Nieuwe jeugdboekrecensies 10+

Vijf kinderen en het
E Nesbit

Met twijfel in hun hart verhuizen de kinderen Cyril, Anthea, Robert, Jane en hun broertje van twee met hun ouders vanuit een drukke stad naar een afgelegen huis ergens in Kent.
Al snel weten ze evenwel dat zij heel tevreden zullen zijn in hun nieuwe huis. Er is een grote tuin met een heerlijk ruikende jasmijn; een hooizolder boven de stal en vlakbij huis blijken een kalkafgraving en een grindafgraving te liggen, dus volop plek voor avontuurlijke tochten!

‘Het fijnste van alles was dat hier geen regels waren. Hier hoorde je niet ‘je mag daar niet naar toe’ of ‘je mag dat niet doen’. In Londen zat op bijna alles wel een bordje ‘Verboden aan te raken.’ Ook als het etiket niet zichtbaar was, was dat net zo erg, want je wist gewoon dat het er zat.‘

Al snel zijn de ouders uit beeld: vader moet op zakenreis en moeder ging bij oma logeren omdat die niet lekker is. Martha, de huishoudster, moet op hen passen.
De kinderen verkennen eerst het huis en gaan dan naar buiten: naar de grindafgraving.

Daar stuiten ze op een vreemd wezen dat zichzelf een psammie noemt, een zandfee. Hij vertelt dat hij wensen vervult, en spreekt af met de kinderen dat ze iedere dag een wens mogen doen.
Dat begint al goed: Anthea wenst dat ze allemaal zo mooi zijn als de dag.
Als dat gebeurt, herkennen ze elkaar niet eens! En als ze thuis komen ziet men hen ook aan als vreemden. Ze mogen dus niet naar binnen en krijgen geen eten!
In ieder geval weten ze dan wel een nieuwe wens voor een volgende keer: dat Martha en de andere mensen om hen heen het niet kunnen zien als er iets verandert.
Dat levert hilarische scenes op. Want terwijl de kinderen zich in een –gewenst – kasteel bevinden is datzelfde kasteel voor Martha een gewoon huis. Ze dekt de tafel voor de kinderen, maar die zien het eten niet.
Overigens moeten de kinderen eerst leren na te denken voor ze een wens doen. Het is al snel onnadenkend gezegd ‘Ik wou dat..’  De psammie vervult de wens meteen.
Maar ook als ze er wel goed over nadenken, gaat het wel eens fout. Ze wensen zich rijk, maar staan er niet bij stil dat een afgraving vol gouden munten niet erg handig is als je nog kind bent. In het dorp denken ze dat ze dieven zijn.

Wat dan toch wel handig blijkt te zijn is dat de wensen slechts vervuld worden tot zonsondergang.
En zo wensen de kinderen allerlei dingen die in ieder hoofdstuk een leuk avontuur opleveren, vaak ook hachelijke situaties. Wat te doen als hun moeder bij thuiskomst de juwelen van een overval op haar kamer vindt? Niemand gelooft immers het verhaal van de psammie, ze kunnen het niet uitleggen.
Toch moeten ze dit oplossen…

Dit verhaal is in 1902 in Engeland verschenen als feuilleton in een tijdschrift. In dat land is het nog altijd populair, maar het werd tot op heden nog niet in het Nederlands uitgegeven.
Zullen Nederlandse kinderen dit verhaal ook waarderen?
Het feit dat er geen moderne vervoer- of communicatiemiddelen zijn en het boek dus enigszins gedateerd is, hoeft geen belemmering te zijn. Magie is van alle tijden, en het leven van de kinderen is ook goed herkenbaar voor kinderen van nu. Deze lezers worden af en toe aangesproken door de schrijfster, die soms ook commentaar levert. Er zijn ook wel wat moeilijke woorden, maar over het geheel genomen is de conclusie toch dat het zou moeten lukken!

Edith Nesbit (1858 –1924) is een Engelse schrijfster die meer dan 60 jeugdboeken schreef.

ISBN 9789492168214 | hardcover | 240 pagina's | Karmijn| juli 2018
Leeftijd vanaf 10 jaar
Vertaald uit het Engels door Hannie Tijman

© Marjo, 23 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Er was eens een kasteel
Piers Torday


Zoals ieder jaar in de Kerstvakantie moet Muis zijn tas inpakken: hij gaat met zijn moeder en twee zussen naar opa en oma van moederskant die in een afgelegen boerderij wonen, in de bergen. Er wordt al een sneeuwstorm voorspeld als ze gaan vertrekken, maar de elfjarige Muis moet flink achter de vodden gezeten worden. Hij is een dromer, is snel afgeleid en altijd met andere dingen bezig. In ieder geval gaat zijn knuffelpaard mee, Efel geheten en wat er verder in zijn tas zit blijft de vraag. Als hij tenslotte in de auto stapt heeft hij zijn pyjama nog aan, met een parka er over heen.


Zijn moeder heeft geen geduld meer, ze moeten gaan. De stemming in de auto is niet zo best, eigenlijk hebben ze er helemaal geen zin in. En dan begint het nog steeds harder te sneeuwen ook. Het kan niet uitblijven: moeder verliest de macht over het stuur, en de auto glijdt de heuvel af om ondersteboven te blijven hangen. Op dat moment had Muis zich net losgemaakt uit zijn gordel om iets te kunnen oprapen en hij wordt uit de auto geslingerd.
De oudste zus, Roos, weet haar gordel los te maken, en die van haar jongere zusje. Zij lijken ongedeerd. Maar haar moeder is bewusteloos en bloedt.

Intussen wordt Muis wakker in een landschap dat hij niet kent. Het is er ook ontzettend koud en hij is alleen. Alhoewel: er is een schaap, dat tegen hem lijkt te praten, al verstaat Muis haar niet. Er komt een paard op hem af, en dat dier is degene die Muis begeleidt op een zoektocht. Er is een monster, dat hij aanvankelijk alleen maar hoort, en het paard zegt dat hij naar een kasteel moet zoeken, om van het monster af te komen.
Een zware tocht volgt, en nog meer vreemde wezens komen op hun pad.


Gaandeweg wordt het de lezer duidelijk wat er met Muis aan de hand is. Hij is vergeten wat er gebeurd is, maar af en toe beseft hij wat zijn achtergrond is, en soms vallen er stukjes van het raadsel op hun plaats. Het paard bijvoorbeeld is zijn knuffel Efel. Raar maar waar…


Het sprookjesachtige verhaal van Muis wordt na een tijdje af en toe onderbroken door het realistische verhaal van Roos, zodat duidelijk is hoe het verhaal werkelijk verloopt. Het duurt lang voordat je weet of het avontuur van Muis echt is, of dat het een droom is, of misschien zelfs een waan van een overleden kind.


Ze lijken hetzelfde doel te beogen, Muis en Roos: ze proberen hulp te halen, omdat ze inzien dat hun moeder het niet kan. Maar waar het verhaal van Roos duidelijk is, is het verhaal van Muis nogal bevreemdend, vooral omdat de jongen zelf niet begrijpt wat er allemaal gebeurt. Hij lijkt ook macht te hebben over het verhaal waarin hij zich bevindt. Hoe kan dat nu?


Er was eens een kasteel is een surrealistisch  sprookje over angst en verbeelding. Muis is een bijzonder jongetje, en daarom is het jammer dat er een epiloog is waarin een afloop wordt verteld die je liever niet had geweten. Zonder dat hoofdstuk was het een open einde geweest, na het fantasieverhaal was het beter geweest om de lezer zijn verbeelding te laten gebruiken. Het is sowieso een boek voor de geoefende lezer, die kan een open einde ook wel aan. Maar goed, het is een afgerond geheel geworden.


‘Want wat is de dood meer dan verbeelding, vraagt Muis zich af.  ‘Als je echt dood bent, dan kun je je niet herinneren wat er is gebeurd, en je kunt het ook aan niemand meer vertellen’.


Piers Torday (1974) schreef eerder de trilogie 'De laatste wilde dieren', winnaar van de Guardian Children's Fiction Prize 2014.


ISBN 9789024576487 | Hardcover | 288 pagina's | Uitgeverij Luitingh-Sijthoff | november 2017 | Leeftijd vanaf 10 jaar
Vertaald uit het Engels door Aimée Warmerdam

© Marjo, 17 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De waarheid volgens Mason Buttle
Leslie Connor


‘Ik heb eens een film gezien over een spellingswedstrijd. Met een meisje dat iets magisch had. Als ze haar woord hoorde, schreven de letters zich vanzelf in de lucht, bij alle woorden trouwens. Dat ging met kringeltjes en vonken met pluizige bijen en elfjes die een glinsterend spoor maakten. De letters bloeiden als appelbloesem. Ze vloeiden als verf van een kwast. Altijd de goede letter!(-) Ik zie ook dingen. Maar geen elfjesvleugels. Geen bloeiende bloemen.’


Mason Buttle is een bijzonder kind. Hij denkt in beelden en vooral bij cijfers ziet hij kleuren. Helaas is hij ook ontzettend dyslectisch, de letters dansen voor zijn ogen. Dit maakt hem in de ogen van leeftijdgenootjes al mikpunt van pesterijen maar daar komt nog bij dat hij last heeft van overmatig zweten. Omdat hij enigszins afgelegen woont, in een oude boerderij, met zijn oma en oom, gaat hij met de bus naar school. En daar kan hij niet aan zijn kwelgeesten ontkomen. Vooral niet aan zijn buurjongen, Matt. De moeder van Matt is Mason evenwel goed gezind, en hun hond Moonie is gek op Mason!


Een andere kwelgeest is inspecteur Baird. Masons beste vriend is namelijk anderhalf jaar eerder verongelukt bij een val uit een boom. Die boom staat in de tuin van Masons oom en de jongens hadden er een boomhut in gebouwd. Mason was helemaal niet in de buurt toen Benny Kilmartin viel, maar de inspecteur komt steeds vragen of hij misschien nieuwe informatie heeft. Want de inspecteur weet dat er geknoeid is met de ladder die de jongens gebruikten. En hij wil maar niet snappen dat Mason niet eens weet hoe hij moet liegen.


De jongen weet echt niets en toch blijft de inspecteur komen. Tenslotte zegt hij: als je dan niet kunt vertellen, schrijf het dan op. Dat doet Mason, bij zijn toevlucht op school, juf Blinny. Zij vertelt hem dat hij ‘buiten de lijntjes denkt.’
En ze zegt na de dood van Benny dat hij moet geloven dat er nieuwe vrienden zullen komen.


Dan komt het geluk opnieuw op Masons pad: een een nieuwe jongen in de klas die vanwege zijn geringe lengte ook meteen een mikpunt is. Calvin is alleen een stuk slimmer, en als de twee dikke vrienden worden is het steeds Calvin die plannen maakt en Mason die ze uitvoert.


Het is maar goed dat Mason een goede vriend heeft, en steun vindt bij juf Blinny, en bij Moonie, want het leven zou ondraaglijk zijn zonder hen! Ook zonder dat de inspecteur aan zijn kop kwam zeuren, droeg hij immers al een groot schuldgevoel met zich mee. Het was tenslotte ook zijn boomhut, hij had hem mee gebouwd. Was het dan toch zijn schuld dat Benny er niet meer was?


Maar dan gebeurt er iets verschrikkelijks...


Leslie Connor vertelt dit aangrijpende verhaal in korte behapbare hoofdstukken. Het is geschreven in de ik-vorm, waardoor Mason, een heel herkenbaar personage, nog nader tot het lezershart komt. Zijn twijfels, zijn schuldgevoelens en toch ook zijn potentie om gelukkig te kunnen zijn raken je. En wat ook mooi is, is dat je geen hekel krijgt aan Matt en aan de inspecteur, doordat Mason op zijn eigen misschien naïeve manier probeert te begrijpen waarom zij doen wat ze doen.
En juf Blinny! Een heerlijk mens. Ieder kind zou zo iemand in de omgeving moeten hebben!


Leslie Connor
studeerde beeldende kunst om illustrator te worden, maar kwam erachter dat het schrijven haar nog veel meer trok. Inmiddels heeft ze al verschillende kinderboeken geschreven, die meermalen bekroond werden. Ze woont in Connecticut, Amerika. Dit is het tweede in het Nederlands vertaalde boek.


ISBN 9789047710264 | Hardcover | 251 pagina's | Uitgeverij Lemniscaat | mei 2018 | Leeftijd vanaf 11 jaar
Vertaald ut het Engels door Annelies Jorna

© Marjo, 12 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ik ben Vincent en ik ben niet bang
Enne Koens


‘Het is donker. Zo donker dat ik niet eens mezelf kan zien. Ik ben ergens midden in een bos. Ik zit op de grond en voel koude stenen onder mijn billen.’


Dit is Vincent en hij is wel degelijk bang. Hij wordt enorm gepest op school, niet alleen met woorden, er wordt geslagen en geschopt. Zijn broodtrommel kapot gemaakt, zijn tas in de vuilnisbak gepropt.
En tegen zijn ouders zegt Vincent dat alles goed gaat op school. Hij heeft zelfs een vriendje, vertelde hij. Nu hadden zijn ouders die leugen snel door, maar toch blijven ze geloven dat het nu goed gaat met hun zoon. ‘Hij moest dingen niet verkeerd opvatten.’
Vincent weet wel beter, maar de enige die hij in vertrouwen neemt is zijn oppas Charlotte. Zij heeft hem een ultimatum gesteld: als de pesterijen na het schoolkamp nog niet over zijn, gaat ze het zijn ouders vertellen.


En daar zit hij nu, in dat bos, weggelopen uit het kamp. Wat moet hij nu? Hij had nog wel uit voorzorg een boek meegenomen over survivallen en hij had een blikje met allerlei nuttige dingen, zoals een kompas, lucifers, pleisters, houtskool. Maar dat is hij kwijtgeraakt toen men hem dreigde te vinden en hij wegrende. Nu is Vincent niet dom, hij beseft dat er een einde moet komen aan zijn ‘survival’. Hij weet dat de dieren die hij verzint als onzichtbare beschermengelen niet echt zijn, maar het is het enige dat hij heeft.
Ook weet hij wel dat hij alles aan zijn ouders zal moeten vertellen. Maar het valt hem zwaar. Want hij kan helemaal niet aangeven waarom die jongens hem pesten! Wat mankeert er aan hem?


Nu is er vlak voor de klas op kamp ging een lichtpuntje in zijn leven gekomen: een nieuwe klasgenoot, Jasmijn. Ze lijkt hem leuk te vinden vanwege alles wat hij weet. Maar aan de andere kant gaat zij ook met de pesters gewoon heel aardig om. Dus staat ze echt wel aan zijn kant?


Er zijn twee verhaallijnen: het heden, Vincent in z’n uppie in een donker bos, en het verleden dat in flashbacks verteld wordt. Daarnaast zijn er de survivaltips in een mooie groene kleur tussen de hoofdstukken door, versierd met leuke tekeningen, die ook boven de korte hoofdstukken staan. Heel mooi gedaan door Maartje Kuiper!


Het is een avontuurlijk verhaal rondom een eenzame kwetsbare jongen, het slachtoffer van pesterijen, waar hij maar niet aan kan ontsnappen. Het boek is voor jonge kinderen, het is dus prima dat het verhaal de goede kant in gaat. Zullen kinderen het misschien vreemd vinden dat de ouders van Vincent niet zien wat er aan de hand is?  De handvatten die geboden worden aan jonge lezers die gepest worden, lijken niet erg nuttig, Vincent moet cool doen:


‘Normaal is wat iedereen denkt dat de meeste mensen normaal vinden.(-) Omdat ze bang zijn willen ze graag normaal doen, zelfs als ze niet weten wat dat is. Maar wat normaal is, is in elke klas, zelfs in elk land anders.’


Sinds ze afstudeerde als actrice heeft Enne Koens eigenlijk vooral geschreven: toneelteksten, liedjes en korte verhalen. In 2007 verscheen haar eerste roman Tot alles gezegd is. Daarna volgden haar YA-roman Vogel, waarmee ze de Jonge Jury Debuutprijs won, en het veelgeprezen voorleesboek Sammie en opa, dat door de Griffeljury met een Vlag & Wimpel is bekroond. Ik Ben Vincent En Ik Ben Niet Bang is kerntitel voor de Kinderboekenweek 2018.


ISBN 9789024578610 | Hardcover | 184 pagina's | Luitingh- Sijthoff | augustus 2017
Illustraties door Maartje Kuiper | Vanaf 10 jaar

© Marjo, 3 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De meest eenzame walvis ter wereld
Kim Crabeels


‘Ik speur het water af op de toppen van mijn tenen.
Daarom groei ik.
Meestal zie ik niks. Ik zucht ‘waar blijf je?’ in een schelp.
De schelp verdwijnt naar zee en ik slenter terug naar huis.
Verdriet dat duurt, weegt door.
Daarom word ik zwaarder. ‘


Lilja en haar vader wonen in een vuurtoren in het Hoge Noorden. De vuurtoren ligt op een klein eilandje en andere mensen wonen er niet. Als haar vader nu nog thuis bleef, dan was het allemaal wel meegevallen. Maar haar vader is vaak weg, om onderzoek te doen op zee. Wat precies, dat weet Lilja niet. Ze wacht op hem, en op de schelp die haar vader altijd voor haar meeneemt. De vuurtoren zit vol schelpen. Maar Lilja gebruikt ze om brieven te sturen naar haar vader. Ze weet alleen niet of hij ze wel ontvangt, er komt nooit antwoord. Ze mag niet met hem mee als hij vertrekt, Lilja moet op de vuurtoren passen en zorgen voor het Noorderlicht. Het is maar een eenzaam bestaan daar op dat eilandje.


Op een dag vertelt haar vader over iemand anders die eenzaam is: een walvis! Omdat hij niet op de juiste toonhoogte zingt, kunnen de andere walvissen hem niet vinden. Misschien kan de walvis een vriendje zijn? Maar ja, waar is hij dan?


Een sprookjesachtig verhaal, dat bedoeld lijkt voor kinderen vanaf een jaar of tien. Maar de taal is vrij pittig, en omdat er niet echt een realistische verhaal vertelt wordt, zal dit boek best lastig te begrijpen zijn. Want al weten we niet hoe oud het kind is, dan nog is het eigenaardig dat een vader zijn kind steeds alleen op een eilandje achterlaat! Waar leeft ze van? Geen andere kinderen, geen school, niets.
Wie is er nu eigenlijk eenzaam? Die walvis, of het meisje?
Bestaat de walvis wel? Of is hij een product van haar fantasie?


En ja, in werkelijkheid bestaat deze walvis!
William Watkins van het Woods Hole Oceanografisch Instituut doet onderzoek naar geluiden van walvissen. In 1989 ving hij een geluid op dat sterk afweek van de geluiden van andere walvissen. Hij ontdekte dat het dier alleen was, het geluid dat hij maakte kon niet worden gehoord door andere walvissen. Al de jaren dat wetenschappers de walvis volgen, is het dier alleen gebleven. Men noemt hem 52, net zoals het meisje in dit verhaal doet.


Het is vooral een boek om over te praten: wat denk je van het alleen zijn van het meisje? Is de walvis echt? Haar vader vertelt over hem, maar is hij er ook lijfelijk voor het meisje? ‘De meest eenzame walvis ter wereld zwemt rondjes in mijn hoofd.’ zegt ze.
En wat bedoelt het meisje als ze zegt: ‘Papa ruikt naar ver.’ Met dit soort poëtische taal staat het boek vol. Wie in staat is de beelden voor zich te zien, beleeft hier veel plezier aan.


Nu zijn de tekeningen niet alleen wonderschoon - prachtig van kleur, en veel sprekende details - ze zijn net als het verhaal sprookjesachtig. Misschien kan je als lezer in de tekeningen zien wat er nu echt aan de hand is. Als ‘echt’ al bestaat natuurlijk.
Maar het Noorderlicht bestaat, en de wezens van de zee ook. Daarom is alleen al kijken naar de illustraties de moeite waard!


Kim Crabeels heeft tien jaar gewerkt als leerkracht, nu is zij cultuurprogrammator voor de allerkleinsten in Leuven. Zij schrijft boeken voor kinderen van 4 tot 12 jaar.

Sebastiaan Van Doninck is ook leerkracht, en illustreert om verhalen te vertellen.


ISBN 9789401452854 | Hardcover | 72 pagina's | Lannoo | juni 2018| Vanaf 10 jaar.
Illustraties van Sebastiaan van Doninck

© Marjo, 24 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Toegang geweigerd
Danny de Vos


‘Het was raar, hij had zo vaak gehoord dat al die vluchtelingen alleen maar op zoek waren naar Luilekkerland, maar zo zagen deze mensen er helemaal niet uit. Ze deelden echt geen high fives of zo uit omdat ze toch maar mooi in Europa waren. Volgens hem waren ze liever thuisgebleven, waar dat ook mocht zijn.‘


Als hun ouders op vakantie gaan naar Griekenland, het eiland Argos om precies te zijn, staan ze er op dat Nick, (14 jaar) en Zoë (17 jaar) met hen meegaan. Ze zouden liever thuisblijven en zonder ouders hun gang gaan. Maar ze gaan natuurlijk mee, en het wordt een heel bijzondere vakantie.


De mensen van het hotel waar ze voor een all-inclusive verblijf geboekt hebben, doen er alles aan om de harde werkelijkheid buiten zicht van de toeristen te houden: het eiland wordt namelijk overspoeld met vluchtelingen in krakkemikkige bootjes.
De bewaking is streng, er is een speciaal stukje strand voor hotelgasten, en alle vermaak is in het hotel.


Maar Nick is een nieuwsgierig joch, en als hij ontdekt dat er een compleet andere wereld verstopt zit achter hun strand, wil hij daar heen. Zo ontmoet hij Zaïd, een aangespoelde bootvluchteling van zijn eigen leeftijd, met wie hij  vriendschap sluit. 
Als ze nu eens een dag van plaats wisselen, bedenkt Nick: dan kan Zaïd een dag lang leuke dingen doen, eten en drinken wat hij wil. Zelf redt hij het wel een dagje op het strand.


Maar als er een boot juist op dàt strand aankomt, met vluchtelingen die men zo snel mogelijk wil afvoeren naar het kamp, ziet niemand dat die jongen een westerse knul is. Hij heeft immers de kleren van Zaïd aan? Intussen komt Zaïd in de problemen, doordat iemand ziet dat hij illegaal in het hotel is.
En zo komen de jongens alle twee terecht op de ferry naar Athene, een reis die 12 uur duurt. In die tijd zijn Nicks ouders naarstig op zoek naar hun zoon, maar zelfs als ze vermoeden dat hij op de veerboot zit, kan er geen contact gemaakt worden.


Nick komt er op nogal hardhandige manier achter dat het leven van een vluchteling helemaal niet zo is als zijn vader altijd roept: ‘terroristen zijn het,‘ zegt hij, ‘ze willen alleen maar naar het westen om te profiteren van onze rijkdom!’


Wat ook een spannend avontuur is, is tegelijk een indringend verhaal over hoe het leven in feite is als je je land moet verlaten omdat je er niet veilig bent. Een verhaal over mensensmokkelaars die profiteren van hun ellende; over verscheurde families, waarbij mensen vaak niet weten waar hun familie ergens is. Dan begrijp je hoe belangrijk het is om een mobieltje te hebben!


Het verhaal wordt af en toe ook vanuit het perspectief van Zaïd (met cursief gedrukte tekst), waardoor je het ook eens van de andere kant te horen krijgt.
Mooi, indringend en heel belangrijk. Nog steeds. Het boek verscheen twee jaar geleden, maar er is weinig veranderd.


Danny De Vos
heeft regelmatig met de problematiek rond vluchtelingen te maken. Toegang geweigerd baseerde hij op gesprekken met gevluchte jongeren, onder meer op het verhaal van een Afghaanse jongen van 16 die in zijn eentje de reis naar West-Europa maakte.


ISBN 9789021675909 | paperback | 160 pagina's | Ploegsma | april 2016 | Vanaf 10 jaar

© Marjo, 21 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Viltstiftbos
Jeanet Kingma


Tasko baalt. Hij kan niet op zijn eigen kamer spelen, omdat opa daar logeert. Die is gevallen en kan voorlopig niet in zijn eigen huis wonen. Opa heeft de hele kamer in gebruik, er staat een postoel en een looprek. Ook verandert opa dingen aan de legobouwwerken van Tasko.


‘Een eigen kamer was net een zachte trui die precies paste. Als hij hem aanhad dacht hij vanzelf aan goede dingen. En als het nodig was kon hij zich er helemaal in verstoppen.’Tja, nu gaat dat dus niet. Een beetje boos gaat hij buiten skateboarden.


Daar ontmoet hij het meisje dat pas in de straat is komen wonen. Ze vertelt dat ze Fenna heet. Dat ze eerst in een bos woonde met haar vader die boswachter is. Nu moet haar vader het stuk land dat begroeid is met distels in de gaten houden. Maar Fenna kwam uit dat veld. Wat is ze daar wezen doen? Tasko is nieuwsgierig en gaat op zoek.


En achter in het veld, bij het drukke viaduct, staat een brievenbus. Met een opgerolde brief erin. Als hij hem er uit trekt en bekijkt ziet hij een tekening. Viltstift en kleurpotlood door elkaar. Twee paarden, een huis met enorme deuren, een paardrijvrouw, die kwaad keek. En achter het huis bomen. Dit heeft Fenna vast gemaakt!


Nu is Tasko dol op tekenen. Op zo'n tekening kan je immers alles laten gebeuren!
Hij neemt de witte rol mee en tekent er thuis van alles bij: een ridder in vol ornaat op een van de paarden, een roofvogel in de lucht, en zomaar, omdat het grappig was, een busje dat net niet op het vel papier paste, met op de zijkant het woord IJS. Tasko stopt de tekening terug in de brievenbus.


Natuurlijk ziet Fenna dat de volgende dag, maar voor hij er over kan vertellen klinkt het lawaai van een auto. Een ijscowagen! Snel haalt Tasko geld voor een ijsje. En het ijsje, dat ze tegen betaling van een pepermuntje (!) van de ijscoman krijgen verandert alles! Letterlijk: ineens is er geen autoviaduct meer, er vliegt een buizerd, en er duikt een paard op! Tasko beseft dat ze IN de tekening zijn! Maar hoe komen ze er dan weer uit?


Fenna is een natuurmeisje, Tasko een stadsjongen. Allebei zijn ze boos, omdat hun leven opeens veranderd is en zij daar niets aan kunnen doen. Ze vullen elkaar aan, en beleven een fantastisch avontuur, met ridders en paarden en een boosaardige vrouw. Hun verleden, die de achterliggende reden is van hetgeen ze getekend hebben, speelt een rol in de oplossing van de zoektocht naar de uitweg.
Een heerlijk fantasierijk verhaal over vriendschap, dierenmishandeling en een magisch kasteel.


Na Mosselvogel verschijnt nu het tweede boek van Jeanet Kingma. Zij is schrijver en beeldend kunstenaar. Ze maakt kunstenaarsboeken in zeer kleine oplagen, waarin ze beeld en tekst combineert. Haar favoriete druktechnieken zijn: houtsnede en sjabloondruk. Maar hopelijk heeft ze nog meer van dit soort mooie kinderboeken in haar hoofd!


ISBN 9789044832877 | Hardcover | 173 pagina's | Uitgeverij Clavis | augustus 2018 | Leeftijd vanaf 9 jaar
Geïllustreerd door Myriam Berenschot

© Marjo, 18 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Mollie en Seb - Het geld onder de vloer
Cat Calcoen


De twaalfjarige Seb wist al wel dat zijn leven niet over rozen liep - zijn vader heeft hem en zijn moeder verlaten voor een jongere vrouw - en omdat hij er anders uit ziet is hij vaak het mikpunt van pesterijen, maar het kan nog erger. Elvis, zijn lieve kat is dood! En omdat zijn moeder de touwtjes niet meer aan elkaar kan knopen moeten ze verhuizen naar een woning waar geen huisdieren toegestaan zijn! Geen nieuwe kat? Vreselijk!


Dan ontmoet hij de poes die Mollie heet en zijn leven verandert totaal. Want hoe vreemd het ook klinkt: Mollie en Seb verstaan elkaar! En ze zijn zo’n beetje lotgenoten, want Mollie zwerft op straat ‘omdat haar mens gestorven is’, en de mensen die het huis geërfd hebben, hebben haar op straat geschopt. Letterlijk!
Mollie weet wel hoe de toekomst er uit moet komen te zien: zij vertelt dat er in het huis van haar vorige baasje een pak geld verborgen is, en dat is de oplossing van hun probleem. Sebs moeder hoeft het huis niet te verkopen en Mollie kan bij Seb gaan wonen.Maar ja, hoe moeten ze bij dat geld komen?


‘Vertrouw mij maar. Zwerfkatten hebben hopen mensenkennis.’


Moeten ze inbreken!? Tjee… Maar het is wel wat Seb met de hulp van zijn kameraadje Bindu gaat doen. Dat kan niet goed aflopen! Zeker niet als ze ontdekken dat de grootste pestkop – ook Bindu wordt gepest – in het betreffende huis woont!


Natuurlijk is een verhaal over een pratende kat die ook nog zo slim is als Mollie blijkt te zijn, niet realistisch. Maar door de elementen die in het verhaal verwerkt zijn valt er toch voor jonge lezers veel te herkennen: Seb houdt er van om zijn haren lang te dragen, en hij kan niet zo goed rekenen. Gevolg: pesterijen. Bindu is Indisch, mollig maar superslim, en zij wordt ook gepest. De pestkop, Messi genoemd, blijkt niet zo’n fijn thuis te hebben, zijn moeder is een feeks.
Ook de problemen die eenoudergezinnen kunnen hebben zijn realistisch, en wat poes Mollie betreft: buiten geschopt worden en op straat moeten leven, dat gebeurt helaas ook vaak.


De manier waarop dit verhaal verteld wordt spreekt erg aan, de bladspiegel is ruim, de hoofdstukken zijn niet lang, en de dialogen – vooral die met de kat – zijn pittig en humorrijk. En natuurlijk is het ook nog spannend, want: zal het plan van Seb en Mollie lukken?


De schrijver is Vlaams en daarom kom je wel wat vreemde woorden tegen, maar niet zodanig dat het niet te begrijpen valt.Het is een leuk boek, en misschien komen er wel meer verhalen over Seb en Mollie! Dat zou nog eens leuk zijn!Cat Calcoen (1976) studeerde Germaanse talen aan de Gentse universiteit. Ze werkt als copywriter. Mollie en Seb – het geld onder de vloer is haar geslaagde debuut.


ISBN 9789044833355 | Hardcover | 365 pagina's | Clavis | juni 2018| Vanaf 10 jaar. 
Tekeningen van Michael Vincent

© Marjo, 14 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ik moet je iets heel jammers vertellen
Arno Bohlmeijer


Rozemarijn vertelt over die avond dat zij met haar zusje Phebe en hun ouders naar huis rijden.


‘We raken een stoep of zoiets en we worden door elkaar geschud. Het doet zeer in mijn buik, ik word er misselijk van. Nu stuurt papa hard, een beetje wild, de andere kant op. Wéét hij wel wat hij doet? Ik wil helpen, schreeuwen, wegkruipen, maar ik lijk van steen, ik kan helemaal niets!
Dan zie ik ook niets meer, de wereld valt over me heen, ik ben mezelf kwijt.’


Rozemarijn vertelt het verhaal over hoe het ongeluk het leven van hen alle vier totaal veranderde. Ze belanden in het ziekenhuis, mama in Deventer, papa en de kinderen in Zutphen. Mama blijkt er het slechtst aan toe te zijn, en Rozemarijn begrijpt al snel dat het echt niet goed gaat. Inderdaad komt de moeder te overlijden. Met het jongere zusje gaat het ook niet goed, maar zij herstelt langzaam. Net als papa en Rozemarijn zelf.


'Iedereen krijgt bange ogen als ze over mama praat.’


Het verhaal over het ongeluk en over daarna is een verdrietig verhaal dat door de ogen van een kind van negen bezien een realistisch relaas wordt zonder dat het een tranentrekker is. Het is door een volwassene geschreven natuurlijk, maar Arno Bohlmeijer doet dit op heel geloofwaardige wijze. Over het persoonlijke ongemak dat het meisje ervaart, het verlangen naar de tijd voor het ongeluk, toen ze haar mama nog om zich heen had. Het besef dat het echt niet goed gaat met mama, en het verwerken van haar dood. De boosheid op haar vader die tenslotte achter het stuur zat, en de zorg om haar zusje.


Er is een licht berustende toon waaruit blijkt dat de achtergrond van het gezin religieus is, maar er wordt niet gezegd dat het Gods wil was, of iets dergelijks.
Het is gebeurd, en nu moeten ze verder. Rozemarijn blijkt sterk genoeg om dat te kunnen ook al mist ze haar moeder vreselijk.


'Ik ben blij voor haar dat ze al mag uitrusten. Ze wordt zo vrij en licht dat wij daar ook iets van zullen voelen, vanbinnen, waar ze bij ons blijft, net zo dichtbij als je zelf wilt.'


Het is absoluut niet makkelijk om een boek als dit te schrijven, over de dood en afscheid nemen van een geliefde mama. Bohlmeijer heeft een autobiografisch verhaal geschreven en maakt duidelijk dat de kinderen – en hijzelf – in staat waren de dood te accepteren en verder te gaan. Samen. Vooral dat: samen. Want zo zou mama het gewild hebben.


In een kort voorwoordje vermeldt de auteur enkele dingen die nu anders zijn dan in 1992, toen het ongeluk plaatsvond. Bijna niemand had toen een mobiele telefoon. Voor muziek gebruikten ze soms cassettebandjes. Zo weet je dat dat toen heel gewoon was.


ISBN 9789000347681| Hardcover | 112 pagina's | Van Goor | november 2015| Vanaf 10 jaar.

© Marjo, 4 september 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Mathilde, ik kom je halen
Inez van Loon


Op het hoogtepunt stonden in de Rupelstreek (ten zuiden van Antwerpen) wel 180 steenbakkerijen!
De kleiputten van toen vormen nu een bron van toerisme, met mooi ontwikkelde landschappen waarin je vaak nog sporen kunt vinden van de ontginningen. De steenbakkerijen, in de volksmond ‘gelegen’ geheten, waren plekken waar zich mensonterende toestanden afspeelden. Aan het begin van de twintigste eeuw waren uitbuiting en kinderarbeid de bron van veel ellende. Armoe was troef onder de arbeidersbevolking, terwijl de eigenaren hun zakken vulden.


Toen Inez van Loon ontdekte dat haar eigen familie de bron kon zijn van een verhaal waarvan zij – en velen met haar – vond dat het verteld moest worden, ging ze op onderzoek uit. Het resultaat is het verhaal van Mathilde.


Dertien is ze, als haar moeder overlijdt en haar vader er voor kiest om met een jongere vrouw een nieuw leven te beginnen. Een leven, waarin hij geen tienermeisje kan gebruiken. Mathilde moet maar naar haar oom en tante, dan kan ze op hun kinderen passen. Later zal Mathilde ontdekken dat hij echt wel wist wat er zou gebeuren: net als de andere oudere kinderen in het gezin waarin negen kinderen waren, zou Mathilde te werk worden gesteld op de steenbakkerij. Erger is evenwel dat ook de zesjarige Fonske, die helemaal niet zo gezond is, daar moet gaan werken. De baas van de steenbakkerij eist dat ook zulke jonge kinderen, met hun kleine voetjes en vingertjes, komen werken. Zo niet, dan kunnen de andere leden van het gezin het wel schudden.
Opzichter Kobe is een boosaardige man. Niet alleen heeft hij losse handjes, hij schaamt zich er niet voor misbruik te maken van de meisjes.
Die komen ogen en oren tekort als ze zichzelf en de kleine kinderen moeten beschermen.


Hoe anders is haar leven nu. Mathilde ging al naar school, waar nu niets meer van komt. Ze had genoeg te eten, sliep comfortabel: in het nieuwe schamele onderkomen is er nooit genoeg eten voor de kinderen – en de volwassenen. Het huisje is koud, vochtig en veel te klein. Mathilde droomt van een ander leven. Kan ze haar nieuwe familie in de steek laten? En die jongen die een oogje op haar heeft?
Het lot grijpt in, om dat enkele jaren later nog een keer te doen in de vorm van de Eerste Wereldoorlog.


Een aangrijpend verhaal over hoe het leven honderd jaar geleden was. Dat is nog helemaal niet zo lang geleden, en als je weet dat soortgelijke arbeidsomstandigheden elders in de wereld nog steeds heersen, is het eigenlijk nog dichtbij.
Uitbuiting en machtsmisbruik, een minachting voor de medemens, het gebeurt nog steeds.
Het is goed als jonge mensen dat te horen krijgen, en als dat gebeurt door middel van zo’n levensecht verhaal als dat van Mathilde werkt dat ook.


De opkomst van het socialisme met de verderfelijke rol van de geestelijkheid komen haast terloops aan de orde, maar zijn niet minder bepalend voor het verhaal van Mathilde.


Inez van Loon
is sociologe/kindercriminologe en studeerde ook Oost-Aziatische kunstgeschiedenis en Chinees. Haar boeken dienen een doel. Naast dat ze een feest zijn om te lezen, geven ze een inkijkje in de levens van jongeren, in heden en verleden, veelal met een levensechte historische insteek.

ISBN 9789044832709 | Hardcover | 183 pagina's | Uitgeverij Clavis | april 2018
Leeftijd vanaf 11 jaar

© Marjo, 27 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het (on)gewone verhaal van Bo (en Tom)
Tineke Honingh


Ik knipte het licht aan. Als ik iets had geleerd van de afgelopen
Eerste Keren, dan was het toch wel dat mijn lijf me zomaar in de
steek kon laten. Mijn arm deed waar hij zin in had, mijn mond
kon woorden weigeren, mijn benen waren onbetrouwbare
onderdanen. Daarom zwoer ik bij een goede voorbereiding.


Aan het woord is de twaalfjarige Bo. Na de verhuizing in de zomervakantie van de stadswoning naar de boerderij is het haar eerste schooldag. Ze ziet er tegenop. Hoe zullen haar klasgenoten reageren? Een nieuwe klas is sowieso al eng maar helemaal als je een bochel, een krom linkerbeen en een klauwhand hebt, spastisch bent en in een elektrische driewieler rijdt (die door Bo Herman de Derde genoemd wordt).


In de vakantie had juf Elske haar de klas al laten zien dus Bo wist waar ze moest zijn. Dat was wel handig. Toch aarzelt Bo bij de fietsenstalling.


"Moest ik al naar de klas gaan? Dan keek natuurlijk iedereen naar me tot de les zou beginnen.
Ineens wilde ik dat Fenna (haar zus) mee was. Zij was gewoon naar binnen gegaan. Dat kon ze heel goed: net doen alsof wij de enigen op de wereld waren. Ik was daar slecht in en dat kwam door alle niet-kijkers. Niet-kijkers vonden mij net zo zielig als helpers, alleen probeerden ze te doen alsof ik normaal was, door heel nadrukkelijk niet naar me te kijken. Wat daardoor hopeloos mislukte natuurlijk. [...] Ach, kijk nou, een gehandicapte, zeiden de zogenaamde niet-kijkende ogen."


In de klas stelt Bo zich met veel moeite voor, want praten gaat haar ook niet makkelijk af, en natuurlijk is één jongen, Pelle, daarom aan het lachen. Maar dat is Bo wel gewend. Zo gaat het altijd. Ze krijgt een plek aangewezen naast Tom, hij moet haar helpen van juf Elske. Bo is daar niet blij mee.  "O, hoera... Gewone helpers waren al irritant, maar nu kreeg ik een verplichte helper. Die moet ik maar gauw uit de droom helpen."


Maar ze vergist zich in Tom. Hij is niet als de helpers en niet-helpers. Hij vertelt haar dat de juf gemeld had dat ze gehandicapt is en dat hij op google heeft gezocht naar haar 'ziekte' cerebrale parese. Hij vraagt haar wat er gebeurd is bij haar geboorte en nog veel meer en zo ontstaat er een gewoon gesprek wat Bo eigenlijk heel prettig vindt.


We lezen in het volgende hoofdstuk de gedachten van Tom, die eveneens een aardig rugzakje mee te dragen heeft. We komen zo ook te weten dat de hulp aan Bo een taakstraf is, anders zou Tom geschorst worden van school. De hoofdstukken waarin Tom en Bo aan het woord zijn, wisselen elkaar onregelmatig af. Bo blijft het hoofdpersonage. Het verhaal is voornamelijk door haar ogen verteld.

Door het slechte praten is Bo uitgegroeid tot een observeerster, ze ziet veel en houdt haar gedachten en invallen bij in schriften, die allen zwart zijn. Ze heeft dan ook altijd een schrift bij zich, ze kan niet zonder. Elke vrijdag op haar thuisblijfdag bespreekt ze met haar vader haar aantekeningen. Maar één schrift is rood en die is geheim, niemand weet daarvan, daarin staan haar allerintiemste gevoelens, die zijn van haar, dat mag niemand weten. Je zou denken dat het over verliefd zijn gaat of iets dergelijks maar als we uiteindelijk de inhoud van dat schrift te weten komen dan breekt je hart.


De taakstraf van Tom blijkt erg goed uit te pakken voor deze twee gekwetste jonge mensen. De altijd op haar hoede zijnde Bo en de uiterst gevoelige Tom voelen elkaar haarfijn aan. Ze begrijpen elkaars eenzaamheid, want eenzaam zijn ze, zonder dat ze dat aan elkaar durven, willen of kunnen vertellen. Deze aanvankelijk afwerende houding van beiden verandert in een voorzichtige, ontroerende vriendschap, waardoor af en toe de tranen in je ogen springen. Je voelt dat deze twee lieve mensen elkaar geen verdriet willen doen en ervaart dat ze heel voorzichtig steeds meer hun kwetsbaarheid aan elkaar durven te tonen. En dat heeft de schrijfster op een  prachtige manier weten te verwoorden.


Misschien júist omdat Tom het nodige te verduren had, heeft hij geen medelijden met Bo. Integendeel! Ze moet maar eens wat lef krijgen! Langzamerhand wint Tom haar vertrouwen, Bo voelt dat hij haar écht wil helpen en niet omdat ze zielig is of gehandicapt. Maar dan gebeurt er iets waardoor de liefdevolle vriendschap en vertrouwen uiteen spat... en of het nog te repareren valt, is een enorm grote vraag.

Het is een boek dat je bijblijft, een jeugdboek dat alles in zich heeft om een klassieker te worden... Prachtig!


ISBN 9789000359639 | Hardcover | 176 pagina's | Van Holkema & Warendorf | maart 2018 | leeftijd 10+

© Dettie, 22 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De redding
De voetbalgoden: deel 18
Gerard van Gemert


Tja zo gauw er een nieuw deel uit is van de voetbalgoden dan móet die gelijk gelezen worden, want Storm en Stijn zijn bijna persoonlijke oude bekenden van me geworden. De twee vrienden die nogal verschillen qua karakter, beleven altijd wel wat. Is het niet een avontuur in Kenia dan is het wel een heel belangrijke wedstrijd die gespeeld moet worden. En altijd is het spannend en altijd weten de jongens op hun eigen manier een oplossing te vinden zodat we opgelucht het boek dicht kunnen slaan.

In deel 17, getiteld Voetbalmaffia, liep het echter anders, de jongens werden in dat deel benaderd door meneer Peerdensteertje, ofwel Harry, de ongure broer van hun trainer. Harry wilde dat ze expres de Champions Leage zouden verliezen zodat hij flink veel geld kon inzetten bij het gokkantoor. Natuurlijk piekerden Stijn en Storm er niet over om dat te doen, Maar meneer Peerdensteertje was een vasthoudend type en begon hen zelfs te bedreigen, het werd best eng, want hij wist wel héél veel over het privéleven van de jongens en hun familie... Een heel enerverend verhaal volgde.
Maar wat dus nooit gebeurt bij de Voetbalgodenboeken gebeurde nu wel, het verhaal eindigde op een heel spannend moment en wij moesten wachten op het vervolg! Gelukkig is dat er nu en kunnen we eindelijk lezen hoe het allemaal afloopt...


Meneer Peerdensteertje is nog steeds bezig om de jongens van gedachte te laten veranderen, maar hoe vals en gemeen hij is blijkt pas tijdens het verloop van het verhaal. Ondertussen hebben de twee voetbalhelden weer een bijzondere ontmoeting met een jongetje die hun een  briefje geeft met daarop alleen het woordje 'Help'. Even later ziet Stijn het jongetje op tv en dát is de aanleiding tot verder onderzoek. Vooral Storm weet natuurlijk weer van geen wijken. Hij zal en moet uitvinden wat er aan de hand is en zoals altijd kent hij geen angst en gaat hij recht op zijn doel af. Stijn is de tegenpool van Storm en vult dingen aan waar Storm door zijn stormachtige aard steken laat vallen. En zo rollen we opnieuw in een smeltkroes van avonturen en intriges.
(Er zit overigens wel een beetje ongeloofwaardig stukje in het verhaal rond de naam van een vermist meisje, maar dat mag de leespret niet drukken.)


Ondertussen is er natuurlijk weer een belangrijke wedstrijd op komst, de jongens mogen namelijk misschien spelen in het team van Oranje! Dat zou wel te gek zijn. En ook Femke, Stijns vriendin, speelt weer een flinke rol in het boek. Storm vindt haar vervelend, ze zeurt en denkt alleen aan zichzelf, vindt hij. De vriendelijke Stijn denkt daar toch wel anders over en zijn schrik is dan ook groot als Femke het uitmaakt, hij heeft toch nooit tijd voor haar!


Opnieuw een boek dat je in een klap uit wilt lezen. Storm is af en toe wel een beetje arrogante bal gehakt, ook al zegt hij de dingen met een grap. Maar toch zit zijn hart wel op de goede plek. Hij is enorm eerlijk en zal altijd klaar staan om iemand te helpen, ook als het gevaarlijk. Hij kan absoluut niet tegen onrecht. Dankzij hem verveelt Stijn zich nooit... En juist die combinatie, de extraverte stormram en de introverte toeschouwer maken de avonturen van de twee zo lekker leesbaar. Ze houden elkaar in balans.
Op naar deel 19!


ISBN 9789044832754 | Hardcover | 154 pagina's | Uitgeverij Clavis | augustus 2018
Leeftijd 10+

Dettie, 14 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER