Nieuwe boekrecensies

Beneden
Leonora Carrington


Leonora Carrington is een van de beroemdste surrealistische kunstenaars ter wereld, bekend om haar sprookjesachtige schilderijen vol androgene wezens, imaginaire dieren en mythische verschijningen. Op haar negentiende, in 1937, ontmoet zij de twintig jaar oudere, getrouwde, kunstenaar Max Ernst en vertrekt met hem naar Parijs. Als de oorlog uitbreekt wordt Ernst gearresteerd en gevangen gezet. Leonora vlucht met vrienden naar Spanje, maar de gebeurtenissen hebben grote invloed op haar geestelijk gestel, ze loopt totaal vast in haar angsten, haar werkelijkheid begint meer en meer te vervormen en ze ziet overal samenhang in toevallige gebeurtenissen. Als de auto van haar vriendin vastloopt, herkent ze daar zichzelf in…


Ik hoor Catherine zeggen; ‘De remmen zijn vastgelopen!’ Ook ik was van binnen vastgelopen door krachten die ik niet kon beheersen, krachten die ook de mechaniek van de auto hadden lamgelegd. Het was de eerste keer dat ik me vereenzelvigde met de wereld buiten mijn lichaam. Ik was de auto. De auto liep vast door mij, omdat ikzelf tussen Saint-Martin en Spanje was vastgelopen. Mijn eigen macht deed me huiveren. Op dat moment was ik alleen nog toe aan mijn eigen zonnestelsel; dat van anderen, waarvan ik nu weet hoe belangrijk het is, zag ik nog niet.


Eenmaal is Spanje wordt ze door haar familie gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting in Santander en wordt behandeld door dokter Morales, die haar geestelijk krankzinnig verklaart. Bij aankomst vecht ze als een tijgerin met de chef de clinique om zich te verzetten tegen opname. Ze wordt ter kalmering verdoofd met Cardiazol, een behandeling die ze nog vele malen zal moeten ondergaan en die epileptische aanvallen kan uitlokken. Na drie dagen wordt ze, met leren riemen vastgebonden, wakker in een ziekenhuisbed. Ze weet niet of ze zich in een ziekenhuis bevindt, of in een concentratiekamp en begrijpt niet waarom ze ligt vastgebonden als een wild dier. Ze herinnert zich niets van haar gewelddadige uitbarstingen.


Tijdens de opname worden haar wanen en hallucinaties steeds sterker en echter. Ze denkt nog steeds dat de wereld, net als de auto van haar vriendin, is vastgelopen en dat het haar taak is om alle boze krachten te overwinnen om de wereld weer op gang te brengen. Ze is er van overtuigd dat de arts en zijn zoon meesters van het universum zijn, machtige tovenaars die hun macht misbruiken om angst en terreur te zaaien. In een later stadium ziet ze vader Morares als de planeet Saturnus, zijn zoon als de Zon en zichzelf als de Maan, een onmisbaar deel van de Drie-eenheid. Ze denkt dat nu Christus dood en begraven is, zij zijn plek op aarde moet innemen omdat de Drie-eenheid zonder vrouw dor en onvolledig is geworden. Ook is ze er van overtuigd dat ze een reïncarnatie van Koningin Elizabeth is, waar ze zich van moet bevrijden door haar beeltenis na te bootsen…


In een vlaag van helderheid begreep ik dat het noodzakelijk was de figuren die in mij huisden uit te bannen. Maar alleen het besluit om Elizabeth te verjagen bleef overeind. Zij was het personage wat me het meest van allen tegenstond. Ik kwam op het idee haar beeld in mijn kamer na te bouwen; een tafeltje met drie poten fungeerde als benen, daarop zette ik haar stoel als lichaam en op die stoel weer een karaf die haar hoofd voorstelde. In die karaf stak in dahlia’s en rode en gele rozen- het bewustzijn van Elizabeth. Daarna trok in haar mijn kleren aan en bij de poten van het tafeltje plaatste ik de schoenen van Frau Asegurado. Ik had een wezen geconstrueerd zodat ze mij kon verlaten.  Ik moest me ontdoen van alles wat mijn ziekte me had gebracht, al de persoonlijkheden verstoten en zo aan mijn bevrijding beginnen.


Na haar ontslag belandt ze in Lissabon waar ze met hulp van Peggy Guggenheim asiel aanvraagt voor Mexico. Renato Leduc, een Mexicaans diplomaat stelt zich garant voor haar. Ze trouwen om de visumaanvraag te versnellen,wonen een tijdje in New York en vestigen zich in 1942 definitief in Mexico. Renato en zij gaan als vrienden uit elkaar en ze hertrouwt met de Hongaarse fotograaf Emeric Weisz, met wie ze twee kinderen krijgt. Ze blijft in Mexico tot haar dood in 2011.


Na de oorlog schrijft ze over haar opname in de psychiatrie dit autobiografische verslag van haar waanzin. De titel verwijst naar de hel van Dostojevski en Rimbaud. Tegelijkertijd worden de diepten - beneden -  voorgesteld als een bestaande veilige plek, een toevluchtsoord op het terrein van de kliniek, waar ze van droomt naar toe te gaan omdat daar de gruwelijke behandelingen en de martelende injecties met Cardiazol zullen ophouden.


Deze uitgave is een tweede versie. In 1942 schreef ze een eerste korte Engelstalige versie die ze probeerde uit te laten geven, maar waar geen belangstelling voor was. Het manuscript ging verloren, maar een vriend spoorde haar aan een nieuwe versie te schrijven, in 1942, drie jaar na haar opname.


Het boek is volledig gebaseerd op haar herinneringen, wanen, hallucinaties en psychoses en neemt ons dan ook mee tot in de diepste krochten van de menselijke ziel naar een wereld vol kwellingen waar wij ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. Haar realiteit lezen is verbijsterend en vervreemdend, vooral ook omdat ze er zelf van overtuigd was dat niemand anders dan zij zag wat er werkelijk aan de hand was. Daardoor is het een ongemakkelijk en confronterend maar ook vooral een ontzettend aangrijpend boek. Wie op zoek is naar ontspannende literatuur te vermaak, kan dit boek beter laten liggen, maar voor wie geïntrigeerd is door de verwarring waarin de menselijke geest kan verkeren, zal zelden van zo dichtbij een inkijkje krijgen als in dit boek.


ISBN 9789492086624 | Hardcover | 112 pagina's | Uitgeverij Orlando | mei 2018
Vertaald door Lisette Graswinckel en Nelleke van Maaren

© Willeke, mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altLief van je
Roanne van Voorst


‘Ongeveer een halfuur nadat mijn broertje zijn eerste zoen kreeg, is hij onder de Van Marelbrug op het wateroppervlak te pletter geslagen.'


Een krachtige openingszin die de lezer meteen het verhaal in trekt. Maar meteen daarna wordt tot in de finesses vertellen wat er precies met een lichaam gebeurt bij zo’n val, en dat zou weer kunnen afschrikken.
Gelukkig wordt snel opnieuw de nieuwsgierigheid gewekt: de verteller van dit verhaal zit bij de rechter, die aan haar vraagt of ze nog iets te zeggen heeft.


'Ik weet niet hoe ik zomaar vanuit de lucht moet beginnen met spreken. Het zou zoveel makkelijker zijn als iemand anders eerst iets tegen me zou zeggen wat zo waar en gemeen is dat boosheid mijn schaamte opzij zou drukken. Dan zou ik nu helemaal niet twijfelen of ik wat wilde zeggen en weke woorden ik dan precies zou gebruiken – mij mond zou vanzelf beginnen te bewegen, mijn lippen zouden zich openen, de zinnen zouden zichzelf schreeuwen, ze zouden mijn mond uitstromen als kots.’

Dat relaas gaan we dan nu lezen…
Rêve Chaulk studeert nog niet zo lang aan de universiteit, en stond op het punt om bij haar vrienden Abby en David te gaan wonen. De dood van haar broer Justin, twee jaar jonger, verhindert dat


Maar thuis waar Justins aanwezigheid in alle ruimtes voelbaar blijft terwijl haar ouders hardnekkig hun best doen om gewoon door te gaan met hun leven, kan Rȇve het niet harden. Ze meldt zich bij het leger, zonder dat eerst te overleggen. Haar ouders dachten dat ze iedere dag colleges volgde, en zij begrijpen deze stap niet. Maar Rȇve vertrekt zo snel ze kan, op missie. Alles om maar niet thuis te hoeven zijn waar ze constant herinnerd wordt aan wat ze gedaan heeft. Wat dat dan wel is, dat komt later pas.


De verteller, Rȇve dus probeert uit te leggen hoe haar leven verlopen is, hoe de band met Justin was, en waarom ze zich zo schuldig voelt.  Ze springt heen en weer in de tijd: het gaat over het opgroeien met haar broer, haar gevoel van verantwoordelijkheid als ze zag hoe haar zo slimme broertje steeds meer een onaantrekkelijke nerd werd en aldus behandeld werd door zijn leeftijdgenoten. Deed zij er zelf ook niet aan mee? Dan is er de tijd van zijn overlijden en de rouw die haar ouders niet konden delen, zodat zij een uitweg zocht in het leger dat ging vechten in Syrië. Waren haar motieven wel zo zuiver?
En dan volgt de periode daarna. Na een verwonding komt ze terug in Nederland, waar ze al haar ervaringen moet verwerken. Dat blijkt niet zo gemakkelijk.


Dit is een indringend verhaal dat vooral draait om wat het betekent om een angststoornis te hebben. In een nawoord legt de schrijfster uit hoe iedere militair die thuis komt in meer of mindere mate last heeft van PTSS, hetgeen zich kan uiten in psychische maar ook fysieke klachten. 


Misschien was het beter geweest om bij een verhaal over PTSS niet ook nog eens het verhaal over schuld te verwerken dat stamt uit het eerdere burgerleven. Het geeft wel de reden aan waarom het meisje bij het leger gaat en werkt versterkend wat betreft de angststoornis, maar als de verhaallijnen zo door elkaar lopen wordt het voor de lezer minder overzichtelijk. Dat komt gelukkig wel weer goed als je het boek uit hebt en alles op zijn plek gevallen is.


Roanne van Voorst (1983) is antropoloog en schrijver van fictie en non-fictie. Met haar korte verhalen won ze eerder de Indische Bladzijdeverhalenwedstrijd en de NPO- schrijfwedstrijd.


ISBN 9789492037763| Hardcover | 216 pagina's | Uitgeverij Brandt | december 2017

© Marjo, 16 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waarom het zo aantrekkelijk is om gelukkig te zijn
Lorenzo Marone


"Mijn zoon is homo.
Hij weet het. Ik weet het. Toch heeft hij het me nooit opgebiecht. Op zich niets mis mee, er zijn zoveel mensen die wachten tot hun ouders dood zijn voordat ze zich laten gaan en vrijuit hun seksualiteit beleven. Maar voor mij gaat die vlieger niet op, ik ben van plan het nog hele lang vol te houden, nog zeker een jaar of tien. Als Dante uit de kast wil komen, zal hij zich dus niets aan moeten trekken van ondergetekende. Ik vertik het om voor zijn seksuele geneugten de pijp aan Maarten te geven."


Zo begint dit prachtige boek. Aan het woord is Cesare Annunziata, een oude, eigenwijze mopperkont. Niets lief oud mannetje van 77 jaar. Hij is cynisch en heeft overal commentaar op. Maar diep in zijn hart weet hij precies wat zijn zwakke plekken zijn en vooral wat zijn onhebbelijkheden zijn. Die maskeert hij achter zijn gebrom. Hij heeft een dochter Sveva en bovengenoemde zoon Dante. Sveva is alles voor hem, Dante hangt er een beetje bij.


Als er een positieve kant zit aan de omgang met mijn zoon, is het wel dat ik bij hem niet hoef te doen alsof, ik kan mezelf zijn, de knorrepot die ik altijd ben geweest. Dante gaat ondanks mijn overduidelijk onaangepaste gedrag gewoon zijn gang en trekt zich niets aan van wat ik in zijn aanwezigheid doe of zeg. Alsof hij zich een soort harnas heeft aangemeten waar elke uitlating of actie van mij op afketst en terugstuit.
'Hoe is het met je zus? Heb je haar nog gesproken?[...]

Ik zou onderhand moeten weten dat het enige waar Dante niet tegen kan, de enige zin die door zijn pantser heen dringt, is wanneer ik naar zijn zus vraag.[...]


Maar Cesare weet niet waar hij anders over moet praten met zijn zoon. Dante heeft hém immers nooit iets verteld over zijn homoseksualiteit, aan zijn inmiddels overleden vrouw wél. Maar het is wel Dante die boodschappen brengt en bezorgd is, zijn vader heeft immers onlangs een hartinfract gehad. Eigenlijk is Cesare ook best trots op zijn aantrekkelijke zoon. Hij vertelt zelfs "Sveva was altijd mijn oogappel, maar nu zou ik niet kunnen zeggen waarom eigenlijk."


Cesare woont in Napels in de wijk Vomero. Hij heeft een 'verhouding' met de ca. 60 jarige Rossana, een ex-verpleegster die nu als vrouw van lichte zeden haar inkomen bij elkaar sprokkelt.  In het appartementencomplex waar hij een huis huurt, kent hij twee mensen. Eleonora Vitagliano, de nieuwsgierige, buitenissige kattenvrouw en zijn vriend Marino, die recht onder hem woont. Maar onlangs is er een nieuw jong stel in het appartement naast hem getrokken. De vrouw heet Emma en zij intrigeert Cesare. Ze is mooi, vriendelijk maar ook afstandelijk, dat vindt Cesare niet erg, daar ligt zijn fascinatie niet aan maar er is iets mis in dat huis naast hem. Heel erg mis.


Cesare wil er feitelijk niets met het jonge stel te maken hebben, hij is gesteld op zijn rust en is bang voor lawaaierige feestjes en dergelijke, maar niets van dat al. Hij hoort niets. Ze zijn nagenoeg onzichtbaar. Maar dat verandert... Cesare vertrouwt het niet en na wat wikken en wegen besluit hij in te grijpen...


"Ik denk dat ik het er met Marino over ga hebben, misschien krijgt hij een idee.
Al is de kans groter dat morgen de zon niet opkomt."


Wat volgt is een pijnlijk en ontroerend verhaal rond Emma, Dante, Sveva, Marino en Rosanne. Cesare maakt zijn opmerking over zichzelf: "Ik ben zachtmoedig geboren, maar zal sterven als bullebak." totaal niet waar. Alleen wil hij dat van zichzelf niet weten. Hij zet alles op alles om Emma te helpen en ondertussen probeert hij ook met zijn zoon en dochter op goede voet te blijven door in zichzelf brommend al hun goede bedoelingen te accepteren. Hij schippert en laveert door alle woelige en minder woelige baren heen. Er gebeuren mooie maar ook verschrikkelijke dingen, het maakt Cesare weker, zoals hij het zelf noemt, wij zouden het woord 'liever' gebruiken. Uiteindelijk slaat onverwacht het noodlot toe en zit Cesare vol zelfverwijt. Maar toch, ondanks alles, blijft de oude knorrepot hangen aan het leven. Want hij weet waarom hij leeft en waar hij van houdt, en dat is heel veel!


Dit alles wordt prachtig en levensecht verwoord door Lorenzo Marone (1974), het was bijna een schok zijn portret te zien. Je verwachtte niet die jonge man maar een portret van een oude, beetje norse man, het portret van Cesare! Een mooier compliment kun je niet geven. Lezen dit boek!


Lorenzo Marone (Napels, 1974) werkte tien jaar lang als advocaat voordat hij begon met het schrijven van korte verhalen. Hij won daarmee al enkele prijzen, maar zijn echte doorbraak kwam met Waarom het zo aantrekkelijk is om gelukkig te zijn, een bestseller in vele landen.


ISBN 9789044636079 | Paperback | 251 pagina's | Uitgeverij Prometheus | april 2018
Uitstekend vertaald door Hilda Schraa en Manon Smits

© Dettie, 9 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

alt

De verbintenis van tegenpolen
Alice Hoffman


Op het tropische eiland Saint Thomas, bestuurd door Denemarken, wordt in 1795 Rachel Pomié geboren. Haar familie is Creools (= de benaming voor Franse kolonisten in de Franse koloniën in het Caraïbisch gebied), haar grootouders zijn uit Frankrijk gekomen, vluchtend voor de Inquisitie. Zij hadden een appelboom bij zich, die zij koesterden, en al zou die nooit echt gedijen op het tropische eiland, toch zou hij ieder jaar bitter smakende appels dragen, die met genoeg toevoegingen van andere ingrediënten toch smakelijk waren.


Deze appelboom is het juiste symbool voor de familie: ook zij gedijen niet voor de volle 100% op Saint Thomas, de familiekroniek zal zowel bittere als zoete verhalen bevatten.


De familie was onderdeel van de joodse gemeenschap, die in het jaar van Rachels geboorte vijfenzeventig mensen telde. Een joodse vrouw kon niet veel kanten op:


‘Joodse vrouwen waren aan regels gebonden: de regels van God, maar ook de regels van de Denen en van onze eigen leiders. Muizen moesten we zijn, onopgemerkt blijven…Maar ik was geen muis. In de velden waar ik liep, werd ik vooral geboeid door wat de haviken deden.’


Maar al is Rachel een opstandige dochter en luistert ze niet naar haar moeder waarbij ze door haar vader gesteund wordt als ze wil leren en lezen in zijn bibliotheek, dat voorkomt niet dat zij uitgehuwelijkt wordt aan Isaac Petit, een weduwnaar met drie kinderen. Ze legt zich er bij neer:


‘Maar wat was een echtgenoot nu eigenlijk, een partner toch? Waarom zou ik meer verlangen dan dat? Waarom zou ik dat ooit willen?’


Haar vriendin Jestine raadt het haar af, maar omdat zij de dochter is van een slavin, die in het huis van de Pomiés werkt, krijgt zij zelf ook niet de man van haar hart. Dat is namelijk Aaron, een neef van Rachel, opgevoed door haar moeder. En natuurlijk mag een joodse man niet buiten het geloof trouwen. Er mag nog meer niet volgens die religieuze regels: uit Parijs komt Frédérick Pizzarro, een neef van Isaac, om diens zaken over te nemen, want een zaak leiden, dat mag een vrouw ook niet, al kan Rachel dat prima.


Cupido slaat onmiddellijk toe, Rachel en Frédérick willen samen verder. Maar hij is familie, ook al is het aangetrouwd. Het mag niet. Het duurt jaren voor de goegemeente goedkeurt wat de twee jonge mensen al jaren hebben: een relatie. Er waren al zes kinderen, en de zevende volgt: Jacobo Pizzarro. Deze jongeman doet wat zijn moeder maar gedeeltelijk kon: ondanks alle tegenstand volgt hij zijn hart. Hij wil schilderen, en gaat naar Parijs.
We kennen hem als een van de grootste kunstenaars van Frankrijk, grondlegger van het impressionisme, vriend van Manet en mentor van Cézanne: Camille Pissarro.


In het nawoord wordt verteld dat de feiten die bekend zijn uit het leven van Pissarro zoveel mogelijk juist zijn. Daarbij horen ook de gegevens over zijn moeder, en haar familie. Hetgeen Alice Hoffman er bij heeft verzonnen, de West-Indische buren, vrienden en bedienden, die zo’n grote rol spelen in dit verhaal, geven de extra couleur locale: een heet-tropische sfeer met magische elementen – de rode flamboyant (sierboom), de papegaaien en de pelikanen.
Een mooi beeld is ook dat van de plattegronden van de Franse stad, die Rachel in haar vaders bibliotheek bestudeerde. Als zij eenmaal in Parijs arriveert, blijkt die wereld niet meer te bestaan, Baron Haussmann heeft de stad compleet omgegooid.
Zoals dat gebeurt met het leven van Rachel.


Een meeslepende roman waarbij veel verteld wordt over wat er in die tijd allemaal gebeurde in de wereld, meer specifiek over deze groep Joden en over de West-Indiërs, met ieder hun eigen gebruiken, normen en waarden. Maar wat toch vooral de kern vormt, naast het levensverhaal van Pissarro natuurlijk, is dat een mens een mens is, waar ook ter wereld hij geboren wordt.


En zijn mensen immers niet gelijk, al lijken zij tegenpolen? De titel, die misschien in eerste instantie afstoot, is precies goed. Waar de verschillen zo groot lijken, blijken die dat veel minder te zijn.

Alice Hoffman (1952, New York City) schreef op haar éénentwintigste haar eerste boek Property Of (1977). Ze schrijft niet alleen romans maar ook verhalenbundels en kinderboeken. Haar boeken zijn in meer dan twintig talen vertaald en in meer dan honderd landen uitgegeven.


ISBN 9789492086563 | Paperback | 352 pagina's | Orlando| januari 2018

© Marjo, 6 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Bickle
Jantien van Driel


Het boek is in feite opgedeeld in twee verhalen - het heden en verleden - die uiteindelijk wel bij elkaar komen.


In het heden lezen we hoe het Sabine vergaat nadat ze ontdekt heeft dat haar man vreemd gaat en door hem  op straat is gezet. Nadat het vanzelfsprekende ongeloof, de kwaadheid en ontreddering door haar heen zijn geraasd, vindt ze zichzelf uiteindelijk terug in een appartement in haar geliefde Rotterdam.  Ze  kan de huur nauwelijks betalen van haar salaris. Ze heeft de 'mazzel' dat ze dankzij haar luxe leven met ex-man Simon een kast vol merkkleding en -schoenen heeft die ze via Marktplaats steeds voor een goede prijs kan verkopen. Maar het blijft evenwel zeuren om de eindjes aan elkaar te knopen. Gelukkig heeft ze twee goede vriendinnen die haar met raad en daad bijstaan.


Natuurlijk denkt Sabine na over wat er allemaal gebeurd is en beseft ze dat er in haar huwelijk van de oude, vrolijke Sabine die nergens voor terugdeinsde weinig overgebleven is.


Doorheen het verhaal in de huidige tijd worden we op de hoogte gebracht van Sabines leven in haar jeugdjaren in het kleine dorpje Berglust vlakbij Rotterdam. Daar had ze een vriendin Robin, die haar mateloos fascineerde. Robins ouders hadden een café, waar Sabine als kind niet mocht komen van haar ouders maar rebels als ze was, had ze daar maling aan. Robins ouders, tante Trudy en ome Hans Bickle waren net zo bijzonder als Robin. Ome Hans was af en toe een tijd weg (gevangenis) en tante Trudy was de vrolijke liefheid zelf. De twee vriendinnen zijn bijna voor elkaar geschapen, wat de een niet durft, durft de ander wel en ze zijn geweldig in het bedenken van allerlei ondernemingen die Sabines streng gelovige ouders zeker zouden afkeuren.


Uitgerekend deze Robin komt Sabine na haar scheiding tegen en dat vormt ook de omslag in het verhaal. Robins ouders wonen tegenwoordig op Curaçao en Sabine wordt uitgenodigd om daar een weekje te bivakkeren om bij te komen van alle scheidingsperikelen en dan kan ze gelijk Ome Hans helpen... Deze houdt zich namelijk nog steeds bezig met louche zaken.  Hij zoekt iemand die zijn geld voor hem kan witwassen. Diegene moet iemand zijn die een vreemde is voor de politie. Sabine kan er flink mee verdienen...


En daar komt de oude Sabine weer naar boven. Ze neemt het aanbod aan en stort zich in de wereld van de koele, onverschillige ome Hans. En daarmee verandert het verhaal van karakter. We worden van een relaas vol vervelende liefdesperikelen met het alle, daarbij horende, geknok om overeind te blijven naar een thrillerachtig verhaal geloosd waarin we een heel andere Sabine leren kennen. Haar twee hartsvriendinnen van de ongelukkige begintijd staan haar opnieuw met raad en daad bij...


De "Stoere hommage aan de hedendaagse vrouw. Die valt en krachtiger weer opstaat dan ooit." zoals de flaptekst mij meldt, zie ik er niet in. Daarvoor is de actie van Sabine te weinig doordacht en handelt ze wel een beetje dom. 
Toch is het een boek dat je in één ruk uitleest. Alle ingrediënten voor een soepel, vlot, modern verhaal zijn aanwezig. Sabines vriendinnen zijn vrouwen die midden in de maatschappij staan en zowel maatschappelijk als in financiële sfeer flink van wanten weten. Er zijn de diverse uitstapjes al dan niet met veel drank (en de letterlijk en figuurlijke flinke katers na afloop), er is een soms vervelend en gênant en soms een spetterend liefdesleven, er is angst en uitdaging, verdriet en de slappe lach, en een saai, veilig leven versus een uitdagend risicovol leven.
Kortom, in zijn geheel is het een lekker sprankelend vakantieboek!


Jantien van Driel
(1971) is schrijfcoach en tekstschrijver. Al honderden mensen leerde ze schrijven vanuit het hart. De ontwikkelingsroman Bickle draagt bij aan haar grote missie: leven vanuit je zijn. En zoveel mogelijk lol maken.


ISBN 9789492619013 | Paperback | 220 pagina's | The Love Train Publishers | juli 2017

© Dettie, 26 april 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Ommegang
Jan van Aken


De schrijver van een goede historische roman moet over drie vaardigheden beschikken: een vlotte pen, een grote verbeeldingskracht en een grondige kennis van het tijdvak waarin de roman zich afspeelt. Jan van Aken schrijft romans die voldoen aan deze vereisten. Zijn debuut was in 2000 Het oog van de Basilisk. In 2013 volgde al zijn zesde en veel geprezen roman De Afvallige. En nu dus De Ommegang.


De titel doet denken aan een religieuze processie, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam nog steeds elk jaar een stille omgang wordt gehouden. In dit boek verwijst de ommegang naar de vele reizen die de hoofdpersoon maakt in Europa en Azië. Tegelijk echter is de ommegang ook een tocht naar het innerlijke. De hoofdpersoon heeft zich technieken aangeleerd waarmee hij zich al hetgeen hij leest kan herinneren. Hij slaat gegevens op in vakjes, laadjes, kastjes, gangetjes en aan de hand van trefwoorden weet hij zijn weg in dit labyrint te vinden. Zo bezien is de ommegang ook een wandeling in zijn geest. Deze techniek wordt van levensbelang voor de hoofdpersoon als hij zich aan het eind van het boek op tijd een cruciaal gegeven moet herinneren wil hij overleven.


De naam van de hoofdpersoon is Isidorus van Rillington. Hij is te vondeling gelegd in een klooster in Yorkshire en wordt opgevoed door monniken. Hij ontpopt zich als een leergierig man, met een intens verlangen om onbekende streken te bereizen. Zijn grote ambitie is om als architect een blijvende plaats in het geheugen van de mensheid in te nemen. Om in zijn levensonderhoud te voorzien wordt hij heelmeester.
Isidoor is niet alleen een liefhebber van kennis, hij bemint ook vele vrouwen, maar is niet altijd even sympathiek in zijn omgang met vrouwen. Op een na zijn de vrouwen met wie Isidoor het aanlegt prostituees.


Centraal in het boek staat het Concilie van Constanz (1414-1418) waar de Bohemer Johannes Hus zich moest verantwoorden tegenover staat en kerk over zijn afwijkende opvattingen ten opzichte van de Katholieke Kerk. Daaromheen rijgen zich bijzondere gebeurtenissen aaneen: de pestepidemie, universiteitsleven, bibliotheken met hun culturele schatten, bordeelscenes, oorlogen met de Turken, een ontmoeting met de wrede Timoer Lenk. Het is eigenlijk een ongeloofwaardige reeks aan kleurrijke avonturen, samengeperst in het leven van één mens. Het is echter een roman, en dus kan er veel, en bovendien weet Jan van Aken moeiteloos te schakelen tussen alle episoden en die met elkaar te verbinden.


Isidoor is een onconventioneel mens, levend in een door en door religieuze wereld. Hij voelt zich tot geen enkel geloof aangetrokken, maar gaat voor de wetenschap.


Het boek bevat geen intrige die naar een ontknoping toewerkt. Er is geen plot dat voortstuwt naar een ontraadseling. Het is op den duur derhalve wat vlak om alle avonturen een voor een voorbij te zien komen. Maar dan komt er toch een verrassing. Aan het eind van het boek slaat er een val dicht en moet Isidoor zich verantwoorden voor rechters. Ineens keren zijn gedragingen en zijn woorden zich tegen hem. Woorden, onbezonnen in drinkgelagen geuit, blijken in handen van zijn rechters levensgevaarlijke kanten te hebben.


Evenals Johannes Hus krijgt ook Isidoor de vraag voorgelegd of hij zijn ketterij wil herroepen. Zijn antwoord: “Ik ben geen ketter, dus ik koester geen ketterse gedachten – er valt derhalve niets te herroepen.” Hij beseft het niet, maar met dit antwoord toont Isidoor zijn onschuld niet aan, maar graaft hij juist zijn eigen graf.


Heel knap hoe Jan van Aken hier verschillende lijnen in zijn boek samen laat komen. Zelfs het uithangbord met een afbeelding van een gans, dat Isidoor heeft opgehangen aan zijn huis, blijkt lang niet zo onschuldig te zijn als hij had gedacht.


De Ommegang
is boeiend, interessant en in een mooie stijl geschreven. De liefhebbers van historische romans raad ik het boek graag aan.


ISBN: 9789021403939 | Paperback | 628 pagina's | Uitgeverij Querido | maart 2018.

© Henk Hofman, 12 april 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altRoza
Olivier Willemsen


In 1959 werden op de Djatlovpas in het Oeralgebergte de lichamen gevonden van negen jonge mensen. Zij waren bergbeklimmers, op weg naar de top van de Otorten. Het is tot op heden een raadsel hoe zij om het leven zijn gekomen. Toen het eerste vijftal gevonden werd, droegen ze nauwelijks tot geen kleding, ze lagen niet bij elkaar, en hun tent was opengesneden. Van binnenuit. Hadden ze de beschutting van hun tent zo halsoverkop verlaten? En waarom dan?  Ook leek het of er iemand in een boom was geklommen, er waren takken afgebroken. Twee maanden later werden de anderen gevonden, in een ravijn verderop, zwaar toegetakeld.


In Roza gaat een Nederlandse student op zoek naar de waarheid achter deze geschiedenis. Maar het is lang geleden, en het is Rusland, een land dat zijn geheimen niet graag prijs geeft. Hij ontmoet Roza Andreja Onilova, nu een oude vrouw.


Na de inleiding begint het boek met haar verhaal, een terugblik op die tijd. Met haar ouders en broertje Oleg woont zij in een izba, een houten boerenwoning. Roza, dan twaalf jaar, is bevriend met Boris, de zoon van de slager. Zij zagen de studenten voor het eerst in de gymzaal van de school in Serov, waar ze onderdak hadden gevonden, voor ze op pad zouden gaan. Rusland is dol op zijn helden: de groep kwam in de klas om zich voor te stellen. Daarbij maakt Roza oogcontact met een van de vrouwen, die haar later een blauw steentje in de hand duwde. De groep werd uitgezwaaid, niemand zag hen terug. Zijn ze aangevallen door beren? Of vermoord door de stam bergmensen? En wat was dat felle witte licht dat de mensen zagen? En wat betekende het gesprek dat Roza afluisterde?


Toen de studenten dood gevonden werden veranderde de sfeer in het stadje. Er liepen mannen in zwart uniform met wapens en mensen werden opgepakt. Als soldaten aan hun deur staan, weet Roza te ontkomen. Samen met Boris vlucht zij weg uit Rusland. Zijn zij werkelijk het doelwit van een geheime militie, die mensen vermoorden om een geheim een geheim te laten blijven?


Als de Nederlandse student de hoogbejaarde Roza weet op te sporen blijkt zij in Coos Bay, Oregon te wonen. Haar zoon waarschuwt: haar geheugen is niet meer wat het geweest is. Haar verhaal lijkt te kloppen met de feiten die bekend zijn, maar daar ligt het probleem: kloppen die feiten eigenlijk wel? Kun je vertrouwen op de informatie die zoveel jaar geleden naar buiten is gekomen? Dat was pas tijdens de periode Gorbatsjov. Er kan veel gesjoemeld zijn. In hoeverre kloppen de feiten die wij als nu als waar aannemen echt of zijn ze misschien toch fictief? Misschien is het enige echte feit wel dat de negen jongeren dood zijn?


Dat is de grote vraag en het levert een boeiend verhaal op. Waan of werkelijkheid? Mystificatie of onbetwistbare feiten?
Willemsen speelt met de lezer, maar dat levert een leuk en boeiend spelletje op!


Olivier Willemsen (1980) groeide op in het Brabantse dorp Haps aan de grens met Duitsland. Hij studeerde geschiedenis aan de UvA en werkt nu als tekstschrijver en columnist voor debatcentrum De Balie. Olivier Willemsen debuteerde in 2014 met de roman "Morgen komt Liesbeth'.


www.olivierwillemsen.nl


ISBN 9789463360418 | Paperback | 192 pagina's |Uitgeverij De Harmonie | maart 2018

© Marjo, 21 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altOorlogskind
Mechtild Borrmann


In 1947 is Hamburg een puinhoop, zoals heel Duitsland eigenlijk. In de winter sterven veel mensen van honger en kou, het is een strijd om te overleven.


Dat is het ook voor de vijftienjarige Hanno Dietz, die zich de man in huis voelt. Niet dat ze echt een huis hebben; Hanno, zijn zus Wiebke en moeder Agnes proberen te overleven in de enige kamer van hun huis die na de bombardementen nog enigszins bewoonbaar is. Zijn vader is sinds 1942 vermist. Terwijl hij op zoek is naar brandhout doet Hanno een gruwelijke vondst: het beeld van het lijk dat hij aantreft in de puinhopen zal hij zijn leven lang bij zich dragen. Toch legt hij niet meteen de link met de dode vrouw als zijn zusje aan komt zetten met een verdwaasd jochie van een jaar of drie. Ze nemen hem mee, zorgen voor hem en later zal Agnes Dietz hem legaliseren als Joost Dietz.


Eerder, in 1945, speelt het verhaal van Clara Anquist en haar familie, die er net niet in slagen op tijd te vluchten voor de Russen, die hun landgoed Uckermark confisqueren. Clara’s vader wordt gevangen genomen, zijn zoon is vermist en zijn schoondochter en haar kinderen vluchten met Clara en hun kokkin Wilhelmine en haar dochter. Helaas worden enkelen van hen slachtoffer van nietsontziende Russische soldaten, en zo is het een uitgedund groepje dat probeert te ontsnappen aan de Russische overheersing. Vader Heinrich heeft connecties in Spanje, daar willen ze heen.


En dan is er de verhaallijn van 1992. Anna, getrouwd met Thomas, is de dochter van Clara. Maar die vertelt niets over het verleden, ze wordt zelfs woest als Anna toch op onderzoek uit gaat. Ze was al een drinker, nu dreigt een levercirrose. En dan verbaast het Anna als haar moeder die nooit van hulp heeft willen horen, zich nu ineens op laat nemen in een kliniek! Heeft dat iets te maken met het verleden?
Tijdens haar bezoek aan het landgoed dat ooit van de familie was, komt Anna in contact met Joost Dietz.

Drie verhaallijnen die elkaar afwisselen, en een verbijsterend verhaal onthullen. Zelfs een oude (echte) moordzaak, de Trümmermörder, speelt een rol.


Een groot deel van dit meeslepende verhaal is gebaseerd op de werkelijkheid. Ook een aantal personages heeft werkelijk geleefd. Joost Dietz bijvoorbeeld, en de familie Anquist. 


Terwijl zij hun verhaal vertelt, toont Mechtild Borrmann hoe er chaos heerste aan het einde van de oorlog, die nog lang daarna voortduurde. Het was voor velen erg moeilijk om te overleven, terwijl het voor anderen een uitgelezen kans was om bepaalde dingen te verdoezelen of onder te duiken in de losgeslagen massa.
Er zijn feiten die je als lezer aan voelt komen, maar de uiteindelijke ontknoping is onverwacht.
Het is vooral de historische waarheid die dit boek heel bijzonder maakt. Het belicht net weer een andere kant van de oorlog.


Mechtild Borrmann (Keulen, 1960) begon pas na een carrière als dans- en theaterpedagoog, gestalttherapeut en personeelsmanager met het schrijven van romans. Ze ontving voor haar eerdere werk in Duitsland al de gerenommeerde Friedrich-Glauser-Preis en de Deutscher Krimi Preis. In Frankrijk ontving ze de Grand prix des lectrices van ELLE Magazine.

ISBN 9789400508651 | hardcover | 288 pagina's | A. W. Bruna| april 2018
Vertaald uit het Duits door Olga Groenewoud

© Marjo, 10 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altParadijs bij het dashboardlicht
Robert van Eijden


‘Ik ben een oude olifant, dacht hij, een oude, vermoeide olifant die niet meer in staat is om te vluchten als de stropers komen met hun jachtgeweren. Dik, traag en gerimpeld, dat ben ik.’


Jan de Vries, bijna vijftiger, ziet zichzelf in de spiegel.
Ooit studeerde hij rechten en dacht een glansrijke carrière tegemoet te gaan. Maar halverwege interesseerde zijn studie hem niet meer. Toch studeerde hij af, gevolgd door drie jaar werkeloosheid. De baan die hij nu nog steeds heeft is op ict-terrein, waar hij na een omscholing in terecht kwam. Het waren goede tijden, Jan had er geen rekening mee gehouden dat het wel eens anders kon worden.


Jan heeft een relatie met Nathalie, die al net zo verveeld in het leven staat als hijzelf. Zij verdiept zich in oude magazines, drinkt gin-tonics, en als compensatie voor de agendaseks met Jan, gaat ze op onderzoek uit ‘of ze nog in de markt ligt.’


Zijn baan misschien wel op de tocht, een relatie die niet meer bevredigt, wat is er dan nog voor Jan? De muziek misschien. Samen met zijn maat Chris verzorgt hij regelmatig muziekavonden, vooral op bruiloften. Jan krijgt een lumineus idee (vindt hij zelf): als ze nu eens een keer per maand zelf een dansavond organiseren, helemaal naar eigen idee? Met een eigen muziekkeuze?


Het lijkt nog te lukken ook, er komt inderdaad een feestavond. Na een verhaal met zoveel treurigheid verwacht je niet dat het Jan en Chris werkelijk gaat lukken.


Het is een verhaal vol verwijzingen naar allerlei BN-ers, muzieknummers en televisieprogramma’s. De titel slaat natuurlijk op het zeer bekende nummer van Meat Loaf. Het nummer duurt maar liefst acht en een halve minuut, te lang om op te dansen. Dus heeft Jan het nummer ingekort tot een behapbare lengte, geschikt voor de doelgroep van zijn feest.


Een being of ageroman: als vijftiger ben je dus oud, moet Jan concluderen, terwijl hij - niet eens zonder succes - op zijn werk de confrontatie aangaat met de jonge stagiaires. Een verhaal, een roman, moet iets losmaken bij de lezer. Liefst een emotie laten voelen, nieuwsgierig maken, of een aha-erlebnis veroorzaken. Ook dit boek roept iets op, maar het is vast niet de bedoeling geweest van de schrijver dat zijn lezer verveling en ergernis zou ervaren.


De positieve opmerking die ik bij dit boek heb is dat het zeker niet slecht geschreven is, en goed in elkaar steekt wat betreft afwisseling. Maar de beoogde – veelal zwarte - humor is niet de mijne, en als dit boek bedoeld is als maatschappijkritiek, dan komt dat niet zo over. De stijl is vaak rauw, en vrouwonvriendelijk. Al staat daar tegenover dat de schrijver zijn mannelijke hoofdpersonen ook niet ontziet.
Dat ik het boek helemaal niks vind, dat kan dus helemaal aan mij liggen.


Beluister het interview (npo) met de schrijver over dit boek.


Robert van Eijden (1971) is freelance tekstschrijver. In 2015 debuteerde hij met Boek dat genomineerd werd voor de Bronzen Uil.


ISBN 9789038804491 | Paperback | 256 pagina's | Nijgh & van Ditmar| april 2018

© Marjo, 6 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet begin van de lente
Penelope Fitzgerald


In maart 1913 reist Nellie Reid met drie kinderen (tien, acht en twee jaar oud) naar Londen. Vanuit Moskou waar echtgenoot Frank niet het flauwste benul heeft dat zijn gezin verdwenen is. Hij hoort het pas als hij die avond laat thuiskomt uit de drukkerij waar hij de kost verdient voor het gezin.


Frank is officieel een Engelsman, maar geboren en getogen in Moskou voelt hij zich meer Russisch. Hij heeft zijn vrouw ontmoet toen hij in Engeland was om meer te leren over het drukkerijwezen. Ze trok blijmoedig met hem naar Rusland, waar de drie kinderen geboren zijn. Ze hadden wel overwogen om terug te gaan naar Engeland, en om die reden had hij er voor gezorgd dat ze de nodige papieren hadden, maar hij betwijfelde of het er ooit echt van gekomen zou zijn. Hij dacht dat ze gelukkig was in Moskou, maar waarom is ze dan zo opeens vertrokken?


Het wordt nog vreemder: de volgende ochtend gaat de telefoon. Of hij zijn kinderen wil komen halen die op station Alexander - in Moskou - op hem zitten te wachten. Zijn vrouw is niet bij hen. Als ze thuis komen in de Lipkastraat, vraagt kindermeisje Doenjasja haar papieren terug. Ze wil weg. Frank geeft haar wat ze vraagt. Dan moeten er besluiten genomen worden.


‘Dolly vroeg: ‘Wist u niet wat moeder van plan was?‘
’Om eerlijk te zijn, Dolly, nee, dat wist ik niet.’
‘Dat dacht ik al,’ voegde ze er snel aan toe. ‘Het viel haar zwaar. Ze had tenslotte nog nooit op ons hoeven passen, Doenjasja deed alles. Annoesjka zat geen moment stil. Moeder vroeg de bediende om valeriaandruppels, om haar te kalmeren, maar die had hij niet. We hadden die natuurlijk mee moeten nemen, maar ik heb de koffers niet gepakt. U had niet mogen verwachten dat ze het in haar eentje zou redden. Ze moest ons wel terugsturen, ze had niets aan ons. Ik denk dat u te veel van haar heeft gevraagd.’
‘Dat ben ik niet met je eens, Dolly. Ik weet wat ik wil, maar je moeder ook.’


Als Frank ontdekt dat Nellie niet bij haar broer Charlie in Norbury is, heeft hij geen idee waar ze dan is en hoe hij haar bereiken kan. Of ze ooit terug zal komen, dat weet hij niet.
Terwijl hij zijn persoonlijke zaken moet regelen, is er ook gedoe met de drukkerij en met Rusland in het algemeen.
Kan Frank zijn drukkerij blijven uitbaten in Moskou? Zal hij er nog achter komen waar zijn vrouw is? En staat daar nu echt iemand voor hem die uit is op zijn leven?


Na een redelijk duidelijk begin dat de situatie in het kort uittekent, wordt de toon van het boek steeds waziger. Rusland is een vreemd en vaag land, niemand – behalve Frank – is recht door zee en zegt wat hij denkt. Er gebeuren dingen, waar het hoe en waarom niet duidelijk is en terwijl Frank denkt te weten hoe hij zijn zaken aan moet pakken, blijkt hij dat toch weet verkeerd in te schatten. Een westerse zakenman heeft het moeilijk in Moskou.
Het is de tijd voor de revolutie, het leven is zwaar voor de gemiddelde Rus, de politiek is schimmig.


En zo is het verhaal ook. Het boek is goed geschreven, met mooie zinnen en spitse dialogen maar precies navertellen wat er nu eigenlijk gebeurt, is heel lastig. De grote lijnen kunnen de lezer makkelijk ontgaan omdat Fitzgerald haar personages en de situaties dicht op de huid zit en omdat zij het geheel op een ironische benadering benadert. De sfeer blijft daarentegen goed hangen, en daar gaat het haar waarschijnlijk om. Dat is misschien precies de sfeer die in Rusland hing in die tijd. Het was ieder voor zich, een strijd voor het bestaan vaak. Een westerling werd meer en meer met wantrouwen bejegend.


Penelope Fitzgerald (1916-2000) stond vier maal op de shortlist van de Booker Prize. Het begin van de lente was een van de kanshebbers in 1988.


ISBN 9789492168221 | Paperback | 160 pagina's | Karmijn| april 2018
Vertaald door Johannes Jonkers

© Marjo, 30 april 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altNiemand heeft het gedaan
Diane Broeckhoven


‘Weet je nog, mama?’ fluisterde ik in haar oorschelp, rood aangelopen als bij een kind dat vecht tegen de slaap. ‘Weet je nog? Wij tweetjes? Ik heb in mijn hele leven nooit beter en dieper geslapen dan samen met jou in het hoge bed. Onze twijfelaar.’

Als haar moeder in haar sterfbed ligt, neemt Bonnie een besluit: ze zal eindelijk het verhaal vertellen dat zij verdrongen had. Maar er is een ding dat zij zeker weet: Niemand heeft het gedaan. Niet zij.

Bonnie is de dochter van een tienermoeder. Geholpen door diens moeder en oma heeft Lena het vrij goed voor elkaar. Ze heeft een winkeltje in tweedehandsspullen en is een goede moeder voor Bonnie. Hun band is sterk, aangezien ze op elkaar aangewezen zijn.
Er is alleen die verschijning die ze zag: een meisje zo groot als haar hand, dat sprekend op haarzelf lijkt. Ze was bijna doorzichtig, en ze noemt zich Niemand.


Als Bonnie acht is verandert hun rustige leventje. Lena leert een man kennen en wordt verliefd. Dat is al niet leuk, maar wat het nog erger maakt is dat de man in kwestie in Bonnies ogen stokoud is en haar leraar! Bonnie wil die man niet in hun leven. Het gaat prima samen, die meneer Weetal, zoals ze hem noemt, heeft in hun huishoudinkje niets te zoeken. Bonnie begrijpt natuurlijk niet dat haar nog zo jonge moeder een eigen leven nodig heeft. Ze werkt de man aan alle kanten tegen, maar het helpt niet. Tot die ene dag… Maar niet zij heeft het gedaan. Het was Niemand.


Een kind dat een denkbeeldig vriendje heeft. Dat komt vaker voor. Maar eigenlijk is ze helemaal niet zo lief: ze vertelt vaak de waarheid, en dat zijn vaak dingen die Bonnie niet wil horen.


Hoe een kind kan reageren op een vreemde die ineens haar veilige wereldje binnendringt, dat vormt de kern van dit verhaal. Het dubbele: ze vindt meneer Weetal heel aardig als hij op school zijn lessen geeft, maar bij haar thuis hoort hij niet, dat vindt ze verschrikkelijk.
De oplossing zie je aankomen, maar dat maakt het niet minder indringend.


Diane Broeckhoven (Antwerpen) schrijft boeken en is freelancejournaliste. Meer dan 20 jeugdboeken staan op haar naam, maar ook haar romans voor volwassenen zijn niet te versmaden. In 1998 schreef ze haar eerste: De buitenkant van Meneer Jules.


ISBN 9789460015854 | Hardcover | 135 pagina's | Uitgeverij Vrijdag | september 2017

© Marjo, 23 april 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Gouden bergen
Francis Spufford


Als de Britse Mr. Richard Smith op 1 november 1746 aankomt in de haven van New York veroorzaakt hij na korte tijd flinke opschudding. Hij heeft namelijk een wissel van duizend pond die hij onmiddellijk wil verzilveren bij de firma Lovell & Co. Lovell verschiet bijna van kleur want het is een voor die tijd enorm bedrag en natuurlijk heeft hij dat niet in huis. Bovendien, hoe weet hij dat het geen vervalsing is? De Londense handelsrelatie die de wissel heeft afgegeven heeft Lovell namelijk helemaal niet geïnformeerd over de komst van Smith. Na wat heen en weer gekissebis sluiten de mannen een akkoord. Ze wachten de andere twee wissels af die over ca. 60 dagen met de volgende twee schepen zullen arriveren en dan kan de heer Smith zijn geld krijgen.


Deze vreemde gang van zaken wordt al snel bekend in de New Yorkse kringen. - New York was destijds nog niet de metropool die het nu is. - Iedereen is benieuwd naar de charmante jonge man die verder niets wil prijsgeven van de reden van zijn komst of waarvoor hij dat geld nodig heeft. Als snel blijkt dat Mr. Smith sowieso weinig  over zichzelf loslaat wat de New Yorkers nóg nieuwsgieriger maken.


Wat niemand weet is dat Mr. Smith de dag na aankomst beroofd wordt van zijn portefeuille met al zijn overige reisgeld erin. In zijn jaszak heeft hij nog 8 shilling en acht pence en in zijn kamer ligt nog zo'n negenentwintig shilling. Daar zal hij het die zestig dagen mee moeten doen... Dankzij zijn zwijgzaamheid rond zijn eigen persoontje en het verspreiden van het nieuws over zijn wissel, verdenkt niemand hem van klaploperij. Mr. Smith wordt gezien als een rijk man en wordt overal met alle egards ontvangen. Ook bij Lovell en diens dochters, de lieflijke, vriendelijke Flora en de zeer intelligente maar venijnige Tabitha. Het is vooral Tabitha met haar nukken en grillen en scherpe opmerkingen die een grote aantrekkingskracht op Richard Smith uitoefent. Doorheen het hele verhaal speelt deze vrouw een belangrijke rol in zijn gedachten en doen en laten. Zelfs als blijkt dat ze hem erg veel kwaad berokkent.


De lezer zelf weet ook niet waarom Mr. Smith in New York is, er wordt gemeld dat hij een speciale missie heeft maar welke wordt niet uit de doeken gedaan. Dit niet vermelden maakt dat je geboeid blijft. Mr. Smith verstaat de kunst om alles keurig te omzeilen. Hij speelt een spel met iedereen wat niet altijd tot succes leidt. Mr. Smith woont chique etentjes bij, verbaast menigeen met zijn kennis over toneel, belandt in netelige situaties en zelfs, na een enorm amoureus schandaal, in de gevangenis, maar hij heeft inmiddels ook vrienden gemaakt die hem telkens weer uit de brand helpen. Helaas, ook die vriendschap verdwijnt na een verkeerd afgelopen uitdaging.

Mr. Smith intrigeert vele mensen, hij spreekt zeer tot de verbeelding, hij is intelligent, hij is onderhoudend, uitdagend, rebels, maar ze weten niet wat ze met hem aan moeten. Hij is ongrijpbaar, hij flitst als een glibberige vis overal doorheen. En dan, als de zestig dagen bijna verstreken zijn en pas op een van de laatste bladzijden van het boek, vernemen we wat zijn missie was en dat maakt dat alles omgegooid wordt.  Het verhaal komt gelijk in een heel ander, vermakelijk, perspectief te staan. Achteraf besef je dat er kleine aanwijzingen waren middels zinnetjes, vragen en opmerkingen die leiden naar dit slot maar dat is zo knap en terloops gedaan dat de verrassing toch compleet is.


Naast het vermaak en de onverwachte wendingen, biedt de schrijver ons nog meer en dat is een prachtige verfijnde stijl en taal, passend bij de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Bijzonder is eveneens het Sinterklaasfeest dat wordt gevierd bij de Brits-Nederlandse rijkelui.


"De maand november zonk in kille nevelen neer, als een oude sofa die door zijn veren zeeg. Dag in, dag uit dreef de koude rivierwind trage grijze zijrivieren van mist tussen de huizen, en uit de die mist doemde het drukke verkeer op, dat al opdoemend donkerder werd, alsof het bij elke stap vastere vorm kreeg. De mist omsloot en dempte de kreten van de slepers, het gepiep van de katrollen, het gehamer van bovenaf, etcetera, als een juwelenkistje dat met zijn gecapitonneerde deksel alles wat zich erin bevindt vastklemt in zijn verstikkende fluwelen greep."


Doorheen het verhaal wordt de lezer door iemand toegesproken, in het verhaal getrokken. Bijvoorbeeld bij het beschrijven van de weelderige vormen van een vrouw:


'Ik wil dit deel  van het verhaal eigenlijk niet schrijven, en stel het uit door er maar wat op los te babbelen.' [...]
Laten we haar bekijken vanuit schilderkunstig perspectief. Laten we zeggen dat haar haar belijningen, die ooit aan het schoonheidsideaal hadden voldaan, in de loop der tijd onvaster, ongedefinieerder, lubberiger waren geworden. Als de ooit volmaakte meanders van een rivier, die nu waren uitgewaaierd tot een delta. Maar vervaagde pracht, blijft pracht.'


Kortom, een uitstekende historische roman waarbij vooral het fraaie taalgebruik de liefhebber zal aanspreken. Compliment voor de vertalers!


ISBN 9789046822388 | Paperback | 364 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | oktober 2017
Vertaald door Inger Limburg & Lucie Rooijen 

© Dettie, 11 april 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER