Nieuwe jeugdboekrecensies 6+

Toffie maakt nieuwe  vrienden
Julia Boehme


Toffie is een stokstaartje. Met zijn hele familie woont hij in holen diep onder de grond, in de burcht.
De meeste stokstaartjes gaan niet ver van huis, want hoog in de licht vliegt meneer Gogo, op zoek naar eten. De arend is bliksemsnel, dus weinig kans dat je het redt als je ver van de burcht bent!


Maar Toffie is een nieuwsgierig aagje, hij wil meer van de wereld zien. Hij luistert heel graag als opa een oud verhaal vertelt over hun over-over-over-overopa. Deze stokstaart heeft lang geleden de plek gevonden waar ze nu nog steeds wonen. Waarom hij niet gewoon thuis bleef? Dat zou hij normaliter ook gedaan hebben, maar dat kon niet meer, er was water gekomen, heel veel water.


Toffie bedenkt dat hij toch niet hoeft te wachten tot het hol onder water staat. Hij kan toch ook nu op avontuur? ‘Ben je mal?’ zegt opa. En ook de anderen waarschuwen hem: voor meneer Gogo, voor een enge slang, voor koning Kofi, de leeuw.
Maar Toffie wil dus echt ontzettend graag zien wat er achter de hoge heuvel is. En dus moet hij op pad.
Natuurlijk komen alle gevaren waarvoor hij gewaarschuwd is, en nog meer, op zijn pad. Maar gelukkig maakt hij vrienden, en met hen kan hij de hele wereld aan.
Maar wat is er nu eigenlijk achter die hoge heuvel?


Toffie heeft me een hele tijd aangekeken, maar nu heb ik het boek gelezen. En zoals ik al dacht: ik vind het erg leuk. Gewoon een lekker avontuur met een stokstaartje in de hoofdrol, die net als de andere dieren vermenselijkt is. Strikjes in het haar, een bril op, suikerbrood, dat soort dingen.
En zo zit er ook een herkenbare boodschap in het boek: met goede vrienden ben je sterk! Al is het misschien ook wel verstandig om het gevaar niet op te zoeken.


De bijpassende tekeningen van Julia Ginsbach zijn kleurrijk, en vaak grappig. Zelfs als dieren boos of bang kijken – heel duidelijk is dat – blijft er vrolijkheid van af stralen.
Het verhaal heeft een duidelijk lettertype en er is prettige regelafstand, prima voor de doelgroep.


Julia Boehme is in 1966 in Bremen geboren. Ze heeft literatuur en muziekwetenschappen gestudeerd en jaren lang als redacteur bij de kindertelevisie gewerkt.


ISBN 9789020659986 | Hardcover | 80 pagina's | Kluitman | augustus 2016
Leeftijd vanaf 7 jaar.

© Marjo, 11 april 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De dag dat oma het internet kapotmaakte
illustraties: Astrid Henn
tekst: Marc-Uwe Kling


Het is vakantie en daarom zijn opa en oma er. 'Om op te passen, zeiden papa en mama. Ze zijn alleen vergeten te zeggen wie er op wie moet passen.'
Daarom past de kleine Tiffany op oma. 'Voor de zekerheid. Want je weet maar nooit.'


Iedereen weet dat oudere mensen soms moeite hebben met internet. Maar ach, wat kan er nu helemaal misgaan. Toch krijgt oma het voor elkaar ... klik, klik, hoort Tiffany, klik, klik en weer klik, klik. Oma zit achter de computer en oma klikt weer en weer en weer... maar de computer doet het niet.
Het internet is stuk, zegt oma.
Tiffany weet niet zo goed wat internet is, maar haar broer Max, die in de kamer een spel speelt met een vriend via de telefoon, legt het haar uit... totdat hij zelf iets ontdekt... Internet doet het niet!
En ook Lisa komt uit haar kamer, ze kan niet naar muziek luisteren, want... juist ja, internet is stuk.


Even later komt opa ook naar beneden en papa en mama komen vroeg thuis, ze kunnen niet werken, en zelfs de pizzabezorger stapt naar binnen want zijn navigatie doet het niet... Ze eten de pizza's maar op en doen spelletjes, gaan dansen, verzinnen verhalen, zee luisteren muziek via een oude radio van opa etc.. En via die radio horen ze ook dat de hele wereld plat ligt. Niemand heeft internet!
'Mijn schuld', zegt oma steeds ondanks dat iedereen zegt dat het niet kan dat oma het internet stuk heeft gemaakt. Maar is dat wel zo?


Grappig verhaaltje dat laat zien hoe erg we gewend zijn aan internet. Iedereen leeft in zijn eigen internetcoconnetje, pas als het stuk is, ontdekken de mensen elkaar weer en doen ze weer samen dingen. Oma en Tiffany vinden het eigenlijk wel leuk... misschien dat een volgende keer oma eventueel weer???

Bij het verhaal staan humoristische, kleurige afbeeldingen van Astrid Henn.


ISBN 9789051167771 | hardcover | 62 pagina's | De Vier Windstreken | maart 2020
Leeftijd 6+

© Dettie, 26 maart 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Mijn dikke vette zombiegoudvis
Mo O’Hara


'Een nogal schokkend verhaal'. Zo staat te lezen op de eerste pagina. Dan begint het echte verhaal:


‘Gisteren is mijn oudere broer Mark veranderd in een levensechte kwaadaardige professor.’


Dan weet je al heel wat over wat je gaat lezen. Zeker als je die vis gezien hebt die op de omslag staat afgebeeld! Wat een akelig uitziende vis!
Maar tegelijk maakt het je nieuwsgierig: wat is dat voor raar beest?
Een zombiegoudvis? Wat is dat?


De personages zijn dus twee broers: Tom, groep 8, en Mark, eerste klas middelbare school.
Het is niet echt dikke mik tussen de broers, Tom werd altijd al gepest en afgesnauwd, maar de laatste tijd is het nog erger geworden.


'Ik vertelde aan mam dat Mark kwaadaardig was geworden, maar volgens mam kwam het doordat  Mark stoormonaal is. Ik denk dat hij daarom thuis ieders rust loopt te verstoren. Ze zei dat hij niet expres kwaadaardig is (oké, ze zei niet letterlijk kwaadaardig, hoewel ze dat wel had moeten doen), maar dat het komt doordat er allemaal stoormonen door zijn lichaam gieren.’


Omdat zijn ouders dus niet inzien hoeveel last Tom heeft van Marks hormonen, moet hij het zelf oplossen Gelukkig heeft hij steun van een vriend die in eenzelfde situatie zit. Pradeep heeft ook zo'n broer, die wel op een kostschool zit, maar om te pesten graag even thuiskomt.


Maar nu heeft Mark een laboratoriumset gekregen voor zijn verjaardag van hun opa en oma! Voor de gemene Mark een schot in de roos: nu kan hij echt akelige dingen gaan doen. Maar de gulle gevers hebben er geen moment bij stilgestaan – hoe konden ze dat ook weten! – wat dit voor Tom zou betekenen.

Toch begint het niet echt bij Tom. Als Mark thuiskomt met een schoolopdracht: onderzoek naar de effecten van vervuiling op zeedieren, gaat hij eerst experimenteren met een vis. Een onschuldig visje! Dat kan Tom niet aanzien, en hij probeert in te grijpen. Dat gaat niet zoals het plan was, en dan is daar Frankie... Een bijzondere vis: hij weet wat Mark van plan was (en nog steeds is). Frankie heeft krachten! Hij kan springen, groeien, en hypnotiseren. Het eerste slachtoffer is het zusje van Pradeep:

‘Sami hield de zak nog steeds vast, maar ze was een stuk stiller geworden. Het enige wat ze achter elkaar bleef fluisteren was ‘wriemelvisje’. Frankie staarde haar aan met zijn grote, bolle groene ogen en Sami staarde alleen maar voor zich uit. Wat was dit voor goudvis? Hij overleefde giftige troep, kon uit ramen springen en nu kreeg hij het lawaaiigste kind op aarde stil. Ik keek naar Frankie en het was alsof er een lampje aanging ergens in mijn achterhoofd. Frankies oplichtende, groene ogen.


‘Frankie is een zombiegoudvis! Gelukkig heeft hij het niet gemunt op Sami, of op Tom en Pradeep, maar hij is vastbesloten wraak te nemen op Mark en doet daar veel voor.

Foei, wat een verhaal! Hoe je dit bij elkaar verzint! Maar het is een heel grappig verhaal. Natuurlijk haalt Frankie streken uit, maar Mark verdient het!
Er is een leuke rol weggelegd voor de kantinejuffrouwen, want ja, het verhaal speelt grotendeels op school. De dikke, vette zombievis steelt je hart! En laten er nu al meer boeken over Frankie zijn! Ze moeten alleen nog vertaald worden.
En kijk ik nog eens zie ik iets leuks: onderaan de pagina's staat steeds een afbeelding van een vis in een kom. Dat dacht ik dus. Maar het blijken verschillende tekeningetjes te zijn. Als je fladdert met de pagina's zie je het visje er in en er uit springen!


Mo O’Hara is een Amerikaanse schrijfster van kinderboeken. Zij woont in Londen, waar ze behalve schrijfster ook actrice is.


ISBN 9789048860418 | Hardcover | 160 pagina's | Uitgeverij Moon | februari 2021
Illustraties van Marek Jagucki | Vertaald uit het Engels door Anne Douqué | Leeftijd vanaf 7 jaar

© Marjo, 18 maart 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De wind in de wilgen
Kenneth Grahame


De wind in de wilgen ontstond op vergelijkbare wijze als Alice in Wonderland en Winnie the Pooh, als een serie bedtijdverhaaltjes die later in brieven verder verteld werden door een reizende ouder. Het boek kwam voor het eerst uit in 1908, eerst in de Verenigde Staten en daarna in Engeland. De illustraties van Ernest H. Shepard zijn net zo beroemd als het verhaal zelf. De wind in de wilgen werd ook verfilmd, bewerkt voor televisie en opgevoerd als toneelstuk.


Het verhaal gaat over de avonturen van de Mol en de Rat, waarbij ze geregeld het pad kruisen van de Pad, de Das en de Otter.


Omdat het oorspronkelijk verhaaltjes zijn van een ouder voor zijn kind, is het niet vreemd dat je af en toe een opgestoken vingertje proeft: anderen helpen, erkennen dat je iets fout gedaan hebt, tevreden zijn, maar vooral ook genieten van het kleine.Je hoeft je dat niet ter harte te nemen, want buiten dat zijn het gewoon leuke verhalen: de Rat houdt van roeien en neemt de Mol mee over de rivier. Ze genieten van de natuur, en picknicken onderweg.


De Pad is een beetje een opgeblazen kikker (eh, pad dus) hij woont in een enorm huis, is rijk en hij wil iedereen laten zien hoe bijzonder hij is. En dat gaat nogal eens fout. Hij is bijvoorbeeld dol op auto’s, en maakt ongelukken bij de vleet. Als hij zelfs een auto steelt, belandt hij in de gevangenis. Maar: hij ontsnapt en beleeft een groots avontuur voor hij weer thuis is.


De dieren die als personages in het boek voorkomen zijn deels vermenselijkt. Hun gedrag kan nog heel dierlijk zijn, maar tegelijk zijn de verhoudingen onderling heel menselijk. Een rat en een mol die zo met elkaar omgaan, dat kan niet natuurlijk. Het vreemde is dat er ook dieren voorkomen in het verhaal die ‘gewoon’ dier zijn. ‘De’ mol is niet hetzelfde als ‘een’ mol. Daaruit kun je meteen opmaken hoe het verhaal als het ware gaandeweg verzonnen is.
Zouden kinderen van nu dit nog leuk vinden?

ISBN 9789021680354 | Hardcover | 208 pagina's | Uitgeverij Ploegsma | februari 2020
Eerste druk in 1908. 2020: Veertiende druk Hertaald uit het Engels door Reggie Naus | Voorlezen vanaf circa 6 jaar. Zelf lezen vanaf 8 jaar.

© Marjo, 26 februari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Allen voor één
Folkert Oldersma


‘Angstig keken we naar de speedboot, die met enorme snelheid op ons afstoof. Vliegensvlug sprongen we op en we wilden juist overboord sprongen, toen het roer van het razende monster op echt het allerlaatste moment werd omgegooid.’

Maar kletsnat zijn ze wel, de inzittenden van het veel kleinere bootje: Britt en Boris.


Bovenstaande tekst is het begin van het verhaal, meteen heel sterk!
De twee vrienden zijn op weg naar Schuytendam, dat is een stuk makkelijker als ze over het water gaan. Maar dan moeten ze niet van die vervelende pestkoppen tegenkomen. En dit is niet het laatste wat ze van hen zien!

In Schuytendam ligt het zeiljacht van de vader van Boris, die nu in het buitenland is. Aan boord ligt een zwaard, dat Boris wil gaan halen. Waarom hij dat zwaard nodig heeft, vertelt hij nog niet tegen Britt. De lezer weet het wel overigens. Maar hoewel dat later nog wel een rol zal gaan spelen is het avontuur dat in dit boek verteld wordt iets heel anders. Britt en Boris vinden namelijk in zijn vaders boot een jongen van hun leeftijd, die slecht Nederlands spreekt. De jongen is op de vlucht! Onze vrienden hebben de mannen die hem zoeken al gezien, twee ongure types. Wat is hier aan de hand?


De jongen, Tuan, komt uit Octnam, een land dat getroffen is door overstromingen, waar de ouders van Tuan het erg moeilijk hebben. Ze hebben de jongen naar het rijke Westen gestuurd. Met een aantal anderen is hij over land, soms met paard, soms liftend en een deel in een container naar Nederland gekomen. Niet zonder meer natuurlijk, ze zijn afhankelijk van mensensmokkelaars, zoals die twee ongure types dus.
Dat kan niet, vinden Britt en Boris. Zij zullen helpen. Maar hun voorstel om de politie er bij te halen valt helemaal verkeerd. Toch: dit kan niet, vinden de vrienden. Hier moet iets aan gedaan worden. Dat niet iedereen er zo over denkt, dat ontdekken ze ook al snel. Zal het de twee toch lukken om Tuan te helpen?
Een avontuur met haken en ogen, over een actueel onderwerp.

Voor wie Boris en Britt niet kennen: geen probleem. Ze stellen zich tussen de regels door opnieuw voor. Maar het is intussen al wel het derde boek over het tweetal.  Het verhaal wordt afwisselend door de kinderen verteld, waarbij duidelijk is dat Boris een weetgierige jongen is. Hij blijkt een heleboel te weten. Britt is meer van de daden, maar niet altijd even doordacht. Samen zijn ze een goed span, maar wat ook mee begint te spelen is de leeftijd. Ze zitten in groep 8, en hun klasgenoten vinden dat ze een stel zijn. Hebben ze nu verkering of niet?


Folkert Oldersma (1951, Leeuwarden) was werkzaam als leerkracht in het basisonderwijs en in het hoger beroepsonderwijs. Schrijven deed hij ook: handboeken op het gebied van onderzoek en hoogbegaafdheid, een educatieve kleuterreeks en, samen met andere auteurs, onderwijsmethodes. Ook schreef hij scenario’s voor tv en het theater. En jeugdboeken voor diverse leeftijden.


ISBN 9789044839678 | hardcover |162 pagina's | Uitgeverij Clavis| november 2020
Illustraties van Frodo de Decker | Leeftijd vanaf 8 jaar

© Marjo, 22 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Duupje
An Swartenbroekx


Nederlandse lezers kennen Duupje niet, laat daar nu maar eens verandering in komen!
Hij is de hedendaagse Vlaamse bengel, een deugniet met een hart van goud. Ieder kind (en volwassenen) herkent zich in zijn avonturen.


Duupje ontstond eind jaren 80, begin jaren 90. René Swartenbroekx schreef een hele reeks korte humoristische verhaaltjes, bedoeld voor jeugdige lezers. Toen heette Duupje nog Edelhart Dubois. De stukjes verschenen in het kinderblad Zonneland, met illustraties van Guido Van Looy.
An is René’s dochter. Zij herschreef de verhaaltjes zodat ze perfect in de hedendaagse tijd passen, er zorg voor dragend dat de humor bleef. Zijn naam veranderde mee, en zo stelt Duupje zich voor in dit boek:


‘Hoi!  Ik ben Pieter-Jan Dubois, maar iedereen noemt mij ‘Duupje’. Ik ben tien jaar en zit in het vierde leerjaar. Ik heb nooit goede punten, behalve op turnen. Vorig jaar was ik zelfs gebuist (of is het gebuisd?) op rekenen. Het liefst van al haal ik grapjes uit.’


Het is natuurlijk heel logisch dat er veel Vlaamse woorden gebruikt worden. Jammer is dat het daardoor lastiger wordt voor Nederlandse kinderen om precies te begrijpen wat er bedoeld wordt. “Versta jij dat’, ‘zagen,’ of ‘ik zie je graag’ dat betekent in België toch iets anders dan bij ons.
Verwittigen of stoefen, dat zal ook niet duidelijk zijn. Het ‘buizen’ uit bovenstaand citaat evenmin.


De verhalen op zich zijn evenwel erg herkenbaar en door de humor ook erg leuk! Het zijn de alledaagse dingen waar een kind van zijn leeftijd zoal tegenaan loopt, vooral thuis en op school. Aan zijn dertienjarige zus heeft hij niet veel. Plagerijen, pesterijen, zelfs ruzies komen vaak voor. Ze heeft nogal eens last van ‘mormonen’, zegt mama, met wie ze twee handen op een buik is.
Grappig is het verhaaltje waarin de twee hun gymtassen verwisseld hebben. Duupje vindt het niet zo erg, deze keer is Greet het duupje!
Maar meestal is het Duupje zelf natuurlijk. Hij neemt vaak heel letterlijk wat gezegd wordt: neem een voorbeeld aan Marieke betekent toch dat hij mag afkijken? Onkruid wieden, dat kan hij heel goed. Maar mama vindt van niet. En waarom zegt ze tegen hem dat ‘kletskes’ weggooien zonde is, en wordt ze boos als hij na een bezoek van de vriendinnen er voor zorgt dat de glazen zonder kletskes in de vaatmachine gaat?


School, dat is saai, en waarom moeten ze leren wanneer je een korte ei of een lange ij schrijft?
En verleden tijd: als ik geef ik gaf wordt, dan is ik bleef ik blaf toch?
Als er moeilijke woorden geschreven moeten worden in het dagboek, weet Duupje niet altijd hoe hij ze moet schrijven, dan staat het woord er in een ander lettertype met tussen haakjes een opmerking.
Soms zal de jonge lezer niet zo makkelijk raden wat daar bedoeld wordt. Een ‘peragolische’ dag???
Toch niet gek dat als zo’n dag op 1 april valt, dat Duupje dan denkt dat het een 1 aprilgrap is.

Thema’s als racisme, dyslexie en dyscalculie, ouderenzorg, alles komt voorbij.
Maar deze is erg mooi:


‘Ik verhuis naar een land waar nooit iemand kwaad is
Cola en ijsjes zijn helemaal gratis


Er zijn daar geen sommen, er is geen verdriet
Er zijn ook geen spruitjes, want die lust ik niet.


Geen huiswerk, geen straf, geen diskalculie
Waar ik nooit meer moet zeggen: ik snap dat echt nie
Een land waar niks moet en alles mag
En na mijn mopjes volgt altijd een lach


Een land waar ik nooit het duupje zal zijn
Waar altijd de zon schijnt, want dat vind ik fijn
Er zijn daar alleen maar vriendjes die blij zijn
Want in mijn land mag iedereen vrij zijn!’


Een schat van een jochie toch!


An Swartenbroekx (Genk, 1969) is een Belgische duizendpoot: actrice, presentatrice, scenariste en zangeres. Ze werd vooral bekend door haar rol van Bieke Crucke in de komische serie F.C. De Kampioenen.
Dieter Steenhaut heeft Duupje een eigentijds uiterlijk gegeven.

ISBN 9789002273063 | Hardcover | 163 pagina's | Uitgeverij Standaard | maart 2021
Afmeting: 19,8 x 15,5 x 1,7 cm | Illustraties van Dieter Steenhaut | Leeftijd vanaf 8 jaar

© Marjo, 1 april 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De dwergjes van Tuil
Paul Biegel


Vandaag, 25 maart, is de geboortedag van Paul Biegel (1925-2006) en dat wordt gevierd. Er zijn feestelijke activiteiten op scholen en in boekhandels en bibliotheken. Paul Biegel schreef sprookjesachtige verhalen over rovers, zeemeerminnen, dwergen en heksen. Zijn allereerste verhaal was getiteld De ontevreden kabouter en werd gepubliceerd in het nieuwsblad De Tijd toen Paul Biegel veertien jaar oud was. In totaal schreef Biegel meer dan 60 boeken.


Uitgeverij Gottmer ontfermde zich over zijn werk en begon in 2020 aan heruitgaven van de kinderboeken. In september 2020 verschenen de drie met een Gouden Griffel bekroonde titels – De kleine kapitein, Nachtverhaal en Het sleutelkruid in een nieuwe editie. - De kleine kapitein vierde in 2020 ook  zijn 50-jarig jubileum. - Hierna zal elk jaar een aantal titels in een nieuwe vormgeving uitgebracht worden. In 2021 zijn dit De dwergjes van Tuil, Virgilius van Tuil en De rover van Hoepsika.
De eerste twee boeken van 2021 zijn geïllustreerd door de bekende - en door mij zeer geliefde - illustratrice Mies van Hout.


De dwergjes van Tuil bestaat uit verhalen, die echter wel een chronologische volgorde hebben. Zij haken ook in elkaar, wat het geheel iets extra's geeft. Toch kunnen de verhalen makkelijk apart (voor)gelezen worden.


In De dwergjes van Tuil maken we kennis met de dwergjes die voornamelijk van honing van heidebloempjes leven. Maar als er een bijenvolk in de buurt komt wonen, kunnen de dwergen niet meer genoeg honing verzamelen voor de winter. Maar alle dwergen zijn bang voor de bijen, want bijen hebben wèl angels. Gelukkig ontdekt Kleine Pier toevallig iets waardoor de bijen én de kabouters toch honing kunnen verzamelen. Niet zoveel als anders, maar toch.


Maar dan wordt het winter en ja hoor halverwege de winter is de honing op. Wat nu? Iedereen loopt te piekeren en de dwergjes verzinnen van alles. Maar Kleine Pier denkt, als ik nu eens gewoon om honing vraag? Wie weet willen de bijen ons wel wat honing geven. Zwoe, de bijenkoningin, vindt dat zo dapper van Kleine Pier dat de lege pot die hij meenam helemaal gevuld wordt en... als hij meer honing nodig heeft mag hij terugkomen!
De dwergen van Tuil zijn dolblij en vanaf die dag werken de bijen en dwergen samen.


Na dit leuke verhaal volgen nog veel meer avonturen van de dwergjes maar vooral van Kleine Pier, want hij praat niet, maar doet! Zo heeft hij al heel veel slimme dingen gedaan én zelfs de bijen en de dwergjes een paar keer gered!


Het is goed te merken dat Paul Biegel een grote opmerkingsgave had die hij vormgaf via Kleine Pier. Kleine Pier is de dromer, de observator die steeds alle details ziet waardoor hij op bijzondere ideeën komt. Alle verhalen zijn hartverwarmend dankzij de natuurwonderen die Kleine Pier waarneemt. De vlinders, de lieve bijen, de wollige konijnen etc. Dat maakt het boek ook zo fijn om te lezen.
Mies van Hout heeft er heerlijke illustraties bij gemaakt. Alles bij elkaar is het puur genieten!


ISBN 9789025773830 | Hardcover | 120 pagina's | Gottmer | januari 2021
Leeftijd: 6+

© Dettie, 25 maart 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Van klein tot groots, deel 8
Astrid Lindgren
illustraties: Liza Hunter
tekst: Maria Isabel Sánchez Vegara


Deze keer is Astrid Lindgren, de 'moeder' van Pippi Langkous, aan de beurt in deze mooie serie over de levensverhalen van belangrijke vrouwen uit de wereldgeschiedenis.


We lezen eerst wat voor fijne jeugd Astrid Lindgren had en hoe ze op de kleuterschool kennis maakte met een voor haar leven zo belangrijk attribuut... het boek! Zo gauw ze kon lezen, las ze alles wat los en vast zat. Ze was zelf ook een beetje een Pippi. Ze kon lekker rebels zijn, ze was anders dan de andere kinderen.
Ondanks dat ze het leven niet altijd cadeau kreeg, had mevrouw Lindgren wel altijd haar fantasievolle geest die voor veel plezier zorgde.


En toen kwam Pippi...
Het grappige is dat zij de naam Pippi niet zelf verzonnen heeft, maar haar dochtertje Karin. Die wilde voor het slapen gaan van mama een verhaaltje horen over een meisje genaamd Pippi Langkous. Astrid Lindgren vond dat zo'n bijzondere naam, dat ze steeds meer verhaaltjes verzon over dit sterke meisje dat in het bezit was van een paard en een aapje en in Villa Kakelbont woonde. Pippi deed alles wat kinderen zelf ook wel zouden willen doen. Ze schreef de verhalen op en gaf ze aan Karin cadeau op haar tiende verjaardag. Maar niet alleen Karin vond de verhalen geweldig, al snel werd de hele wereld een beetje verliefd op de ondernemende, beteje brutale en altijd vrolijke Pippi.


Natuurlijk heeft Astrid Lindgren veel meer geschreven dan alleen maar over Pippi Langkous en ook die boeken zijn heel bekend geworden en daarover lezen we ook in dit boek. Maar de nadruk ligt vooral op het ontstaan van Pippi Langkous.
Achterin zien we nog een paar foto's van Astrid Lindgren met daarbij een korte biografie.


De afbeeldingen bij het levensverhaal moeten even apart benoemd worden. Die zijn vlot, modern en net zo kleurig als Pippi zelf! Een plezier om naar te kijken.


Gelukkig komen er nog veel meer 'van klein tot groots' boeken want ze zijn stuk voor stuk enorm leuk en interessant.


ISBN 9789051168358 | Hardcover | 32 pagina's | De Vier Windstreken | februari 2021
Nederlandse tekst: Antje Schoenhuys-Blaak | Afmeting 24,6 x 20cm | leeftijd 6+

© Dettie, 6 maart 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De rode ballon
Nadja van Sever


De achtjarige Sem krijgt een broertje. Of een zusje, waarschuwen zijn ouders hem, maar nee:


‘Je moet niet zo hard roepen,’ moppert mama. ‘De baby houdt niet van lawaai.’
Sem rolt met zijn ogen. Hij riep toch niet te luid. En die baby moet tegen een stootje kunnen. Hij hoopt zo dat de baby een broertje is. Daar kan hij een balletje mee trappen of lekker mee worstelen in de tuin.’


Nee, ‘een sullig meisje met een roze jurkje aan’, dat wil hij niet. Gelukkig grijpt mama meteen de gelegenheid aan om duidelijk te maken dat een jongen niet automatisch wil voetballen en een meisje, zelfs al houdt ze van roze, ook niet altijd alleen maar met poppen speelt.
Terwijl de zwangerschap duurt, is Sem toch alleen maar bezig met een broertje; op school schept hij er over op.
Maar dan komt er slecht nieuws; het kindje groeit niet genoeg. Mama moet naar een specialist, die helaas het oordeel bevestigt. Er is weinig hoop, de zwangerschap wordt beëindigd.


Terwijl we Sem volgden in het acceptatieproces van niet meer alleen zijn, geen broertje krijgen maar een zusje, en nu ook geen zusje, lezen we tussendoor hoofdstukken met een cursieve tekst, waarin het meisje, zijnde de baby aan het woord is. Vanuit de baarmoeder wil ze haar broertje en haar ouders helpen.
Kato, zo wil Sem dat zijn zusje zal heten, sterft. Je zou verwachten dat ze nu geen stem meer heeft, maar die heeft ze wèl!
En door haar te blijven opvoeren is het verhaal nog indringender. Natuurlijk vindt zij het ook niet leuk dat ze nooit met Sem kan spelen, maar, zegt ze, ik zal er altijd voor je zijn!


‘ik blijf wel in je buurt,’ fluister ik zacht. Ik blijf je coole zus. Ik zal er zijn als je me nodig hebt. Ik word wie of wat je wil: een ster aan de hemel, de ruisende wind, een vlinder, een kabouter in een paddenstoel, een vogel bij het raam of een mooie regenboog. Ik zal boven de wolken vliegen, maar ik kom altijd naar je toe als je me nodig hebt.
Al kunnen we nooit samen voetballen, ik zal zorgen dat jij een kei van een voetballer wordt. Dat beloof ik je lieve broer.’
Sem knikt nogmaals. Ik weet niet of hij me gehoord heeft, maar hij glimlacht weer, alsof hij alles wat ik zeg, diep binnenin wel weet.’


Heftig, dit thema over sterrenkinderen, kinderen die in de baarmoeder of net na de geboorte overlijden. Vragen worden beantwoord: wat gebeurt er precies als een baby al in de baarmoeder sterft? En wat doe je daarna?
Vanaf het slechte bericht al vrij voor in het boek gaat het over rouwverwerking. Hoe ga je als ouders, maar ook als toekomstige broer/zus om met een verdriet als dit? Er zijn schuldgevoelens – Sem bijvoorbeeld denkt dat Kato stierf omdat hij zo graag een broer wilde. Er is boosheid, en heel veel verdriet.
Het is heel begrijpelijk dat mama even geen oog meer heeft voor haar zoon. Hoe doorbreek je dat?


Welke mogelijkheden biedt de buitenwereld, als het thuis even niet lukt? Daarom staan achterin ook adressen. In dit geval van Vlaamse organisaties, maar in Nederland zijn er ook die hulp bieden. Er is de kindertelefoon, er zijn boeken over rouw en lotgenootgroepen.


Een belangrijk onderwerp, maar behoorlijk zwaar. Een jong kind zou dit beter niet in zijn eentje lezen, al is het wel vooral gericht op kinderen die iets dergelijks meemaken. Nadja van Sever beschrijft het op integere wijze, ze zet het niet aan, het verhaal op zich is al erg genoeg. En er is ook ruimte voor wat humor.
Een zwaar thema ‘op zijn Severs’ behandeld.

Nadja Van Sever (1965, Tervuren) is leerkracht in een basisschool. Zij schrijft boeken over moeilijke onderwerpen, zoals minderjarige vluchtelingen uit Afghanistan. En over ADHD, of over een meisje met een autismespectrumstoornis en een jongen met dyslexie.


ISBN 9789044839760  | hardcover |161 pagina's | Uitgeverij Clavis| januari 2021
Met zwart-wittekeningen van Frederique Culot | Leeftijd vanaf 8 jaar

© Marjo, 18 februari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De legende van de Feniks
Yang Fan, Zang Xu, Su Wenhao, Guo Yihong, Ran Debo


Dit boek werd ontdekt dankzij de tweejaarlijkse illustratorenwedstrijd Key Colours Competition China. Key Colours is een internationale wedstrijd voor het beste onuitgegeven prentenboek voor kinderen tussen 2 en 7 jaar. Een vakjury beoordeelt artistieke, literaire en kindgerichte kwaliteiten van de inzendingen. De winnaar ontvangt 7.500 en het bekroonde werk wordt door Clavis Uitgeverij uitgegeven. Elke illustrator mag aan de wedstrijd deelnemen, ongeacht nationaliteit, taal of ervaring. De wedstrijd heeft al veel mooie boeken opgeleverd, zie de winnaarslijst.


Van de zeven - van de twaalf -  inzendingen die ik dankzij deze wedstrijd heb mogen lezen is dit boek voor mij  tot nu toe het allermooiste boek. Het betreft een inzending uit China en de afbeeldingen zijn ongekend gedetailleerd en hebben alles wat je eventueel van een Chinese inzending kan verwachten.


Het verhaal gaat over Tuanzi, een jongetje met Chinees kapsel en kleding wat kinderen in Europa niet snel zullen dragen.
Op de achtergrond is ook een prachtige porceleinen vaas te zien een zwarte bank met rode bekleding en rolkussens. Toch doen de afbeeldingen wèl modern aan.


Tuanzi is alleen thuis en hij speelt met zijn hondje Wangwang. Maar ineens gaat er een bel en alles om Tuanzi verandert. Wangwang wordt een rode leeuw, de bloemen komen uit de vaas en alle spullen uit de kamer beginnen te zweven. Tuanzi springt op Wangwangs rug en samen zweven ze het raam uit, de lucht in.
We zien ze door een donker lucht vliegen en heel veel prachtige dieren zweven mee. Er groeien overal zeldzame bloemen en planten.


Hij zweeft over steden waarin mensen in prachtige Chinese gewaden rondlopen. Zij laten wensballonnen op wat ook al zo'n mooi effect geeft op de afbeeldingen. Onderweg hoort Tuanzi dat er een bijeenkomst van vogels gehouden wordt, genaamd De Dag van De Honderd Vogels.
Op een heel grote uitklapplaat zien we welke vogels daar allemaal  aanwezig zijn, Tuanzi kijtk zijn ogen uit en dan ziet hij de feniks, de allermooiste vogel die hij ooit gezien heeft. Een reiger vertelt hem de indrukwekkende legende van de feniks. En net als Tuanzi de mooie vogel aan wil raken hoort hij een stem...
Heeft hij nu alles gedroomd? Of toch niet?


Dit boek is echt indrukwekkend. Je kunt uren naar de afbeeldingen kijken en dan heb je nog niet alles gezien. Toch ogen de prenten heel rustig dankzij het uitgekiende kleurgebruik en de sierlijke, elegante tekeningen. Het verhaal zelf is ook bijzonder en leert ons dat alleen maar denken aan uiterlijke zaken niet zo slim is.
In totaal is dit boek een dikke tien waard.


ISBN 9789044839746 | Hardcover | 40 pagina's | Nur 274 | Uitgeverij Clavis | november 2020
Afmeting 26,7 x 25,7 cm | vertaald door Clavis uitgeverij

© Dettie, 7 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER