Nieuwe boekrecensies

Tong
Marly van Otterloo


De 27-jarige Fee Greeve heeft als klusvrouw volop werk en is dan ook bezig met een verbouwing als ze een telefoontje krijgt van Fernando. De baas - en goede vriend - van haar moeder vraagt haar onmiddellijk naar het ziekenhuis te komen, haar moeder heeft een ongeluk gehad. Hij is in paniek, een andere stem neemt de telefoon over en vertelt haar:


‘Haar sjaal is verstrikt geraakt tussen de treden van een roltrap. Ze is gevallen en ongelukkig terechtgekomen. Daarbij heeft ze zwaar letsel opgelopen.’


Ara Greeve werkt op een reisbureau. Helaas zal ze er niet terugkeren.


Fee heeft haar moeder nooit horen praten. Ze weet niet beter dan dat het kanker was waardoor haar moeder haar tong kwijtraakte. Het is een schok te horen van de dokter in het ziekenhuis dat dat onmogelijk is: er is geen littekenweefsel. Een bezoek aan de huisarts van haar moeder maakt haar niets wijzer: er is een nieuwe dokter en geen dossier. De tandarts claimt beroepsgeheim.
Maar Fee wil het weten, zoals ze ook een antwoord wil op de vraag waarom haar moeder daarover gelogen heeft.
Ooit schreef haar moeder op het schoolbord dat ze gebruikten als communicatiemiddel:


'Je bent op dit moment onmogelijk, maar ik heb er NOOIT, GEEN SECONDE, aan getwijfeld of ik je wilde HOUDEN.’


Maar misschien heeft ze dit ook gelogen?
Want er is nog iets: haar vader. Fee heeft nooit een vader gekend. Broers of zussen zijn er ook niet. Ze is het gevolg van een onenightstand op een Spaans strand met een knappe Spanjaard, vertelde haar moeder altijd.


Fee regelt de crematie zoals ze denkt dat haar moeder het wilde. Intussen blijft ze aan het werk, tot vreugde van haar klanten, maar ze maakt alleen maar fouten. Ze is helemaal de kluts kwijt. Ze vertelt het haar vriendinnen pas als alles achter de rug is. Alleen haar vriend Zaïr is op de hoogte.


Wie van haar moeders vrienden en kennissen zou haar meer kunnen vertellen? Over de tong en over haar vader?
Fee is zo geobsedeerd door de vragen waar ze een antwoord op wil, dat haar vriend dreigt hun relatie te stoppen. Maar Fee kan niet anders. De antwoorden kunnen haar vertellen wie ze is. Hoopt ze.


Het is een verhaal dat tegelijk vaker verteld is: de zoektocht naar je afkomst, maar ook origineel is: een tongloze moeder. De lezer wil natuurlijk net als Fee antwoord op de vragen, dat geeft een prettige spanningsboog. Ook de stijl werkt er aan mee dat je het boek vlot uitleest. Goede dialogen, en een to the point stijl, zonder lange uitweidingen. 


Marly van Otterloo (Den Haag, 1953) werkte als organisatie-adviseur/trainer en creatief therapeut, tot ze het schrijven ontdekte. Er verschenen kinderboeken, diverse scenario’s en nu twee romans.


ISBN 9789462971806 | Paperback | 224 pagina's | Uitgeverij de Kring | oktober 2020

© Marjo, 21 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Op 't boekje
Drie generaties vrouwen
Christine Crutsen


‘Weet je wat erg is? Armoe! Honger! Verwaarlozing! Geen poen hebben!’


Drie generaties vrouwen? Drie generaties armoede!


Het begint met Merie, die geboren wordt in 1888 in Krejjedörp. Dat is de Maastrichtse naam van het Quartier Amélie, een arbeiderswijk, gebouwd in 1881 op een terrein aan de Maas, vlak bij de Spoorbrug Maastricht. Het bestond uit 59 geschakelde woningen in vijf rijen aan drie straatjes. Ieder huisje had drie kamers, een keukentje, een zolder en een achtertuintje.
De huisjes waren bedoeld als eengezinswoning voor een gezin met kinderen. In die tijd waren er dan met gemak tien of meer. En waren die er niet, dan werd het huis gedeeld met andere – ook kleinere – gezinnen.


‘Boe kumpos diech vandan?’
‘Vaan ’t Vrouweveld’
‘Daan bist teich gein echte Mestreechse!’
‘Ik bin gebore in ’t Eekstersträötsje’
‘Dat is geen straot, dat is ein gats. Lui vaan reputasie woende dao neet.’


Het wijkje was een initiatief van Petrus Regout, zoon van de oprichter van de aardewerkfabriek de Sfinx waar vooral glaswerk en serviesgoed geproduceerd werd. De glasblazers van de fabriek mochten hun intrek nemen in Krejjedörp, hetgeen vooral ten voordele van de fabriek was: het was vlakbij.
Het was zwaar en gevaarlijk werk. Arbeiders stierven jong aan de ‘pottemannekesziekte’, een variant van de dodelijke ontsteking van de longen, zoals mijnwerkers dat ook hadden.


Ook de vader van Merieke Machiels stierf jong. Haar moeder werkt als huishoudster bij een gegoede familie.
Op 6 december worden Merieke en broertje Joep naar die familie gebracht door de buurvrouw. Hun wandeling door de stad geeft een prachtig beeld van het leven in die tijd. Het is koud, ze zijn dik maar ontoereikend ingepakt. Onderweg zien ze de hondenkarren, magere, verwaarloosde scharminkels van honden die zware lasten dragen. Paarden die karren trekken, maar ook mensen die sjouwen met hun handel. Als buurvrouw nodig moet, gaat ze even opzij, wijdbeens en laat het lopen.
Ze lopen over de markt, waar de kramen nog vol zijn, waar konijnen en fazanten dood hangen te wachten op een koper, of waar dieren met bange ogen verstopt zijn onder de karren en kramen.


Na de dood van hun vader wil hun moeder hen niet meer, de kinderen gaan naar een klooster. Ze gaan er naar school, en dat is dan ook het enige waar ze enig voordeel van hebben: leren lezen en schrijven. Het regiem is streng, en bidden dient ook al nergens toe, ontdekt Merieke.
Als ze veertien is, mag ze weg. Werk zoeken. In de aardewerkfabriek werkt ze voor 90 cent per dag, van 7 tot 7, met anderhalf uur pauze, zes dagen in de week. En droomt. Van een gezin, van kinderen. In haar onwetendheid en verlangen naar warmte is ze een makkelijke prooi.


‘Binnenkort pas ik hier niet meer in. Maar ik heb niets anders. Als ik ’s avonds mijn jurk gewassen heb, moet ik hem s ’morgens vochtig aantrekken. Dan kleum ik de hele dag. Mijn schoenen zijn kapot.’ Ze schopt er een uit. ‘Kijk, met touw bij elkaar gehouden. Ik heb niks, ik ben niks. Geen mens, geen vrouw en zeker geen moeder.’(-) Ik ben een schurftige del vol luizen en vlooien. Ik moet vernietigd worden als ongedierte, als ratten en muizen, ik kan onmogelijk een kind grootbrengen, ik heb niemand iets te bieden.’


Sjarel, de vader is ook pas veertien, en weet evenmin als Merieke hoe ze uit deze armoe kunnen komen. Hij doet zijn best, werkt hard, maar drinkt ook om te vergeten. En kinderen komen als vanzelf. Drie zoons, en de omstandigheden in de wereld worden slechter. De Eerste Wereldoorlog breekt uit.
Dan wordt Bets geboren, in 1920, de tweede generatie over wie dit boek vertelt. Merie stuurt haar naar de nonnen, maar weet: ook voor haar dochter zal er weinig soelaas zijn. Zelfs al worden langzaam sociale voorzieningen ingesteld, en wordt er meer omgekeken naar woon- en leefomstandigheden in achterstandswijken.


Bets stapt in dezelfde valkuilen als haar moeder voor haar deed, kiest de verkeerde man, krijgt teveel kinderen, en grote pech: opnieuw oorlog. Merie trekt bij haar dochter in, kan ze mooi op de kinderen passen, want Bets moet de kost verdienen. Lewie is ondergedoken op het platteland. Als hij terugkomt naar de stad trekt hij een jas aan die hij van een dode steelt. Maar dat was een Duitser.
Terwijl Merie met haar kleinkinderen schuilt voor het bombardement dat in 1944 Krejjedörp verwoest, sterft Lewie omdat hij wordt aangezien voor de vijand.


Wordt het na de oorlog, als er sociale voorzieningen komen beter voor de vrouwen? Nauwelijks. Merie belandt in een ouderenwoning waar ze zich niet thuis voelt. Bets probeert nieuwe relaties, waar ze niet beter van wordt. En dochter Sjanet (1944) ziet het allemaal aan en heeft haar eigen dromen: die ene goede man, die zoekt ze. Is het Sjeng?
Maar in deze blijvende armoe kan ze een gezin met vier kinderen niet aan. Ze hebben niets, moeten verhuizen naar buiten de stad, Sjanet wordt depressief in een tijd dat daar geen aandacht voor was. Haar jongste kinderen worden in een pleeggezin geplaatst, en Sjanet raakt opnieuw in verwachting. Marion wordt geboren, gevolgd door Miets. Kinderen die zelf niet opgevoed zijn, kunnen ook geen kinderen opvoeden.


Je kan het je niet voorstellen. Ja, rond 1900, toen waren het andere tijden, toen was er armoe. Maar na de tweede wereldoorlog, toen was er toch vooruitgang? Toen kreeg iedereen toch kansen? Waarom konden deze vrouwen die niet aangrijpen? Het is niet dat ze het niet willen, ze doen hun best, voor zichzelf, voor hun kinderen en toch…


Christine Crutsen maakt duidelijk hoe dat kan zonder direct psychologische verhandelingen te gaan houden.
Op ’t boekje is een indringend verhaal over drie vrouwen die er maar niet in slagen om een goed leven te krijgen. Op de achtergrond lezen we over de (ontbrekende) sociale omstandigheden, over de fabrikanten die er niet voor terugdeinsden om te profiteren van de armelui. Over de gevolgen van de oorlogen. Een verhaal waarvan je hoopt dat het fictie is. Maar we weten beter.
Als je geboren wordt voor een dubbeltje, zul je nooit een kwartje worden.


Christine Crutsen schreef Naakt met cactus (1998) Na het feest (1999), In ijzeren zwijgen (2001), Een koningswens (2007), Nestgeur(2009), PIT (2012)


ISBN 9789493048249 | paperback | 300 pagina's | Uitgeverij Tic | oktober 2020

© Marjo, 19 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het Witte Land
Rob Verschuren


Als kind heeft Bobby op een akelige manier kennis gemaakt met de eindigheid van het leven: als achtjarig jongetje ziet hij hoe een ekster een jonge merel uit het nest plukt en er mee wegvliegt. Eenmaal op de middelbare school is het de juf van Latijn en Grieks die verongelukt met haar auto. Als adolescent begeleiden haar woorden hem bij een hallucinerende ervaring, hoog in de Oostenrijkse Alpen.


‘Na een poosje wist hij niet meer waar zijn wezen eindigde en de wereld begon. Hij luisterde naar het kristallen zingen van de IJssirenen, dat van overal en nergens leek te komen. (-)
En verder zongen de Sirenen, over een plaats buiten de tijd, van waaruit je zowel het verleden als de toekomst kon zien, maar ook een plaats van duisternis, verborgen voor de mensen, waar zelfs de goden aarzelen te gaan. Hier houdt Kalypso, de nimf, de Verbergster, de sterfelijke held in haar holle grot. Maar de held versmaadt haar goddelijke liefde en Kalypso moet hem laten gaan, haar afscheidswoorden een profetie: Als je in je eigen hart wist hoeveel ontberingen je moet ondergaan voordat je terugkeert naar je land, zou je hier bij mij blijven en onsterfelijk zijn.’


De aloude levensvragen – is alles voorbestemd? Bepaal ik mijn eigen lot? – worden door het dagelijkse leven verdrongen, hij lijkt zich aan te passen aan het leven als ieder ander, krijgt een relatie, een baan, maar er ontbreekt iets aan zijn leven.


Op zijn vijfenvijftigste laat hij alles achter zich en vertrekt. Naar een niet nader genoemd land in het Oosten. De aanleiding? Een foto die hem fascineert, de foto van een vrouw, met wanhoop in haar ogen staat ze bij de restanten van een tsunami. Haar blik roept iets bij hem los, een verlangen, een soort heimwee.
Met op zijn e-reader 97 meesterwerken uit de literatuur stapt hij licht bepakt in het vliegtuig en laat zich begeleiden door Don Quichot, ook iemand die niet wist wat hij met het leven moest en er een eigen invulling aan gaf.


In de kuststad waar hij aanvankelijk neerstrijkt vindt hij niet wat hij zoekt. Weet hij eigenlijk waar hij naar verlangt?
Een gids brengt hem naar een andere wijk, een niet-toeristische plek, waar hij de dagen al dwalend doorbrengt. Hij dompelt zich haast willoos onder in de vreemde cultuur, de vreemde taal, de sfeer.
Tot hij bij een afvalloods komt en daar een jonge vrouw ziet zitten, in het wit. Iedere dag gaat hij naast haar zitten, stelt geen vragen, maar fantaseert rond haar persoon een tempel en een godin. En op de dag dat hij besluit niet langer passief te zijn, wacht hem een verrassing.


’Shit,’ zei hij.
‘Problemen, vriend?’ De stem van de kakkerlak was zacht en zoemend, het croonen van een Don Juan.
‘Kakkerlakken kunnen niet praten.‘
Het was een poosje stil op de vloer. Toen klonk de verlokkende stem weer. ‘Dat is gezien de omstandigheden een onnozele opmerking.’


Net als Bobby zelf begrijpt ook de lezer niet goed wat er allemaal gebeurt. Hallucineert Bobby weer? Raakt hij net als Don Quichot de kluts kwijt?


‘Hij vroeg zich af waar een zangvogel in een kooitje zijn lied vandaan haalde. Wat viel er te zingen voor een tot levenslang veroordeelde? Hij bedacht dat mensen niets anders waren dan vogels in kooitjes die door een zorgzame god ’s morgens naar buiten werden gebracht en aan een boomtak in zijn tuin werden gehangen, nu eens aan deze tak, dan weer aan gene, zodat de bewoners wat van de wereld konden zien, maar altijd tussen de tralies door.’


En maar zingen! Een prachtig beeld toch? Zo zit het boek vol met beelden, vergelijkingen, en fraaie stukjes proza. En er is even dat speldenprikje: ‘Over hem zou nooit een boek geschreven worden.’


Laat je meevoeren in deze zoektocht naar de eigenheid van de mens. Niet de maatschappij moet je leidraad zijn, die zit in jezelf.
Opnieuw geeft Rob Verschuren ons een prachtige roman, een om nog lang over te mijmeren.


Rob Verschuren (1953, Malden) werkte als copywriter in de reclame. Zijn verhalendebuut verscheen bij In de Knipscheer ‘Stromen die de zee niet vinden’.
Sinds het midden van de jaren tachtig woont hij buiten Nederland, de laatste elf jaar in Vietnam, met zijn Vietnamese familie.


ISBN 9789062657995  | paperback | 156 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | september 2020

© Marjo, 16 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De vervlogen helft
Brit Bennett


Het hoofdthema van deze roman is helaas nog erg actueel. Rassendiscriminatie vindt iedere dag plaats. Dat is in de loop van de tijd niet veel veranderd.


In deze roman voert Brit Bennett een dorp ten tonele waar zwarten, door onderling huwelijken te sluiten, een door overerving verkregen lichtere huid hebben en houden: Mallard, Louisiana. Het werd in 1848 gesticht door de gewezen slaaf Alphonse Decuir. Hij erfde grond van zijn blanke vader die ook eigenaar was van zijn zoon.
Mallard, vond Decuir, moest een plaats worden voor mensen zoals hij. Mensen ‘die nooit voor wit zouden kunnen doorgaan, maar weigerden om zich als slaven te laten behandelen’. Een dorp dus dat eigenlijk ‘meer idee dan plaats was’.


In dat dorp groeit de tweeling Desiree en Stella Vignes op. Hun dromen voor de toekomst - Desiree wil gewoon weg uit het dorp, Stella wil onderwijzeres worden - gaan in rook op als hun moeder, al jaren weduwe, besluit dat de meisjes van school af moeten om mede de kost te verdienen.
Na een paar jaar lopen ze samen weg uit het dorp. Als Stella ontdekt dat zij makkelijk voor blank kan doorgaan, breekt ze met haar zus. Ze verdwijnt opnieuw, zonder Desiree in te lichten.


Als het verhaal begint duikt Desiree plotseling weer op in het dorp. Het is 1968. De lichtgekleurde bevolking staart haar stomverbaasd na: in haar gezelschap is een kind, een pikzwart kind. Wie is dat? Wat heeft Desiree al die jaren gedaan? En waar is Stella? Maar dat weet Desiree dus niet. Ze doet haar best haar zus te vinden, en krijgt daar hulp bij uit onverwachte hoek. Maar Stella wil niet gevonden worden. Zij heeft intussen als blanke vrouw een heel ander leven. Ook zij heeft een dochter, die tot haar grote opluchting een blanke huid heeft.
Het is niet te voorkomen: de meisjes ontmoeten elkaar, zonder te weten wie de ander is.


Het verhaal -  in vijf delen - wordt vooral verteld vanuit Desiree, maar ook Stella, Jude en Kennedy hebben een stem. Vier totaal verschillende personen met ieder een eigen verhaal, boeiend beschreven en mooi in hun eigen tijd en omstandigheden neergezet.
Er zijn geheimen die de levens van de zussen verduisteren. Verborgen feiten die ontdekt gaan worden. De vraag is hoe de personages daar op reageren.


Kan je als zwarte doorgaan voor blank, en wat doet dan dan met je? 
Door de dochters het leven van hun moeder als het ware te laten vervolgen is het een eigentijdse roman geworden. Maar al was de tijd waarin hun moeders jong waren - de tijd waarin Martin Luther King opstond en vermoord werd -  misschien heftiger, Brit Bennett vertelt ons in haar roman dat er niet zoveel veranderd is. ‘Black lives matter’ was en is actueel. 
Het dorp Mallard is waarschijnlijk fictief, maar er is een dorp East Jackson, waar mensen een blanke huidskleur hebben terwijl zij tot het zwarte ras behoren.


Wat bepaalt tot welk ras iemand hoort? Is dat de kleur? Je DNA, of bepaalt je opvoeding dat? Als de ene helft van een identieke tweeling een leven kan leiden als een blanke, en de ander kiest er voor om een leven als zwarte te leiden, wat zegt dat dan over de rassendiscriminatie?
De conclusie laat de schrijfster over aan de lezer, maar de titel is oorspronkelijk ‘the vanishing half’.
In het Engels wordt het proces van het vervliegen aangeduid, terwijl in de Nederlandse titel dat proces achter de rug is.


De vervlogen helft is de tweede roman van Britt Bennett en de filmrechten zijn inmiddels verkocht.
Zij is een Amerikaanse schrijver uit Los Angeles. Haar debuutroman The Mothers was een bestseller uit de New York Times.


ISBN 9789048851034 | paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | september 2020
Vertaald uit het Engels door Lidwien Biekmann

© Marjo, 3 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Hannah en ik
Pauline van Munster


Ada schrijft haar verhaal in een cel. Vijf jaar zit ze daar al. Wat er aan voorafgegaan is, vormt een broeierig verhaal over een tweeling, die hoewel ze eeneiig zijn toch zo verschillen.


‘Het is een klassiek verhaal: twee kinderen in dezelfde buik ervaren plaatsgebrek. Het gevecht om ruimte begint op het moment dat ze zich realiseren dat er iets is wat opzij geduwd kan worden.’


Hannah en Ada zijn de dochters van een bijna vijftig jaar oude vader en zijn vijfentwintig jaar jongere vrouw. Vanaf hun jeugd leert de vader hen dat de oudste de verstandigste moet zijn. Dat is Hannah, en die neemt haar taak serieus. Ada volgt haar bijna slaafs. Heeft ze werkelijk geen eigen smaak? Geen eigen doel in het leven?


‘Haar smaak en die van mij lagen dicht bij elkaar. Tenminste, dat veronderstelde ik omdat mij nooit gevraagd werd welke jurk of schoenen ik het mooiste vond. Ik dacht nooit na over dat soort dingen. Vond alles mooi wat mijn zus uitkoos.’


Hun vader, leraar aan een lts, droomde van een groot gezin, maar er waren alleen de dochters. Hij bedacht dat zij dan wel een kind konden opvangen in hun gezin dat het minder goed getroffen had. Met de meeste jongens ging dat prima. Tot die ene jongen kwam, Reller. Deze knul had een bepaalde belangstelling voor de meisjes, die aanvankelijk probeerden het verborgen te houden voor hun ouders. Maar natuurlijk kwam het uit en het kreeg een vreselijk gevolg. Hun vader vond namelijk dat hij een mislukkeling was en nam zijn verantwoordelijkheid.


Als hun moeder besluit een nieuwe partner, Bob, te nemen, begint de ellende voor de meisjes opnieuw. Hannah voelt het als haar taak om haar zus te beschermen. Dat gaat ten koste van haarzelf, als ook van de relatie tussen de zussen. Ada gaat op zichzelf wonen en werkt in een lunchroom, terwijl Hannah al een tijd werkt in een nachtclub, waar ze een nieuwe vriendin heeft, Aisia.
Het is door wat er gebeurt met Aisia dat Hannah haar schuld gaat opeisen: ik heb al die jaren voor jou gezorgd, doe jij het nu maar eens voor mij.


Dit schokkende maar ook ontroerende verhaal over twee zussen is in een haast poëtische taal gegoten. Opvallend is dat er in dit verhaal geen naam voorkomt die niet omkeerbaar is. Zelfs de achternamen of de naam van de hond zijn palindromen. Maar de keuzes die de zussen maken in hun leven zijn absoluut niet omkeerbaar. Ze zijn definitief en hebben verstrekkende gevolgen. Zo eeneiig zijn ze in feite helemaal niet.
In een fijngevoelige taal beschrijft Pauline van Munster hoe de jeugd van de meisjes hun toekomst vormt. Onafwendbaar is hun lot, de vraag is alleen in hoeverre ze er mee uit de voeten kunnen.


Pauline J. van Munster schreef meerdere boeken, die steeds lijken te gaan over een benauwende situatie. Zo ook deze over de zussen Ada en Hannah.


ISBN 9789493214019 | Paperback | 226 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | september 2020

© Marjo, 25 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het wezen
Peter Drehmanns


De hoofdpersoon in dit verhaal is Koen Grondijs, een vijftiger, die zich afvraagt of zijn leven wel is zoals hij dat zou wensen. Het antwoord is natuurlijk: nee dat is het niet, anders was het meteen gedaan met het verhaal!


‘Hij had zich door de verkeerde ouders laten verwekken. Hij was bij de verkeerde vrouwen gebleven en had de verkeerde vrouwen gedumpt. Al na twee weken had hij begrepen dat kunstgeschiedenis niet de juiste studie voor hem was en dat zijn even intense als infantiele verlangen om zich tegen de wil van zijn vader in te schrijven bij de kunsthistorische faculteit op een romantisch misverstand berustte.’


Hij neemt een besluit: hij neemt een sabbatical en vertrekt. Na een kort onderzoek valt de keuze op de Archipel, een ‘tropisch land van vulkanische oorsprong dat op zeker ogenblik in de geschiedenis, ruim honderdvijftig miljoen jaar geleden, niks meer met de rest van de wereld te maken wilde hebben en zich hovaardig had losgescheurd.’


En dat is eigenlijk wat Grondijs ook doet. Hij scheurt zich los van de Westerse wereld - drie pagina’s lang wordt er gefulmineerd over alles wat er fout is in onze maatschappij. Het kan niet anders dan fout aflopen. Hij verwacht dat zijn doel, de Archipel, nog niet gecorrumpeerd is. Waar de natuur nog oorspronkelijk is. En waar hij hoopt het Wezen te aanschouwen.


‘Hij (voorzover het Wezen een mensachtige is) of het ( in zoverre het Wezen een dier betreft) zou op basis van enkele morfologische kenmerken gerekend kunnen worden tot een (weliswaar onbeschreven) soort van een ondergeslacht van de zogeheten spookdieren, een familie van zoogdieren uit de orde der primaten die kenmerken van zowel apen als halfapen heeft.’


We volgen een mopperende Grondijs op zijn reis, die hem tenslotte op het eiland brengt waar het Wezen voor het laatst gezien is. Het verbaast de lezer niet echt dat het primitieve leven hem toch wel tegenvalt. De grootste teleurstelling is misschien nog wel het feit dat er wel degelijk toeristen zijn!
Hij laat zich evenwel niet kennen, en dringt steeds dieper de wildernis in. Hij ontmoet de Italiaan Dino Drogo, met wie hij optrekt ondanks diens beroep, taxidermist en nog wel gespecialiseerd in het maken van wolpertingers (= een wezen uit de Beierse folklore. Het zou een wezen zijn met lichaamsdelen van verschillende diersoorten). Grondijs vind het walgelijk, maar is toch blij als hij Drogo een tweede keer tegenkomt. Hun avontuur wordt steeds hachelijker. Ze trekken zich aan elkaar op, en voeren diepgaande gesprekken. Drogo confronteert Grondijs met zichzelf: is hij immers niet net zo goed een product van zijn opvoeding, dus van de westerse maatschappij!


Intussen lezen we ook hoe er op het thuisfront waar Grondijs zijn huis verhuurd heeft aan een Russisch echtpaar een vreselijke chaos ontstaat.
Is deze verhaallijn toegevoegd als een soort analogie aan het avontuur van Grondijs?
Terwijl Grondijs van de wal in de sloot geraakt in de Archipel, slaat in zijn huis de gekte toe.


De taal is nogal wollig, volzinnen met veel bijvoeglijke naamwoorden, en veel lastige termen; veel verwijzingen naar kunst en literatuur. En naar de biologie natuurlijk.
Het boek bestaat uit verschillende delen: de homo sapiens, de homo investigans, de homo demens, en de homo mutans. Deze aanduidingen zijn veelzeggend!
Een flinke hap is dit boek vol ideeën en inzichten wel, maar zeker de moeite waard.


Peter Drehmanns (1960) schreef al twaalf romans, een verhalenbundel en vier poëziebundels. Voor zijn gehele oeuvre won hij in 2015 de Halewijnprijs.


ISBN  9789493214064  | paperback | 370 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | september 2020

© Marjo, 12 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een rooie aan de kant van de weg
Anne Tyler


De vierenveertigjarige Micah heeft zo zijn dagelijkse gewoontes. Elke dag rent hij zijn vaste route, gaat daarna douchen, gebruikt zijn ontbijt, kijkt welke taak hij in huis die dag moet doen (elke dag heeft zijn eigen klus) en maakt dat schoon, en gaat vervolgens op pad, naar zijn cliënten die een of ander computerprobleem hebben. 's avonds kookt hij een gezond maaltje en tegen tien uur gaat het licht uit.  Hij stelt zichzelf voor kleine uitdagingen door bijvoorbeeld alleen Frans te spreken als hij kookt.
Zijn vriendin Cass komt af en toe naar hem toe en de andere keer is hij bij haar. Hij heeft zijn eigen IT bedrijfje want hij werkt liever alleen dan voor een baas, ook al verdient hij dan stukken minder.
Dit leven bevalt Micah wel. Hij heeft het goed.

Maar dan belt Cass hem, ze wordt waarschijnlijk uit haar appartement gezet vanwege haar kat. Het is verboden huisdieren te houden. Micah vindt het waardeloos voor haar. En dan verschijnt er vlak daarna ook nog Brink, een jongen die beweert dat Micah zijn vader is. Even later deelt Cass hem mee dat ze beter uit elkaar kunnen gaan...


De in zichzelf gekeerde Micah is stomverbaasd. Hij weet nauwelijks hoe hij met deze twee zaken om moet gaan. Hij snapt het niet, waarom wil ze stoppen? Het ging toch goed tussen hun? En waarom zoekt Brink uitgerekend hém op, terwijl hij eigenlijk wel weet dat Micah niet zijn vader is.


Er ontvouwt zich een innemend verhaal over een man die zich in feite overal het buitenbeentje voelt. Hij snapt mensen en hun reacties vaak niet. Hij is diep in zijn hart een beetje trots op zijn strakke huishoudelijke ritme, ook al weet hij dat zijn familie daar liefhebbend de draak mee steekt. Hij is vriendelijk tegen iedereen maar het zal nooit echt tot intieme gesprekken komen. Daarvoor toont hij net teveel afstand. Hij hoort alles maar vergeet ook vaak weer net zo hard wat er tegen hem gezegd is. Hij reageert impulsief en afstandelijk en bedenkt daarna dat hij mogelijk anders had kunnen doen. Zijn milde humor is vermakelijk.


Dankzij Brink ontmoet hij zijn oude geliefde Lorna weer, die hem een spiegel voorhoudt. Het is allemaal niet erg, Micah is geen bullebak, geen vervelende vent, geen bedrieger, integendeel, hij is aardig maar toch wel een beetje vreemd waardoor dingen op afstand blijven. Lorna opent hem toch in zekere zin de ogen. Hij weet nu wat hem te doen staat wat betreft Cass.


Anne Tyler weet deze man op een sympathieke manier vorm te geven waardoor je Micahs gedachtegang kunt volgen en hem neemt zoals hij is. In feite is het boek een klein eilandje van rust. Het is een verhaal uit het leven van een doorsnee man met net dat kleine beetje extra wat hem interessant maakt.
Fijn boek.


ISBN 9789044644753 | Hardcover | 206 pagina's | Uitgeverij  Prometheus | juni 2020

© Dettie, 5 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het witte land
Rob Verschuren


Al op jonge leeftijd maakt Bobby kennis met de vraag of zijn geciviliseerde wereld nu écht is. Tijdens een vakantie in Oostenrijk ontdekt hij een andere wereld, daar gezeten in zijn eentje, bovenop een berg, onderging hij de tijdloosheid en de magie van het bestaan.


"Lang zat hij daar, maar in de witte leegte bestond geen tijd. Na een poosje wist hij niet meer waar zijn wezen eindigde en de wereld begon. Hij luisterde naar het kristallen zingen van de IJssirenen, dat van overal en nergens leek te komen.

Laat geen sterveling naar de hemel vliegen
Noch Afrodite's liefde ontvluchten"

En verder zongen de Sirenen, over een plaats buiten de tijd, van waaruit je zowel het verleden als de toekomst kon zien, maar ook een plaats van duisternis, verborgen voor mensen, waar zelf de goden aarzelen te gaan.


Maar hij was nog jong en voldeed aan de dwang en de vraag van de maatschappij. Hij studeerde, ging samenwonen en zette een succesvol reclamebureautje op. In de ogen van de wereld had hij het gemaakt. Maar in feite is hij een vreemde voor zichzelf, hij is 'een man van niets waarschijnlijk'.


En dan ziet hij een foto van een tsunamislachtoffer in een Aziatisch land, een jonge vrouw met een deken om zich heen geslagen. Het was de blik in haar die hem trof. Het laat hem niet meer los. Het voelt als de schilderijen van Rothko, onder die kleurige vlakken zit een gloed die Bobby diep raken. 'Onder de oppervlakte vochten andere kleuren om lucht. ' Is dat waar Bobby ook naar snakt?
Bobby, inmiddels vijfenvijftig, besluit de vrouw te gaan zoeken. Hij verkoopt huis en haard én zijn bedrijf en vertrekt, de Westerse wereld in al zijn gekte achterlatend.


In het niet bij naam genoemde land - vermoedelijk Vietnam -  neemt hij een hotel en vanaf die tijd laat hij het leven lopen zoals het loopt. Net als op de berg bestaat er geen tijd meer en neemt hij alles zoals het komt. Maar zelfs het hotel is hem nog te beschaafd hij trekt verder, de volkswijk in.
Zijn leven voltrekt zich, zijn gedachten zijn van hem evenals zijn fantasie, er is geen oordeel meer, alleen het bestaan telt. Er zijn mooie en goede momenten, er zijn heftige, zware hallucinerende momenten, hij ontmoet mensen en gaat weer verder, alles is zonder oordeel, alles is goed.


Hij zwerft dagelijks rond in de wijk en op een dag ziet hij een verlamde in het wit geklede vrouw in een loods, op een bank, tussen stapels afval liggen. Vanaf die dag gaat hij elke dag naar de loods, zijn tempel, waar de 'priesteres' die hij Bleke Orchidee noemt, ligt op haar sofa. Op een stapel opgevouwen dozen zittend, kijkt hij naar haar, ook hier zijn zijn gedachten van hem. Hij zit daar tot het rolluik dichtgaat en zij hem wegstuurt, nadat hij haar wat geld heeft gegeven waar zij om vraagt. Uiteindelijk brengt zij hem op het pad dat hij zoekt, en ook dit gebeurt zonder dat hij enige hand heeft gehad in het verloop daarvan.


Rob Verschuren weet dit alles op zijn eigen unieke manier te verwoorden. Het is fascinerend hoe hij de gedachten, visies en menselijke normen en waarden weet te verwoorden en op hun plek weet te zetten. In feite geeft hij een aanzet om na te denken over het leven zelf, het an sich.
Een boek om meerdere keren te lezen om de diepte ervan in zijn totaliteit te kunnen omarmen.

ISBN 9789062657995  | paperback | 156 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | september 2020

© Dettie, 20 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 
De achtste zonnebloemen
De zoektocht naar Van Goghs verdwenen schilderij
Pauline Vijverberg

"Ik hou van alles wat met boeken te maken heeft. Ik hou van hoe woorden verhalen worden en hoe woorden soms vleugels krijgen en je meevoeren naar plaatsen die je je nooit had kunnen indenken. Ik ben in Japan geboren, maar heb een deel van mijn vroege jeugd in Indonesië gewoond. Misschien zijn daardoor mijn herinneringen gevuld met geuren, kleuren en geluiden."


Dit bovenstaande is op de website van de schrijfster te lezen. Die herinneringen aan geuren, kleuren en geluiden heeft ze meegenomen naar dit boek. Alleen speelt het verhaal zich niet af in Indonesië maar in Zuid-Afrika waar Cor, de veertien jaar jongere de broer van Vincent van Gogh zich in 1889 vestigt.


Misschien dat Vincent hem op idee had gebracht, want hij was in februari 1888 naar het zuiden (Frankrijk) getrokken. Hij schreef daarover: ‘Ik heb al het gevoel dat het me goed gedaan heeft om naar het zuiden te gaan, om juist het noorden beter te zien…’ In Frankrijk schilderde Vincent  zijn zeven beroemde zonnebloemen om zijn kamer wat op te vrolijken. Zou het kunnen dat Cor deze gezien heeft en zelfs een zonnebloemschilderij - het achtste - meegenomen heeft naar Transvaal, Zuid Afrika? Dit achtste zonnebloemenschilderij vormt de rode draad in het verhaal.


Toch speelt het centrale verhaal niet om Cor maar om de bevlogen entomoloog Jacobus Swierstra en de zusjes Niesje en Geesje Kwak. - Geesje stond model voor de kimono-schilderijen van George Breitner - De zusjes zijn in 1895, net als Cor, naar Transvaal geëmigreerd. "Veel Nederlanders bouwden in de Transvaal een nieuw leven op: onderwijzers, artsen, notarissen, adviseurs en ambtenaren, maar ook de tabakshandelaar, de bakker, de fotograaf, de bloemkweker. Er was zelfs een comité ter bevordering van emigratie naar Zuid-Afrika opgericht. Niemand ging naar Afrika zonder gevoel voor avontuur." schrijft Pauline Vijverberg bij Historiek.


Cor ontmoet de zusjes en is een geleide voor ze, hij laat hen kennis maken met Zuid-Afrika. Ook raakt Cor bevriend met Jacobus Zwierstra, die later trouwt met Niesje Kwak. De boerenoorlog breekt uit en zowel Jacobus als Cor melden zich voor het Hollandercorps dat meevecht met de boeren. Jacobus overleeft de oorlog. Cor niet. In zijn bezittingen die hij in bewaring had gegeven bij het museum waar Cor werkt, treffen ze een schilderij met zonnebloemen aan. Het wordt Niesjes lievelingsschilderij.


Niesje is de grote liefde van Jacobus, zij vertegenwoordigt alles wat hij niet heeft of kan. Ze is sprankelend, uitzonderlijk, sociaal, zelfbewust. De mooiste tijden beleven ze als Niesje mee gaat op onderzoek. Het is ontroerend om te lezen hoe de onbeholpen Jacobus, die zich veel meer thuis voelt tussen zijn insecten, zich zo bewust is van de invulling die zijn vrouw aan zijn leven geeft.


Het bijzondere in dit boek is echter dat hun dochter Aafke tussendoor commentaar levert en haar eigen verhaal vertelt over het leven met haar ouders. Aafke is degene die de geuren, kleuren en geluiden invoert. Zij heeft een schildersoog, zij ziet en voelt alle details, ruikt, proeft en ziet de kleuren van alles, zoals bijvoorbeeld de kleur van muziek. Haar inbreng verlevendigt ieders leven maar brengt ook kleur aan het boek zelf.
Het geliefde schilderij heeft voor haar een andere betekenis dan voor Niesje. Het schilderij is voor Aafke dé herinnering aan haar moeder, maar waar is het gebleven? Als Aafke vele jaren later naar Afrika terugkeert start ze een zoektocht dat veel onbesproken zaken overhoop zal halen.


In feite is het een verhaal over eenzaamheid in al zijn vormen én over de liefde. Deze verbintenis maakt dat het een boeiend maar soms lastig boek is om te lezen.
Het vertelperspectief verandert ook regelmatig, zelfs midden in een hoofdstuk, wat je soms in verwarring brengt.


De rol van het schilderij vormt wel de rode draad maar is niet het hoofdonderwerp, Cor van Gogh en het schilderij vormen meer de kapstok waar het verhaal aan opgehangen is. Het onderwerp is in feite veel meer gericht op de omgangsvormen die iedereen met elkaar heeft en het niet uitspreken van gevoelens, met name de genegenheid voor elkaar, of de spoken in je hoofd die je kunnen kwellen en dat geldt voor alle personages in het boek.
Toch is het wel een boek dat je moet blijven lezen, want zowel de tijd als de personages zijn erg boeiend beschreven, het is moeilijk om niet verder te lezen.


Kortom, Pauline Vijverberg heeft met dit boek een mooi historisch kunststukje van feit en fictie neergezet dat het lezen meer dan waard is.


ISBN 97889089757692 | Paperback | 366 pagina's | Uitgeverij Just Publishers | oktober 2020

Dettie, 17 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Daddy
Emma Cline


Er is een gepensioneerde generaal die moet aanzien hoe zijn kinderen een eigen leven leiden en hem niet maar als raadgever of wat ook nodig hebben.
Er is een man die een meisje oppikt die de verkeerde weg op lijkt te gaan, al is het nog de vraag wat hij haar dan gaat bieden.
Er is een man die interesse heeft in de assistente van zijn werkgever. Maar ze lijkt hem niet te willen.
Er is een jong meisje dat min of meer opgevoed is door haar broer. Nu is ze zwanger van een vriendje, maar voor wie kiest ze?
Er is een man die gesommeerd wordt zijn zoon te gaan helpen die flink in de problemen zit en daardoor zijn nieuwe vriendin dreigt te verliezen.
Er is een man die een verhouding is begonnen met de nanny van zijn kinderen.

In deze verhalenbundel is geen verhaal te vinden met de titel die het boek heeft, zoals meestal in verhalenbundels wel het geval is.
Waarom dan Daddy? Betekent het Engelse woord meer dan alleen maar pappie?


Als je 'daddy' letterlijk vertaalt, betekent het inderdaad vader. Maar het kan ook worden gebruikt om iemand aan te duiden die die de baas is, die de leiding neemt, een beschermer is of iemand die goed bezig is. Dat is wat vrouwen vaak bedoelen als ze iemand daddy noemen in de slaapkamer.


Dat verklaart het al meer. Al zijn er dan nog verhalen die hier niet onder lijken te vallen, de hoofdpersonen zijn mannen die ook als ze geen vader zijn, wel de touwtjes in handen willen hebben. In de meeste van de tien verhalen is er een man die ofwel zelf schimmig bezig is, en/of teleurgesteld raakt door wat het leven hem biedt. Vaak spelen overspel, drugs en drank een rol.
Somberheid is troef, dit is bepaald geen bundel die je in één ruk uitleest.


De personages die Emma Cline opvoert zijn niet de mensen waar je graag mee om zou willen gaan. Maar je zou ze wel kunnen herkennen, misschien komt er ergens in je kennissenkring wel zo iemand voor. Of niet, want de verhalen spelen veelal in Los Angeles, de filmwereld, waar iedereen rijk wil worden of dan toch roem wil vergaren.


De stijl van Emma Cline is scherp, ze spaart haar karakters niet. De verhalen zijn vaak niet afgerond, ze laat de afloop aan de verbeelding van de lezers over, al hebben we niet zo heel veel keuze, het logische verloop is voor de hoofdpersonen niet zo positief.


Emma Cline (1989, Los Angeles) publiceerde haar goed ontvangen debuut De meisjes in 2016.


ISBN 9789048856329 | paperback | 240 pagina's | Uitgeverij Lebowski | september 2020
Vertaald uit het Engels door Tjadine Stheeman  en Ariane Schluter

© Marjo, 11 november 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De andere helft van Augusta Hope
Joanna Glen


Augusta Hope is de helft van een tweeling. Haar zus is net voor twaalf uur geboren, op de laatste dag in juli en heeft de naam Julia gekregen. Augusta, dus na twaalf uur geboren, is niet alleen uiterlijk anders, ook qua karakter verschillen ze nogal. Terwijl Julia blond is, een rustig en beheerst binnenkind, zit de donkerharige Augusta vol energie, ze is nieuwsgierig en opvliegend. Maar ook sociaal. En ze is dol op lezen, vooral woordenboeken verslindt ze. Daar vindt ze het woord Burundi, het zal haar meest geliefde woord worden.


Dat ze dol is op woorden merkt de lezer wel!
‘Paradijs’ vindt ze mooi, en ‘duende’, een Spaans woord.
Talen zijn haar hobby, ze leert Spaans en Latijn. Als het gezin op vakantie gaat naar Spanje is ze dolblij: ze kan haar Spaans oefenen!
Maar later beseft ze dat daar aan de kust iets gebeurd is waarna alles fout ging. Het al dreigende failliet van haar vader wordt een feit. En de eenheid die Augusta en Julia als tweeling vormden - ze noemden zich Justa - vervaagt. Julia verandert, en ze wil niet zeggen wat er dan gebeurd is.


Het leven gaat door, Julia trouwt met Diego, de jongen op wie beide zussen verliefd waren als kind, en raakt zwanger. Augusta heeft meer zin om de wereld te ontdekken, ze gaat studeren en ontmoet Olly. En ze keert regelmatig terug naar Spanje waar ze zich ook bevindt als ze haar verhaal aan ons vertelt.


Is Julia 'de andere helft' van de titel? Of is het de man wiens verhaal we ook lezen om en om met dat van Augusta. Twee hoofdpersonen, dan vermoed je al dat ze elkaar zullen ontmoeten. Langzaam, heel langzaam  komen de twee verhaallijnen bij elkaar.


De ander is Parfait, hij is een vluchteling uit Burundi. Samen met zijn broer is hij door Afrika gelopen, om te ontsnappen aan de burgeroorlog, die veel kwaad aanrichtte bij zijn familie.
Parfait arriveert in Spanje. Helaas zijn broer niet, hetgeen een eeuwig schuldgevoel bij Parfait achterlaat. Hij vindt werk en schildert, goed genoeg om doeken te verkopen en te kunnen leven. Hij kan er tenslotte een bus van kopen en zo wat meer van het land zien.
Augusta en Parfait herkennen zich in elkaar: allebei zijn ze eenzaam, want buitenstaanders. Beiden droomden van Spanje, waar ze als ze er eenmaal terecht komen, niet de beste ervaringen hebben.


‘Als ik in een boom zou klimmen en jij zag me eruit vallen en sterven, wiens schuld is het dan?’ vroeg ze.
‘De jouwe natuurlijk, want jij klom in de boom,’ zei ik. ‘Helemaal als het geen goede klimboom was.’
‘O ja, zei ze. ‘O ja , is dat zo?’
‘Ja, zolang ik maar geprobeerd heb je te helpen.’


Met als thema schuld is het is een verhaal vol dramatiek, er gebeuren vreselijke dingen die natuurlijk hun weerslag hebben op de hoofdpersonen.
Augusta kijkt terug op haar leven, en verwijst regelmatig naar het heden, zo al het een en ander verklappend van wat er gaat gebeuren. Niet dat het de spanning wegneemt, en dat is knap van de schrijfster. Maar op het laatst is er wel veel toeval nodig om het verhaal af te ronden, dat is dan weer jammer. Maar het is duidelijk dat ze net als haar hoofdpersoon dol is op taal! Dat levert mooie zinnen op.
En wat ze wel heel leuk doet is herhaaldelijk de verhalen verbinden, door hetgeen er gebeurt of wat er gezegd wordt in het verhaal van de ander te laten terugkomen. Soms is dat heel direct, soms moet je er naar zoeken.


Augusta in haar deel van het verhaal:
‘En als ik ging en zij bleef, zouden we geen Justa meer zijn.
Dan zouden we uit elkaar gerukt worden, met als die lappenpop, en zou onze vulling eruit vallen.’
Parfait daarna als hij aan het woord is:
‘De vulling liep uit mijn moeder.’


En beide hoofdpersonen citeren heel graag Lorca, (Federico García Lorca (1898 –1936) was een Spaanse progressieve dichter en toneelschrijver)
De andere helft van Augusta Hope is een rijke, prachtige psychologische debuutroman.


Joanna Glen studeerde Spaans aan de universiteit van Londen en in Córdoba. Ze woont met haar man en kinderen aan de Theems in Battersea en keert terug naar Andalusië zodra het daar te grijs wordt.


ISBN 9789493081475 | paperback | 336 pagina's | Uitgeverij Orlando | augustus 2020
Vertaald uit het Engels door Anke ten Doeschate

© Marjo, 29 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Geen weg terug
Roos Hanemaaijer


Anna is een streber. Ze heeft al drie opleidingen gedaan, eerst sociaal pedagogisch hulpverlener, gevolgd door Toegepaste psychologie, en daarna begon ze ook nog aan een master, Social Work.
En ze heeft haar droombaan gevonden, ze werkt met jongeren.
Trouwen en kinderen krijgen, dat hoort nog bij een perfect leven, vindt ze.


Nu is ze met haar vriendin Tessa op vakantie in Brazilië. Tessa heeft een druk programma opgesteld en ze wil ook perse dat Anna mee naar de top van de Sugarloaf Mountain klimt, ook al heeft Anna er helemaal geen zin in. Al dat gesjouw! Boven wacht Anne evenwel een verrassing, iets dat het begin zal worden van een lang en gelukkig leven.
Dat is de bedoeling tenminste.


Ze trouwt met Tom, die al vier jaar haar vriend is. De volgende stap is kinderen. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot, en Anna is ongeduldig. Als het dan eindelijk gelukt is, blijkt ze geen blije zwangerschap te hebben, en de bevalling valt haar zwaar.
Het valt haar allemaal vies tegen. Naast de zorg voor het kind, gaan ze ook nog verhuizen en ze heeft te veel klachten om dat zelf te kunnen doen. Ze baalt er van! Maar het is wel het huis van hun dromen! Het verhuizen kwam nadat Tom een andere baan had gekregen, veeleisender helaas, en het kost hem meer tijd. Anna zelf vond gelukkig ook een andere baan, bij de GGZ. Iedereen die weet hoe het is als beide ouders werken met de zorg voor een klein kind, weten hoe zwaar dit is. Maar een tweede kind, dat hoort er ook bij. Dus is ze weer zwanger als het allemaal fout loopt.


Wat haar ook tegenvalt is dat ze haar meisjesteam niet meer goed kan begeleiden naar het kampioenschap ritmische gymnastiek. Ze probeert nog wel het seizoen af te maken, hetgeen met hangen en wurgen lukt. Maar ze is er ontevreden over. De huisarts raadt haar aan hulp te zoeken. Ondanks haar zwangerschap moet ze medicijnen slikken, tegen haar zin. Ze heeft gefaald, vindt ze, wat mankeert haar?
Ze ziet het als een persoonlijke tekortkoming als bij de echo blijkt dat de baby niet een zoon is, maar weer een dochter. Tegen die tijd gaat het helemaal mis met Anna.


‘Buiten was het nog pikdonker. De sterren helder aan de lucht. Het was fris voor de tijd van het jaar. De vloer voelde koud en hard aan, maar toch had ze geen sloffen aangedaan. Het hele huis was stil. Zelfs de kat lag nog tevreden te slapen. Even klonk er een kort gehuil, maar haar oudste dochter draaide zich weer om en sliep rustig verder. Haar man lag vredig te slapen. Zich totaal niet bewust van het onheil in de badkamer.’


Het zat er aan te komen, Anna kan er niet tegen als iets niet goed gaat. En ze is niet snel tevreden. Het moet allemaal perfect zijn, zoals het in de boeken staat. De werkelijkheid is anders. Ze wordt opgenomen, en daar zet ze haar verhaal op papier.
In het voorwoord staat: ‘de oude Anna lijkt volledig verdwenen. Lukt het haar om zichzelf op tijd terug te vinden?'
En dan is de titel van het boek: Geen weg terug. Oei…


Dit boek is deels autobiografisch, het verhaal van Roos zelf, aangevuld met verhalen van andere vrouwen. Het vertelt over hoe het is om depressief te zijn, als je geen uitweg meer ziet. Het verhaal gaat ook over de hulpverlening, die haar begeleidt een uitweg te vinden. Dat verloopt niet zo soepel, dat is wel duidelijk.


Het boek leest vlot, en hoewel ieder geval anders is, geeft het wel een goed beeld van een depressie wanneer die ontstaat door perfectionisme en het onbegrip van de omgeving. Want niet alleen voor de persoon zelf moet alles perfect zijn, de omgeving stelt vragen, bemoeit zich overal mee. En als je daar nu net niet tegen kan heb je het nog moeilijker.


Auteur Roos Hanemaaijer is moeder van twee dochters, getrouwd en woont in een klein dorp. Ze hoopt met het verhaal van Anna dat andere moeders erkenning en herkenning voelen in hun strijd tegen onrealistische eisen van hun omgeving.


ISBN 9789492844675  | paperback | 250 pagina's | Uitgeverij Droomvallei | maart 2020

© Marjo, 23 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lekker boekie
Zo wordt lezen [weer] leuk
Bas Steman


Vandaag zat ik samen met zes, later zeven, jongens, Adriaan van Dis, Alex Boogers en anderen aan de lange houten  tafel bij Bas Steman thuis. Twee jongens hadden gekookt - met een beetje hulp van Bas - de thee stond op tafel en we hadden het uitgebreid over boeken die we gelezen hadden.


Dit bovenstaande is niet waar, tenminste ik was er persoonlijk niet bij, maar het voelde wel zo.  Bas Steman heeft namelijk in zijn 'Lekker boekie' een fijne en aanvoelbare sfeer weten te creëren waardoor je bijna onderdeel werd van de mooie bijeenkomsten die de zes/zeven jongens een aantal jaren samen met Bas hadden.


Het begon allemaal met het eindexamen Nederlands van Bas' zoon Jip dat er aan zat te komen. Of nee, het begon eerder nog, met de film Dead Poets Society waarin Robin Williams zijn leerlingen de liefde voor literatuur bijbrengt. Een film die een keerpunt was in het leven van Bas Steman. Door die film wist hij dat hij wilde schrijven. Maar hij wist ook dat hij wilde dat jongeren datzelfde vuur zouden voelen wat hij voelde voor literatuur. Bas besluit daarom om zijn zoon en zijn vriendengroepje, allen vijftien jaar, voor te stellen een leesclub op te richten. Het lokkertje is dat ze dan zeker goed door hun mondelinge examen zullen rollen...


Ik geloof in jongeren en ik hoop dat ze geïnspireerde keuzes kunnen maken in het leven, opdat ze zelfbewuste, nadenkende, humoristische, weerbare mensen worden. Wat ik op zijn minst kan doen, is deze jongens in contact brengen met verhalen die mij zijn bijgebleven, die mij hebben gevormd. Misschien raakt het hen ook, misschien brengt het hen in contact met andere gedachten, andere werelden, maar laat het hun vooral ook zien dat er andere mensen zijn met die met dezelfde worstelingen leven als zij. Maar uiteindelijk moeten ze zelf ervaren en bepalen of lezen van boeken voor hen van waarde is. Het is aan hen.


Het lokkertje werkt, leesclub Nescio is een feit, en de vriendengroep verzamelt zich elke maand bij Bas en Jip. Aanvankelijk zitten ze een beetje onwennig bij elkaar maar als ze de foto's die ze mee moesten nemen op verschillende manieren gaan bekijken, dus verschillende perspectieven toepassen, beginnen de jongens er lol in te krijgen. En die lol blijft! Het eerste verhaal dat ze daarna lezen boeit, evenals de bespreking die volgt.
Vervolgens beginnen ze aan hun eerste roman naar aanleiding van een tip van Bert, die werkt bij de biologische buurtsuper.  Hij tipt Wij van Elvis Peeters, een boek dat Bas ook nog niet kent. Het gaat over een stel jongeren (wij) die uit verveling de meest bizarre - seksuele -  spelletjes doen met de rest van de wereld (zij). Dat boek slaat in als een bom. Het heeft diepe indruk gemaakt, het verhaal liet de jongens niet meer los, ze liepen er over na te denken en wisten niet dat een boek dat met je kon doen.


Aanvankelijk zouden ze twaalf boeken lezen, het aantal voor het examen, maar dat werden er veel meer. Bas had wel een lijn aangebracht, zodat de boeken naar elkaar verwezen. Maar daarnaast leidde sommige boeken haast als vanzelf naar een ander boek waarvan ze allemaal vonden dat ze dat ook moesten lezen. Dat kon achtergrondinformatie geven of een toevoeging zijn bij een ander boek. Bas heeft zelfs het geluk dat hij, als schrijver zijnde,  Adriaan van Dis ontmoet die gelijk enthousiast is als hij van 'Nescio' hoort en vervolgens een avond aanwezig is om over zijn boek Ik kom terug te praten. Ook de leraar Nederlands van Bas zelf komt enkele avonden over Multatuli praten.


De leesclub is voor de jongens dan allang niet meer 'de voorbereiding naar het examen' maar een club waarin ze zich leren verdiepen in andere levens en leefomstandigheden en dingen met andere ogen leren te bekijken. De vriendschappen zijn gegroeid van oppervlakkig naar vriendschappen voor het leven.
De boeken hebben hun leven enorm verrijkt. Ze zijn echte lezers geworden die onderscheid kunnen maken en zelfverzekerder in het leven staan.
En dat alles dankzij literatuur.


Bas Steman heeft de bijeenkomsten met boeiende en liefdevolle stem vertelt. Het is soms zelfs ontroerend om te lezen hoe mooi literatuur kan werken.
Na het examen is de leesclub blijven bestaan. Er is een podcast getiteld Lekker Boekie en de leesclub Nescio is ook te volgen op Facebook en Instagram.
Achterin het boek staan de gelezen boeken weergegeven evenals een interview met een bevlogen Bas Steman over leesclub Nescio.


Het zou mooi zijn als er meer van zulke bevlogen mensen als Bas Steman zich zouden inzetten om de toevoegende waarde van lezen aan jongeren door te geven.
Het is echt een koesterboek.


ISBN 9789046827819 | Paperback | 172 pagina's | NUR 323 | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | september 2020

© Dettie, 8 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER