Nieuwe boekrecensies

altEva
Bregje Bleeker

Wanneer doe je het ooit goed als ouders?
Schrijfster dezes is opgegroeid in een gezin waarin de persoonlijke ontwikkeling de hoogste standaard was. Een vrijgevochten ouderpaar dat zich aan liet spreken met de voornaam, en dat hun kinderen zeer zelfstandig opvoedde. Als je het echt wilt, dan kun je het, was het devies. Zeker was het Eva, de moeder, gelukt: zij ontworstelde zich aan het katholieke kleinsteedse milieu, zoals dat heerste in Princenhage, een dorp, dat nu ingelijfd is bij Breda. Haar ouders hadden niet bepaald een gelukkig huwelijk, de hersenbloedingen die haar vader tenslotte velden, waren een opluchting voor haar moeder. Zuster Redempta van de lagere school gaf Eva het opzetje: zij zorgde er voor dat het meisje naar het gymnasium ging, in de jaren zestig nog zeker niet gebruikelijk voor een dorpsmeisje. Na de verhuizing naar Amsterdam, hetgeen gepaard ging met de confrontatie met haar Brabantse achtergrond, werd de middelbare school gevolgd door de medicijnenstudie. Daar ontmoette zij Jacob, eveneens studerend voor dokter. Allebei werden zij arts, maar de ambitie van Eva was nog niet over: tenslotte werd zij hoogleraar, in de tijd dat een vrouwelijke dokter veelal aangezien werd voor verpleegster.
Maar later bleek dat de eerste verschijnselen van wat een vreselijke ziekte bleek te zijn, al begonnen waren nog voor ze op haar 48e hoogleraar werd.


‘Maar hadden we in die tijd maar één keer werkelijk met elkaar gepraat. Was er toen op de een of andere manier maar een ‘nulpunt’ geweest, een moment waarop we al het ongemak en on begrip uit de voorgaande jaren hadden afgesloten. Was er maar een duidelijk begin geweest. Van een periode die hoe dan ook zwaar en moeilijk zou zijn.’

Bregje, dochter van Eva en Jacob, vertelt over haar moeder, waarbij vanzelf ook haar jeugd aan de orde komt. En dan wordt pijnlijk duidelijk dat terwijl de ouders voor zelfstandigheid kozen en daar goed aan dachten te doen in de ogen van hun kinderen meer aan zichzelf dachten dan aan hun nazaten. Tussen neus en lippen door vertelt Bregje haar ouders dat ze aan boulimia leed, en dan volgt deze scène:

‘Het is niet zo,’ zei Jacob, met een verkrampt gezicht. ‘En als het zo is, dan ligt het niet aan ons.’ En hij bestudeerde nadrukkelijk zijn theemok.
We bliezen toen alle drie voorzichtig de wolkjes weg. We keken alle drie naar de thee die in brede cirkels naar de randen van onze mok kringelden. En vervolgens hadden we het maar weer over de waterlelies, die wel hadden geschitterd, omdat ze dicht bij een raam hingen. Jacob vertelde dat er een groep Japanners was geweest die het nog had gecompliceerd, onder die Japanners met hun neuzen bijna tegen de schilderijen aan hadden gestaan. Ik knikte mee. Ik focuste ook op de Japanners.
‘Alsof je dan nog wat kan zien, als je er zo dicht op staat!’ zei hij. En: ‘tja, wat doe je dan? Dan probeer je dus om over hun hoofden heen te kijken.’
En ik begreep dat de Japanners zo dicht bij de schilderijen hadden gestaan dat je dan nog steeds niets kon zien.’

Dit boek vormt zeker geen aanklacht tegen liefdeloze ouders, want liefde was er wel, alleen werd het op een zakelijke manier getoond. Aan affectieve aanrakingen werd niet gedaan, financieel kwamen ze niets tekort. Toegegeven: Eva zelf heeft het ook niet over haar problemen, tot ze er niet meer om heen kan. Dan moet Eva erkennen: ze is ziek. Ze stopt met werken, en wordt steeds afhankelijker van anderen. Van Bregje en haar zus dus. Want Jacob komt hier niet zo best van af: hij kan het niet aan. Hij verwacht dan ook dat zijn dochters voor hun moeder zorgen, dan voor het gemak vergetend dat hij en Eva hen juist hebben gestimuleerd te studeren en hard te werken, zodat de situatie nu zodanig is dat ze eigenlijk geen tijd hebben voor die verzorging. Bregje zal het toch op zich nemen. Naarmate Eva aftakelt, kan Bregje steeds meer zichzelf zijn. Alsof er geen druk van bovenaf meer is. Nu kan ze de dochter zijn zoals ze dat altijd gewild had: samen met haar moeder winkelen en geurtjes uitproberen.

Maar de aftakeling is natuurlijk wel begonnen, en het verpleeghuis komt naderbij. De beschrijving van dat proces vormt de tweede helft van het boek.
Het eerste deel geeft een tijdsbeeld van drie generaties, en periode waarin ontzettend veel veranderde in de verhouding tussen ouders en kinderen, tussen mannen en vrouwen, een tijd waarin de onderlinge verhoudingen binnen de politiek en de geestelijkheid net zo hard mee veranderde. Maar het boek heet niet voor niets Eva. Het tijdsbeeld is nodig, omdat Eva daardoor werd wie ze was, voordat een akelige ziekte haar opnieuw veranderde. In wie ze niet wilde zijn.

‘Eva’ is het verhaal van een moeder-dochter verhouding, die helaas niet goed afloopt, maar anders waarschijnlijk niet verteld zou zijn.
Gelukkig doet Bleeker niet melodramatisch, de toon is precies die je zou verwachten bij een opvoeding die gericht is op presteren en minder op gezelligheid en liefdevol samenzijn. Waarmee de impact misschien wel groter is.

Bregje Bleeker (1970) is auteur en organisatieadviseur bij de gemeente Amsterdam. Ze studeerde geschiedenis en politicologie in Amsterdam. De Walrus was haar literaire debuut.

ISBN 9789048819997 | paperback | 192 pagina's | House of the Books| januari 2017

© Marjo, 24 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

hspace="15"Pauwl
Erik Jan Harmens


De vierendertigjarige Paul heeft PDD-NOS, een vorm van autisme. Omdat het leven soms best ingewikkeld is, woont Paul in het gezinsvervangende tehuis De Driemaster. Eens in de maand logeert hij een weekend bij zijn moeder. Paul houdt van regelmaat. Het leven is immers een stuk eenvoudiger als je van tevoren precies weet wat je kunt verwachten. Het is voor hem dan ook moeilijk te begrijpen dat andere mensen soms zomaar wat doen. Zonder schaamte negeren ze de voor hem zo belangrijke leefregels. Soms wordt Paul dan boos. Schreeuwen mag maar mensen aanvallen niet, dan krijgt hij een gele kaart.


Paul is verliefd op Carol, die ook in De Driemaster woont. Hij heeft het aan niemand verteld maar hij vermoedt dat zijn begeleider Marco hem doorheeft. Steeds als Paul bij Carol in de buurt is, houdt Marco hem met argusogen in de gaten. Ook blijft Marco herhalen dat Carol veel te jong voor hem is en dat Paul haar als een lief jong zusje moet zien. Paul ziet Carol niet als een lief jong zusje.


Op sommige dagen is het extra moeilijk om aan zijn eigen strakke schema te voldoen. Zo ziet Paul op een ochtend dat zijn baardagaam Wilfred niet op zijn gebruikelijke plek in het terrarium zit. Paul zou Wilfreds verblijf graag beter bekijken – wie weet zit Wilfred gewoon op een andere plek – maar dat gaat niet. Zijn ochtendschema biedt geen ruimte voor dit soort inspecties. Er is nog een ander probleem. Paul moet naar het toilet. Niet voor een snelle plas maar voor een grote boodschap. Hoewel er felle pijnscheuten door zijn darmen trekken, besluit Paul te wachten. Hij weet immers niet zeker of hij genoeg tijd heeft. Dat is het probleem met poepen: soms gaat het snel, soms duurt het even. Paul vertrekt met hevige buikpijn naar zijn werk bij de plantsoendienst.


Het werk bij de plantsoendienst bevalt Paul wel. Hij schoffelt, maait gras, prikt papier en begint weer opnieuw. Er is ook een Dixi-toilet maar daar maakt Paul geen gebruik van. Zo’n toiletcabine vormt immers een risico. Stel dat iemand besluit de Dixi omver te duwen op het moment dat Paul nietsvermoedend op het toilet zit? Paul peinst er niet over. Hij klapt inmiddels een beetje dubbel van de pijn in zijn buik maar hij houdt zich groot. Met een toenemende haast wandelt hij naar het gemeentehuis. Daar zijn openbare toiletten, een veilige uitvalsbasis voor noodgevallen.


Helaas: er hangt een briefje op het mededelingenbord. De indeling van de mannen- en vrouwentoiletten is veranderd. Het briefje is duidelijk maar de bordjes op de toiletdeuren zijn dat niet. Ze zijn nog niet verwisseld. Paul weet zich geen raad. Stel dat hij naar het verkeerde toilet gaat? Wanneer Paul het gemeentehuis weer verlaat, is hij de wanhoop nabij. Zijn darmen schreeuwen het uit.


Pauwl is een hartverwarmend, humoristisch verhaal over leven met autisme. Paul houdt zich goed staande in het leven maar daar heeft hij wel foefjes voor nodig. Zijn strakke tijdschema, de oorkleppen die hij op straat draagt en een goede zelfbeheersing zijn onmisbaar om te kunnen functioneren. Hoewel Paul andere mensen niet altijd begrijpt – zo moeilijk is het toch niet om zijn naam goed uit te spreken? – weet hij wel dat er bepaalde reacties en gedragingen van hem verwacht worden. Zo doet hij zijn best om woorden als “ongeveer” te gebruiken (waarna hij voor de zekerheid ook de precieze gegevens vermeldt). Paul doet enorm zijn best maar raakt in de war als mensen anders dan gepland reageren. Onverwachte veranderingen zijn al helemaal uit den boze.


Auteur Erik Jan Harmens geeft de wereld van de autistische Paul in dit verhaal heel overtuigend weer. Het verhaal is niet alleen grappig maar ook heel treffend. Het moet niet eenvoudig zijn te leven in een wereld vol onzekerheden. Een wereld vol mensen die je niet begrijpt maar die je wel steeds tegemoet moet komen omdat je weet dat je anders bent. Paul weet wat hij hoort te denken, hoort te voelen en hoort te willen maar hij denkt, voelt en wil iets anders. Een leuk detail is dat Paul groot fan van zanger Rob de Nijs is. Yoshi, de zoon van Rob de Nijs heeft ook autisme.


Het lijkt me niet eenvoudig om een boek over autisme te schrijven. Erik Jan Harmens boft dan ook enorm dat zijn zoon Julian bereid was hem te helpen. Julian, die net als Paul autistisch is, heeft zijn steentje bijgedragen door uitgebreid mee te lezen en nuttige adviezen te geven. Mede door deze waardevolle samenwerking is Pauwl een prachtig verhaal geworden.


ISBN  9789048834433| paperback | 171 pagina's | Lebowski | februari 2017

© Annemarie, 22 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet sterven van Rebecca Lopez Ikario
Denis Henriquez


‘Het verleden is een leprozenkolonie waar je niet meer mocht komen. Daar woonden de doden, de mensen van wie je ooit had gehouden, maar die je niet meer mocht zien alsof ze jou met hun ziekte konden besmetten. Als nevelige gestalten kwamen de dierbare doden uit hun schuilhoeken vandaan.’


Het is een akelig bericht dat de 85-jarige Rebecca van haar dokter krijgt: ze heeft misschien nog een maand of drie, dan zal ze er niet meer zijn.


Met deze tijding begint het boek, dat Het sterven van Rebecca Lopez Ikario heet, terwijl het daarna toch meer over haar leven gaat. Maar het is waar: in de tijd dat het verhaal over haar leven wordt verteld nadert de dood langzaam.


Met haar twee zussen Josepha en Catarina woont Rebecca op Aruba. Zij is degene die voor hen drieën zorgt, ze heeft altijd gewerkt. Tijd voor een man was er niet. Maar ze hoefde ook niet zo nodig. Met mannen had ze niet zulke beste ervaringen en een kind was er al: Catarina namelijk heeft een misstap begaan. Ze werd ongehuwd zwanger en baarde een zoon, terwijl de vader niets van hen wilde weten. De jongen Esteban wordt door drie vrouwen opgevoed, en op elfjarige leeftijd naar Nederland gestuurd om te studeren. Helaas voor zijn drie moeders heeft hij zich daar gesetteld, al moet gezegd worden dat hij iedere zomer terugkeert naar het eiland. Dat kan niet van iedere Europaganger gezegd worden!  Als Rebecca haar laatste dagen beleeft, is Catarina reeds overleden en is er van Josepha niet veel meer over, zij dementeert langzaam. Esteban doet zijn best, alle vrije dagen die hij krijgen kan besteedt hij in Aruba. Ook zijn vrouw komt af en toe.


Het leven op het eiland door de jaren heen ontvouwt zich langzaam. De flashbacks, de verhalen van vroeger zijn gelukkig in chronologische volgorde, maar ook wordt herhaaldelijk teruggegrepen op bepaalde gebeurtenissen en komen er nog meer details naar voren. Bij monde van Rebecca vertelt Henriquez liefdevol, eerlijk, zonder vergoelijking, over zijn eiland. Over een schijnbaar paradijselijk leven, waarin iedereen op elkaar let en de eer van de familie het hoogste in het vaandel staat. Over de rijkdom van het eiland, door de handel in goud en olie en later het toerisme. En hoe datzelfde toerisme het eiland te gronde richt. De komst van hotels, en door hoge hekken omgeven huizen van Europeanen, het drugstoerisme, de steeds groter wordende kloof tussen rijk en arm, het staat allemaal in het verhaal van Rebecca.


Henriquez heeft een mooie manier van schrijven. Het verhaal kabbelt traag voort, met veel details en beschrijvingen, die de sfeer van het leven op het eiland – denk ik – goed weergeven.


‘Je geboortegrond is een moeder. Verlies je die, dan verlies je je moeder. Op dat stukje aarde heb je je eerste stappen gezet, je eerste gedachten en gevoelens gehad, daar heb je je eerste stemmen gehoord, je eerste gezichten gezien. Daar heb je de smaak van je eerste water geproefde geur van je eerste licht, daar heeft het zonlicht voor het eerst je lichaam verwarmd, daar heeft het gegons van de wind voor het eerst je oren gevuld. Deze aarde drukte daarmee haar stempel op je ziel, deze aarde gaf je haar paspoort, het meest authentieke paspoort dat iemand kan hebben.’


Voorin het boek staat een stamboom, zodat je kan volgen wie wie is. Buiten deze personages komen er heel veel mensen in het verhaal voor, en iedereen heeft weer een eigen verhaal te vertellen. Zo zijn er vele zijwegen, maar steeds keert het verhaal terug naar de stervende vrouw, die maar moeilijk afscheid kan nemen van het leven. En naar het eiland, waar de schrijver duidelijk van houdt.


Denis Henriquez (Aruba 1945) is theoretisch fysicus en doceerde wiskunde en natuurkunde in Nederland en op Aruba. Hij publiceerde eerder de romans Zuidstraat (1992), Delft Blues (1995) en De zomer van Alejandro Bulos (1999), alle bij De Bezige Bij. Over een periode van vijftien jaar werkte hij met onderbrekingen aan de roman Het sterven van Rebecca Lopez Ikario.


ISBN 9789460683145| Paperback met flappen| 432 pagina's | Uitgeverij Marmer | juni 2016

© Marjo, 19 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe pientere pop
illustraties: Gerard Leever
tekst: Aaf Brandt Corstius


Zes bekende Nederlanders schrijven Suskes en Wiskes waarbij de strip getekend worden door de bekende Nederlandse striptekenaars Hanco Kolk, Gerben Valkema, Eric Heuvel, Gerard Leever, Romano Molenaar en Michiel de Jong, die allen hun unieke stijl toevoegden. De opbrengst van dit unieke stripproject gaat naar SOS Kinderdorpen, een internationale kinderontwikkelingsorganisatie.


In dit deel heeft de pop Schanulleke de hoofdrol. Door een vreemd licht dat plots aan de hemel verschijnt licht zij op, en verdwijnt. Tenminste: Wiske kan haar de volgende dag nergens meer vinden.
Het verhaal volgt de lijn van de avonturen van Vandersteen: er zijn tijdreizen met de teletijdmachine, en de figuren  allemaal volgens het typetje dat zij in de oorspronkelijke verhalen zijn.
Het zijn toch vooral de tekenaars die de uitstraling van deze serie avonturen bepalen. Deze van Gerard Leever vind ik wel leuk.


SOS Kinderdorpen zet zich al ruim 65 jaar in voor kinderen zonder ouders of een veilige thuis. De internationale kinderhulporganisatie gelooft dat familie de belangrijkste basis is voor de gezonde ontwikkeling van kinderen. Elk kind een familie, elk kind een toekomst.


Aaf Brandt Corstius (Haarlem, 1975) begon haar schrijfcarrière bij Folia, het weekblad van de Universiteit van Amsterdam. Vervolgens werkte ze als redacteur bij ELLE en diverse uitgeverijen, en bij de lancering van nrc.next kreeg ze een dagelijkse column. Later maakte ze de overstap naar De Volkskrant, waar ze om de dag een column op de achterpagina schrijft, en op donderdag een sterrenrubriek. Ook heeft zij vaste columns in Margriet en Onze Taal. Naast columns schrijft Aaf boeken, onder andere Handboek voor de moderne vrouw en Het jaar dat ik (2x) moeder werd. Daarnaast maakte ze twee toneelstukken: Fiftyfifty en Een flinke linkse vrouw.


Gerard Leever (Naarden, 1960) wilde altijd al striptekenaar worden. In 1981 kreeg hij de kans om voor Eppo de Puzzelpagina te illustreren. Vele strips volgden, waaronder Ernst Vrolijk en de Vloek van Bangebroek voor Robbedoes, Kanaal 13 voor Eppo en Oktoknopie voor Taptoe. Weer later maakte hij drie avonturenverhalen in het Felix Fluxmuseum en de reeks Dik van Dieren en Zo voor het Suske en Wiske-weekblad. Meer en meer werd Gerard de geestelijk vader van verschillende strips speciaal voor kinderen. Hij werd in deze hoedanigheid vele malen bekroond. Zijn bekendste strip is inmiddels Suus & Sas voor het meidenblad Tina. (Ik kende hem niet)

Informatie staat ook achterin het stripalbum: over de schrijfster en de tekenaar, en over Ghana en over de stichting Kinderdorpen. www.soskinderdorpen.nl


ISBN 9789903244094 | Paperback | 22 pagina's | Uitgeverij Standaard | september 2016

© Marjo, 8 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Tucht
Thomas Verbogt


Een dichter treint naar Rotterdam om daar in een Literair Café op te treden. Het café heet De Tucht. De man, Andries Kannebier is enigszins optimistisch gestemd. Als dichter verdien je nu eenmaal geen tonnen, en diezelfde middag had hij gesigneerd in een boekhandel. Hij had zowaar negen exemplaren van zijn bundel Het Koren Kromt verkocht. En gesigneerd dus ook. En dan nu de grote stad.


Via de stichting die literaire optredens regelt heeft hij een uitnodiging aangenomen voor een lezing van twee uur. En dat terwijl hij zijn bundeltje makkelijk in een kleine drie kwartier kan voorlezen. Nou ja, misschien kan hij er wat bij vertellen, misschien zijn er vragen. Hij zal wel zien.
Maar als hij in het café aankomt is er helemaal geen publiek. En niemand om hem te verwelkomen. Hij bestelt maar een pilsje. En nog eentje. Na vier stuks besluit hij de jongen achter de bar eens te vragen of die iets weet. En dan staat er een vrouw op, die zich aan hem voorstelt.
Andries’ opluchting is van korte duur. Er is immers nauwelijks iemand, al zijn er intussen wel meer mensen binnengedruppeld. ‘Begin maar als er twintig mensen zijn.’
De avond zal nog desastreuzer eindigen dan het begonnen is...


Thomas Verbogt schreef dit verhaal toen hij zelf nog beginnend schrijver was en er nog voor moest zorgen "dat ie met zijn kop op de t.v. komt". Het is raar om dit verhaaltje dertig jaar na verschijnen te beoordelen, met ook nog de wetenschap dat de kop van de schrijver intussen aardig bekend is.
Het is een goed verhaal, een klein verhaal met veel inhoud. De hoofdpersoon wordt net zo treffend neergezet als zijn publiek in het Rotterdamse café.


En toen moest ik op zoek. Op de eerste pagina staat namelijk een voetnoot: De persoon Andries Kannebier werd door Frans Kusters beschreven in ‘Het avondje bij mevrouw Hartmeier’.

Wie is Frans Kusters?
Wikipedia zegt:


Frans Kusters (Nijmegen, 16 september 1949 – aldaar, 20 november 2012 was een Nederlandse schrijver van hoofdzakelijk korte verhalen. Hij studeerde rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn studie werd hij daar parttime wetenschappelijk medewerker.


In 1973 schreef hij acht korte verhalen, die werden gebundeld in de Gelderse Literaire Reeks. Hij won hiermee de Reina Prinsen Geerligsprijs. De verhalenbundel is daarna uitgebreid en onder de titel De reis naar Brabant, en andere verhalen bij De Bezige Bij uitgegeven, zoals al zijn volgende publicaties behalve Verhuld naakt, dat bij Ravenberg Pers verscheen. De reis naar Brabant, en andere verhalen kon op positieve kritiek rekenen, in het bijzonder door de sterke stilistische eigenschappen.


In 1977 was hij mede-initiator van het Literair Café Nijmegen in O'42. Daarnaast richtte hij rond deze tijd het literaire tijdschrift De Schans op, samen met Thomas Verbogt, Nop Maas en Anthon Fasel.


En daar hebben we Thomas Verbogt en Nop Maas, die onderhavige boekje uitgegeven heeft.
Natuurlijk ga ik nu dat boek van Frans Kusters lezen. Zijn persoon komt blijkbaar terug in zijn roman Het eerste licht boven de stad. Maar daar ben ik nog lang niet aan toe, aangezien ik op volgorde lees.


ISBN 9789094003913 | Paperback  | 19 pagina's | Uitgegeven door Joep Jaspers en Nop Maas | 1985

© Marjo, 5 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het beste van Adam Sharp
Greame Simsion


Het zal je gebeuren, de liefde van je leven stuurt je na twintig jaar ineens een mailtje en binnen de kortste keren is het contact - en de aantrekkingskracht - weer als vanouds... Alleen zijn jullie beiden inmiddels getrouwd. Zij woont in Australië, jij in Engeland.


Dit overkomt Adam Sharp. Zomaar op een dag krijgt hij een mailtje van Angelina Brown, er staat niet meer in dan 'Hoi'. Maar dat kleine woordje zet zijn leven helemaal op zijn kop. Onmiddellijk gaan zijn gedachten naar vroeger...


'Ik was inmiddels drie weken in Australië. Een verzekeringsmaatschappij was een nieuw databasesysteem aan het invoeren en ik had een consultancyclus van vijftien maanden binnengesleept die me naar verschillende vestigingen over de hele wereld zou brengen. Ik was zesentwintig, amper vijf jaar geleden afgestudeerd als informaticus en liftte mee op een golf van technologische ontwikkelingen [...]'


Maar in zijn vrije tijd speelde hij piano in een bar in Melbourne, in ruil voor gratis drankjes en de inhoud van de fooienpot die op de piano stond. Niet dat hij het geld nodig had maar muziek was, en is, zijn lust en zijn leven.
Die avond stapte Angelina binnen, en vraagt of ze mee mag zingen, het klikt onmiddellijk zowel in muzikaal als menselijk opzicht. Maar ze is met een oudere man binnengekomen, een man die erg jaloers is en provocerend op Adam af komt. 'Nog één noot en ik breek je beide armen.' zegt hij. Natuurlijk speelt Adam die noot. 'Ik speelde een E', vertelt hij ons en als de man demonstratief met Angelina de bar verlaat kan Adam het niet nalaten hem treiterig uitgeleidde te doen met het Lennon-McCartney-nummer 'You're Going to Lose that Girl'.


En dat gebeurt ook. Angelina is geraakt doordat Adam het voor haar opnam. Ze is echter wel getrouwd met Richard, die jaloerse man, maar het huwelijk staat op springen. Toch krijgen ze en heftige, alles overtreffende relatie en beiden weten dit is het! Maar hoe verder? 'Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren'. Uiteindelijk besluiten ze zonder elkaar verder te gaan.


En nu is er, twintig jaar later, dat mailtje... Dat mailtje is onweerstaanbaar voor Adam. Hij en zijn vrouw Claire staan nu zelf op een breekpunt in hun relatie. Hoewel ze elkaar niet haten en eigenlijk nog veel om elkaar geven is de vlam op een erg laag pitje komen te staan. Blijven of weggaan is de vraag. Ze wonen tijdelijk apart en dan nodigt Angelina Adam uit om een weekje in hun huisje in Frankrijk bij haar en haar man Charlie te komen logeren...


Charlie is erg gastvrij, Angeline mooier dan ooit.
Wat volgt is een erg boeiend 'spel' van aantrekken en afstoten, provoceren en wegcijferen, verdriet en geluk, harmonie en wrijving.
Het is één scala aan gevoelens, alles wat zich tussen mensen die elkaar liefhebben kan afspelen, gebeurt ook. Opnieuw is daar die aantrekkingskracht die onvoorstelbare grote gevoelens, het weten dit is het helemaal... Die week is één grote achtbaan van emoties, euforie, diep leed en empathie. Maar Claire en Charlie zijn er ook nog.


De piano vormde aanvankelijk de factor dat Adam en Angelina met elkaar in contact kwamen en muziek speelt dan ook een belangrijke rol in het verhaal, het komt regelmatig voor dat titels en delen van songteksten worden gebruikt om gevoelens weer te geven. (Achterin het boek staan alle genoemde muziek op titel weergegeven.) 

Persoonlijk vind ik dit boek zijn bekende Rosie boeken - Het Rosie Project en Het Rosie Effect - ver overtreffen, en die boeken vond ik al bijzonder goed.. Het is onvoorstelbaar knap hoe Graemie Simsion alle voorkomende gevoelens die in een relatie voorkomen in dit verhaal heeft weten te voegen zonder in een 'romannetje' te vervallen. Het is soms bizar, soms ontroerend en aangrijpend, soms hilarisch, soms vol sympathie en begrip.
Kortom, Greamie Simsion weet zich volledig in zijn personages in te leven waardoor het mensen van vlees en bloed worden met al de plus- en minpunten die iedereen in zich heeft. Fantastisch!


ISBN 9789024573851 | Paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Luitingh Sijthoff | oktober 2016
Vertaald door Linda Broeder en Elise Kuip

Dettie, 3 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Vintage
Patty Stenger


In dit wervelende verhaal beleven we het wel en wee mee van de familie De Zwaan bestaande uit opa Anton, Cecile, de dochter van Anton en kinderen Jord en Juul. Een doorsnee leven hebben ze niet, alles verloopt nogal bijzonder.


Cecile (57) de kunstzinnige vrouw die nadat ze de meubelzaak van haar vader had overgenomen, inmiddels naam en faam heeft verworven met haar designwinkel, is druk bezig haar hoofd boven water te houden. De opvliegers overvallen haar op de meest vervelende momenten en ze heeft er moeite mee dat jongere mensen langzamerhand haar toonaangevend plaats in de designwereld gaan innemen.
En nu heeft haar zoon Jord ook nog eens besloten, nadat hij allerlei studies uitgeprobeerd heeft, om zijn moeder op te volgen. Hij is jong, barst van de ideeën en is razend enthousiast, maar zijn moeder houdt stug vast aan haar eigen principes en kennis en keurt bijna alles wat Jord bedenkt, of in wil kopen, tot zijn grote teleurstelling helemaal af. Ze ontwijkt hem ook zoveel mogelijk in de winkel en controleert alles wat hij doet.


Cecile ergert zich overigens aan veel dingen van haar kinderen, perfectionistisch als ze is kan ze het niet uitstaan dat haar kinderen niet geworden zijn wat zij voor ogen had. Neem nou haar mollige dochter Juul, die is gaan samenwonen met Jeremy, een in haar ogen simpele jongen uit Hengelo die ook nog eens 15 jaar ouder dan Juul is. Haar eens zo mooie meisje bij zo'n dweil van een vent.  Maar zo lezen we, Juul houdt oprecht van die vent.


Het verhaal heeft steeds een wisselend perspectief en wordt verteld vanuit de belevingswereld van de vier hoofdpersonen. Opa Anton bijvoorbeeld woont alleen in Spanje. Zijn vrouw Else is overleden maar leefde na hun scheiding al geruime tijd in Nederland. Maar opa weet dat niet meer zo goed.
We lezen dat opa soms niet snapt wie de mensen zijn die hij ziet en wat ze in zijn huis doen, soms vraagt hij zich af waar hij is.


En dan valt opa. Juul wordt door de huishoudster gebeld en zij komt onmiddellijk naar haar opa om hem te helpen.  We lezen dat Cecile zich daardoor gekwetst voelt, waarom is zij niet gebeld? Waarom Juul? Die meid doet niets en kan niets, ze neemt zelfs nooit de telefoon op, dat gaat nooit goed. Maar het gaat meer dan goed. Juul is geduldig en weet precies de goede toon te treffen. Ze houdt van haar opa en dat straalt ze uit. Bovendien komt het Juul wel goed uit die tijd bij opa... Cecile wilde dat zij zo'n relatie met haar vader had, maar dat lukt maar niet. Hij was een dwarse man, niet echt een leuke vader. Wat ze deed was nooit goed genoeg.


Dat haar vader ook zijn verdriet en een groot geheim met zich meedraagt wil er bij haar niet in.
Natuurlijk probeert de altijd alles regelende, Cecile in te grijpen en de boel in Spanje te redden. Maar tussen de regels door leren we ook een andere kant van haar kennen. Ze voelt dat ze terrein verliest op alle fronten en ze kan het niet uitstaan!

Jord gaat ondertussen zijn gang. Hij probeert zijn draai te vinden en onder het slopende juk van zijn moeders negatieve oordelen uit te komen. Hij wil op eigen benen staan, zelf dingen regelen voor de winkel. Maar of Cecile dat toestaat? Zijn succesvolle vriendin Sarah geeft hem ook niet het zelfvertrouwen die hij zo hard nodig heeft. We lezen zijn twijfels én optimisme.


Door de verhalen vanuit de verschillende personages weer te geven, blijft het verhaal heel levendig. Opa is dankzij zijn steeds vaker getroubleerde en bijna kinderlijke blik soms aandoenlijk maar ook grappig. Maar ook Cecile is een mens waar je niet omheen kunt en iemand die hard knokt om niet om te vallen. Jord met zijn amoureuze perikelen en vrolijke en spitsvondige opmerkingen vormt een mooi tegenwicht voor Cecile en de meer serieuze Juul.  Juul is een verhaal apart, wat Cecile bij haar ervaart klopt wel, maar het is vooral Cecile zelf die een spiegel voorgehouden moet worden en daar zorgt een verrassend figuur voor.

Heerlijk vlotlopend verhaal dat ik met enorm veel plezier gelezen heb.


Patty Stenger maakte met Zuidas haar debuut. Ze verdiende ruimschoots haar sporen als scenarist van televisieseries, films, toneelstukken en muziektheater. Met haar bedrijf Zee maakte ze vele (internationaal bekroonde) films in opdracht.


ISBN 9789044534306 | Paperback |  287 pagina's | Uitgeverij De Geus | januari 2017

Dettie, 28 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe zomer die alles deed smelten
Tiffany McDaniel


‘De hitte kwam met de duivel mee. Het was de zomer van 1984 en de duivel was uitgenodigd, maar de hitte niet. Toch was het te verwachten. Waar het zo heet is als de hel, zal de duivel nooit ver weg zijn.’


Fielding Bliss vertelt als hij al in de tachtig is over de zomer van 1984, die hete gedenkwaardige zomer toen hij dertien jaar oud was.


Hij woont met zijn broer en ouders in Breathed, een klein stadje in Ohio. De vader van Fielding heeft een advertentie geplaatst in het plaatselijke sufferdje waarin hij de duivel uitnodigt naar hun dorp te komen. Later vraagt de jongen aan zijn vader waarom hij dat gedaan heeft. ‘Om met eigen ogen te zien.’ zei hij. Dat is ook de naam van zijn vader: Autopsy, van het Oud-griekse woord autopsia, dat betekent: ‘met eigen ogen zien.’


Zo begint het beklemmende verhaal, geschreven in een broeierig sfeertje met als hoofdpersoon – behalve de duivel - een naïeve jongen, die woont in een stadje met allerlei soorten mensen, waaronder een fanaticus. Het gezin Bliss is bepaald geen doorsnee gezin, en als zij de vreemde jongen Sal, die beweert de duivel te zijn, opnemen in hun huis wordt hij de katalysator, binnen het gezin, maar ook in het stadje. Spanningen lopen op en vreemde voorvallen verergeren het broeierige sfeertje in deze hete zomer. Het kan niet anders dan dit stevent af op een drama.


Het thema is angst. Angst voor het onbekende, angst om een ander te aanvaarden ook al is de ander niet als jij zelf bent. En het boek speelt in Amerika. In die jaren nog openlijker racistisch dan nu. Ook homohaat was vele malen sterker dan nu; binnen hun groep ontwikkelde zich immers aids, een vreselijke ziekte waarvoor een zondebok gezocht moest worden.
De jongen Sal is zwart, geschikt dus. En opgenomen in het gezin Bliss. Dus: zij vragen er om dat het ongeluk hen treft?


Boven ieder hoofdstuk staat een citaat uit Het verloren paradijs van John Milton, een episch gedicht uit de 17e eeuw. Het gaat over een oorlog in de hemel tussen God en Satan, die uitloopt op de val van Satan en zijn engelenlegioen en de wraak van Satan als hij het eerste mensenpaar, Adam en Eva, tot de zondeval verleidt. De vergelijking is duidelijk.


Ook de vergelijking met de moderne tijd is snel gevonden. Angst voor het onbekende wijst duidelijk naar de houding versus moslims. Het is een boek waarin naast betekenisvolle namen veel verwijzingen staan naar de Bijbel, naar literaire werken, en naar de hedendaagse maatschappij. Zoals gezegd heerst er een broeierig sfeertje in het stadje, hetgeen de schrijfster goed weet te verbeelden. Het is bepaald geen vrolijk boek, donkere wolken hangen al over de eerste pagina’s, en ze gaan niet weg.


Het is een roman, zegt de omslag, maar wel een donkere. Er blijkt ook zoiets te bestaan als ‘dark fiction’ (William Golding - Lord of The Flies; Emma Donoghue – Room). Daar hoort deze roman zeker bij. Je kan het ook beschouwen als een coming-of-ageverhaal.
Het lijkt me een sterk boek voor een leesclub!


ISBN 9789056725570 | paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Signatuur | augustus 2016
Vertaald uit het Engels door Anne Jongeling

© Marjo, 24 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

hspace="15"Het huis van de familie Turner
Angela Flournoy


Cha-Cha, de oudste van de dertien kinderen van de familie Turner, zag het nachtspook voor het eerst in 1958. Hij was toen veertien jaar oud en had zich zojuist het rommelhok toegeëigend. Daar zou hij voortaan slapen. Was het spook het daar soms niet mee eens? Het nachtspook straalde een blauwachtig licht uit en worstelde met Cha-Cha, dat herinnert zijn jongere broer Lonnie zich nog heel goed. Dat hij nog maar drie jaar oud was toen hij het zag gebeuren doet er niet toe. Het nachtspook was echt, hoewel het zich nooit meer liet zien.


Inmiddels is Cha-Cha de zestig ruim gepasseerd. Het nachtspook heeft zich onlangs voor de tweede keer aan hem geopenbaard. Het verscheen in de cabine van de grote truck met oplegger die hij bestuurde en zorgde ervoor dat hij de macht over het stuur verloor. Cha-Cha heeft het ongeluk overleefd. Toen hij in het ziekenhuis weer bij kennis kwam, vertelde hij zijn familie meteen over het nachtspook. Helaas had de verwarde Cha-Cha de aanwezigheid van de verzekeringsagent niet opgemerkt toen hij zijn uitlating over het bovennatuurlijke deed. Zijn werkgever stuurde hem daarop naar de psychiater.


Ook Charles’ jongere zus Lelah maakt een moeilijk tijd door. Ze is zojuist uit haar huis gezet en haar baas heeft haar geschorst. Lelah schaamt zich. Keer op keer heeft ze de dans weten te ontspringen maar nu heeft haar gokverslaving haar toch de das omgedaan. Ze kan nergens heen. Natuurlijk zou ze haar dochter of haar vele broers en zussen om hulp kunnen vragen. Natuurlijk zal iemand bereid zijn haar te helpen maar dan valt Lelah wel door de mand. Dat wil ze niet. Voorlopig neemt ze, heimelijk, haar intrek in het oude huis van haar ouders.


Het ouderlijk huis verkeert in een erbarmelijke staat en staat op het punt door de bank in beslag genomen te worden. Francis Turner, de vader van het stel, leeft niet meer en moeder Viola woont tegenwoordig bij Cha-Cha en zijn vrouw Tina in. Viola is ziek en loopt flink achter met haar hypotheek. Cha-Cha denkt dat het huis maar beter van de hand gedaan kan worden, ook al zal Viola er dan maar een schijntje voor krijgen.


Het besluit van Cha-Cha roept een grote weerstand bij zijn broers en zussen op. Ook al verkeert het huis in een verwaarloosde staat en ligt het in een in verval geraakte buurt in Detroit, het is het huis waarin ze zijn opgegroeid. Het huis vormt de fundering van de familie Turner. Als het huis verdwijnt, zal Viola nooit meer kunnen terugkeren. Dan zullen de kinderen Turner onder ogen moeten zien dat de laatste levensfase van hun moeder is ingegaan.


Cha-Cha zelf heeft zich inmiddels bij de psychiater gemeld. Dr. Alice Rothman toont aanvankelijk nauwelijks interesse in het nachtspook maar wil wel graag alles over zijn familie weten. Hoe is het om de oudste van dertien kinderen te zijn? Hoe is het om in zo’n groot gezin op te groeien? Cha-Cha vertelt. Hij vindt het prettig met haar te praten. Hij vindt het prettig in haar nabijheid te zijn. Op zijn vierenzestigste denkt Cha-Cha iets te vaak aan een vrouw die niet zijn echtgenote is.


De vader van schrijfster Angela Flournoy groeide samen met twaalf broers en zussen in een klein huis in Detroit op. Hij vertelde zijn dochter allerlei verhalen over zijn jeugd. Het is dus niet moeilijk te begrijpen waar Angela Flournoy de inspiratie voor dit boek vandaan heeft gehaald. Een grote familie voelt vaak als een warm bad maar kan soms ook erg verstikkend zijn. Iedereen heeft een vaste rol. Zo zijn er broers en zussen die er een potje van maken en anderen die alles altijd weer oplossen. Cha-Cha heeft als oudste de vaderrol op zich genomen, vooral omdat vader Francis een stevige drinker was en weinig naar zijn kroost omkeek.


De verhaalopbouw doet soms een beetje denken aan de gemoedelijke chaos die vaak in grote families heerst. Iedereen praat door elkaar heen maar onder het stemmige geroezemoes van de Turners gaat een warm verhaal over een bijzondere maar eigenlijk ook heel gewone familie schuil. Gelukkig kunnen de Turners, ook al drijven ze elkaar bijna tot waanzin, altijd op elkaar rekenen!


ISBN 9789044537246 | hardcover | 445 pagina's | De Geus | februari 2017
Vertaald door Marianne Gossije

© Annemarie, 22 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altWat ze achterliet
Ellen Marie Wiseman

‘Het spijt me,' zei de arts. ‘Ooit zul je begrijpen dat dit het beste voor je is.’


Er zijn meer mensen die denken te weten wat het beste is voor Clara Cartwright, enige dochter van een tirannieke vader en gevoelloze moeder. Zij hadden nooit veel aandacht voor hun dochter, maar na de dood van haar broer William, was dat nog erger geworden. Om leuke dingen te kunnen doen met vriendinnen moet ze liegen, en helaas beseft ze niet op tijd dat haar vriendje Bruno thuis voorstellen niet het beste was wat ze kon doen. Haar ouders zien hem niet eens staan en hebben de verloving met de zoon van een zakenpartner al geregeld. Als Clara, dan 18 jaar oud, zich daar tegen verzet, laat haar vader haar opnemen in een particuliere inrichting voor geesteszieken.


De Beurs stort in, haar vader verliest zijn geld en Clara wordt overgeplaatst naar een eenvoudige staatsinrichting. Nooit krijgt ze bezoek, ze moet van de dokter horen wat haar vader voor haar beslist. Maar ze is zwanger, van Bruno. Zowel haar vader als de dokter geloven haar niet. Willen haar niet geloven. ’Bruno bestaat niet.’
Hun conclusie is dat ze last moet hebben van wanen. En daar krijgt ze behandelingen voor. Haar kind wordt in de psychiatrische inrichting Willard State Asylum geboren en na enkele weken bij de moeder weggehaald.

Deze verhaallijn speelt in de jaren net voor de Tweede Wereldoorlog, in Amerika. Willard State en het beschreven bijbehorende terrein bestaat echt. Ook de behandelingen, zoals Clara en vele anderen die krijgen werden echt toegepast. De rest is fictie, zoals ook de tweede verhaallijn verzonnen is.


In onze tijd is de zeventienjarige Izzy na vele omzwervingen terecht gekomen bij het echtpaar Peg en Henry. Ze durft zich er niet veilig te voelen en gaat er van uit dat ze op haar achttiende, als ze immers officieel volwassen is, haar eigen weg zal moeten gaan zoeken. Izzy’s moeder heeft haar vader doodgeschoten, toen Izzy zeven jaar oud was. Haar moeder werd tot levenslang veroordeeld, en kon alleen maar brieven schrijven aan haar dochter. Izzy ging nooit op bezoek, en las ook de brieven niet. Zij was kwaad, voelde zich in de steek gelaten.


Peg en Henry werken in een museum en wonen niet al te ver van Willard. Zo komt het dat Peg toestemming krijgt om er rond te gaan neuzen. Met behulp van oude dossiers wil ze proberen het verhaal van het nu leegstaande Willard te achterhalen en de slachtoffers van een achterhaald systeem alsnog erkenning te geven. Izzy helpt mee, en stuit op het dossier van Clara. Met dagboek. Izzy beseft dat het verleden van Clara overeenkomsten vertoont: een jeugd die niet normaal verliep met ouders die geen kinderen verdienden. Als ze ontdekt dat er een kind geweest moet zijn, wil ze weten hoe het afgelopen is met moeder en kind. Ze krijgt daarbij de hulp van Ethan, een jongen die ze er aanvankelijk van verdenkt een grote pestkop te zijn.


Om en om worden de verhalen van Clara en Izzy verteld, tot ze in elkaar grijpen, hetgeen voor Izzy die intussen achttien geworden is, nogal wat gevolgen heeft.


Een meeslepend verhaal, waarbij de lezer soms makkelijk kan raden wat de volgende wending zal zijn, maar toch heel authentiek overkomt.


Ellen Marie Wiseman (Three Mile Bay, New York) besloot haar hart te volgen en met schrijven te beginnen. Haar droom kwam uit met het verschijnen van 'De pruimenboom', dat in Nederland lovend werd ontvangen.
Wat Ze Achterliet laat zien hoe het leven er in een psychiatrische inrichting van rond 1930 aan toe ging. Wiseman heeft, zo vertelt ze in haar nawoord,  geput uit o.a. “The lives they left behind: Suitases from a State Hospital Attic' 


ISBN 9789029725309 | paperback | 352 pagina's | Uitgeverij Voorhoeve | augustus 2016
Vertaald uit het Engels door Roelof Posthuma

© Marjo, 20 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHazer
Jeroen Thijssen


Als eind jaren zeventig de achttienjarige Rogier Pardoen - die zich vanaf dan Rogi noemt – Nederlands gaat studeren, vertrekken zijn ouders naar Ierland. Carla en Hein, zoals hij hen noemt zijn hippies, zij hebben Rogi nogal vrij opgevoed. Een luxeleventje is hij niet gewend, zodat hij het nieuwe leven in een kraakpand in Haarlem wel aan denkt te kunnen. Een andere betaalbare kamer is niet te vinden, en hij meldt zich bij het voormalige politiebureau waar krakers zijn ingetrokken. Het gebouw is eigenlijk niet bewoonbaar, maar in deze tijden van woningnood werd in navolging van de krakersbeweging in Amsterdam ook in Haarlem woonruimte opgeëist voor ongeacht wie woonruimte zocht. Het oude politiebureau bood veel ruimte.


‘Gekraak klonk en geritsel: aan weerszijden van de deuren stonden twee enorme, dode palmen, hun dorre bladeren bewogen in de tocht. Twee trappen liepen van de granito vloer in een vierkante spiraal omhoog, leken elkaar te naderen en weken dan weer tot ze ergens boven het dagelijks leven zomaar ophielden tegen een daklicht dat, hoewel klein van hieraf bezien, op die hoogte enorm moest zijn. Het zonlicht kleurde grijs in de matglazen panelen.’


Het lijkt romantisch, maar zonder verwarming en met slechts één werkende kraan is het nogal eens afzien. In de kamer die Rogi toegewezen kreeg, zet hij meubels die opgeslagen stonden in de kelders van het gebouw. Hij neemt zich voor een kwast over de muren te halen, maar dat zal er niet van komen. ‘De wanden waren pisgeel en zaten vol barsten, vol vierkante vlekken waar eerder schilderijen hadden gehangen of ingelijste diploma’s, of verordeningen - wat voor zaken zouden politiemannen de moeite waard vinden om in te lijsten en op te hangen?’


Het gebouw is enorm, met onverwachte openingen en grauw geverfde gangen, een labyrint met veel trappen en een grote hal. Kelders, zolders, een gebouw dat nooit eens gezellig of knus zou kunnen worden. De Hazer heet het.


‘Een rare naam eigenlijk, ‘zei Rogi.
Het gezicht van Ernst lichtte op. ‘Nee, vogel. Het hazenleger. Het leger zonder wapens, de vreedzaamste dieren ooit in opstand tegen de zwijnen van de macht. Magisch, weet je wel.’
‘Ze zaten eerst aan de Hazepaterslaan,’ zei Marcel nuchter. ‘Maar dat raakte vol en dit stond leeg.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het beestje moet een naam hebben.’


Langzaam loopt het gebouw vol, met allerlei soorten bewoners, die kort of langer blijven hangen. Marcel en Ernst vormen samen met Rogi de kern van de linkervleugel. Er druppelt wat vrouwvolk binnen onder andere in de persoon van Tanja, een vrijgevochten jongedame met wie Rogi een soort relatie krijgt. Als hij eerst eens gaat kijken waar zijn ouders zijn neergestreken, blijkt bij zijn terugkeer Kraay in de Hazer getrokken, wiens gedrag min of meer haaks staat op de ideeën over vrijheid blijheid, zoals de eerste bewoners die hanteerden. Kraay zet duidelijk een stempel op de Hazer. De deuren die eerder gewoon open stonden, gaan op slot. Junkies worden het pand uitgegooid, er komen regels en een Huiskommitee.


Kraay is communist, hij gelooft in actie, in de klassenstrijd. Via Kraaij worden ook de Haarlemse krakers actief: ze kraken andere panden, ze trekken naar Amsterdam om actie te voeren, onder andere op 30 april 1980, de dag dat koningin Beatrix ingehuldigd werd.


Het vreedzame hazenleger verandert in een vesting. Ook Rogi doet mee, maar al geniet hij van de saamhorigheid van het actievoeren, tegelijk begint hij in te zien dat de ideale samenleving zoals Kraay die voorstaat onmogelijk is. De beweging begint zelf te kraken.
Wil hij een beetje toekomst hebben, dan zal hij daar zelf voor moeten zorgen. Het ligt niet in zijn aard om zijn hand op te houden. Hij zal zich er bij neer moeten leggen dat hij diep in zijn hart best een burgerlijk typetje is.Terwijl de gemeente zich beraadt over wat te doen met de krakers in de verschillende panden en een samenwerking aangaat met het J.A.C. (Jongeren Advies Centrum), die vanuit een eigen visie de woningnood aanpakt, worstelt Rogi met zijn familie.


Carla’s moeder leeft nog, Rogi bezoekt haar af en toe. Zij wil niet praten over haar echtgenoot, maar Rogi dringt aan als hij ontdekt dat er een connectie bestaat tussen de Hazer en zijn opa. Wat is er gebeurd in de oorlog? Waarom wil zijn oma er niet over praten en zwijgt ook Carla? En wat was er met opa en oma Pardoen? Met Hein en Carla in Ierland gaat het intussen niet zo best.


Het zal duidelijk zijn: Hazer is een roman met veel inhoud. Schrijver Jeroen Thijssen is historicus en heeft duidelijk iets met de krakers van Haarlem. Was hij misschien een van hen? In zijn eerdere werk Solitude zijn de broers Frank en Robert Bramme - ‘krakers te Haarlem’ - hoofdpersoon, al gaat die roman verder niet over Haarlem. Dat wordt nu ruimschoots goed gemaakt, het verhaal over het oude politiebureau maakt nieuwsgierig!


Thijssen vertelt boeiend over de geschiedenis van de krakersbeweging zoals die in Haarlem – dit keer eens niet in Amsterdam! - verliep. Ik denk dat het een goed idee was om er nog wat extra’s aan toe te voegen. Af en toe even wat anders dan de krakers in de Hazer, af en toe ontsnappen aan het – duidelijk beschreven - sfeertje zoals dat eind 1970, begin 1980 heerste. Het geheim uit het verleden en de worsteling van de hoofdpersoon over wie hij is en zal zijn, maakt het geheel prettig leesbaar.
Een verhaal met pit, vlot en boeiend geschreven.


Jeroen Thijssen (20 mei 1959) is een Nederlandse schrijver. Hij studeerde journalistiek en geschiedenis en werkte onder andere voor Trouw (krant), Kassa, Dit is de Dag en Foodies. Jeroen Thijssen is schrijfdocent bij de Schrijversvakschool en bestuurslid bij de Vereniging voor Letterkundigen.


ISBN 9789046821398 | Paperback | 320 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | februari 2017

© Marjo, 14 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe tollende toverkol
illustraties: Hanco Kolk
tekst: Karin Amatmoekrim


Zes bekende Nederlanders schrijven Suskes en Wiskes waarbij de strip getekend worden door de bekende Nederlandse striptekenaars Hanco Kolk, Gerben Valkema, Eric Heuvel, Gerard Leever, Romano Molenaar en Michiel de Jong, die allen hun unieke stijl toevoegden. De opbrengst van dit unieke stripproject gaat naar SOS Kinderdorpen, een internationale kinderontwikkelingsorganisatie.


In dit verhaal klimmen Suske en Wiske over een muur komen ze in een sprookjeswereld terecht. De bewoners van het magische bos zijn bang voor een eenbenige heks die door rondtollen zware stormen veroorzaakt waardoor alles vernietigd wordt. Wiske zoekt de toverkol op om haar kant van het verhaal te horen.
Iedere tekenaar maakt natuurlijk en heel eigen bewerking. Deze vind ik persoonlijk niet erg mooi. Te vlak en langgerekt.


SOS Kinderdorpen zet zich al ruim 65 jaar in voor kinderen zonder ouders of een veilige thuis. De internationale kinderhulporganisatie gelooft dat familie de belangrijkste basis is voor de gezonde ontwikkeling van kinderen. Elk kind een familie, elk kind een toekomst.


Karin Amatmoekrim (Paramaribo, 1976) studeerde Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, maar stapte na twee jaar over op Moderne Letterkunde. Ze debuteerde kort na haar afstuderen met Het knipperleven (2004). Ze schreef tot nog toe vijf romans, waaronder het gewaardeerde autobiografische Het gym (2011) en de veelbesproken roman De man van veel (2013) over de Surinaamse verzetsheld Anton de Kom.


Hanco Kolk
(Den Helder, 1957) tekent al generaties lang strips. Van kinderstrips als Cor Daad tot avonturenverhalen van Gilles de Geus. Van komische detectives als Inspecteur Netjes en dagelijkse strookstrips als S1ngle tot kunstzinnige boeken als Meccano. Hij werkt soms samen met anderen, zoals Arnon Grunberg, Spinvis en collega's als Peter de Wit en Kim Duchateau. Met deze laatste bracht hij in 2016 de graphic novel De Man Van Nu uit.


Informatie staat ook achterin het stripalbum: over Karin Amatmoekrim, over Ivoorkust en over de stichting Kinderdorpen. www.soskinderdorpen.nl.


ISBN 9789903244155| Paperback | 22 pagina's | Uitgeverij Standaard | oktober 2016

© Marjo, 6 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De muze
Jessie Burton


De schrijfster van het mooie boek Het huis aan de gouden bocht over de eigenaresse van het kabinetpoppenhuis, dat zich nu bevindt in het Rijksmuseum te Amsterdam, heeft opnieuw een bijzonder boek geschreven. In dit nieuwe boek zitten eveneens historische aspecten in het verhaal verweven, alleen speelt het zich niet af in Amsterdam maar in Spanje en het Engelse Londen.

Het is 1967.
Het verhaal begint met de zesentwintigjarige Odelle Bastien die vijf jaar geleden samen met haar vriendin Cynthia Morley vanuit Trinidad naar Londen vertrok. De intelligente Odelle kon, ondanks haar cum laude afstuderen in Engelse literatuur, vanwege haar donkere huidskleur moeilijk aan bij haar passend werk komen, ze heeft zeer tegen haar zin gewerkt in een schoenenzaak terwijl ze tussendoor vijf jaar lang solliciteerde op alles wat haar maar enigszins aantrekkelijk leek, tot koffiemeisje aan toe. Maar nu heeft ze tot haar grote vreugde werk als typiste gevonden bij het Skelton Institute of Art. De sympathieke brief waarin haar aanstelling vermeld staat, is ondertekend door ene Marjorie Quick.


Odelle geniet van haar nieuwe baan. Ze heeft een eigen kamer en werkt brieven uit die veelal geschreven zijn door de directeur, Edmund Reede. 'Het mooiste was nog wel dat ik snel was. Dus zodra ik klaar was met hun brieven, smokkelde ik er hier en daar een uurtje tussen om mijn eigen werk te tikken.' vertelt Odelle. Zij schrijft namelijk gedichten. En dan komt heel onverwacht de kleine, tengere, goed geklede Marjorie Quick haar kamer binnenstappen en daarmee verandert alles voor Odelle.


Marjorie is erg aardig voor haar, ze is een van de weinige mensen die niet naar haar huidskleur kijkt maar de mens achter die kleur ziet. Het is aan haar dat Odelle voor het eerst durft te vertellen hoe enorm Engeland haar aanvankelijk tegenviel. Marjorie is bijzonder, intrigerend en mysterieus, Marjorie dwingt respect af en Odelle voelt grote genegenheid voor deze vrouw maar kan haar nooit helemaal peilen. Odelle heeft nog nooit iemand ontmoet als Marjorie en ze voelt dat Marjorie van grote invloed zal zijn op haar verdere loopbaan en leven.

En dan gaat Odelle's vriendin en flatgenote Cynthia trouwen.
Op dat trouwfeest ontmoet Odelle een leeftijdgenoot, Lawrie Scott, hij is onder de indruk van het gedicht dat ze voor Cynthia schreef. Wat ze dan nog niet weet is dat ook hij voor grote veranderingen in haar leven zal zorgen. Ze vindt hem leuk en hij haar. Hij vertelt haar dat zijn moeder twee weken geleden overleden is en hem een schilderij heeft nagelaten, geschilderd door ene I.R. En het is dit schilderij dat ons terugvoert in de tijd. Naar het turbulente Spanje van de jaren dertig in de vorige eeuw...


Het is 1936. In Zuid Spanje zijn Sarah en Harald Schloss met hun negentienjarige dochter Olive tijdelijk in een door hen gehuurde finca (landhuis) getrokken. De joodse Harold is een Weense kunsthandelaar, zijn vrouw Sarah is Engels. Het is vanwege haar gezondheid dat ze na een verblijf in Londen, naar Arazuelo zijn getrokken. De beeldschone, steenrijke, flamboyante Sarah is namelijk zwaar depressief.  "Het is echt wonderbaarlijk hoe goed ze mensen om de tuin kan leiden, hun het idee kan geven dat ze gaaf is, terwijl ze van binnen aan diggelen ligt" zegt Olive daarover.


Na een week maken ze kennis met de Spaanse zestienjarige Teresa en haar tien jaar oudere broer Isaac Robles, die brood en andere etenswaren komen brengen. Isaac geeft lithografieles en is daarnaast druk met de vakbond in Malaga, hij leert arbeiders lezen en schrijven. Hij is dus een rooie (communist), concludeert Sarah. Maar dat is hij niet. Hij is socialist en lid van de Republikeinse Eenheidspartij en wil alleen dat de arbeiders het beter krijgen. In de omgeving van Arazuelo is het slecht met ze gesteld o.a. dankzij de heerschappij van de barones, waarvan ook Harold en Sarah hun finca gehuurd hebben. In zijn vrije tijd schildert Isaac. Harolds aandacht is onmiddellijk gewekt...
Teresa treedt in dienst bij de familie Schloss en Isaac doet hand- en spandiensten voor hen.


Olive is diep onder de indruk van Isaac, ze heeft nog nooit zo'n mooie en strijdlustige man gezien. Wat niemand weet is dat Olive ook schildert, ze heeft zelfs een brief dat ze is toegelaten op de kunstacademie in Londen... Maar haar vader weet dat niet, hij is namelijk van mening dat vrouwen nooit goede kunstenaars kunnen worden. Teresa is de eerste die haar schilderijen te zien krijgt en ze is compleet overdonderd. Olive is een gran talento volgens Teresa.  Ondertussen spreekt Sarah met Isaac af dat hij een schilderij van haar en Olive zal maken, als verrassing voor haar man...


Dit alles is de inleiding tot een verrassend en onthutsend verhaal, waarin niets is zoals het lijkt. Langzamerhand komen de aanvankelijk op zichzelf staande verhalen tot elkaar en vormen ze een ongekend boeiend geheel. De donkere wolken van de naderende Tweede Wereldoorlog beginnen zich samen te pakken. De Spaanse Burgeroorlog dreigt en Franco begint aan zijn opmars. Heel Spanje staat daardoor op zijn kop.
Het leven van Teresa en Isaac wordt daardoor ernstig beïnvloed maar wel op heel verschillende manieren. Ondertussen heeft Olivia ook het nodige doorstaan en het jonge, naïeve meisje is in korte tijd veranderd in een standvastige volwassen vrouw die weet wat ze wil.

Maar ook Odelle en Lawrie Scott maken grote ontwikkelingen door. Ze hebben een explosieve relatie dankzij hun onzekerheid en kwetsbaarheid maar ook door hun verschillende achtergrond is er regelmatig groot onbegrip voor elkaar. Het schilderij is de bindende factor. Maar is dat schilderij al die toestanden wel waard?


Jessie Burton vertelt ons het verhaal uit verschillende perspectieven. Enkele hoofdstukken waarin vooral achtergrondinformatie wordt gegeven over de omgeving of de situatie in Spanje of Engeland zijn in de derde persoon geschreven. Maar het merendeel van het boek is weergegeven in de ik-vorm waardoor we het leven vanuit de perspectieven van de hoofdpersonages Olivia, Teresa en Odelle kunnen volgen. Het is vooral hun focus op de ander wat het verhaal zo meeslepend maakt. Ze hebben alle drie een fascinatie voor iemand die hen bijna onbeholpen maakt.  Deze stijl zorgt ervoor dat je door wilt blijven lezen totdat je weet waarom al die levens in dit boek voorkomen, wat zij met elkaar te maken hebben, wat het uiteindelijke slot zal worden... en als je denkt dat je het weet dan word je uiteindelijk evengoed nog enorm verrast.


Het is zo'n boek waarbij je uitkijkt naar het moment dat je er verder in kunt lezen. Zo'n boek dat indruk maakt zowel qua verhaal als schrijfstijl.
Kortom, een boek waarvan je blij bent dat je het gelezen hebt.


ISBN 9789024574704 | Paperback | 397 pagina's (met bibliografie) | Uitgeverij Luitingh Sijthoff | januari 2017

© Dettie, 3 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altBillie & Seb
Ivo Victoria


‘Hoi, ik ben Billie, een geest. Wat ben jij?’
’Ik ben Seb’, zei Seb.
‘Maar wàt ben je?’ vroeg ze.


Billie is anders. Geboren in Azië werd ze op vierjarige leeftijd geadopteerd, en ze heeft zich nooit echt thuis gevoeld. Seb is ook anders. ‘Al zijn hele leven had hij het idee dat de dingen niet echt gebeurden, maar in scene werden gezet zonder dat iemand hem vertelde welke rol hij moest spelen’. Hij mist het gen voor fantasie. Doen alsof kan hij niet. Daarom is hij een buitenstaander. Billie en Seb kunnen het samen prima vinden, ze beleven een heerlijke zomer. Ze zwerven door Gaspel, hun domicilie, of ze stuiteren op de trampoline in de tuin van Billies ouders.
Tot het mis gaat. Billie valt en komt met haar hoofd ongelukkig terecht.


Als het verhaal begint ligt zij in het ziekenhuis, in coma. Seb is ongelukkig nu zijn maatje er niet is.
Hij mag haar niet bezoeken.
Als zijn ouders er goed aan denken te doen hem als kerstcadeautje een airsoftgeweer - een namaakwapen dat plastic bolletjes schiet - te geven, lijkt de jongen zich inderdaad te herstellen. Hij heeft weer een doel in zijn leven. Met een paar jongens die zijn vrienden worden genoemd trekt hij naar de verlaten boerderij van Urbain, de grootvader van Seb. Tijdens de tweede wereldoorlog is daar iets gebeurd waarvan maar weinigen precies weten wat. De jongens houden er gevechten, hetgeen voor de anderen een spel is maar voor Seb steeds serieuzer wordt. Hij vindt het maar onzin dat ze niet zouden mogen schieten als ze elkaar op vijf meter afstand treffen. En waarom zou hij een helm opzetten?


Het eindexamen nadert, Billie wordt niet wakker, de sfeer bij Seb thuis wordt vreemder, mede doordat de oom hen vaker bezoekt. Tussen de oom en de moeder is ooit een onduidelijke relatie geweest, maar ze koos tenslotte voor de broer. Zijn rol is onduidelijk, ook voor hemzelf.
Als Seb zomaar vanuit het niets de overbuurjongen Jamal met een luchtbuks aan het hoofd verwondt, wordt diens vader die verhaal komt halen, afgescheept en volgt er geen straf. Hoe kunnen zulke ouders een jongen als Seb begeleiden?


Als intussen het leven doorgaat, de vrienden gaan een vervolgopleiding doen, de moeder van Billie maakt een keuze, lijkt het leven voor Seb nog zinlozer te worden. Zijn ouders weten het ook niet meer, de oom raaskalt ook maar wat. De sfeer wordt steeds grimmiger en het moet wel op een drama uitlopen. Ivo Victoria pakt dat evenwel anders aan dan de lezer verwacht.


Seb lijkt het belangrijkste personage, terwijl Billie haar invloed op de achtergrond alleen kan doen gelden door middel van Seb zelf, terwijl die zich braaf aan het bezoekverbod houdt. Het geheel heeft iets afstandelijks, de wereld beweegt niet, maar wordt bewogen.
‘De vader’, ’de moeder’, ‘de oom’. Meer worden ze niet, hoewel de overtuigingen van de oom het verhaal lijken te dragen. Is het een poging van Ivo Victoria om het onverklaarbare te verklaren? Kunnen de motieven van mensen die strijden voor religieuze overtuigingen ooit begrepen worden?
Waarom doen mensen wat ze doen?


‘Hij wist niet zeker wat hij het shockerendst vond wanneer hij de teelvisie aanzette of de krant las en zag wat er in de wereld om hen heen woedde, de krachten die in die tijd loskwamen, overal, behalve in Gaspel, waar de natuur heerste.
Er waren dagen dat hij het prachtig vond dat alleen het onnozele verlangen om door te leven na je tijd hier op aarde, tot zo’n ongelooflijke chaos kon leiden. En niemand die het ooit te weten zou komen. Was dat niet grandioos? Was dat niet het leven zelf? Geloven, geloven, geloven! En dan: poef, licht uit, weg, zwart.’


‘Waarom gingen wij als kind elke week naar de kerk?’ hernam hij op onverminderd montere toon. ‘Omdat we erin geloofden? Nee omdat het moest. En omdat het moest gingen we er ook een beetje in geloven. Heeft het ons kwaad gedaan? Nee. We leerden het verschil tussen goed en kwaad, en wanneer we iets mispeuterden toonden we berouw omdat we dachten dat iemand ons in de gaten hield. Zo zie je maar, eerst deden we het, daarna kreeg het zin omdat we werden gezien.’

Ivo Victoria, een pseudoniem voor Hans van Rompaey, studeerde communicatiewetenschappen aan de Katholieke Universiteit van Leuven, was zanger van de inmiddels opgeheven band Kamino en is in 2002 naar Amsterdam verhuisd. Van 2002 tot 2008 heeft hij als publiciteitsmedewerker bij het popfestival Lowlands gewerkt en begon daarna als freelance marketing- en communicatieadviseur. In 2009 werd zijn eerste roman, Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het mij spijt), gepubliceerd. Dit debuut werd goed ontvangen en stond onder andere op de longlist van de AKO Literatuurprijs.


ISBN 9789048834396 | Paperback | 320 pagina's | Uitgeverij Lebowsk i |januari 2017

© Marjo, 29 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altPrijs de dag voor de avond valt
Hannah van Wieringen


Met De Kermis van Gravezuid won Hannah van Wieringen in 2014 de Academica Literatuurprijs (nu ANV Debutantenprijs). In haar tweede roman is de sfeer dezelfde: bevreemdend en raadselachtig. Hierin is Eddy de hoofdpersoon, een wat morsige eenzame man, die zijn leven meer inhoud geeft door huurders van zijn huis het statige ‘De Dageraad’ aan de gracht achter de Dam - te bespieden. Het dubbelde pand is zijn eigendom, en terwijl hij in de ene helft een niet zo goed lopende ijzerwarenhandel drijft, heeft hij in de andere helft eigenhandig studio’s gebouwd, waar hij na eerdere vervelende ervaringen nu alleen maar aan dames verhuurt.

‘De razendmakende gewoontes van jonge meisjes. Waar moest hij beginnen? De tergende muzieksmaak, mechanisch gejengel en geboemklats dat onophoudelijk het smalle trappenhuis in schetterde. De grauwe bh’tjes die ze vast lieten draaien in de centrifuge beneden, en – nog erger – het vergeten van de was in de trommel en het laten schimmelen totdat een van de andere meisjes jammerend een stinkende natte kluwen op de kleine binnenplaats neerkwakte. Als hij eenmaal in hun kamers was, speelde hij er zijn eigen memory. Om verklaarbare redenen trof hij in elke studio plastic badeendjes aan; hij had nooit baden geplaatst, kennelijk was de badeend an sich in de mode, wie dat begreep mag het zeggen.’

En dan komt Esther een studio huren. Zij is anders. Ze groet hem altijd, ze is niet stiekem, ze zwaait als ze de deur uit gaat. Ze houdt zich gewoon aan alle regels! Ze intrigeert hem. Ze moet een geheim hebben. Dat moet. En zo komt het dat hij in haar kamer een geheimzinnig groenig ei ontdekt, in een broedkist. Wat betekent dat? Wat moet die meid met dat ei?
Eddy gaat op speurtocht. Door heel Amsterdam sjouwt hij, met het ei in een rugzak vol piepschuimen wokkels en een warme kruik, die hij voorzichtig op zijn buik draagt. En voor de eenzame huisbaas gaat een wereld open.


‘Hij zou even tegen de deuren kunnen leunen om op adem te komen? Zitten stond toch vrij. Hij zakte nog net niet in elkaar op de kerktrap. Rugtas tussen de benen. Gewoon blijven proberen één iemand te zijn. Lucifer er een beetje onder houden. Schuin achter hem stonden van die ouderwetse postzakken tegen de linker kerkdeur, onbeheerd achtergelaten. Eddy hijgde. Niet vergeten straks thuis de offerte voor die kozijnen nog eens na te lopen. En het brandalarm opnieuw afstellen. Rechts klokte wat iepensneeuw in z’n windhoekje. Door de gracht tufte een rondvaartboot. Hij voelde de lamheid in zijn linkerbovenarm toch zeker. Dorst als twintig kamelen. Met een schok realiseerde hij zich dat hij wel om zijn hart moest denken. Daar had hij zeker de hele middag niet aan gedacht. Misschien straks een koud biertje in café Centrum? Dat zou hem verlichten, gewoon als afsluiting van de dag. Rust. Krantje erbij. Achter hem steeg een gemompel op en toen hij omkeek begonnen de stoffen zakken te bewegen.’


Het verhaal wordt door Eddy zelf verteld in een heerlijk proza, waaraan duidelijk te merken is dat de schrijfster ook poëzie schrijft. De lezer zo door de ogen Amsterdam te laten beleven is een prachtige vondst. Genieten!


Hannah van Wieringen schrijft, vertaalt en bewerkt toneel, met name voor Toneelgroep Oostpool. Ze debuteerde in 2012 bij uitgeverij De Harmonie te Amsterdam als prozaïst met 'De kermis van Gravezuid'.


ISBN 9789076174761 | Paperback | 87 pagina's | Uitgeverij Harmonie | september 2016

© Marjo, 25 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Shtum
Jem Lester


Shtum is het jiddische woord voor stom in de zin van niet (kunnen) spreken. Deze titel is veelzeggend omdat het hele boek draait om 'niets zeggen'. Dat 'niets zeggen' kan allerlei vormen en oorzaken hebben. Iemand kan letterlijk stom zijn, of iemand zegt niets omdat hetgeen wat verteld moet worden te zwaar is om onder woorden te brengen. Je kunt ook nietszeggend zijn dus praten in holle frases, of omdat je niet goed kunt communiceren kun je besluiten om je gedachten maar helemaal niet meer uit te spreken... Al deze vormen, en meer, komen in dit boek voor.


Het verhaal in dit boek draait vooral om Jonah, de tienjarige, zwaar autistische, zoon van Ben en Emma Jewell. Jonah kan nauwelijks contact maken, Jonah kan niet praten, Jonah leeft zonder besef van tijd, Jonah is niet zindelijk, Jonah kan heel lief zijn, Jonah kan zeer agressief zijn maar Jonah is wel Jonah, de zeer geliefde zoon van Ben en Emma. Maar zij zijn inmiddels aan het eind van hun latijn, hun kind begeleiden en verzorgen is loodzwaar. Bovendien zien ze Jonah geen enkele vordering maken, toen hij zes jaar geleden naar school ging, kon hij niets, en nu nog steeds niet.  Jonah moet betere begeleiding krijgen, Jonah verdient beter dan dit.


Volgens Emma zal de Highgrove Manor School de ideale school voor Jonah zijn. Maar het zal nog een hele strijd worden om hem daar geplaatst te krijgen. De urgentie om Jonah toe te laten moet namelijk aantoonbaar zijn. Helaas lijkt al hun goede zorg zich tegen hen te keren, Jonah wordt thuis (te) goed opgevangen en het is derhalve niet raadzaam voor Jonah om hem uit zijn leefomgeving te halen. Bovendien opent zijn huidige school binnenkort een apart gedeelte voor kinderen als Jonah, dus beter kan het toch niet? Emma en Ben vinden dat het véél beter kan en willen alles op alles zetten om Jonah een goede, veilige toekomst te geven.


Emma is advocaat en zij vertelt Ben dat blijkt dat dat ze betere kansen voor Jonah maken als ze gaan scheiden. Dan is de thuissituatie dusdanig moeilijk geworden dat de autoriteiten er niet meer omheen kunnen. En zo gebeurt het dat Ben en Jonah bij Ben's bejaarde vader intrekken. Ben en zijn vader kunnen niet zo goed met elkaar opschieten. Vooral omdat zijn vader nogal recht voor zijn raap is. Hij vindt Ben maar een sjlemiel, een klaploper, die zwelgt in zelfmedelijden. Ben heeft het erg moeilijk met de huidige situatie, maar zijn vader heeft wel gelijk want Ben heeft het in feite overal moeilijk mee.


Langzamerhand ontrolt zich daarna het mooie, ontroerende verhaal rond Ben, Jonah en zijn vader. Ben is inderdaad een lapzwans die zijn heil veelal in de drank zoekt. Het is werkelijk tenenkrommend om te lezen hoe hij constant zijn verantwoordelijkheden ontloopt en een café induikt of met een fles whiskey zich op de bank nestelt en doordrinkt todat hij niet meer kan. Ben zoekt constant rust in zijn hoofd door middel van die drank, zijn frustraties en enorme liefde voor Jonah uitspreken kan hij namelijk niet.


We lezen hoe ontstellend lief en begripvol opa voor zijn kleinzoon is. Ben kan dat overigens ook niet uitstaan evenals het feit dat zijn vader aan Jonah wèl zijn verhalen vertelt over de tijd toen hij nog die  joodse jongen in Hongarije was en met Ben er nooit over wil praten.  Eigenlijk is Ben gewoonweg jaloers. Wat hij niet beseft, is dat zijn vader ook zijn innerlijke strijd te voeren heeft, ook zijn verhaal moet vertellen en hij kan dat alleen doen tegen de jongen die niet terug kan praten, de jongen die buiten de tijd leeft en even later al niet meer weet wat zijn opa vertelt heeft.


We lezen hoe slecht in feite de communicatie tussen Emma en Ben was. Beiden vochten ze op hun manier voor Jonah, maar konden niet samen, zij aan zij vechten. Beiden voerden ze hun eigen eenzame strijd.  En nu is Emma weg en vader wordt erg ziek. Ben staat er nu écht alleen voor. Het is erop of eronder, voor Jonah, voor zijn vader en voor Emma.  Nu zal Ben wel moeten... maar doet hij dat ook?


Het verhaal wordt op een prachtige ingetogen manier verteld maar is toch niet loodzwaar. Het is eerder tragikomisch. Opa en Jonah zorgen regelmatig voor grappige situaties omdat zij zich beiden op hun eigen manier niets van alles aantrekken. Jonah omdat hij dat niet kan en opa omdat hij te oud is om zich nog door iets te laten dwarsbomen.
Tussen de hoofdstukken door lezen we in briefvorm de soms zeer onbegrijpelijke beslissingen van de instanties over Jonah.
Je kunt niet anders doen dan meeleven en hopen dat alles toch goed zal komen voor iedereen.


Na het lezen van dit boek ben je even van de wereld, wil je even iets stils doen om het verhaal op je in te laten werken. Het heeft impact en het ontroert je. Kortom, het is een prachtig debuut. Vooral lezen!


Over de auteur: Jem Lester is leraar Engels en mediastudies op een middelbare school. Hij heeft twee kinderen, waarvan eentje een ernstige vorm van autisme heeft.


ISBN 9789024573783 | Paperback | 314 pagina's | Uitgeverij Luitingh-Sijthoff | oktober 2016
Vertaald door Jan Mellema

© Dettie, 20 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER