moment nog. Ik laat me met genoegen meesleuren in een zintuiglijke taal die gedetailleerd vertelt wat er gebeurt, hetgeen nooit uitmondt in saaiheid, want de toon is vaak potsierlijk op het bizarre af. Dat leest heerlijk!
Herrenberg speelt met de volgorde van de woorden, hij hakt zinnen in stukjes, en sleept de lezer mee in opeenvolgingen van werkwoorden.


‘Singlecell boog en boog, bevoelde intussen zijn keel, zijn borst, zijn maag, zijn buik, alsof hij iets ongewenst had ingeslikt en angstig de interne vorderingen daarvan volgde.
Of – woelde daarbinnen een claustrofobisch wordend wezentje? Deed dàt zijn stervoertuig zo bezeten jaknikken, vanwege zijn streven om zich door diens gebeente, vlees en verkleding heen een weg naar de wijde buitenwereld, naar vrijheid en zelfbeschikking te vreten?
Ging buiten naar binnen? Of – kwam binnen naar buiten?
That is the question.
Zeker is dat maar in weinig Nederlanders zo veel internationale gemeenschap opgetast zal hebben gelegen als juist in deze en mens. Was haar vreedzame co-existentie in zijn lichaam dus moordzuchtig disfunctioneel geworden, zodat in de kern van al zijn cellen de zo diverse genetische code zich nu onderling pijnlijk met zuiverende spiraalzwepen te lijf ging? Har Lemstra, de mens onder het fenomeen Bor von Singlecell t/m Europa, was immers etnisch tot in zijn poriën.’


Deze vorm van taal is ontegenzeglijk meeslepend, en al is niet onmiddellijk en precies duidelijk wat beschreven wordt, je beleeft het toch mee. Dat is knap, je verheugt je als lezer op al die pagina’s die nog zullen volgen.


Maar dan is deel een afgerond, en begint iets nieuws. Dat wat volgt is geen herkenbaar geheel meer, het is fragmentarisch, en er zijn te veel personages waarbij onduidelijk is wat hun rol is. Zeker, de taal is dezelfde, maar de betekenis steeds verder te zoeken. De schrijver is mij hier absoluut kwijt.
Ik ben verslagen, ik begrijp niet meer wat ik lees. Ook niet als ik het een tweede keer, een derde keer lees. Het is misschien de bedoeling om te laten zien dat de wereld krankzinnig is, maar dat had met een meer coherente tekst ook gekund.
Ik neem graag aan dat de schrijver veel plezier heeft gehad bij het samenstellen van dit boek, maar hij is de lezer toch enigszins uit het oog verloren. Jammer toch?

J.Z. Herrenberg (1961) groeit op in het Amsterdam van Provo en flowerpower, zijn vader een Surinamer, zijn moeder Nederlandse. Reeds in 1996 is Herrenberg begonnen aan dit boek dat een tweeluik moet worden.
Nederhalfrond is zijn debuut, en ik hoop dat het lezers zal vinden die er meer chocola van kunnen maken.


Beluister ook de VPRO uitzending van Open kaart met J.Z. Herrenberg


ISBN 9789028427495 | Paperback | 400 pagina's | Wereldbibliotheek | augustus 2018

© Marjo,  15 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Narcissus
Sol Bouzamour


De hoofdpersoon van dit boek, zoon van Marokkaanse ouders afkomstig uit Marrakesh, groeit op in de Amsterdamse Pijp. Aan zijn intelligentie ligt het niet, maar de studies waar hij aan begint lukken niet, en hij gaat bij de Landmacht. Ook dat wordt niets en als hij gaat werken in een coffeeshop in Amsterdam leidt dat tot een verblijf in de gevangenis. Daar leert hij Klaas kennen, de koning van de Wallen. Josh wordt zijn rechterhand, maar Klaas zal ook aan de basis van zijn ondergang staan. Want Josh leidt een leven waar hij niet op eigen kracht uit kan ontsnappen.


‘Tegen mijn Hollandse vriendinnen zei ik altijd dat ik Joods was. Dat was geloofwaardig door mijn niet Arabische uiterlijk. Maar in de loop der jaren begon ik me te kleden als een latino, omdat iedereen vroeg of ik Braziliaans was. Omdat ik zo weinig mogelijk op een Marokkaan wilde lijken, werd ik een fervent aanbidder van de zonnebank en begon zelfs mijn wenkbrauwen te epileren. De opgeschoren kapsels die mijn buurtgenoten ook hadden werden verleden tijd. Op een gegeven moment kon ik van alles zijn. Ik had meer identiteiten dan een ondergedoken maffiabaas. Spaans, Portugees, Italiaans, Braziliaans, Amerikaans,. Ik vertelde aan iedereen iets anders, net wat me uitkwam.  Uiteindelijk koos ik voor de Israëlische nationaliteit…’


Het verhaal dat we lezen is dat van een opportunist maar dan eentje die enigszins naïef denkt dat zijn bedje gespreid is. Hij heeft een vriendin, Dee, die niet beter weet dan dat hij Israëliër is, en die heel veel – te veel - van hem accepteert. Dat kan niet goed blijven gaan.
Joshua werkt op de Wallen, in de tijd dat het nog een rosse buurt is. Prostituees, drugs, drank, eigenlijk weet hij zich lang kranig te houden, maar als hij bezwijkt voor de verlokkingen, gebeurt het ook goed. Tevoren was hij een goed gebouwde, sportieve jongeman, haast verliefd op zijn eigen spiegelbeeld, een Narcissus dus, maar daar blijft weinig van over.
(Overigens heet de zaak die Joshua runt op de Wallen ook Narcissus)


Het was geen lieve wereld, daar op de Wallen, en dat is dit verhaal ook niet. Een rauwe wereld die ook zo beschreven wordt. De taal is grof, en het zit vol seksistische opmerkingen en scheldwoorden die hier niet herhaald worden. Vrouwen zijn gebruiksvoorwerpen, en met geld mag je alles.
Dit boek vertelt over een jongeman aan wie je maar beter voorbijloopt. Als alles autobiografisch is, dan kan je alleen maar hopen dat Sol, want zo heet de schrijver tenslotte, nu een ander leven leidt.


Sol Bouzamour (1982), auteur, journalist en kunstenaar, schreef zijn debuut Narcissus, toen zijn straf er op zat. Je zou het niet verwachten, maar ondanks dat grove taalgebruik en de seksistische taal leest zijn verhaal als een trein. Nadat je hem zo diep hebt zien zinken wil je weten of zijn hoofdpersoon in staat is weer uit die diepte omhoog te krabbelen. En dat het zo vlot doorleest heeft vast ook te maken met de vele pittige dialogen, die ook nog vaak vol humor zitten.


ISBN 9789048844364 | Paperback | 272 pagina's | Hollands Diep| september 2018

© Marjo, 26 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Moeders van anderen
Mirthe van Doornik


‘Soms is het net of het leven achter mijn rug een andere kant op beweegt.’


Aan het woord is Nico, ze is zoals ieder weekend met haar jongere zusje Kline bij haar vader, waar ze ontdekt dat haar vader er niet meer alleen voor hen is, maar zoals hij zegt ‘een eigen leven wil hebben.’
Een toevluchtsoord is weg, want thuis bij hun moeder hebben de meisjes het niet goed. Nora, de moeder drinkt en verwacht zo’n beetje dat haar dochters voor zichzelf zorgen.


De meisjes moeten zich aanpassen aan de moeder die steeds anders is, anders dan de moeders van anderen: er is de moeder die belooft om een betere moeder te zijn, en die als ze een prijs winnen de meiden mee naar de Chinees neemt waar ze mogen kiezen waar ze zin in hebben. Terwijl er dringend schoolspullen nodig zijn.
En er is de moeder die tegen hen preekt – onder invloed is ze dan: artsen zijn leugenaars en psychiaters hebben zelf problemen. Deze moeder geeft hen tips over hoe ze zich moeten gedragen. En dan is er de moeder waar ze niet over praten: de flink aangeschoten moeder die ’s nachts hun kamer binnenkomt, en hen op huilerige toon verzekert dat ze van hen houdt, dat zij haar verkeerd begrijpen en die om vergeving smeekt.


Nico en Kine vertellen om en om hun verhaal chronologisch door de tijd springend. Het gaat over de jaren die zo belangrijk zijn in het leven van pubers. Over het leven met hun alcoholverslaafde moeder, over de moeite die ze hebben om de schijn op te houden naar buiten toe. Hun tas staat ingepakt klaar, voor het geval dat. Ze nemen altijd de voorste metrowagen, en dragen iedere dag van de week een vaste kleur.
Ze hebben bijbaantjes, en sparen hun geld om een scooter te kunnen kopen.
Het lijkt er op dat Kine de sterkste van de twee is. Waar zij een manier vindt om een weg te vinden in het leven, zakt Nico juist dieper in een depressie weg.


Van Doornik beschrijft hoe de meisjes reageren op de moeder, op haar dwaasheid en ziekte. Dat doet ze met humor, zonder dat het wrange vergeten wordt. De meisjes hebben geen enkele zekerheid, ook veiligheid biedt hun moeder niet, zij gaat onnadenkend met criminelen in zee en vindt een troost in esoterie. Er komt zelfs een tipi in de flat te staan! Toch denken de meisjes er geen moment aan om anderen te waarschuwen. Als immers hun vader niets doet?
Je beseft als lezer natuurlijk hoe erg het is, maar er wordt niet op je gemoed gewerkt.


Het speelt van 1997 tot 2014, in het begin zijn de meisjes elf en veertien jaar oud. Kine lijkt als jong meisje al ‘oud’, ze is nauwelijks anders als ze als studente haar verhaal vertelt. Het was mooier geweest als er enige differentiatie was aangebracht, zo’n meisje maakt immers een rijpingsproces mee. Van Nico is het meer aannemelijk dat er weinig verandert. Ze was al puber als het verhaal begint. Het schild van afstandelijkheid dat menige tiener om zich heen opwerpt is bij haar nog sterker aanwezig.
Mooie stukken zijn er vooral in haar verhaal:


‘Er zijn dagen dat ze zich voorneemt niets meer te drinken, het zijn de beste dagen. In de avond heeft de spijt haar voornemens soms ingehaald, maar dan is de supermarkt meestal al dicht. (-) Met de komst van de nieuwe supermarkt is aan deze zeldzame avonden een eind gekomen. Open tot 22.00 uur.


‘Ik was langsgekomen om hem (=film) te brengen,’ zei hij, ‘maar je moeder begreep het niet.’
‘Dat kan’, zei ik, ‘ze begrijpt wel vaker dingen niet.’


‘Soms denk ik dat alles wat ik doen een imitatie is. Dat ik zelfs doe alsof ik besta.’


Mirthe van Doornik (1982) is journalist en documentairemaker. In 2016 vestigde ze zich als belangrijk schrijftalent: Van Doornik won de vakjuryprijs van zowel de NPO Boekenweek Schrijfwedstrijd als de Scheltema Schrijversacademie. Moeders van anderen is haar zeer mooie debuut.


ISBN 9789044631715 | Paperback | 288 pagina's | Prometheus| april 2018

© Marjo, 23 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Sandwichkinderen
Jamila Channouf


'Met haar spitse ideeën, daadkracht en grote mond is ze aan het uitgroeien tot een leading lady van de superdiverse samenleving', schreef de krant De Morgen onlangs over Jamila Channouf. Spitse ideeën, daadkracht en een grote mond: die desem zit ook in haar debuut als schrijfster.
Sandwichkinderen vertrekt van haar jeugd in Borgerhout. Het zijn de jaren waarin haar moeder de Zeeman op de Turnhoutsebaan ontdekt, haar vader koning Boudewijn adoreert, zijzelf de oude mevrouw Mortelmans - slecht te been en na vele sloefen Bastos kort van adem - begeleidt naar het verkiezingslokaal ('Jamila, ik heb voor het Vlaams Blok gestemd. Het wordt tijd dat we weer baas worden over ons eigen land') en de genaamde Sabrina een tophit scoort met 'Boys, boys, boys'.
Een verhaal over halal en haram, McDonald's-sletten en seuten en daten met Marokkaanse en Belgische mannen. Maar bovenal een doorleefd en kleurrijk relaas met veel humor en engagement.


Als je deze flaptekst leest dan verwacht je een beetje nostalgisch verhaal over 'de goede oude tijd', niet in Nederland maar in België. Niets is minder waar, hoewel de schrijfster wel terugverlangt naar de tijd toen zij eind 1970 vanuit het Marokkaanse Rifgebergte neerstreken in het Vlaamse Borgerhout.


Toen was alles nog wel wat simpeler dan nu en bovenal, toen leefde haar vader nog. Haar vader die nachtenlang, Koran teksten citerend en over haar hoofd strelend, aan haar bed zat toen ze gekweld werd door nachtmerries. Haar vader die recht door zee was en respect voor alles en iedereen had.
Ze verlangt ook terug naar de gezelligheid van toen zoals, samen met haar vader en moeder Nederlands leren. - Haar moeder die geen Arabisch kon lezen en schrijven, volgde naast het Nederlands ook Arabisch les.-

Haar moeder vond het moeilijk en vreemd, waarom gingen kinderen naar een crèche, waarom gaan ouderen naar een rusthuis, waarom zitten mannen van veertig in de kroeg, waarom lopen homoseksuelen met pluimen, waarom verkopen vrouwen zichzelf in het café?


Maar zowel vader als moeder zijn erg dankbaar dat zij in België wonen, alle hun negen kinderen moeten die dankbaarheid ook tonen met een grote dosis beleefdheid en nederigheid.  Maar Jamila zelf voelt zich heen en weer geslingerd tussen Marokkaans en Belgisch zijn. Ze voelt zich een sandwichkind.  Tegen een arts zegt ze: "Wij sandwichkinderen zijn vreemden voor jullie en jullie voor ons. Wij, zij en niets tezamen."


Eerder vertelde Jamila al: "In tegenstelling tot mijn generatie aanbad de eerste generatie koning Boudewijn, droeg ze Leo Tindemans op handen en dacht ze van Jean Luc Dehaene dat hij een normaal postuur had. Die generatie hield van twee landen, terwijl ik al strijdend aansluiting zocht bij één identiteit, om vaste grond onder mijn voeten te krijgen."


Als op een school Irakezen vluchtelingen getreiterd worden, haalt Jamila's vader haar van die school af en wordt ze op een andere niet racistische school geplaatst, en daar ontmoet ze haar enige vriendin, Mina, die uit heel ander hout is gesneden dan Jamila. Maar toch strijden zij beiden tegen het bolwerk van de Marokkaanse 'zusters'.


Ik had zoveel behoefte aan daden na onze persoonlijke revolte waarbij we vooral ijverden voor zowel vernieuwing als traditie. Ik vond dat ik teveel stil stond. Veel te bang om een misstap te zetten in de maatschappij, in de gemeenschap, in het gezin. Maar ik was liever bang dan hysterisch, zoals de zusters. Zusters waar Mina nog steeds tussen leefde. Ik niet. Zusters stonden bij mij synoniem voor dolende buurvrouwen, wannabe-Beyonce's. Het soort vrouwen dat wanneer je z evraagt welk hun favoriet boek is, wellicht met ene Marokkaans kookboek zouden afkomen. Vrouwen met tijd. Te veel tijd. Tijd die ze vooral gebruikten om anderen te veroordelen. Vrouwen ook met weinig ambities en energie. De weinige energie die ze hadden gebruikten ze om zich met anderen bezig te houden. Het liefst zogen ze levenslustige mensen leeg.


De zusters leefden dus van roddel en achterklap en daar willen Mina en Jamila niet aan meedoen.
Jamila heeft al vrij jong de drang om vrij te zijn en ziet al heel snel hoe de wereld en vooral de wereld voor en van de Marokkaanse mensen in elkaar zit. Zij wil zo'n leven niet en vertrekt ook op gegeven moment uit haar woonplaats en gaat studeren. Mina wil ook ook een ander leven, maar pakt het heel anders aan, wat uiteindelijk leidt tot een arrestatie, die beiden vrouwen totaal verbluft.


De vriendschap met Mina loopt als een rode draad door het boek. Ook al zien de vriendinnen elkaar lange tijd niet, toch blijft de vriendschap bestaan en dankzij het verhaal over de ontwikkeling daarvan kunnen we de diverse kanten van de Marokkaanse samenleving 'zien'.

Maar eigenlijk voert Jamila in dit boek één lang 'gesprek' met haar vader, zij vertelt hem hoe zijn opvoedkundige normen en waarden na zijn dood veranderd zijn, zij vertelt over het Vlaams Blok, vertelt hoe anders en agressiever er tegen Marokkanen aangekeken wordt, ze vertelt dat iemand het had over minder, minder, minder, vertelt hoe de sandwichkinderen heen en weer geslingerd worden tussen het land waarin ze wonen en het land waar hun ouders vandaan kwamen. Jamila gaat zelfs een tijd wonen in Marokko, omdat ze zich ergens écht thuis wilt voelen.


Ze vertelt fel en strijdend. Met haar scherpe blik heeft ze veel dingen uit haar leven in haar hoofd geregistreerd en opgeslagen en analyseert en fileert ze haarscherp wat de plus- en minpunten zijn die het Vlaamse en Marokkaanse leven haar en andere sandwichkinderen brengen en gebracht heeft. Het boek heeft impact, geeft inzicht in het leven van een tweede generatie immigranten en laat je nadenken over onze huidige verhardende samenleving.
Kortom, een debuut dat je bijblijft!

Zie ook het interview op de Vlaamse radio 2


ISBN9789462671287 | Paperback | 158 pagina's | Uitgeverij Epo | februari 2018

© Dettie, 19 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Strandvogel
Reinier Bresser


Gustaaf Vogel, succesvol trader bij een bedrijf in Londen, krijgt een schokkend telefoontje. Zijn zusje Fanny is tijdens het zwemmen in de zee bij Wassenaar verdronken. Gustaaf snapt het niet: zijn zus kon uitstekend zwemmen! Was het een ongeluk? Of was het opzet? Er wordt geen enkel teken gevonden dat het laatste het geval zou kunnen zijn, maar Gustaaf twijfelt.
Behalve deze twijfel is er het schuldgevoel dat hem kwelt, er was de laatste jaren nauwelijks contact met zijn zusje.
Het eerste wat hij doet als hij terug is gevlogen naar Nederland, is naar het strand gaan, naar de plek waar hij de beste herinneringen aan heeft. Daar bij strandpaal 93 is Fanny de zee in gelopen.


‘Strandpaal 93. Toen de reddingzwemmers hem hadden verteld dat Fanny daar gevonden was, wist hij genoeg. Hij kon er blind naar toe lopen, hij wist hoeveel stappen het was van de duinrand naar de verweerde paal, waarop in zwarte cijfers het nummer was geschilderd. Hij had er tegen aan geleund als hij naar de vrachtschepen aan de horizon keek. Hij had er een rondedans gemaakt toen hij voor zijn eindexamen was geslaagd. Het was zijn totempaal geweest.’


En nu was Fanny daar gevonden.


Aan het water is niets te zien. Fanny Vogel kende de zee net zo goed als haar drie jaar oudere broer, misschien wel beter. Hun zomerse dagen sleten zij allebei aan de Wassenaarse Slag, waar ze picknickten met hun ouders, en waar zij terwijl hij met zijn vrienden rondhing ging kijken hoe Kees Zuydwijk poffertjes bakte. In het paviljoen Zuydwijk woonden in de zomer de tweeling Harry en Gabor, van dezelfde leeftijd als Gustaaf. De jongens vroegen hem nogal eens om te blijven slapen, daar op het strand. Fanny ging dan braaf mee naar huis, ‘ze ging altijd braaf mee,’ al miste ze haar broer dan. Ze kroop vaak bij hem in bed, dat was veilig.
Hun ouders hadden niet echt een hechte band, en er was niemand anders.


Maar zoals dat gaat met een broer en een zus, ieder ging zijns weegs. Gustaaf merkte waarschijnlijk niet eens hoezeer zij hem miste. Hun band was een vanzelfsprekendheid, hij besefte niet dat je zo’n verbintenis  moest onderhouden. En hij vertrok naar Londen, met zijn vrouw Martha en zoon Alexander. Maar hij was al eerder vertrokken, toen hij ging studeren. Al wilde Fanny het anders, zij was te bedeesd om eisen te stellen.


Nu is ze dood, en tot zijn schrik ontdekt Gustaaf dat zijn eigen zoon Alexander meer contact met haar had dan hij wist, en meer dan hij zelf had. Van hem hoort hij dat Fanny in behandeling was bij een psychotherapeut. Gustaaf gaat met die man praten, maar wordt niet veel wijzer. Ze had een dissociatieve stoornis, maar dat kon meerdere oorzaken hebben. Maar was het voldoende om aan te nemen dat haar dood gepland was?
Gustaaf overdenkt zijn eigen leven. En hij neemt een besluit.


Het is een verhaal over hoe je jezelf kunt kwijtraken, maar ook weer terugvinden. Het wordt verteld vanuit Gustaaf, maar om het geheel duidelijk te krijgen moet ook Fanny haar kant van het verhaal vertellen. Dat gebeurt in ingelaste stukken tekst. Zowel broer als zus wisten niet hoe ze met elkaar moesten communiceren, ze hadden het niet geleerd. Allebei vluchten ze als het ware in een leven dat niet goed voor hen was. Een leven waar ze geen van tweeën ‘gezien’ werden door hun omgeving. 
Triest, en voor Fanny te laat.


Reinier Bresser (Wassenaar,1948) is copywriter en creative director bij reclamebureaus als Ogilvy en Publicis. Ook was hij partner van het Amsterdamse bureau Straad.
Strandvogel is zijn romandebuut.


ISBN 9789491363931 | Paperback | 128 pagina's | Gibbon | oktober 2018

© Marjo, 2 december 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Dochter
Lenny Peeters

Een meisje zit in de verhoorkamer van een politiebureau. Gezien de ruwe en onvriendelijke behandeling wordt ze ergens van verdacht, maar het meisje heeft geen idee wat ze daar doet. Er worden vragen gesteld waarop ze nauwelijks een antwoord heeft, hetgeen gedeeltelijk ligt aan het feit dat ze die vragen niet begrijpt.
Ze krijgt koffie, die ze niet lust, maar limonade komt er alleen als ze vragen beantwoordt.


‘Krijg ik suikerklontjes?’ vraag ik.
‘Dat kan.’ De man tikt op mijn blad. ‘Als hier iets op staat, kunnen we het er over hebben.’
Is dat een regel? Ik denk het wel. De eerste die ik hoor. Waarom hangen ze hem niet aan de muur? Met foto’s erbij van wat er allemaal op een blad kan staan? Zou een beker goed zijn?’


Wat het meisje gedaan zou hebben, weet ook de lezer niet, maar dat haar leven niet normaal was weten we al wel. Zij woont met haar vader in een verwaarloosd huis, geen moeder. En ook geen instanties die zich er mee bemoeien. Of heeft vader die allemaal weggejaagd?
Het gaat niet goed met het meisje, ze is zwakbegaafd en wordt van school weggestuurd omdat ze zich niet kan gedragen. Ze heeft een heel eigen manier om de wereld te interpreteren.


‘Ik veeg de bladeren en takjes onder de eik opzij en doe mijn doos met spullen open. Eerst zaten er pantoffels in. Vader had ze met de kruiwagen meegebracht. Twee grote sloffen met stoffen tanden en pluchenoren.
‘Konijnenkoppen,’ zei vader. Dat dacht ik niet. Konijnen zijn bruin of wit of zwart. Nooit roze. Dat zou vader moeten weten.’
[...]
Vader had het vast niet goed gezien. Hij zou een bril moeten dragen. Dat zegt hij zelf. Hij wrijft over zijn ogen en klaagt dat ze zo snel achteruitgaan. Ik zie er niets mis mee. Ogen kunnen alleen maar achteruit als je er heel hard op drukt.‘


Thuis houdt ze zich bezig met cavia’s, op een manier die meelij doet krijgen met die beestjes. Wij vinden het gruwelijk, maar voor haar is het heel gewoon om van de dode dieren, ook van de konijnen die haar vader slacht en die ze opeten, de schedels te bewaren onder haar bed.
Haar enige vriend is de buurjongen, Jonas. Het wordt de lezer al snel duidelijk dat die jongen broeit van de hormonen, hij ziet er geen been om het meisje - Konijntje noemt hij haar - naar zijn pijpen te laten dansen.


Lenny Peeters schreef met Dochter haar debuutroman. Een psychologische roman over een meisje die in haar onschuld de vreselijkste dingen doet. Het verhaal wordt verteld vanuit het meisje, in korte zinnen en eenvoudige taal. De gebeurtenissen waar het verhaal om draait moeten door de lezer uit de context worden opgemaakt, het wordt nergens expliciet verteld.
Lenny Peeters (1975) is Vlaams, hetgeen ze verraadt door haar woordgebruik.  Eerder won ze prijzen met korte verhalen.


ISBN 9789044633894 | paperback | 224 pagina's | Prometheus | oktober 2018

© Marjo, 7 november 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het land houdt van stilte
Fieke Gosselaar


‘Op de landbouwgronden groeiden de gewassen door de seizoenen heen tot aan de laatste dijk waarachter de kwelders lagen en de Dollard begon. Het land van Siebo lag in de Reiderwolderpolder, terwijl zijn boerderij midden in het dorp stond.’


Oost-Groningen, een op het oog eenzaam gebied, met dorpjes en alleenstaande boerderijen, een land dat stilte biedt. In het huis van Siebo is een Bed & Breakfast, niet dat Siebo dat zo leuk vindt, vreemde mensen over de vloer, maar hij laat het zijn vrouw maar doen. Hij weet dat hun kinderloosheid haar achtergelaten heeft met een leeg gevoel, en ach, hij heeft zijn eigen bezigheden, hij heeft er net zo veel last van als hij zelf wil.
Maar als zijn vrouw meer lijkt te gaan voelen voor die ene terugkerende gast, vallen er toch wel woorden. Warre, een jongeman die regelmatig komt vanuit Amsterdam, lijkt voor Meena als een zoon te zijn. Dat is niet goed, vindt Siebo.


Als Warre deze keer komt en aangeeft dat hij wat langer blijft, speelt Meena met de gedachte dat hij voor altijd zou kunnen blijven. Warre, wiens moeder net overleden is, en die het ouderlijk huis moet ontruimen, heeft dat idee ook. Niet dat het uitgesproken wordt overigens.
Dan is er ook nog Duurt, een man die ook uit de Randstad komt en alleen woont met zijn duiven. Als zijn buurman overlijdt ontfermt hij zich een beetje over de buurvrouw.


Deze verhalen wisselen elkaar af: Siebo en Meena, in de derde persoonsvorm. Warre en Duurt opgevoerd als ik-persoon. Het duurt lang in dit land van stilte voor de lezer begrijpt wat deze mensen bindt, er wordt niet veel gesproken. Niet dat het dus automatisch een boek is met beschrijvingen, er gebeurt genoeg: er worden uitstapjes gemaakt, er wordt gewandeld, het huishouden wordt gedaan, maar het geheel heeft wel een verstilde sfeer. Zoals dat lijkt te passen in dit polderlandschap, waar de moderne tijd nog niet geheel vat op heeft gekregen.


De personages zijn mensen die op zichzelf zijn. Ze hebben wel gezelschap, maar dat is niet altijd een garantie voor echt contact. Het blijft een beetje op de vlakte allemaal. Dat is niet negatief bedoeld, het boek is een rake kenschets van de menselijke aard.


Een mooie psychologische roman waar ook nog een spanningsboog in zit, maar die staat op het tweede plan.


Fieke Gosselaar (1982) is strafrechtjuriste bij de rechtbank Noord-Nederland. Haar werk inspireerde haar tot het schrijven van een verhalenbundel, Tussen de anderen. Gosselaar verzorgt wekelijks een radiocolumn voor RTV Noord. In 2013 verscheen haar Groningse poëziedebuut, Nova Zembla. Dit is haar prozadebuut.


ISBN 9789026342424 | Hardcover | 196 pagina's | Ambo-Anthos | juni 2018

© Marjo, 21 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kleihuid
Herien Wensink


‘Er was niets wat erop leek, zelfs niet het dreunen van treinen of tractoren, dat soms het vlees van je botten leek te schudden. Je ogen, oren, mond gevuld met lawaai. Kaken op elkaar klemmen om niet te schreeuwen. Een groot, gruwelijk kabaal, zwaar en donker, daverend en resolute regelmaat. Bof. Bof. Bof. Mensenoren waren er niet tegen bestand. Mensen niet. Hier viel niet tegenop te trainen: marcheren, links-rechts, bajonet gereed. Bof. Na één dreun waren ze willoze vleesklonten, al hun oefeningen ten spijt. He trommelde op je borst en roerde in je maag. Huid, vlees, spier, alles werd week. Het dreunde tot in het bot, tot in het merg.‘


Aan het woord is een jonge man, een soldaat die zich in Passchendale bevindt, in het midden van de strijd. Harvey Cole is van eenvoudige afkomst, een van de vele andere Britse jongens die zich vol goede moed naar Vlaanderen hebben laten sturen, om pas daar tot de ontdekking te komen dat oorlog niets met heldendom te maken heeft.
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog deelt soldaat Harvey in revalidatieoord Sonnehaert, te Krombeke een kamer met officier Rupert Atkins, die afkomstig is uit een artistiek milieu. Twee heel verschillende mannen. Ook hun verwondingen zijn heel anders. Aan Rupert zie je niets, behalve het trillen van zijn arm als hij getergd raakt.


‘Het laken als een jurk, verband over de borstkas en beide armen, vochtig verkleurde windsels om het hoofd, zwart van geronnen bloed. De linkerarm lag er bij als een gebroken vleugel. Het wezen leek benauwd, zijn ademhaling was rasperig en onregelmatig, alsof hij met alle geweld probeerde zuurstof uit het verband te zuigen.’


Williams, de arts in het revalidatieoord heeft – noodgedwongen? – verstand van zowel fysieke als psychische verwondingen, hij opereert Harvey verscheidene malen en voert therapeutische gesprekken met Rupert. De officier weet niet meer wat er allemaal precies gebeurd is, maar langzaam komen de herinneringen terug. Door het praten met de dokter, maar ook door de langzaam groeiende kameraadschap tussen Harvey en Rupert.


Rupert heeft het liever over kunst en literatuur dan over de oorlog. Hij was een veelbelovend kunstenaar, heeft ook al een prijs gewonnen, maar tot zijn afgrijzen komt er nu niets fatsoenlijks uit zijn handen.
Harvey heeft simpeler genoegens, praat over vrouwen, over zijn familie van wie hij denkt dat ze niet op zijn terugkeer zitten te wachten. Regelmatig voel je de ergernis van beide mannen, de een over het bijna hoogdravende artistieke geklets, de ander juist over het onontwikkelde laag-bij-de-grondse van de ander. Mooi is het dan te lezen hoe toch vriendschap ontstaat. Harvey is ondanks al zijn verwondingen, de sterkere, degene die steviger op de aarde staat dan zijn niet lichamelijk verwonde maat.


Het is een beeldend, erg zintuiglijk verteld verhaal, dat misschien voor diegenen die nauwelijks iets weten over die oorlog schokkend is, maar voor wie bijvoorbeeld de boeken gelezen heeft die Herien Wensink als bron gebruikte, zoals ze vertelt in een nawoord, is het niets nieuws. Vrijwel alle elementen zijn verteld in andere boeken: de gasaanvallen, de deserteurs, een vriendschap tussen vijanden, en vooral het gedwongen moeten samenleven in vreselijke omstandigheden.
Daardoor ontbreekt de spanningsboog, en moet het verhaal het vooral hebben van de mooie taal.
Hoewel er wel degelijk scenes beschreven worden die zich afspelen in de loopgraven of op het slagveld, is dit boek meer een psychologische roman dan een oorlogsroman.


Het was een verrassing te ontdekken dat de schrijfster een Nederlander is! De naam en het onderwerp van dit boek deed vermoeden dat het een Vlaamse schrijfster zou zijn.  Herien Wensink (1977) is theaterredacteur bij De Volkskrant. Hiervoor was zij tien jaar cultuurredacteur bij NRC Handelsblad. Als cultuurjournalist heeft ze haar werk kunnen maken van twee grote liefdes: schrijven en kunst.
Dit boek is haar debuut.


ISBN 9789029510400 | paperback | 288 pagina's | Arbeiderspers | januari 2018

© Marjo, 11 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het tegenovergestelde van een mens
Lieke Marsman


Een roman schrijven over de opwarming van de aarde, hoe pak je zoiets aan? Klimaatverandering is waarschijnlijk het belangrijkste probleem van deze tijd, maar toch hebben maar weinig romanciers zich eraan gewaagd, de Indiase schrijver Amitav Ghosh is een van de schaarse uitzonderingen. Te abstract en te ongrijpbaar? Een te groot gevoel van machteloosheid?


Ida, 29 en hoofdpersoon in Lieke Marsmans debuutroman, is klimaatwetenschapper, en als klein meisje al dacht ze diep over de dingen na:


‘Op een gegeven moment zei mijn moeder dat de mens door en door slecht was, hakte vervolgens een winterpeen in tweeën.
De uitspraak maakte veel indruk: als mensen slecht waren, en ik wilde goed zijn, dan moest ik ervoor zorgen dat ik het tegenovergestelde van een mens was. In de periode die volgde deed ik dat in eerste instantie vooral door te oefenen met zo lang mogelijk op mijn handen te lopen. In de schoolzandbak groef ik een zo diep mogelijke kuil in de hoop een glimp van Nieuw-Zeeland op te vangen.’


Na haar afstuderen reist Ida af naar Noord-Italië, waar ze wordt ingezet bij een onderzoeksproject over het verwijderen van een stuwdam. Veel stelt haar werk niet voor, en dus heeft ze alle tijd om na te denken, die drang is nooit overgegaan. Over de zin van haar onderzoek. Over de stagnerende relatie met haar vriendin Robin. Over filosofie. Over het boek This changes everything van klimaatactiviste Naomi Klein, die al snel uitgroeit tot haar nieuwe heldin omdat zij schrijft waar het werkelijk om gaat. Klimaatverandering, zegt Klein, heeft alles te maken met de kenmerken van het neoliberale tijdvak waarin we leven: de macht van het bedrijfsleven versus de onmacht van de staat; het idee dat alle problemen, ook klimaatverandering, kunnen worden overgelaten aan de vrije markt. Die wereld is echter zo groot en zo ongrijpbaar dat zij ons alle wapens uit handen slaat:


Wat als de reden dat de meesten van ons niet in actie komen niet is dat we te zelfzuchtig zijn om ons zorgen te maken over een ogenschijnlijk abstract en ververwijderd probleem – maar dat we juist verlamd worden door hoeveel het ons wél kan schelen?


Dat is wat Ida herkent: haar apathie is een gevolg van hoe de generatie die het neoliberalisme mogelijk heeft gemaakt de wereld achterlaat; haar cynisme is in werkelijkheid een uiting van verslagenheid. Ze gebruikt, zegt ze ergens, cynische grapjes om zich staande te houden in een wereld waar ze niet voor gekozen heeft, nooit voor zou kiezen, maar waaruit ze ook geen uitweg ziet.


Juist dit gevoelige, op de huid van de tijd analyseren van de vraag hoe te leven, maakt dat Het tegenovergestelde van een mens nog lang nazindert in je hoofd. Daarbij past wel de kanttekening dat Naomi Klein wel degelijk oplossingen aanreikt voor degenen die in verzet willen komen: collectieve actie van onderop. Klein geeft hiervan een heleboel voorbeelden, en in Nederland kun je denken aan de actiegroep Code rood die vorig jaar de steenkolenoverslag in het Amsterdamse Westelijk Havengebied bezette. Maar dat deel van Naomi Kleins boodschap gaat goeddeels voorbij aan Ida, en misschien ook wel aan de schrijfster.


Dat wordt echter ruimschoots goedgemaakt door de vorm waarin het boek is geschreven. Het tegenovergestelde van een mens is geen conventionele roman maar een speelse afwisseling van verhaal, poëzie (Lieke Marsman is ook een gelauwerd dichteres), citaten en filosofische reflecties, onderdelen die elkaar op een verrassende manier versterken. Een belangrijk boek, een boek dat er toe doet!


ISBN 9789025446345 | Hardcover | 175 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | juni 2017

© Hein-Anton van der Heijden, 22 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Desalnietbemind
Annabel Jonk


‘In dit bed ontwaakten we elke ochtend met een verbaasde blik naar elkaar. We koesterden het misverstand waarmee elke relatie begon. Alles wat we de ander hadden toegedicht, in opperste staat van vervoering en lust, leek gaandeweg te vervagen. De aanbeden verschillen veranderden in tergende irritaties. En het werd erger naarmate we verhuisden naar hier, ons huis. In dit bed had verdriet zich vermomd als boosheid en boosheid had zich voorgedaan als verdriet. Hier hadden we geprobeerd elkaar te monopoliseren. Als dat gelukt leek, was het van korte uur en werd de autonomie met stemverheffing heroverd. Dit bed was bunker en slagveld.’


En in dit bed wordt Martha op een dag wakker naast Victor om te ontdekken dat hij gestorven is. Twaalf jaar zijn ze samen geweest, de succesvolle advocate en de man die zijn tijd vulde met schrijven en presentaties houden. Martha dacht dat ze haar man kende, maar tot haar verbijstering is er op de begrafenis een vreemde vrouw, die rozen op zijn graf legt. Wie is die vrouw?
Martha gaat op zoek, en begint met het opruimen van Victors werkruimte, zoekend naar de dingen waarvan ze niet wist dat ze er waren.


‘Als er geheimen lagen, dan konden ze geen kant op.’


Haar man blijkt inderdaad een aantal geheimen voor te hebben gehad. Behalve de vreemde vrouw, zijn er ook volgeschreven schriften, met jeugdherinneringen, belevenissen waarover hij haar nooit verteld heeft. Af en toe leest ze erin, en dat leidt tot nieuwsgierigheid: wie zijn die mensen waarover hij schrijft?


‘Ik had altijd gedacht dat wat voorbijging vervolgens stilstond. Dat alles stolde tot herinnering en opgeslagen werd in grote stellages in het hoofd. Dat was niet zo.’


Martha zoekt steun bij haar vriendin, maar eigenlijk heeft ze er weinig aan. Sophia gelooft niet in de totale overgave en vindt dat iedereen, dus ook Victor, recht heeft op ene eigen leven. Als hij dat geheim wilde houden dan was dat zijn goed recht.


‘Vraag je af of je alles wilt weten. Onthoud de mooie dingen. Maak het niet te zwaar, schat. Hij heeft je desalnietbemind.’


Maar Martha gaat toch op onderzoek uit. Ze wil Victor alsnog leren kennen. En ontdekt dingen die ze misschien liever niet geweten had.


‘Wat een puinhoop. Er zat betonrot in de heipalen onder mijn bestaan. Ik voelde me dom en naïef. Om de waarheid te spreken hoef je niet slim te zijn, misschien helpt het zelfs als je niet toerekeningsvatbaar bent. Om goed te liegen moet je intelligent zijn, je moet denken in scenario’s, veinzen, vleien, versieren, vooruitdenken, schaken op verschillende borden.’


En zo wordt een verhaal dat begint als een roman een spannende thriller. En niet zomaar een!
Het verhaal zit vol filosofietjes, psychologische overdenkingen, en is prachtig geschreven met poëtische en spitsvondige zinnen.
Een boek dat je niet hapsnap tussendoor leest, al zou je dat denken als je er aan begint. Maar terwijl het verhaal aanvankelijk lijkt te duiden op een roman met als thema rouw, neemt al snel het thrillerelement het over en wordt er een spanningsboog in het verhaal aangebracht, waardoor je gaat vrezen voor Martha’s leven.


Verrassend dus, en mooi geschreven. Een debuut dat klinkt als een klok.


Over Annabel Jonk (1976) is niet veel bekend. Ze kan schrijven, dat zeker!
En het boek is zeer mooi vormgegeven


ISBN 9789492037794 | Hardcover | 334 pagina's | Uitgeverij Brandt | april 2018

© Marjo, 28 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER