Nieuwe boekrecensies

Buurtsupermens
Sayaka Murata


Als kind is Keiko Furukura al een beetje vreemd, al ziet ze dat zelf helemaal niet zo. Haar ouders zijn echter duidelijk teleurgesteld door haar gedrag. Zo vindt ze een dood vogeltje en terwijl haar moeder voorstelt om het beestje te begraven, wil zij het mee naar huis nemen om het klaar te maken voor haar vader. Als haar moeder verbaasd kijkt, stelt ze voor om nog meer vogeltjes te halen.


Op de basisschool waar ze net zit, raken 2 jongens slaags tijden de gymles en omdat er geroepen wordt dat er gezorgd moet worden dat ze ophouden, pakt ze een schop uit de gereedschapskist en geeft een van de vechtersbazen een dreun op z’n hoofd. Dit werkt, de jongen zijgt neer en is stil. Als ze hetzelfde bij de andere jongen wil doen, wordt ze tegengehouden door de meester, die stamelt hoe fout geweld is en op de lerarenvergadering wordt haar moeder er bij gehaald.
En dan is er nog de keer dat de juf een hysterieaanval in de klas kreeg. Omdat ze niet wil kalmeren rukt Keiko haar rok en slipje naar beneden. De geschokte juf begint nu zachtjes te huilen en als de leraar vraagt wat er aan de hand is zegt Keiko dat ze in een film had gezien dat een volwassen vrouw heel stil werd toen haar kleren werden uitgetrokken. Ook nu wordt haar moeder weer naar school geroepen.


Keiko kan niet begrijpen wat ze fout heeft gedaan en omdat ze niet wil dat haar ouders verdriet hebben en zich moeten verontschuldigen, besluit ze buitenshuis zo min mogelijk haar mond open te doen. Ze doet voortaan precies zoals de anderen, of doet wat haar is opgedragen. Uit eigen beweging doet ze niets meer. Keiko blijft dus een probleem en haar ouders willen dat ze geneest. En zo groeit ze op tot volwassene met het idee dat ze moet genezen.


In het boek is Keiko 36 jaar en ze werkt al 18 jaar als medewerkster in een buurtsupermarkt. Daar begint ze mee tijdens haar studie en dit werk doet ze nog steeds. Haar vriendinnen vinden dit maar vreemd en ze geeft op advies van haar zus haar zwakke gezondheid, of de gezondheid van haar ouders op als excuus. Ze komt regelmatig bij haar zus, die getrouwd is en een baby heeft. Als de baby huilt en de zus van Keiko moeite doet om het kind stil te krijgen, bedenkt Keiko, als ze het mes ziet waarmee ze zo juist een taartje heeft verdeeld dat er wel een manier is om dit snel te doen.


Op haar werk ontmoet Keiko Shiraha, een personeelslid dat de kantjes er afloopt en die zichzelf beter vindt dan het andere personeel. Volgens hem werken er alleen maar losers in de winkel. Zelf wil hij graag een vrouw vinden, die zijn bedrijf kan financieren. Het is een zeer eigenaardig figuur, die op iedereen af loopt te geven. Hij heeft op de zak van z’n broer geteerd, maar nu deze getrouwd is, kan dat niet meer, omdat de echtgenote dat niet goed vindt. Natuurlijk geeft hij ook op haar af en noemt haar een profiteur. Shiraha roept ook steeds dat er niets is veranderd sinds de Jomonperiode (een periode in de Japanse prehistorie, van 10.000 voor Christus tot 300 voor Christus). Shiraha krijgt natuurlijk snel z’n ontslag.


Iedereen om Keiko heen is van mening dat ze eindelijk eens normaal moet worden en een echte carrière moet nastreven, of moet trouwen. Als Keiko Shiraha weer ontmoet, krijgt ze een idee en hoe dit afloopt…


Het is een mooi boekje over een vrouw die niet goed weet hoe ze aan de eisen van haar omgeving moet voldoen. Ze neemt het gedrag van anderen over en lijkt in de buurtsupermarkt op haar plaats te zijn. Je kunt je afvragen wat normaal is en of ze misschien toch niet gewoon het beste af is in de situatie waarin ze nu al 18 jaar leeft. Een groot deel van het boekje gaat over het werk in de supermarkt en de andere mensen die ze daar ontmoet.


ISBN 978 90 388 0663 1 | Paperback | 143 pagina’s | Nijgh & Van Ditmar | september 2019
vertaald door Luc Van Haute

© Renate 7 juli 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De wereld die we kenden
Alice Hoffman


‘Als je niet in het kwaad gelooft, ben je gedoemd te leven in een wereld die je nooit zult begrijpen.’


Zo begint het verhaal van Lea, twaalf jaar oud. Ze woont in Berlijn, het is 1941 en ze is joods.
Ze is nog maar een meisje, maar ze is lang en ziet er ouder uit. Haar vader wordt vermoord tijdens rellen, haar moeder Hanni weet wat haar te doen staat: Lea moet vertrekken. 
Zelf kan ze niet mee, ze heeft haar eigen moeder nog om voor te zorgen. Als ze een rabbijn om hulp vraagt is het niet hij, maar zijn dochter Ettie die zal helpen. Op een bijzondere manier: uit modderige klei, schept zij een golem, een magisch Joods wezen. Ze is geen mens, maar ziet er wel uit als een vrouw en krijgt de naam Ava.
Lea beschermen tot ze veilig zal zijn, dat is het enige levensdoel van de golem.


Ze vertrekken naar Parijs. Ook Ettie verlaat Berlijn, en neemt haar zus Marta met zich mee. Aanvankelijk zijn de vier vrouwen samen, maar ze raken elkaar kwijt. Toch zullen hun paden elkaar weer kruisen, al is dat dan pas na jaren vol gevaar, op de vlucht voor de nazi’s.


Ava en Lea ontmoeten in Parijs de familie Lévi, waar Marianne dienstmeisje is. Zij zal een belangrijke rol gaan spelen in het verhaal, net als de zonen van de familie, Julien en Victor. Op het moment dat Parijs ingenomen wordt door de vijand weet Lea dat ze nooit meer naar huis zal gaan.


‘Je verdriet gaat niet weg, het is geen deur die je dicht kunt doen of een boek dat je terug kunt zetten op de plank, of een kus die je terug kunt geven als je hem gekregen hebt. Zo is de wereld nu. Houd de ergste dingen voor jezelf, als een bot in je keel.’


Door hun belevenissen lezen we over hoe Frankrijk gebukt ging door de Duitse overheersing in de Tweede Wereldoorlog. Over Jodenvervolging en verzetsstrijders. De vrouwen en de twee mannen raken verzeild in gevaarlijke situaties, terwijl hun levens verstrengeld raken. Ze veranderen, worden getekend door de gebeurtenissen. Liefde bloeit op.     


En daar is de golem. Waar staat zij voor? Een golem kent de taal van de vogels en de vissen, kan in de toekomst kijken, met de doden communiceren en demonen overwinnen. Dit schepsel beschermt de Joden sinds het begin der tijden en zal Lea kunnen beschermen op haar reis naar veiligheid. Zij is een mystiek wezen. Het is die magie die het verhaal een apart tintje geeft want zij geeft kleur aan de gebeurtenissen. Haar kracht, haar weten, en ook de ontwikkeling die zij doormaakt - want haar verlangen om ook mens te zijn groeit - is de basis van een bijzonder verhaal.
Om en om volgens we de personages, op hun reis door Frankrijk. Boven de hoofdstukken staat de plaats- en tijdsaanduiding.


Alice Hoffman verwerkt in het verhaal de vreselijke gebeurtenissen in het Vélodrome d'Hiver (1942) en het leven van de partizanen. Het verhaal zit vol Joodse symboliek, naast het verhaal van de golem. En zoals het binnen de Joodse traditie betaamt is er een grote rol weggelegd voor de vrouw. Ook komen we af en toe Azraël tegen, de engel des doods, klaar om een ziel te begeleiden naar de Andere Wereld.


De wereld die we kenden
is een roman, maar het is geen feelgoodverhaal. Het is een oorlog waar we over lezen. Roerige, gevaarlijke tijden waarin mensen moeten zien te overleven. De een lukt dat beter dan de ander. Je moet het leven nemen zoals het komt, al probeer je je eigen gekozen weg te vinden en zou je het liever anders zien.
Het is een aangrijpend verhaal over de kracht van de mens.


Alice Hoffman (1952, New York) heeft al veel boeken op haar naam staan waarvan een aantal met historische achtergrond. Ook schreef ze scenario’s.


ISBN 9789493081437 | paperback| 336 pagina's | Uitgeverij Orlando | april 2020
Vertaald uit het Engels door Saskia Peterzon-Kotte

© Marjo, 25 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De lessen van meneer Picquier
Marc Roger


De schrijver, Marc Roger, is voorlezer van beroep. Hij organiseert lezingen door heel Frankrijk, met name in boekhandels. In 2014 kreeg hij door de jury van de Grans Prix Livres Hebdo een ereprijs uitgereikt voor zijn bijzondere rol in het overbrengen van literatuur aan het grote(re) publiek.
In zijn debuut De lessen van meneer Picquier heeft Marc Roger op een verrassende en humoristische manier gebruik gemaakt van zijn ervaringen in zijn werk.


Zoals de titel al aangeeft, is de centrale figuur van het boek meneer Picquier, een excentrieke oude man, onberispelijk gekleed,  - volgens eigen zeggen een kwestie van waardigheid en zelfbehoud - met soms een vilein gevoel voor humor. Een man die jarenlang met veel passie een boekwinkel gerund heeft. Nu woont hij in verzorgingshuis Les Bluets en kon 'maar' drieduizend van zijn geliefde boeken meenemen.


Een doos. Een grot. De vier muren van boven tot beneden volgestouwd met boeken. Acht vierkante meter vrij op de vloer. Tussen de tafel, het bed, de stoel, de fauteuil, de ladekast, de ingebouwde hangkast en het nachtkastje loopt een gangetje dat net breed genoeg is voor twee driepootwandelstokken naast elkaar. [...]
Wat je hier ziet, is nog geen tiende van wat ik boven alles op aarde koesterde. Ach wat een hartzeer toen ik deze drieduizend moest kiezen, ten koste van alle andere! Een marteling was het. [...]
Stel je voor zevenentwintigduizend boeken waar ik niet meer in kan bladeren.


De echte boekenliefhebber begrijpt onmiddellijk zijn grote leed.


De achttienjarige Grégoire werkt in de keuken van het tehuis en brengt de maaltijden rond. Zo maakt hij kennis met meneer Picquier. Hij is gefascineerd door de man die hem uitdaagt en soms bekritiseert. Grégoire móet hem elke dag even een bezoekje brengen.
Het valt hem op dat meneer Picquier wel al die boeken heeft maar nooit zit te lezen. Op en dag flapt hij dat ook, tot zijn eigen schrik, eruit en dan blijkt dat het meneer Picquier niet meer lukt om te lezen. Parkinson en staar belemmeren hem in zijn meest geliefde bezigheid. Opnieuw flapt Grégoir er wat uit. 'Hij kan toch - binnen werktijd - elke dag een uurtje komen voorlezen ... '
En zo gebeurt het.


Meneer Picquier begint met De vanger in het graan van J.D. Salinger en tot Grégoirs stomme verbazing vindt hij het leuk! Hij die helemaal niet van lezen houdt, geniet van een boek! Het is overigens niet zomaar en alleen maar voorlezen. Meneer Picquier voegt toe, vertelt veel over de boeken, de schrijvers en geeft zijn eigen leeservaringen en meningen over de boeken.


Het ene na het andere boek volgt en de oude en jonge man krijgen een steeds sterkere band. De schrandere meneer Picquier doorziet Grégoir in alles. Leeft met hem mee als Grégoire een medewerkster van het tehuis leuk vindt en zorgt voor verder contact tussen die twee. Langzamerhand ontstaat een bijzondere en ontroerende vriendschap. Grégoire begint meneer Picquier steeds beter te begrijpen en deze vertrouwt hem steeds meer toe over zijn zeer aparte leven.


Het voorlezen is een groot succes, steeds meer mensen willen komen luisteren, tot hilariteit van meneer Picquier. Zo leren we ook de apart overige bewoners kennen.
Meneer Picquier houdt ook soms hele oraties, waarvan Grégoire de inhoud niet altijd begrijpt maar toch, de band tussen hen is er en is niet kapot te krijgen.
Daarnaast geeft meneer Picquier geeft Grégoire ook opdrachten, dingen die hij moet ondernemen, moet zien, moet ondergaan, opdrachten die bizar lijken maar achteraf grote levenslessen blijken te zijn.
Meneer Picquier is levenslustig, wil nog zoveel, dus ook die ene wel erg vreemde opdracht móet Grégoire gewoon uitvoeren ...


Vanaf het begin zit je in het boek, ben je in het tehuis, voel je de bijzondere aanwezigheid van meneer Picquier in alles wat Grégoire doet.
Het verhaal is hilarisch, ontroerend, aangrijpend, diepgaand en luchtig. Bovendien straalt het een geweldige liefde voor het boek en het lezen uit.
Kortom, lees het en geniet!


ISBN 9789400511705 | Paperback | 205 pagina's | Uitgeverij A.W. Bruna | januari 2020

© Dettie, 16 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Rozen en rook
De zegen van weemoed deel 3
Theo Monkhorst


In 2050 reist de vijfendertigjarige Walid Fransman naar Frankrijk, waar zijn grootvader hem een huis heeft nagelaten. Walid was er al eerder, 30 jaar terug. Hij herinnert zich een dorp met een paar honderd inwoners. De burgemeester was een handelaar in spijkers toen, maar dat zal wel veranderd zijn, zoals de hele wereld veranderd is.


Steeds meer technologische uitvindingen nemen het leven over. Het heeft voordelen: het lawaai en de stank zijn uit steden verdwenen, nu er zwevende elektrische huurauto’s zijn. Maar het centraal gezag, de Autorité Central, afgekort CA, is gebaseerd op verstand en controle en niet op gevoel of intuïtie.  Deze superintelligente autoriteit houdt iedereen in de gaten, openlijk, maar ook door middel van spionnen - ook cyborgs, half-robots - en met drones, die vaak niet eens herkenbaar zijn als drones. Robots regeren, sociale betrokkenheid is zeldzaam. Precies om wat ze zijn, zijn kunstenaars verdacht, want kunst is ongrijpbaar.


Mensen hebben een basisloon gekregen, maar Walid had dat niet nodig, hij had het een en ander geërfd van zijn grootvaders. Hij is geboren in Nederland, opgegroeid in Cambridge en Londen, waar hij een reputatie als dichter heeft. Walid wil een eigen leven leiden, en onafhankelijk van een bekende naam bekend worden om wie hij is. Hij noemt zich dan ook Walid Tueni.


In Frankrijk  leert hij mensen kennen: De fietsenmaker/kunstenaar Maurice en diens dochter Julia; De boer Stefan en zijn broer Karl; Lisa, Hiromi, stuk voor stuk mensen met een verhaal. En soms zijn ze niet wie ze op het eerste gezicht lijken, iets waar Walid tot schade en schande achter komt.
Ook ontdekt hij dat de CA meer in de pap van zijn leven te brokkelen had - en heeft - dan hij wenselijk acht. Hoe kan hij er voor zorgen dat hij onzichtbaar wordt voor hen?
Dit alles wordt uit de doeken gedaan in het eerste deel dat ‘Vrede’ heet. Het tweede deel is Oorlog’, en is een verslag van de strijd die Walid met medestanders aangaat tegen de technologische overheersing.


‘Een boom kraakte, geritsel van een snelle vos door de afgevallen bladeren. Duizenden mieren verrichtten ondergronds hun noeste arbeid. Vrij, dacht Walid, dieren zijn vrij. Alleen mensen houden elkaar gevangen. Ik ben een mens gestuurd door onmenselijk mensen. Ik wil een beest zijn. Een vrij beest dat mensen bevecht. Dat wil ik. DAT WIL IK.’


Het boek is een aanklacht tegen de zich steeds verder ontwikkelende technologie, waarin de aandacht voor cultuur steeds meer ondergeschoven raakt. Dat zien we helaas in deze tijden om ons heen gebeuren, dus fictief is het allemaal niet. Er is ook een rol weggelegd voor de liefde, dat immers ook een ongrijpbaar iets is voor een technologische maatschappij.
En even iets om over na te denken in deze tijd waarin immers ook over een basisloon gesproken wordt:


'Toen vijf jaar geleden de éénkindwet werd uitgevaardigd, vonden we dat vreemd, maar eigenlijk begreep niemand wat het inhield. Vooral de mannen interesseerde het van geen kant, die waren alleen maar bezig met virtual reality, spelletjes, porno en sport. Zonder kinderen was het een stuk rustiger, zeiden sommige kerels. Maar wij vrouwen kregen op den duur door wat het betekende, vooral nadat de eerste gevangenisstraffen voor het krijgen van een tweede kind werden opgelegd en helemaal toen kinderen werden weggehaald en verplichte abortussen werden uitgevoerd. Wij begrepen eigenlijk al vrij snel dat de wet het huwelijk ondermijnde en gezinnen vernietigde. De invoering van het basisloon had daar al een aanzet toe gegeven. Mannen die niet meer werkten, hoefden nergens meer voor te zorgen. Bovendien kwamen ze wel door de staatsvoorzieningen aan hun gerief. Dus wij vrouwen kregen door dat er geen gemeenschapsgevoel meer was. Ieder kon voor zichzelf zorgen en de zorg voor kinderen zou grotendeels verdwijnen. De basis van onze beschaving, vrijheid, gelijkheid en broederschap stond op het spel. Vrij waren we alleen voor de schijn, de CA bepaalde in feite ons leven.'


Hoewel Rozen en rook een zelfstandig verhaal betreft, kan het gezien worden als het vervolg op de dubbelroman ‘De zegen van weemoed’. Walid Fransman is de kleinzoon van de schrijver Pieter Fransman uit de dubbelroman. ‘Rozen en rook’ speelt in 2050 en daarmee vormen de drie romans tezamen zowat het overzicht van een eeuw.


De Haagse schrijver Theo Monkhorst publiceerde romans, poëzie en toneelstukken. Zijn werk werd opgenomen in tal van literaire tijdschriften.


ISBN 9789062657872 | paperback | 368 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | april 2020

© Marjo, 4 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Klabbertoet
Jaap Gerritsma


'Dit verhaal is gebaseerd op ware gebeurtenissen, maar voorvallen zijn soms ook verdicht.' schrijft Jaap Gerritsma in zijn dankwoord. Vervolgens noemt hij Annemiek Roumen 'met wie ik een bijzondere tijd doorbracht op de Hubertushof in Zuid Limburg. Jammer dat het lot ons, dobberend op een boomstam op de levenswaterweg, naar verschillende zijarmen heeft laten afdrijven.'


Om deze vrouw draait het hele verhaal, te beginnen op de dag dat Jaap Gerritsma, nadat Annemiek (Anne) uit het huis vertrokken is, weer terugkeert in Hubertushof. Anne's persoonlijke spullen zijn weggehaald evenals haar schilderijen. Dat haar jas er nog hangt snijdt hem door zijn ziel, maar het geeft hem ook hoop, betekent dat, dat er toch nog een opening is?


Anne en haar man waren vroegere bevriend met Jaap en zijn vrouw. Anne en Jaap hadden ook, tot wederzijds genoegen, samen een buitenechtelijke relatie. Ze verloren elkaar later deels uit het oog maar na beider scheiding kregen ze weer contact wat uitmondde in een huwelijk. Zowel Anne als Jaap waren inmiddels wel twee zonen rijker, Gargan (19) en Dennes (Anne) en Wolf en Fries (Jaap). Jaap heeft zijn kinderen alleen grootgebracht waarop hij met trots en tevredenheid terugkijkt. Maar Anne's zoon Gargan is degene die volgens Jaap de breuk in hun huwelijk veroorzaakte.


"Hier aan deze oude houten tafel vonden de eerste schrijnende gesprekken plaats over Gargan toen hij net aan de academie was gaan studeren, nu alweer een tiental jaren terug. Toen werd de kiem gezaaid voor de ellende tussen Anne, Gargan en mij waar we nooit echt greep op kregen. Nooit goed uitgesproken conflicten die onderaards door bleven woekeren zoals de schimmels van de honingzwam die in de tuin van onze geliefde walnoot heeft geveld. Ik wrijf over het houten blad. Hier lagen haar armen, daar stond haar mok. Daarnaast de asbak."


Gargan ziet Jaap als de man die de oorzaak is van de scheiding van zijn ouders. Anne gaat daar niet tegenin. Gargan stookt, insinueert, manipuleert, ontwricht. Daarnaast is Gargan een jongen die zwaar leunt op zijn moeder. Zij haalt, tot ergernis van Jaap, steeds de kooltjes uit het vuur als Gargan zich weer eens in de nesten gewerkt heeft. Jaap is van mening dat Gargan eens op eigen benen moet gaan staan, hij is tenslotte negentien. Een wolvenmoeder stuurt haar jongen op gegeven moment ook weg... Maar Anne is geen wolf en weigert naar Jaaps mening en suggesties te luisteren, wat hen uiteindelijk uit elkaar drijft.


Ik sprak een taal die Anne niet hoorde. En zij een taal die ik niet hoorde. We waren geen luisteraars voor elkaar, waardoor we elkaar nooit konden bereiken. Twee drenkelingen op een eigen vlot die van elkaar afdreven. Geen ankerketting om je aan vast te grijpen, geen boei om aan te haken. Alleen zijn met je eigen hulpgeroep.


En nu is Jaap dus terug in hun huis. Er lopen twee jonge poesjes zonder moeder rond die verzorging nodig hebben, er is een walnotenboom ofwel de klabbertoet die ziek is dankzij de honingzwam en er is dat rode jasje... Allen vormen de symboliek over afscheid nemen en verwerking.
Tijdens het onttakelen van de klabbertoet, wat prachtig beschreven wordt, ziet Jaap steeds meer de gelijkenis met hun huwelijk. Zijn huwelijk is net zo ziek als de boom. De bescherming van de boom, het gebladerte, is weg, er rest alleen nog een stam en een paar kale takken. Maar het werkelijke omhakken van de geliefde klabbertoet vraagt uiteindelijk nog veel kracht, energie en inzicht...
En dan is het rode jasje ineens weg... en de poesjes verdwijnen ook uit beeld...


Op zich is het een knap verhaal  dat vernuftig is opgebouwd. In feite is het kappen van de klabbertoet het hoogtepunt van het verhaal. Het is moeilijk om dat ding op een goede manier te laten vallen... je voelt in die beschrijving de persoonlijke pijn en de worsteling die Jaap doorstaat om zich staande te houden. Toch vraag je je af waarom dit boek geschreven is. Wil Jaap alsnog zijn zegje doen over zijn huwelijk? Wil hij alsnog gehoord worden? Het is duidelijk dat Jaap vindt dat hij gelijk heeft en dat maakt hem minder sympathiek. Het is wel duidelijk dat hij Anne erg mist, dat hij nog steeds om haar geeft, misschien zelfs wel verder wil, maar alleen wel zonder haar zoon. Maar Anne is moeder...


Er staan verder veel fraaie zinnen in het boek, zinnen waar je even lekker op kunt kauwen.
Maar wat me wel erg stoorde, is het taalgebruik of liever gezegd het woordgebruik. Zoals o.a.:


[...] voelde ik mijn onmacht bij alles wat gebeurd was visceraal. blz 11
[...] en zich voornamelijk bezig hield met apaiseren als ruzies uit de hand liep. (er staat echt liep). blz 21
Maar je voelt de overmeestering in je menselijk cambium naderbij kruipen. blz 44
Daar stond hij, boosaardig, kilo's criadillas schommelend tussen de benen blz 51
Sorteren is een rustgevende klus. Heerlijk nominaal blz 74
[...] omdat ik besef dat ik er alleen voor sta en haar hypervigilante spieden moet ontberen
Onze slaapkamer waar ik alleen kwam te liggen voelde als een purgatorium met een louteringsledikant blz 101


Het lijkt wel het Groot Dictee der Nederlandse taal waarin ook woorden voorkomen die je normaal zelden tot nooit gebruikt. De woorden passen naar mijn gevoel niet in het verhaal. Het maakt het gewild intellectueel waar het niet zo zou moeten zijn.


Verder is de eindredactie slordig, er staan tenenkrommende afbrekingen van woorden in het boek, zoals kazernes-ysteem blz 72 en sti-hlhelm blz 76. 
Maar het is toch vooral het extravagante, hoogdravende woordgebruik dat het verhaal minder persoonlijk maakt. Het schept afstand. En dat is jammer voor een verder goed en weldoordacht verhaal.


ISBN 9789493048201 | Paperback met flappen | 113 pagina's | Uitgeverij TIC | juni 2020

© Dettie, 1 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kom Atir kom
De legendarische voetreis met een giraffe van Marseille naar Parijs in 1827
Agnita de Ranitz


De inhoud van dit boek is heel kort weer te geven: het is het verhaal van de legendarische voetreis in 1827, waarbij het er om ging een jonge giraf - een geschenk van de pasja van Egypte aan de Franse koning - van Marseille naar Parijs te begeleiden. De giraf werd begeleid door haar verzorgers, twee Soedanezen. Behalve een bedoeïen, Hassan, is dat een gewezen slaaf, Atir genaamd. Atir is de ene verteller van het verhaal. De andere is de beroemde zoöloog Etienne Geoffroy Saint-Hilaire, met zijn 55 jaren al ‘oud’, die naar Marseille is getrokken om van daaruit met de giraf mee terug te lopen naar Parijs.


Wat dit boek bijzonder maakt is dat schrijfster Agnita de Ranitz deze twee zo verschillende mannen hetzelfde verhaal ieder op een heel eigen manier laat vertellen. Zij vertellen steeds over dezelfde gebeurtenissen, hetgeen indien nodig boven de hoofdstukken aangeduid staat. Ook staat vermeld wie er aan het woord is. En er zijn de brieven die St-Hilaire aan zijn vrouw in Parijs schrijft.


Het is een zware reis, bedenk dat het bijna twee eeuwen geleden is, en de reizigers niet de beschikking hadden over de gemakken van vandaag de dag. Er moest gelopen worden, 880 kilometer. Dat duurde 42 dagen. Het moet gezegd worden: het kostte de giraf geen enkele moeite, zij liep braaf mee aan de leidsels die Atir vasthield. Atir deed samen met Hassan ook de dagelijkse verzorging: zij gaven het eten en drinken – een emmer melk per dag, waarvoor koeien in de stoet meeliepen! Atir poetste en borstelde, hield haar staart klittenvrij en maakte de hoeven schoon.
Atir was trots op zijn Zoraféh, die in het verhaal Zarafa genoemd wordt.


In het begin was St-Hilaire, katholiek en erg Frans, bepaald niet gecharmeerd van Atir: een moslim, een slaaf, die ook de taal niet sprak! Maar dat veranderde al snel: hij zag hoe goed Atir was voor de dieren en ontdekte dat de jonge man niet alleen snel de Franse taal leerde maar evenmin dom was. Tegen het einde van de reis zocht hij steeds meer het gezelschap van Atir, hij vond het leuk hem van alles te leren en ze voerden diepe gesprekken. Atir op zijn beurt zag meer dan hem verteld werd en hij deed zijn best om het ook de geleerde naar zijn zin te maken.

De reis verliep niet zonder avonturen. Het volk kende een dier als de giraf niet en liep overal waar ze kwamen uit om naar het monster te kijken. Gelukkig stoorde Zarafa zich er weinig aan al is het een keer goed fout gegaan, een verhaal apart!


Voor in het boek staat de route getekend zoals die door het gezelschap gelopen werd. In het nawoord vertelt de Ranitz dat ze zelf de reis ook gemaakt heeft om zoveel mogelijk de plekken te bezoeken die de reizigers bezocht hebben. Niet lopend – met de auto duurde het 10 dagen - maar wel vaak stoppend om hotels en andere pleisterplaatsen te bekijken. Zij raadpleegde kranten en andere historische geschriften om de reis te reconstrueren en ging zelfs naar Kenia om het gedrag van een giraf te bestuderen!
Zij vertelt hoe het afliep met de personages en voegt dan nog een bijlage toe waarin verteld wordt over de historische achtergrond en indien nodig nadere toelichting bij hetgeen zij laat vertellen.
Zarafa wordt ondergebracht in de Parijse dierentuin Jardin du Roi, die nu de Jardin des Plantes heet.


Natuurlijk is het een bijzonder verhaal, hoe een giraf in die tijd van Egypte naar Parijs ‘reist’, maar het mooiste van het boek is toch wel hoe de relatie tussen de twee hoofdpersonages zich ontwikkelt. De Ranitz slaagt er in om eenzelfde gebeurtenis twee keer te laten vertellen zodanig dat het niet saai wordt: Atir en St-Hilaire bekijken de wereld door heel andere ogen, vanuit een andere achtergrond. Atir verwondert zich constant over het land dat hij ziet als ook over de mensen die zo anders zijn. Er is een groot cultuurverschil, ze hebben een ander geloof, maar zij blijken toch zoveel te delen dat er een hechte vriendschap ontstaat.
Dat brengt de schrijfster heel mooi over! Het verhaal leest als een trein. Er staan ook nog tekeningen in het boek, ook al verzorgd door de schrijfster zelf.
Fez af (tulband?) voor de moeite die de schrijfster zich getroost heeft om de wereld van de giraf, inclusief de juiste feiten van de geschiedenis om te zetten binnen een mooi psychologisch verhaal.


Agnita de Ranitz (1952, Den Haag) studeerde kunstgeschiedenis en Egyptologie aan de Ecole du Louvre in Parijs en de Sorbonne. Ze werkte in het Allard Pierson Museum in Amsterdam. Kom Atir kom is haar tweede roman.


ISBN 9789078905196 | Paperback | 350 pagina’s | Uitgeverij De Brouwerij | februari 2020

© Marjo, 29 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Madame Jeanette
Mireille Geus


"Leonora zei hij, 'ik had het eerder moeten zeggen, maar ik kom niet meer. Niet straks niet morgen, niet overmorgen.' [...]
Hij begon het uit te leggen. Omstandig. Hij wilde dat we ons als paar ontwikkelden, dat we intiem waren.
'We zijn toch intoiem? Zo vaak!' Ik hoorde dat ik kirde.
'Ik heb het niet over seks, antwoordde hij, maar over intimiteit.'


Kenneth stopte dus met de relatie, hij vertrekt uit hun huis, hij mistte het 'thuisgevoel' bij haar. Maar dat 'thuis' is nu net iets wat Leonora nooit gehad heeft. En ze wil wel over vroeger vertellen maar het lukt haar niet. Alsof ze het vergeten is. In het fotoboek van haar jeugd ziet ze wel foto's maar er is verder geen herinnering bij, op een enkel vaag beeld na.


De klap komt hard aan, ze weet ergens diep in haar hart dat Kenneth gelijk heeft. Ze kookte bijvoorbeeld nooit, iets wat bij Surinaamse mensen juist zo belangrijk is. De keuken is de spil van het huis. Het eten, de gerechten zijn een gezamenlijke onderneming die in het huiselijk leven verweven is.

Om niet alleen te zijn en ook om Kenneth terug te winnen besluit ze om zich op te geven voor een cursus Surinaams koken. Op eerste Kerstdag zullen ze uiteindelijk hun zelfgemaakte maaltijden samen opeten.


En zo leren we de geweldige Dushi kennen, de rots in de branding, die dwars door al haar cursisten heen kijkt. Zij is het die laat zien dat eten en eten klaarmaken veel meer betekent dan iemand van voedsel voorzien. Er komt veel meer bij kijken zoals liefde, aandacht, intentie etc..
Door deze cursus beginnen bij Leonora langzamerhand herinneringen terug te komen, aanvankelijk zijn het enkele beelden maar uiteindelijk komt het hele, schrijnende verhaal naar boven.


Het knappe van Mireille Geus is dat ze in kleine brokjes, delen van het in feite erg eenzame leven van Leonora prijsgeeft. Het lijkt in het begin een fijne jeugd met een leuke vader en moeder en een halfbroertje en -zus waar Leonora goed mee kan opschieten. Maar zo blijft het niet nadat Leonora moeder overleden is.  - Leonora is dan negen jaar oud. - We lezen hoe Leonora daarna steeds geen vaste grond onder haar voeten krijgt. Ze kent geen thuis meer. Woont bij een tante en oom, woont daarna weer bij haar totaal ontredderde vader die tegelijk lief en vreselijk is. Haar broertje en zus zijn uit het zicht verdwenen.


Leonora probeert te overleven in de moeilijke situatie waarin ze zich bevindt. Ze doet vreselijk haar best om toch maar aanvaard te worden maar vindt bij niemand begrip of aansluiting. We lezen het verhaal van een kind dat ondanks alle escapades van haar vader, hem onvoorwaardelijk trouw blijft en hem blijft opvangen en verzorgen, hoe klein ze ook is. Uiteindelijk is er maar één persoon die Leonora werkelijk ziet, de buurvrouw boven, 'scheve Rosa'.


Gelukkig worden de zwaardere hoofdstukken afgewisseld met verhalen over de cursus waarin de vrouwen heerlijke gerechten bereiden maar ook lachen en huilen met elkaar. De vrouwen hebben allemaal zo hun eigen verhalen en worden uiteindelijk goede vriendinnen. De geweldige Dushi is de spil en Leonora leert bij haar in de keuken heel wijze lessen en dat zijn niet alleen kooklessen.
Maar of ze Kenneth nog terugkrijgt dat is iets wat nog zal blijken...


Mireille de Geus is dochter van een Surinaamse en Nederlandse ouder en deze roman is autobiografisch. Je krijgt bij het lezen van dit heftige, aangrijpende maar ook vrolijke verhaal veel respect voor de schrijfster. Maar er is ook bewondering voor de manier waarop ze haar verhaal heeft weergegeven, ondanks alles wat er gebeurd is blijft ze integer en laat ze iedereen in hun waarde. Heel af en toe duurden de kookverhalen wat lang, maar dat voelde vooral zo omdat je wilde weten hoe het verder ging met Leonora. Toch had het boek niet anders geschreven kunnen zijn dan het nu is. Erg indrukwekkend.
Wel jammer dat de recepten er niet bij vermeld zijn ...


ISBN 9789046824764 | Paperback | 270 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | april 2019

© Dettie, 22 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het dilemma
B. A. Paris


Al vanaf dat haar gedroomde huwelijksfeest niet door ging, had Livia nog maar één wens: haar veertigste verjaardag moest groots gevierd worden.


Ze is gelukkig met haar man Adam, en hun twee kinderen, Marnie van negentien en Josh van 22 zijn volwassen. Haar veertigste jaar moet het begin zijn van een nieuwe periode in haar leven. Ook is ze van plan om daarna de schaduw die toch een beetje over dat leven hing, namelijk dat haar ouders geen contact met haar en haar gezin wensten omdat Livia zwanger was toen ze trouwde, van zich af te zetten. Als ze nu niet op haar verjaardag komen krijgen ze geen kans meer om haar fantastische kinderen te leren kennen.


Ze heeft al hun vrienden en goede kennissen uitgenodigd. Het is alleen erg jammer dat Marnie voor haar studie in Hongkong zit en niet voor de verjaardag overkomt, omdat ze aan het eind van de maand terugkeert uit China.
Wat Adam niet weet is dat Livia dat eigenlijk niet zo erg vindt. Zij heeft een ontdekking gedaan waardoor ze haar dochter even niet wil zien, en ze is van plan het na het feest pas tegen haar man te vertellen. Eerst genieten. Want wat heeft ze uitgekeken naar deze dag die helemaal fantastisch wordt!


Maar niet alleen Livia heeft een geheim. Josh moet ook nog iets vertellen aan zijn vader, en ziet daar erg tegenop. Het grootste geheim evenwel heeft Adam. Want hij heeft samen met Marnie geregeld dat ze toch terugkomt. Zij zal de avond van het feest arriveren. Wat een verrassing zal dat zijn!
Ook zij heeft dan nieuws.


Het loopt allemaal anders. Er gebeurt iets vreselijks, en Adam is de enige die het weet. En eigenlijk weet hij het niet zeker. Wat moet hij doen? Als hij het vertelt wordt het feest zeker afgeblazen, en hij ziet hoe gelukkig en blij Livia is dat haar feest eindelijk plaats zal vinden.
Het is een vreselijk dilemma. Livia merkt wel dat er iets is, maar als Adam het op migraine gooit, wil ze hem maar al te graag geloven.


Het verhaal wordt afwisselend door Livia en door Adam verteld, zodat de lezer bij beide echtelieden meeleest over de worsteling die van het hebben van een vreselijk geheim met zich meebrengt. Hun twijfel over wat ze moeten doen verscheurt hen. Terwijl ze voor het oog van de wereld vrolijk en blij moeten zijn, zijn er alleen maar vragen in hun hoofd. Vragen zonder antwoorden.
Van uur tot uur werken we toe naar het feest, de festiviteiten zelf en de apotheose als de geheimen verteld moeten worden.


Terwijl je de neiging om achterin het boek te kijken moet bedwingen, gebeuren er op het feest nog meer dingen. Binnen de vriendengroep waartoe behalve Adam en Livia ook Rob en Jess behoren, en het jonge echtpaar Kirin en Nelson zijn nog meer verwikkelingen die de gemoederen bezig houden, en voordat duidelijk wordt wat voor geheim Adam heeft is er nog een andere verrassing op voor Livia.
Het is een avond om nooit te vergeten. Maar had het feest wel moeten doorgaan?


Dat is het thema van deze spannende psychologische roman: Hoe ver wil je gaan om de ander nog even gelukkig te laten zijn, voor je het vervelende nieuws vertelt? Ben je egoïstisch als je je mond houdt? Of juist niet?


B.A. Paris (1958) is van Frans-Ierse komaf en groeide op in Engeland. Ze heeft ook een tijd in Nederland en in Frankrijk gewoond. Eerder schreef ze thrillers als Gebroken en Achter gesloten deuren. Dilemma is haar eerste roman.


ISBN 9789026351204 | paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Ambo|Anthos | mei 2020
Vertaald uit het Engels door Ireen Niessen

© Marjo, 14 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De laatste trein naar vrijheid
Meg Waite Clayton

Truus Wijsmuller-Meijer was een heel bijzondere vrouw. De wapenfeiten die Meg Waite Clayton in dit toch al lijvige boek aanhaalt, is maar een deel van wat ze allemaal gedaan heeft. Haar huwelijk is kinderloos gebleven en ze had de volledige steun van haar echtgenoot.


Geboren in april 1896 was ze in de bloei van haar leven toen haar in 1933 gevraagd werd om familieleden van Joodse kennissen op te halen uit Duitsland, waar intussen Hitler aan de macht was gekomen. En Hitler schijnt gezegd te hebben: ‘als jullie zo gek op Joden zijn, waarom wil je die van ons dan niet hebben?’


De grenzen bleven helaas gesloten, ook die van Nederland. Na de Kristallnacht (9 op 10 november 1938) werd de situatie nijpender. Dan besluit de Britse regering om Joodse kinderen tot 17 jaar uit nazigebied op te nemen voor een tijdelijk verblijf. Zij schakelen Truus in, die dan al eerder kinderen gesmokkeld heeft. In totaal zal ‘tante Truus’ meer 10.000 Joodse kinderen uit Oostenrijk en Duitsland redden door hen persoonlijk op te halen.


Het verhaal hoe ze onverschrokken naar Adolf Eichmann stapte is legendarisch. Eichmann was een Duits-Oostenrijks SS-functionaris in het Derde Rijk en er erg op gebrand op  het Duitse Rijk te zuiveren van Joden. Hij gaf Truus toestemming, maar dan moest ze binnen een paar dagen in één keer 600 kinderen meenemen. Eentje meer of eentje minder? Dan ging het niet door. 
Hij verwachtte het niet, maar het lukte haar, ze kwam met alle kinderen aan in Nederland, 500 van hen reisden direct door van Hoek van Holland naar Engeland, de rest wat later. De ouders mochten niet mee - Engeland zei: we hebben al genoeg werklozen - zodat de meeste kinderen de oorlog overleefden om tot de ontdekking te komen dat zij wees waren. Vanaf het moment dat Engeland de oorlog verklaarde met Duitsland, konden er geen Kindertransporten meer plaatsvinden.


Truus Wijsmuller-Meijer, die na de oorlog diverse onderscheidingen ontving, onder andere van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren bleef actief in het verzet en in de politiek, met nadruk op hulp aan kinderen, maar daar gaat dit boek verder niet over.
Meg Waite Clayton heeft dit deel van haar leven verwerkt in een roman, waarbij ze verschillende verhaallijnen creëert.


Stephan Neumann is de zestienjarige zoon van een succesvolle chocoladefabrikant in Wenen. Hij wil toneelschrijver worden, en brengt zijn vrije tijd dan ook vaak door in het theater. Als Wenen onrustig wordt - de nationaalsocialisten wilden president Dollfuss afzetten; hij werd in juli 1934 vermoord - verplaatst Stephan zich vaak door de tunnels die zich onder de stad bevinden. Hij weet daar uitstekend de weg. Dat laat hij graag zien aan Zofie-Helene, de kleindochter van de kapper, die behalve een wildebras ook een wiskundig genie is. Haar vader is uitgever van een krant, die zich duidelijk uitlaat tegen de nazi’s.
Er bloeit iets op tussen de twee, maar de dreiging van buiten neemt hand over hand toe, waardoor ze andere zorgen hebben.


Stephan is Joods, maar niet praktiserend. Helaas maakt dat geen verschil. Eerst wordt zijn vader opgepakt, dan worden hun huis en bezittingen geconfisqueerd en moeten ze verhuizen naar de Joodse wijk. Stephans moeder is ziek, ze heeft niet lang meer te leven, en ze wil dat haar zoon en diens broertje Walter naar Engeland gaan. Als tante Truus op zoek gaat naar 600 Joodse kinderen, wordt Walter vlot op de lijst gezet, maar Stephan is dan eigenlijk te oud. En Zofie-Helene is niet Joods…

Het is vanaf het begin wel duidelijk dat de kinderen op reis zullen gaan, maar hoe, dat wordt nog een heel verhaal! En het is zeker niet zonder gevaar.
Het verhaal laat je niet snel los, de sfeer van die tijd wordt goed weergegeven, net als de dreiging die Joden boven het hoofd hing en de wanhoop van de moeders die hun kind meegaven aan onbekenden, niet wetend wat de toekomst zou brengen.
En natuurlijk is er de kracht van die Nederlandse vrouw: Truus Wijsmuller-Meijer, die koppig en volhardend er in slaagde zoveel kinderen te redden. (en zoveel ook niet, helaas) Daarnaast wordt er ook aandacht besteed aan cultuur en kunst in Wenen in die tijd, met name aan Stephan Zweig, de man van wie de hoofdpersoon een fan is en die eerder al naar Londen uitweek.


Meg Waite Clayton (Washington DC, 1959) heeft intussen zes boeken op haar naam, maar dit boek is het eerste dat in het Nederlands vertaald werd.


ISBN 9789402704815 | paperback | 440 pagina's | Uitgeverij Harper Collins | januari 2020
Vertaald uit het Engels door Karin de Haas

© Marjo, 3 juni  2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Prinsessen in het Prinsenhof
Historische roman over het Maaseik van de 18e eeuw
Piet Poell


Maaseik is tegenwoordig een gemeente in het noordoosten van de Belgische provincie Limburg.
Ten tijde van het verhaal over het Prinsenhof, dat halverwege de achttiende eeuw gebouwd werd in Maaseik, bestonden Nederland en België niet als zodanig.


Het land van Loon - de streek die ongeveer het huidige Belgisch-Limburg omvat – was net als de rest van Europa herstellende van de Tachtigjarige oorlog. De ellende was voor de bevolking nog niet voorbij, terwijl er al weer nieuwe oorlogen op stapel stonden. De Hollandse Oorlog (1672 - 1678), de Negenjarige Oorlog (1688 - 1697), de Spaanse Successieoorlog (1702 - 1713) en de Zevenjarige Oorlog (1756 - 1763) putten het land uit. Belastingen werden steeds maar verhoogd, oogsten mislukten. Een mensenleven was niet veel waard, vrouwen niet veilig voor de rondtrekkende troepen, die hun eigen kostje bij elkaar moesten zien te scharrelen.
Staatsen, Engelsen, Spanjaarden, Pruisen, Oostenrijkers of Fransen, hun legers wisselden elkaar af, het maakte voor de bevolking weinig uit. En het zijn niet de boeren en arme burgers die geschiedenis schrijven, dat zijn in die tijd de adel en de geestelijkheid, en de bevelhebbers van de legers.


Piet Poell daarentegen laat de geschiedenis van Maaseik, met als kern het Prinsenhof, vertellen door de gewone mens, met name door drie sterke vrouwen, oma, dochter en kleindochter, te weten: Françoise, Marie-Louise en Emma, de ‘prinsessen’ van het Prinsenhof. 
Zijn boek verloopt niet chronologisch, hetgeen je vooraf al in het stukje ‘Leesinstructies en kleine genealogie’ kunt lezen.


Deel een gaat over Emma. Zij staat voor de tijd van de Franse Revolutie (1798) die zijn tentakels uitstrekte tot ver in het Noorden, waarin kloosters opgeheven werden door de Franse overheersers. Emma was non, maar moet haar kostje nu bij elkaar scharrelen door haar lichaam te verkopen. Zij is zo ongeveer de privé-hoer van Commissaris Dodé, de gehate zetbaas van de Fransen, die fel antikatholiek is, maar niet aarzelt om Emma tot zijn seksspeeltje te maken. Emma op haar beurt is niet te beroerd om zijn tegenstanders te helpen hem uit de weg te ruimen.


Het Prinsenhof is in die tijd al geruime tijd in verval. De inboedel is verdwenen, maar de gebouwen staan er nog. Min of meer. Emma is er graag, haar grootmoeder en moeder woonden er.


Emma aan het woord tegen een priester die voor haar gevallen is:


‘Schei uit met die preek, ik ben geen dolend schaap! Ik ben alleen heel kritisch in de liefde en het werk dat ik doe maakt me met de dag kritischer. Zoek een brave echtgenote en nodig mij af en toe eens uit op de thee. Zal zij verrast van opkijken! Nee, Anselmus, de wereld steekt vol vooroordelen en vastgeroeste ideeën en ik ben er zeker van dat God Zijn schepping zo niet bedoeld heeft. En ik ga dat valse wereldbeeld niet in stand houden met jou! Ik ben niet van plan om mij een rol als huissloof op te laten dringen, alleen omdat dat volgens de goegemeente voor een vrouw zo hoort! Ik heb in het volle leven gestaan en ik heb in het klooster gezeten en ik verzeker je, lieve Anselmus, als het aan mij ligt, zit ik straks zo weer in het klooster. Vrouwen zijn in het zogenaamde volle leven aangeschoten wild, dat je  òf kunt misbruiken òf aan banden moet leggen. In een huwelijk bijvoorbeeld, broedplaats voor de volgende worp van slachtrijpe armoedzaaiers! ‘


In haar verhaal stipt Emma al aan wat in de volgende delen verteld zal worden, over haar familie.


In deel twee is Jeremy Cardigan de ik-verteller. Hij is de zoon van de gelijknamige Engelse soldaat die verder trok met het leger en zich nooit meer liet zien. Hij werd geboren in 1706, ten tijde van de Spaanse Successieoorlog, waarin Maaseik door de Staats-Britse troepen van Marlborough wordt bezet. (opmerkelijk feit: de hertog van Marlborough wordt tot de dag van vandaag in de Maasstreek verbrand in de vorm van een pop, hertog ‘Malbroek’ voorstellende).
In zijn verhaal lezen we over de nieuwerwetse ideeën van de Verlichting, door sommigen omarmd, door anderen verguisd; over de prins-bisschop Theodoor van Beieren (1703 - 1763), de man die in 1753 het Prinsenhof als jachtslot/buitenverblijf liet bouwen. Jeremy is daar als bouwer bij betrokken.
Het zijn dan nog goede tijden voor Maaseik, al profiteert de gewone man daar niet van.
Jeremy huwt Louise en krijgt met haar dochter Françoise, de oma van Emma, op wie deze laatste zo gesteld was.


Françoise is de verteller in het derde deel. Zij heeft prins-bisschop van Beieren nog gekend, en vertelt hoe na zijn dood in 1763 de opvolger D’Oultremont geen boodschap had aan Maaseik, waardoor het stadje hard achteruit kachelde. Waar Emma alleen een vervallen paleis zag, en Jeremy als bouwer het zag groeien, zag Françoise de bloeiperiode. Zij ziet de Revolutie komen:


‘Het hele systeem moest omver geschopt worden. Hij bleef maar schoppen. Welk systeem? Leeghoofden die in vorstenhoven zetelden zouden de straat op gesleurd worden als het volk eenmaal in opstand kwam, maar ze riepen het zelf over zich af. Wacht maar, zei hij, tot de mensen echt hun gezond verstand gaan gebruiken en zelfs de hypocriete klerikalen van de kansel trekken – ik zag de heilige huisjes bezwijken en een stroom van bloed en neergesabelde koppen uitbreken; de kerkpoorten openden zich om de stroom door te laten en de duivel had zij slachtoffers voor het oprapen!’


Françoise ziet ook het einde van het Prinsenhof komen, tien jaar na de dood van Theodoor van Beieren is er al niet veel meer van de oude glorie over. Ze slijt haar dagen te midden van de vergane glorie, maar het Prinsenhof staat te koop.
In het begin van de negentiende eeuw zal het tenslotte afgebroken worden. Emma leeft dan nog.


‘Na meer dan een halve eeuw nutteloos bestaan sinds de dood van Theodoor van Beieren, vijfentwintig jaar nadat ze in Frankrijk Marie-Antoinette hebben opgeruimd., ‘la belle reine’, iets minder dan vijfentwintig jaar nadat de revolutionairen elkaar hebben opgeruimd, vier jaar nadat minder visionaire geesten Napoleon hebben opgeruimd en nu bestaat het Prinsenhof alleen nog maar als stoep in de Bostraat en als bankje op de Markt. Het zou een lege, schrijnende plek moeten hebben achtergelaten in het hart van Maaseik, maar de burgers lijken opgelucht dat ze het overleefd hebben.’


Als de lezer eenmaal zover is gekomen in het verhaal, dan zou hij of zij ook wensen dat we dat Prinsenhof nog in al zijn glorie hadden kunnen gaan bekijken, zo zit het verhaal over het paleis, en vooral over de bewoners daarvan in ons hoofd. Helaas. Het is er niet meer.


Door het verhaal van Piet Poell komt de achttiende eeuw zoals het in Maaseik was tot leven. Maar het leven van de gewone man zal overal hetzelfde geweest zijn. Het is immers nog steeds zo. Nog steeds zijn mensen corrupt, kleingeestig, voelen ze zich meer dan een ander of houden ze eigenzinnig en star vast aan hun eigen ideeën. Nog altijd is er het verschil tussen rijk en arm, is er machtsmisbruik. Er verandert eigenlijk niets.
Maar gelukkig is de mens is ook in staat om te overleven, om lief te hebben, en door te zetten en optimistisch stand te houden.


Het boek is zoals gezegd verdeeld in drie delen plus een extra kleiner deel van Emma als toegift. Er zijn foto's toegevoegd, onder andere een plattegrond van het toenmalige Maaseik, en er is een voorwoord van de eigenaar van de huidige Hoffkliniek, waarvan de voordeur zich precies bevindt op de plaats van de achterpoort van het paleis. Piet Poell moet er een flink karwei aan gehad hebben om al deze informatie te vinden en te ordenen, en dan ook nog in te wikkelen in een goed lopend en boeiend verhaal. Er komen geregeld Limburgse woorden voor, zonder verdere vertaling, maar dat is ook niet nodig.
In dit lijvige boek weet Piet Poell een sfeer op te roepen zoals die er in de achttiende eeuw best geweest kan zijn. In een goed historisch verhaal gaat het om een feitelijke juiste achtergrond waarin een mens zich staande moet zien te houden. In Prinsessen in het Prinsenhof is dat het geval.


Piet Poell schreef columns voor het Belang van Limburg. Hij bereisde de wereld en heeft zijn hart verpand aan het Vlaamse Maaseik. Hij schreef eerder: De Romantische route (roman van een reis door Mexico), Rosaura (heftige biografie van zijn Colombiaanse vrouw), Limburg Blues (verhalen) en Porno Británico (hilarische roman).

ISBN 9789493048188 | paperback | 600 pagina's | Uitgeverij Tic | april 2020

© Marjo, 24 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER