Nieuwe recensies Non-fictie

Slag in de Javazee
Oorlog tussen Nederland en Japan 1940 - 1942
Anne Doedens en Liek Mulder


De slag in de Javazee komt pas aan het eind van het boek aan de orde en wel vanaf pagina 149. De aanloop naar deze slag neemt het grootste deel van dit boek in beslag.


De auteurs beschrijven eerst Nederland als koloniale mogendheid en daarna het ontwaken van Japan, dat als het land van de Rijzende Zon in de jaren dertig van de 20e eeuw op veroveringstocht gaat. Nederland en Japan hebben een bijzondere relatie met elkaar gehad. Vanaf de 17e eeuw waren de Nederlanders de enige Westerlingen die een handelspost op het eiland Desjima mochten vestigen. Voor Japan was dat gedurende enkele eeuwen het enige venster op het Westen. Daardoor bleef het land op de hoogte van Westerse wetenschap, zoals geneeskunde, astronomie, natuurwetenschap en aardrijkskunde. Japanse wetenschappers leerden Nederlands en vertaalden Nederlandse boeken. Tot 1870 was het Nederlands de officiële taal voor contacten met het buitenland.


In 1941 breekt ook in het verre oosten de Tweede Wereldoorlog uit. Na de onverhoedse aanval van Japan op Pearl Harbour (7 december 1941) verklaart de Nederlandse regering in Londen de oorlog aan Japan. Voor de oorlogvoering was Japan in hoge mate afhankelijk van grondstoffen (olie, rubber) die vooral Nederlands-Indië in ruime mate kon leveren. Een snelle Japanse aanval op dit gebied lag voor de hand.


Nederlands-Indië was net zomin op oorlog voorbereid als Nederland dat was in 1940. De strijd met Japan was een deprimerende aaneenschakeling van nederlagen en tegenslagen. In 1926 was een vlootwet, bedoeld om de Nederlands-Indische vloot te moderniseren weggestemd in het Nederlandse parlement. “De consequentie was”, merken de auteurs wrang op, “dat de strijdkrachten het maar moesten stellen met een beperkt budget” (bladzijde 38). Er is wat dat betreft niets nieuws onder de zon. De afgelopen tien jaar is de Nederlandse krijgsmacht wederom zo goed als ontmanteld. Maar als de nood aan de man komt, stuurt de overheid wel slecht uitgeruste en getrainde troepen het slagveld op. In feite is dat misdadig.


Een kansloze strijd aangaan is niet verstandig. Dit punt speelde ook inzake de strijd om Nederlands-Indië. Karel Doorman, eskadercommandant, wilde de vloot terugtrekken naar Australië om samen met de geallieerden de strijd voort te zetten. De Nederlandse marine zou dan een factor van betekenis zijn gebleven. Admiraal Helfrich, opperbevelhebber van de marine, wilde dat Doorman de strijd aanbond in de Javazee om de bevolking te tonen dat Nederland hen niet in de steek liet.


De uitkomst van de zeeslag toont in mijn ogen het gelijk van Doorman aan. Bijna het gehele eskader van Doorman werd vernietigd. Voor de Japanners bleef de schade beperkt tot één beschadigde torpedojager. De afwezigheid van luchtsteun, het ontbreken van gegevens over de positie van de Japanse vloot, het gebrek aan training, de mindere bewapening, het ontbreken van moderne torpedo’s, bepaalden de uitslag van deze ongelijke strijd en maakten de opdracht van Helfrich tot een zelfmoordmissie voor Doorman en zijn mannen. En de bevolking? Die sympathiseerde in meerderheid met de Japanners en niet met de Nederlanders. De Slag in de Javazee liep uit op een catastrofe voor Nederland.


De Nederlandse onderzeeboten boekten wel enige successen in de strijd. De O 16 onder commando van Anton Bussemaker vernietigde c.q. beschadigde in december 1941 vier Japanse transportschepen. Helaas kwam hij dezelfde maand met zijn bemanning (op één na) om het leven toen zijn duikboot op een mijn liep. Minister Bussemaker op OCW is zijn kleindochter.
In verschillende opzichten leek de oorlog tegen Japan op de oorlog tegen Duitsland. De Japanners boekten in het begin van de oorlog met een Blitzkrieg eveneens enorme successen. Helaas evenaarden zij de Duitsers ook met gruwelijke oorlogsmisdaden (zie onder meer blz. 131 van het boek voor een overzicht)

Met de focus op de slag in de Javazee beschrijven de auteurs met vaardige hand de relatie tussen een agressief Japan en het Westen en de koloniale oorlogen die Nederland moest voeren om zijn gezag te vestigen. Het boek biedt dus veel meer dan de titel belooft.
Dit boek maakt deel uit van de serie Oorlogsdossier. Reeds eerder verscheen een deel over de Duits-Franse oorlog (1870) en een deel over de 16de eeuwse zeeoorlogen tussen de Republiek en Engeland.


Anne Doedens werkt bij Hoger Onderwijsinstellingen in Amsterdam en Liek Mulder was docent in het voortgezet onderwijs.


In 2016 kwam aan het licht dat drie Nederlandse oorlogsschepen van de bodem van de Javazee zijn verdwenen. Vermoedelijk zijn de schepen illegaal geborgen en als schroot verkocht. Dit tot ontzetting van de nabestaanden.


Een interessant boek en goed geschreven. Van harte aanbevolen.


ISBN: 9789462491380 | Paperback met illustraties | 208 pagina's | WalburgPers 2017

© Henk Hofman, 23 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Graailand
Het leven boven onze stand
Peter Mertens


Ik begin dit boek te lezen op de dag dat het NOS journaal het volgende nieuws brengt:


De verhouding tussen de allerrijksten en de allerarmsten in de wereld komt steeds schever te liggen, zegt ontwikkelingsorganisatie Oxfam Novib. Acht mannen bezitten evenveel als de 3,6 miljard armste mensen van de wereld. Zes jaar geleden bestond de groep van allerrijksten nog uit 388 mensen.
Zie http://nos.nl/artikel/2153210


“Dat is toch niet te geloven”, denk ik nog bij mezelf en dan lees ik eerst de tekst op de achterzijde van het boek:


De elite graait, grabbelt en grijpt als nooit tevoren. Ongestraft verstoppen miljonairs en multinationals miljarden euro’s in postbusbedrijven en belastingparadijzen. Overbetaalde politici walsen ongestoord de draaideur door tussen politiek en grootbedrijf.


Ik begin een beetje boos het boek te lezen en vraag me af of ik eigenlijk wel wil weten wat Mertens schrijft. Ik voel echter toch een soort verplichting om dit boek te lezen, ook als is de inhoud misschien verre van aangenaam. Het brengt de realiteit waarin ik leef heel dichtbij, maar daar houdt Mertens het niet bij. Hij biedt in Graailand, zoals ook achter op het boek te lezen valt:


een alternatief voor de profeten van de angst, Trump, Le Pen, Wilders. Het
[boek] toont de sprankeling van het sociaal verzet, stelt de new kids in town voor en offreert een politiek van hoop.


Daarmee is Mertens niet de verkondiger van het onheil, zoals de profeten van de angst dat wel zijn, maar hij biedt alternatieven die niet alleen haalbaar zijn, maar ook een rechtvaardiger samenleving zullen opleveren.


In het voorwoord van Marc van Ranst, Belgisch hoogleraar virologie, epidemiologie en bio-informatica aan de Katholieke Universiteit Leuven, lezen we dat dit boek van Mertens komt op een nieuw scharnierpunt in de geschiedenis. Van Ranst voorspelt dat, wat hij noemt, het nakende failliet van het ongebreidelde neoliberalisme, niet zonder slag of stoot zal verlopen, maar dat het komt. Hij meent dat steeds meer mensen de groothandelaars in angst niet meer geloven en ook niet meer trappen in de val van het nationalisme. De hoop kan het, volgens Van Ranst, winnen van de angst. Ik help het hem hopen en dit boek van Mertens zal zeker de lezers, de ogen daarvoor openen.


Het boek is geschreven over de Belgische realiteit, maar is uiteraard bijna één op één toepasbaar op die van Nederland. Meertens schrijft bijvoorbeeld over de Turteltaks, een energiebelasting, zie http://www.standaard.be/cnt/dmf20160429_02264957 waarvan politica Gwendolyn Rutten op de nieuwjaarsreceptie van haar partij roept dat zij daar geen schuld aan hebben. Mertens vraagt zich af of de schuld dan bij de gezinnen moet worden gezocht die jaarlijks honderd euro of meer moeten ophoesten.


Daartegenover zet Meertens de baggergigant Jan de Nul, die voor het investeren in duurzame energie, zonnepanelen, een enorme hoeveelheid subsidie ontvangt van de Belgische overheid en dus nauwelijks zelf hoeft te investeren. Een en ander is vergelijkbaar met een verhaal van het dagelijkse advertentievrij nieuwsmedium De Correspondent op internet over Shell met de titel De pr-praatjes van Shell zijn een stuk groener dan de investeringen, waarin zij aantonen dat Shell een leider wil zijn in de overschakeling naar de schone energievoorziening van de toekomst. Maar het investeert bij lange na niet voldoende om geloofwaardig te zijn.


Op veel plekken in het boek komt ook de trojka aan bod. De trojka is het driespan van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Muntfonds of Monetair Fonds, het IMF. Dit drietal is verantwoordelijk voor het opleggen van het dictaat om snoeihard te bezuinigen aan Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland. In dit laatste land had dit onder andere tot gevolg dat veel mensen hun waterrekening niet meer konden betalen. Gelukkig kent Ierland een rijk vakbondsverleden en een vrouw als Lynn Boylan die mensen kunnen verenigen en protest kunnen organiseren en zo ontstond de beweging Right2Water.


Dat is zo mooi aan dit boek van Mertens. Je leest dat mensen de zaken niet over hun kant laten gaan. Mertens zelf overigens ook niet, hij is ook aanwezig daar waar het nodig is. De rebel, de revolutionair, de actievoerder in de mens wordt wakker geschud en komt op tegen het onrecht en op een opbouwende manier zodat het werkt! Niet alleen maar roepen en schreeuwen, maar de juiste weg kiezen en daadwerkelijk doelen bereiken, goed geïnformeerd en zonder angst ten strijde trekken. Ze zijn er nog en dit boek getuigt daarvan.


De werkwijze van het huidige Europese Parlement of eigenlijk van zijn 'bewoners' krijgt er flink van langs van Mertens. Zo ook 'onze' Eurocommissaris Neelie Kroes, Steely Neelie, voor vrienden schrijft Mertens. De schrijver onthult haar riante inkomen, hij bepleit het vermogen van alle politici openbaar te maken, en beschrijft haar inconsequente gedrag. Kroes beloofde in 2004 “nooit meer een verantwoordelijkheid op te nemen in het bedrijfsleven, zelfs niet in een Bed & Breakfast”. Nu is ze, zo laat Mertens weten, alweer directielid bij Softwarebedrijf Salesforce, zit ze in de adviesraad van Bank of America Merill Lynch en is ze voorzitter van de beleidsadviesraad van Uber. Kroes zelf zegt zich altijd aan de regels te houden en ze vindt dat “Europa buitengewoon helder, transparant en snel moet handelen”.


Snel en roekeloos handelen kan 'Europa' inderdaad ten opzichte van landen die als kleine broertjes en zusjes worden beschouwd en die stoute dingen hebben gedaan. Daarvan is Griekenland een voorbeeld dat uitgebreid in de pers is verslagen.


Ik weet nog dat ik een documentaire van het VPRO programma zag over de gevolgen van de crisis in Griekenland. Een boer, ruim de pensioengerechtigde leeftijd overschreden, stond met zijn pet de tranen uit zijn ogen te vegen. Ze hadden hem verteld dat hij voor de Europese markt het beste broccoli kon gaan verbouwen op zijn grond. Dat advies had hij opgevolgd en daarvoor had hij zijn paar honderd jaar oude olijfbomen omgehakt en weggehaald. Nu had men hem verteld dat de broccoli niet zou worden gekocht door Europa, de export was gestaakt omdat de invoer te duur was geworden voor veel landen. Hij weende om zijn olijfbomen, want als hij die nog had gehad, had hij in ieder geval nog wat handel gehad op de lokale markt. Ik weende met hem mee.


Welke illusies en welke leugens er zijn verkondigd over Griekenland is te lezen in het boek van Mertens. Wie nog verder geinformeerd wil worden, kan ook dit ontluisterende gesprek, tussen Vanis Varoufakis, voormalig hij minister van financiën in het kabinet Tsipras en Noam Chomsky gaan zien en beluisteren. Dat gesprek bevestigt dat Mertens het meer dan bij het rechte eind heeft.


Dit boek van Mertens is een pamflet tegen de graaicultuur van degene die de macht hebben en dat opkomt voor de zwaksten in de samenleving. De poetsvrouw, die meer belastingen betaalt dan haar werkgever, de dakloze die buiten zijn schuld zijn werk heeft verloren en daarmee de grip op zijn leven, de hulpverleningsinstanties die deze zwakken in de samenleving proberen bij te staan, maar daarvoor steeds minder middelen krijgen omdat die middelen aangewend worden om de rijken nog verder te verrijken en die rijken wenden hun macht aan om de armen verder te verarmen.


Toch is dit boek van Mertens ook een boek van hoop, omdat er Mertens ons laat zien dat er mensen zijn zoals Mertens zelf, die deze misstanden in een boek wereldkundig maken, maar ook in politiek hun uiterste best doen om deze onrechtvaardigheden te bestrijden. Dank je wel Peter Mertens, ik weet wat me te doen staat als ik ga stemmen in maart!


Over de auteur:
Peter Mertens is auteur, socioloog, voorzitter van de linkse PVDA, en columnist op Knack.be. Voor zijn boek Hoe durven ze? (2011) kreeg Peter in 2012 de ‘Prijs Jaap Kruithof’. Het groeide uit tot een bestseller en werd een van de meest verkochte politieke boeken van de laatste decennia. Begin 2016 werd Peter door de lezers van Humo in de jaarlijkse Pop Poll uitgeroepen tot 'politicus van het jaar'.


ISBN 9789462670884 | Paperback | 408 pagina's | Uitgeverij Epo | 2016

© Ria, 7 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Harman I zed (Harmanized)
Robby Harman


Dit boek met CD bevat teksten die Robby Harman Sordam heeft geschreven bij de muziek op de CD, informatie over de muzikanten die in de nummers te horen zijn en korte verhaaltjes bij de nummers. Daarnaast bevat het boekje 5 pagina's met informatie over uitgaven van de IKO Foundation en 9 pagina's advertenties. Dit heeft natuurlijk alles te maken met de wijze waarop dit product tot stand is gekomen, namelijk met behulp van crowdfunding.


Het boekje begint met een voorwoord van Guilly Koster en dan volgen de verhaaltjes van Robby Harman, die min of meer met de nummers op de CD te maken hebben. Deze verhaaltjes staan op de rechterpagina's in het Nederlands en op de linkerpagina's in het Engels. Ieder verhaal eindigt met een vraag en een antwoord. De verhalen vertellen in chronologische volgorde iets over het leven van Robby Harman Sordam. Na het verhaal over 'I'll make love to you' volgt nog een extra stukje over z'n reis naar Suriname, waarover hij hiervoor al iets heeft verteld. Bij het nummer 'Upside down' bevat het verhaal maar één zin en een antwoord zonder vraag van 2 zinnen. Tussen de verhalen staan ook nog wat foto's van de zanger, soms met z'n kind. De verhalen in het boek zijn wel leuk, maar voor mij blijven ze een beetje bijzaak. Hij had wat mij betreft wel wat meer over z'n ervaringen in het verleden mogen schrijven.

De muziek, waar het een en ander toch om draait is makkelijk in het gehoor liggende pop-soul met jazz en Caribische invloeden. De stem van Robby Harman is te vergelijken met die van Al Jarreau. De volgorde van de nummers op de CD stemt niet overeen met de volgorde van de verhalen, vermoedelijk omdat er bij het samenstellen van een CD meer naar de muziek wordt gekeken. In een paar nummers wordt ook wat gerapt, hetgeen niet al te storend is.

De CD bevat ook een cover van het bekende Dire Straits nummer 'Sultans of swing', dat hier wel een heel ander jasje aan heeft gekregen, het origineel is  eigenlijk hoofdzakelijk in de tekst te herkennen.
In het bijbehorende verhaal wordt de vraag gesteld wat hem verbaasde aan de uitvoering van de hit van de Dire Straits (waarbij het mij niet duidelijk is of het nu om de uitvoering door de groep, of die van Robby Harman betreft) en het antwoord luidt: "Wie had ooit kunnen denken dat een publiek daar nu naar uit zou kunnen kijken."


Eigenlijk is dit geen boek met een CD, waarbij het boek leidend is en de CD daar een aanvulling op vormt, zoals bij de boekjes over muziek van Paul Witteman of de biografie van Chris Hinze, maar een CD met een boek. De CD is in mijn optiek het belangrijkste product van Harman I zed en het boek hoort er bij.


Beluister het eerste nummer op de CD, klik HIER

Bekijk het YouTube kanaal van Robby Harman Sordam en zijn mooie website

ISBN 978-90-6265-942-5 | Paperback | 122 pagina's | NUR 662 | In De Knipscheer/ORA Media Publishing 201

© Renate, 31 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Rodin
Genie aan het werk
Samenstelling Nathalie Bondil


Als je aan Rodin denkt dan zie je gelijk zijn grootse, bijna dramatische beeldhouwwerken voor je. Natuurlijk zijn De Denker, De Kus en het beeld van Balzac Rodins meest bekende werken. Maar, zo lezen we in deze enorme catalogus, in feite blijkt het ontwerp voor 'De Hellepoort', bestaande uit gebeeldhouwde deuren bestemd voor het nieuw te bouwen Mussée des Arts Decoratifs zijn allerbelangrijkste werk  te zijn. Het mussée werd overigens nooit gebouwd maar de latere werken van Rodin vinden wel veelal zijn oorsprong in een van de beelden die hij voor daarvoor maakte. De figuren uit de Hellepoort waren voor hem in feite een soort oerfiguren.


Maar voordat Rodin die opdracht voor de Hellepoort kreeg, had hij al een lange weg afgelegd. De in 1840 in Parijs geboren Auguste Rodin kwam uit eenvoudig milieu, hij kwam pas geleidelijk in aanraking met kunst. Achteraf was het een zegen dat hij niet toegelaten werd bij de Academie voor beeldende kunsten, daardoor kwam hij terecht op de Petite École, waar hij veel uit het hoofd moest leren tekenen. Iets waar hij later veel profijt van heeft gehad.


Mijn romantische beeld van een arme beeldhouwer, vanaf zijn jonge jaren ploeterend in een atelier en vechtend voor erkenning moest ik wel bijstellen. Tot circa zijn veertigste levensjaar werkte Rodin gewoon. Hij werkte zelfs tot 1882 in de porseleinfabriek van Sèvres terwijl hij in 1880 al de opdracht voor De Poort van de Hel/ De Hellepoort had gekregen.


Ook een ander romantisch beeld over Rodin moest ik bijstellen tijdens het lezen van deze uitgebreide catalogus. Omdat ik zelf niet bekend ben met de werkwijze van een beeldhouwer had ik het idee dat elk beeld eigenhandig uitgehakt werd door de grote meester. Ik zag hem met zijn 'hamer en beitel' in de weer om de meest mooie creaties uit bijvoorbeeld uit een brok marmer te toveren. Maar Rodin had het een en ander opgestoken bij de porseleinfabriek, o.a. de reproductie van belangrijke stukken. We zien in het boek dan ook een atelier van Rodin vol afgietsels van armen, benen, hoofden, torso's etc. van bijvoorbeeld beelden uit De Hellepoort. (Delen van) Die beelden werden, al dan niet uitvergroot, veel gebruikt voor nieuwe kunstwerken. Het is zelfs zo dat Rodin onderdelen van beelden samenvoegde en zo nieuwe, vaak aangrijpende beelden creëerde.


Het is vooral dit aspect van Rodins werk dat in de catalogus getoond en besproken wordt. In woord en beeld kunnen we zien hoe Rodin bestaande, eerder gebruikte ideeën omwerkte naar nieuwe beelden die frappant genoeg, stuk voor stuk een heel eigen, prachtige uitstraling hebben. Het is fascinerend om te zien. De tekst levert erg duidelijk uitleg over het proces en de vele foto's erbij illustreren het geheel uitstekend.


We zien zelfs gipsen afgietsels van bestaande lessenaars, oud aardewerk etc. waar Rodin delen van beelden op of aan had geplaatst. We lezen dan ook dat hierdoor veel van Rodins werk lange tijd als afgietsel beschouwd werd. Pas in 1980 werden deze afgietsels erkend als origineel werk. - Hij maakte zijn beelden immers eerst van gips of klei en daar werd door de gieter een afgietsel van gemaakt in een holle gietvorm.  -


Maar dit alles neemt niet weg dat Rodin een groot kunstenaar en harde werker was. Hij had diverse ateliers en werkte gemiddeld 14 uur per dag. Hij werkte het liefst met levende modellen. 'Ik heb voor naakt een oneindige bewondering en verering,' zei hij daarover.  Ook was hij gevoelig voor discipline in zijn vak en zag erop toe dat die werd gerespecteerd.
 

Rodin heeft ook heel korte tijd les gegeven op het Rodin instituut maar hield dat niet vol. Hij kon geen formeel onderwijs geven, wél in zijn atelier  op zijn manier.  Sommige bewonderaars wilden zelfs geen les van hem want 'Er groeit niets onder de schaduw van een boom'. Rodin was een te groot kunstenaar.


Kortom, alle aspecten van Rodins kunstenaarschap worden in deze uitgebreide catalogus behandeld. Zijn privéleven wordt wel genoemd maar niet uitgebreid besproken. Het draait dus vooral om het werk van Rodin.
Deze zeer fraai vormgegeven en rijk geïllustreerde catalogus, verschenen naar aanleiding van de tentoonstelling Rodin - Genius at work - gehouden van 19 november 2016 tot en met 30 april 2017 in het Groninger, toont ons wat Rodin dreef, hoe zijn kunstwerken tot stand kwamen, in opdracht van wie of waarom zij gemaakt zijn, maar vooral hoe bijzonder en enorm de genialiteit van Rodin was. Een rijk bezit om nog vele malen open te slaan.


Zie ook het inkijkexemplaar


ISBN 9789462581579 | Hardcover | 208 pagina's | Uitgeverij WBooks/Groningen museum | november 2016
Afmeting 2,5 x 36,3 x 25,3 cm | Uitstekend vertaald door Judith Wesseling

© Dettie, 27 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Akenfield
portret van een Engels dorp
Ronald Blythe


‘De dorpeling kan iedereen zijn, van een oude paardenman die ooit, in de tijd van sociale veranderingen eeuwen geleden, tot een familie behoorde die als een soort lijfeigenen het land bewerkten, tot aan een rijke landbouwtechnoloog voor wie het woord ‘boer’ een wonderlijk ouderwetse omschrijving begint te lijken, al behoren ze allebei, in de grote onderverdeling die de verbouwers van voedsel overal op aarde scheidt van de consumenten ervan, tot dezelfde groep. Diep in de aard van dergelijke mannen, en een wezenlijk onderdeel van hun hele bestaan, is het internationalisme van de beplante bodem dat hen, op dezelfde manier als de rijstoogsters van Vietnam of de wijnmakers van Bourgondië, tot mensen maakt die overtuigd zijn van bepaalde fundamentele opvattingen en handelingen die door de vooruitgang en de politiek kunnen worden ontwikkeld of in de war geschopt, maar nooit kunnen veranderen. Als het om het bestaan van het dorp als zodanig gaat, geldt het Plus ça change, plus c’est la même chose.’


Ronald Blythe, inmiddels 92 jaar, is geboren in het interbellum en tevens de laatste jaren van de landbouwcrisis, wees er van overtuigd dat hij weet waar hij over schrijft. Akenfield, gebaseerd op Charsfield waar Blythe in 1967 woonde, is een klein dorp in het zuidoosten van Engeland. Een doorsnee dorp, heel herkenbaar voor de ouderen onder ons. Het landschap zoals het toen was, het is verdwenen, de romantische heggetjes die een weitje omgrensde zijn weg, om de doorgang van de moderne tractoren te vergemakkelijken. De oude ambachten, weg, opgegaan in de grote fabrieken. Maar daarmee verdween ook de uitbuiting van de kleine man, die om zijn vaak grote gezin in leven te houden, lange werkdagen moest maken. De smid, de leraar, de agent, de rechter, de fruitplukkers en de priesters worden geïnterviewd over religie, landbouw, onderwijs, welzijn, over het leven en de dood.


Na een inleiding, geschreven in 1998, over waarom Blythe het boek schrijven wilde, volgen diverse hoofdstukken, waarin de gesprekken met de personages staan. Steeds is er een korte beschrijving van deze persoon waarna het interview volgt, geredigeerd tot een zeer leesbaar verhaal. Arme arbeiders, rijke boeren. Het romantische kleine boerenbedrijf versus de gemechaniseerde moderne grootgrondbezitter, die niet aarzelt chemicaliën te gebruiken om nog meer te kunnen oogsten.
En ook de dames en de jongeren krijgen het woord. Jongens die zich alleen bezig houden met 'de meisjes', maar ook een hardwerkende schapenherder, die ooit van een groot akkerbouwbedrijf droomde. Maar aan zulke dromen werkt de moderne tijd niet mee.


Door de achtergrond van de verhalen schemert de geschiedenis van Engeland door. Onder andere de twee wereldoorlogen en de urbanisatie. Hoe dit verschillend uitwerkte op mannen en vrouwen, en natuurlijk komt de godsdienst aan bod.
En dan het besef tijdens het lezen dat het allemaal echt nog niet zo lang geleden is wat hier beschreven wordt! En of de ontwikkelingen die geleid hebben tot onze moderne tijd het er allemaal zoveel beter op hebben gemaakt?
Dat leverde in 1969 een boek op onder de titel ”Akenfield. Portrait of an English Village” dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen. Destijds werd het meteen een bestseller, in 1974 kwam er een verfilming.


Ronald Blythe (1922) groeide op in Acton, Suffolk, de oudste van zes kinderen. Hij is schrijver, essayist en redacteur. Hij is een fellow van de Royal Society of Literature en de voorzitter van de John Clare Society. Blythe, nu 95 jaar oud, woont en schrijft in zijn boerderij Bottengoms, op de grens tussen Essex en Suffolk. Hij heeft geen rijbewijs en heeft nog nooit een computer gebruikt.


ISBN 9789048828449 | Paperback | 416 pagina's | Uitgeverij Lebowski | juli 2016
Vertaling uit het Engels door Edzard Krol

© Marjo, 25 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Tussen hemel, ijs en aarde
Carla Zijlstra

De schaatsliefhebbers onder ons kennen haar naam ongetwijfeld nog; Carla Zijlstra. Tienmalig Nederlands kampioen, twee keer tweede bij de wereldkampioenschappen en deelneemster van drie Olympische Spelen, waarbij ze twee keer vierde werd. Een stayer pur sang. In dit boek beschrijft ze haar memoires. Het levert een boeiend en openhartig inkijkje in haar leven als topsporter én in de schaatswereld op.


Het boek begint bijna aan het einde van haar loopbaan, in 1997, in een hotelkamer in Warschau die verdacht veel op een hoerenkamer lijkt. Liggend in bad geniet Zijlstra van de twee medailles die ze dat kampioenschap op de 3 en 5 kilometer gewonnen heeft. Het is het eind van een lange weg met veel pieken en dalen en het resultaat van keuzes die soms dwars tegen de stroom in gingen. Geen makkelijke weg, eentje ook die de nodige offers vroeg en de nodige eenzaamheid en confrontaties met zichzelf en anderen met zich mee bracht, maar wel een weg die altijd weer voldoening gaf. Omdat er uiteindelijk niets fijner is dan het allerbeste uit je zelf halen.


Als kind lag een topsportcarrière niet meteen voor de hand, eerst heeft ze O-benen, later X-benen, waardoor haar benen langere tijd gespalkt moeten worden. Desalniettemin begint ze met turnen, maar via een vriendin komt met schaatsen in beeld, waar ze buitengewoon talentvol in blijkt. Via de gewesten schaats ze zich al snel bij de kernploeg van De KNSB waar ze zich plaats voor de Olympische Spelen in Albertville, waar ze twee keer vierde wordt.


Na Albertville wordt de damesploeg zonder enige noemenswaardige communicatie opgeheven. Alle zekerheden komen op losse schroeven te staan. Na twee onzekere maanden besluit de KNSB toch verder te gaan met de dameskernploeg onder leiding van Henk Gemser. Er wordt vanaf dan eindeloos gesleuteld aan de schaatstechniek, maar in plaats van dat het beter gaat heeft Zijlstra het gevoel dat ze alle grip op wat ze kan verliest;


Ik sla een weg in waarvan ik later niet meer weet hoe ik er gekomen ben. Ik verlies de kunst om gedachteloos te schaatsen en te genieten van het bewegen op ijs, de wind, een rake afzet. Ik heb het gevoel dat ik met mijn techniek een reis maak door Europa; de wegen van Frankrijk en Duitsland herken ik. Ik ben niet te ver van huis en kan zo weer terug. Tegen de tijd dat ik bij Turkije de grens over ben en op mulle zandpaden terecht kom, ben ik mijn vertrouwde omgeving en richtingsgevoel kwijt en heb geen idee hoe ik terug moet. Ik tast volledig in het duister, maar ben te ver weg om grip te krijgen op de situatie. Met een blik op oneindig heb ik nauwelijks gevoel. Ik ben moe van het denken aan techniek, moe van het schaven en polijsten en moe van trainen. Ik ben elke referentie kwijt en heb geen idee wanneer ik uitgerust ben. Mijn heerlijke schaatsgevoel komt zelden langs. Dit zal terugkomen als de techniek is ingeslepen. Ik werk en wacht.


Maar het resultaat blijft uit. Op alle afstanden schaats ze ondanks al het harde werken, langzamer dan het jaar ervoor. En, rode draad in het boek, er is geen enkele ruimte voor communicatie, feedback en zelfs maar de sfeer van veiligheid om te gevoelens onder woorden te brengen, laat staan kritiek te hebben. Ook het teamgevoel ontbreekt volledig, het is ieder voor zich, alle solidariteit ontbreekt.


Zijlstra beseft dat ze het zo niet langer volhoudt, alle bezieling en alle plezier in het schaatsen is weg, ze voelt zich kapot en gevoelloos en op. Ze wil nog wel verder, maar niet meer op de oude voet. Ze besluit meer op haar eigen gevoel en intuïtie te vertrouwen, meer afgewogen en gedoceerd te trainen en niet íedere training voluit te gaan, maar zichzelf ook eens wat reserves te gunnen. Er komt weer balans. Ze presteert ook beter dan de jaren ervoor, ze wordt tweede en derde op de wereldkampioenschappen in Warschau, de scene waar het boek mee begint. Het geeft haar de energie om verder te gaan, en met de Olympische Spelen in zicht is er alle bezieling om nog één keer te vlammen.


Maar weer komt er een kink in de kabel, als net voor de spelen er van coach wordt gewisseld en Sijtje van der Lende in beeld komt, een coach waar ze geen enkele klik mee heeft. Ze besluit dat ze zo niet het Olympische seizoen in wil en zoekt hulp voor het schrijven van trainingsschema’s bij haar oude coach Arie Koops, maar de sfeer in het team is ver te zoeken en ook deze Olympische Spelen worden niet wat ze er van gedroomd heeft. Na de Spelen hoort ze via via dat ze niet meer in de kernploeg zit. Ze vecht deze beslissing aan en krijgt gelijk.


Achteraf gezien vind ze dat ze niet in die ploeg had moeten starten, dat ze de Olympische Spelen desnoods maar had moeten laten lopen, maar dat ze er voor had moeten kiezen om in een team te werken met mensen die ze vertrouwde. Ze besluit te stoppen. Na haar carrière emigreert Zijlstra naar Australië, daar woont ze nu met haar gezin en werkt in de Snowy Mountains als fysiotherapeut.


Dit boek neemt je als buitenstaander mee in een wereld die je alleen van de buitenkant kent. Het is niet altijd een plezierig inkijkje, het gebrek aan communicatie én de beslissingen die soms dwars tegen de belangen van de sporters in, op de vreemdste momenten worden genomen, laten je als lezer vaak met open mond achter. Voor het uiten van gevoelens, twijfels of kritiek is geen enkele ruimte. Het boek schets het beeld van een sporter die in die wereld met vallen en opstaan haar weg probeert te vinden. Ze maakt daardoor keuzes die haar niet altijd in dank af worden genomen, maar blijft wel zo dicht mogelijk bij zichzelf. Het is dan ook een openhartig boek geworden, wat vlot weg leest. Want het moet gezegd, Zijlstra kan écht schrijven.


ISBN 9789089549099 |  Paperback | 322 pagina's | Uitgeverij Elikser | december 2016

© Willeke, januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De existentialisten
Filosoferen over vrijheid, zijn en cocktails
Sarah Bakewell


Voor wie de boeken van existentialistische schrijvers te ingewikkeld zijn, is er nu het boek van Sarah Bakewell. Glashelder en met grote passie beschrijft zij de periode van het existentialisme (1930-1980), beginnend bij Husserl en eindigend met het overlijden van Sartre (1980) en Simone de Beauvoir (1986). Naast deze personen gaat zij in op het werk van Heidegger, Merleau-Ponty, Camus, Emmanuel Levinas, Karl Jaspers en Raymond Aron. De centrale, bindende figuur is Sartre. Zo wordt dit boek meer dan een uiteenzetting over de existentialistische filosofie. Het is tegelijk ook een biografie. De twee hoofdpersonen: Sartre en Simone de Beauvoir verdienen een schrijfster van deze allure. Het boek is mooi geschreven, bijzonder onderhoudend en getuigt van een indrukwekkende kennis van zaken.


Vrijheid is het grote thema van de existentialisten – in het bijzonder van Sartre. Hoeveel vrijheid kunnen en moeten wij elkaar toestaan? Betekent vrijheid dat de mens bestaande grenzen moet overschrijden, zodat ook het recht om te beledigen onder dit begrip valt? Hoeveel vrijheid staan wij af aan overheid en multinationals in ruil voor welvaart en gemak? Hoe verhoudt vrijheid zich tot traditie en tot moraal?


Vrijheid werd vooral vertaald naar de politiek, de samenleving en naar de seksualiteit. Dat laatste gold voor alle existentialisten, maar weer in het bijzonder voor Sartre en De Beauvoir. Geen van beiden wilden ze een burgerlijk huwelijk of kinderen. Zij wilden een open relatie waarin plaats was voor andere relaties - in het geval van De Beauvoir omvatte dat ook lesbische relaties - op één voorwaarde: ze zouden naar elkaar open zijn over al hun andere seksuele relaties.


Sarah Bakewell oordeelt mild en begripvol over deze afspraak. Evenzo aangaande het onmatige alcohol- en drugsgebruik van vooral Sartre. Annie Cohen-Solal was heel wat kritischer over beide zaken in haar biografie uit 1985. Hetzelfde geldt voor Carole Seymour-Jones die in 2008 vermeldde dat het stel maar net aan aangifte bij de politie ontkwam. Een boze Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar Nederlandse literatuur, noemde het boek van Seymour-Jones “een afrekening van een fatsoensrakker” (NRC-boeken, 30 mei 2008).


Wat de vrijheid in politieke zin betreft, blijft de blinde vlek voor totalitaire regimes van Stalin, Mao en Castro merkwaardig. Sartre noemde de showprocessen achter het IJzeren Gordijn gerechtvaardigd vanuit communistisch perspectief. Simone de Beauvoir meende in 1948 dat de communisten overal op de goede weg zaten. Ook Bakewell verbaast zich erover dat het stel “een aantal verfoeilijke regimes” verdedigde (blz. 370).


Existentialisten schreven niet vanachter hun bureau. Cafés speelden een hoofdrol in het leven van Sartre en De Beauvoir. Daar ontmoetten ze dichters, toneelschrijvers, journalisten en kunstenaars. Daar discussieerden zij en schreven zij aan kleine tafeltjes passages voor hun boeken. Daar dronken ze koffie en cocktails.


Regelmatig beschrijft Bakewell haar eigen ervaringen met existentialistische boeken. Boeiend om te lezen. Het inspireert mij om ook mijn bevindingen te noteren met betrekking tot Le deuxième sexe. Met dit boek vestigde De Beauvoir wereldwijd haar reputatie. Met de opbrengst van het boek kon zij een fraai appartement in een mooie wijk van Parijs bekostigen. Het is haar van harte gegund, maar het boek heeft mij nooit overtuigd. De centrale zin in dit boek luidt: Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt vrouw.
Deze zin omvat een aantal zaken die elk voor zich niet kloppen. In de eerste plaats kan eenieder waarnemen dat een vrouw als vrouw wordt geboren. In de tweede plaats veronderstelt de schrijfster een patriarchale samenleving waarin onvrije vrouwen leven. Dit komt echter niet overeen met de historische werkelijkheid. Het verleden moet je niet beoordelen met de bril van het heden, want dan leg je de normen van nu op aan een vroegere samenleving. Manon van der Heijden (hoogleraar in Leiden) heeft aangetoond dat vrouwen in Holland in de 17e en 18e eeuw vrij, assertief en zelfverzekerd waren. Het merendeel van de echtscheidingen werd in de 17e eeuw door vrouwen aangevraagd. In de derde plaats: als de vrouw tot vrouw wordt gemaakt wat is zij dan als ze eigenlijk geen vrouw is? Wie en wat is dan de maatstaf waar ze zich op richten moet? De man en de mannenwereld? Als het moederschap niet langer bepalend is voor de vrouw wat rest er dan anders dan het betreden van de mannenwereld en de concurrentie met de man aangaan? Als de vrouw geen vrouw is, is ook het moederschap weg (Simone de Beauvoir rept met geen woord over moederschap) en zal vergrijzing het gevolg zijn.


Bakewell stelt dit type vragen helemaal niet. Zij wijst wel terecht op de geweldige omwenteling die dit boek teweeg heeft gebracht in de sociale ordening van de samenleving.


Zo plaats het boek van Bakewell ons midden in de actualiteit, waarin de consequenties van deze denkstijl tot het uiterste zijn opgerekt. De mens is in de eerste plaats een individu, hij is vrij, kiest in vrijheid en is daarmee zelf verantwoordelijk voor zijn lot, maar die vrijheid is verbonden aan de angst van een eenzame mens in een absurd universum.


Verdraagzaamheid is uitgegroeid tot één van de sleutelbegrippen van deze tijd. De opvallende contradictie is dat we tegelijk bijna niets meer van elkaar kunnen verdragen. Hoe zou Sartre dat verklaren?


De schrijfster van dit prachtige boek was zestien jaar toen zij existentialist werd na het lezen van De Walging van Sartre. Ze studeerde filosofie aan de universiteit van Essex en geeft tegenwoordig les aan het Kellog College te Oxford.


ISBN: 9789025905477 | Paperback | 464 pagina's | Uitgeverij Ten Have | november 2016

© Henk Hofman, 9 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De oude man en de kat
Nils Uddenberg


Beweerd wordt dat een kat zijn baasje uitzoekt en als je dit boek leest dan blijkt maar weer dat die bewering echt waar is.

Nils Uddenberg, een gepensioneerd psychiater, ziet op een dag een klein, maar volwassen katje balanceren op de deur van zijn schutting. Het is ijskoud buiten en hij verwondert zich dat het beestje daar ineens zit, maar verder slaat hij er geen acht op. Maar het katje laat zich vaker zien en blijkt een slaapplek te hebben gevonden in de mand met gereedschap in hun ijskoude schuurtje. Op een of andere manier trekt Nils zich het lot van het beestje aan. Hij heeft nog een paar hondenbrokjes over, na het bezoek van zijn kinderen met hun twee honden, en geeft het katje er een paar van. Het offer wordt dankbaar geaccepteerd. En zo sluipt het diertje langzaam het leven in van Nils en zijn vrouw.


Uddenberg staat verbaasd van zijn eigen reactie, hij is dan wel wat sentimenteler geworden sinds hij ouder is maar hij heeft altijd beweerd dat hij geen huisdieren wilde. Hij is daarvoor te veel van huis - het echtpaar maakt graag verre reizen - en wil zich niet gebonden voelen. Bovendien wilde hij nooit de verantwoordelijkheid voor een huisdier dragen.
Maar de kat trekt zich er niets van aan en Nils raakt ondertussen behoorlijk gehecht aan het beestje. Op een dag vindt hij zichzelf, tot zijn eigen verbazing, terug in de supermarkt bij het kattenvoer. Het beestje krijgt eten en een eigen mand in huis en slaapt 's nachts graag bij vrouwtje op bed. Nils Uddenberg merkt dat hij het geronk dat het diertje produceert hem een uitermate prettig, huiselijke en veilig gevoel geeft. Ook treft hij zichzelf met de kat bij de dierenarts aan om te kijken of het diertje wel gezond is én om het te laten helpen, want een rondsproeiende kater of een huis met jonge poesjes dat kan écht niet.  Dat zou toch wel teveel van het goede worden.


Onder het werken, Nils schrijft veel boeken en artikelen, stimuleert het gezelschap van het beestje hem. Het geeft hem een goed gevoel dat hij samen met het diertje in één ruimte verkeert en de rust toch bewaard blijft. En als Poes (want het blijkt een vrouwtje) een paar dagen onvindbaar is dan merkt Uddenberg hoe zeer het kleine beestje al een onderdeel van zijn leven is geworden. Zijn kinderen zijn ook blij met de komst van Poes, het doet hun vader goed vinden ze. En zo verovert Poes de aanvankelijk tegensputtende Nils helemaal. Ze pakt hem in met haar mooie ronde ogen, met haar geronk en haar eigenzinnige gedrag. Nils vindt Poes fascinerend.

Natuurlijk komt ook de psycholoog in Uddenberg naar boven bij het observeren van Poes. Als het diertje uren uit het raam zit te kijken kan hij het niet laten te mijmeren over wat er om zal gaan in het beestje en wat voor leven Poes had voor ze zijn huis uitzocht om in te gaan wonen.


Het is geen verhaal geworden zoals zoveel andere 'baasjesboeken' waarin verteld wordt hoe leuk en uniek hun huisdier is. Het is het verhaal van een man die tot zijn eigen verbazing merkt, hoe bijzonder en aangenamer zijn leven is geworden met Poes in huis.
Doorheen het boek staan fraaie zwart-wit afbeeldingen van allerlei katachtigen, maar vooral van Poes.
Kortom, een erg prettig boekje, in mooie taal geschreven. Echt een must voor alle kattenliefhebbers.


ISBN 9789460031083 | Hardcover | 176 pagina's | Uitgeverij Balans | maart 2016

© Dettie, 5 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Nu even niet(s)
Cathy Saelens


Nu even niet(s) is de biografische zoektocht van Cathy Saelens, naar een diagnose voor haar onverklaarbare klachten. In 2011 krijgt Cathy, dan 45, uit het niets last van spierzwaktes en tijdelijke verlammingsverschijnselen. Toen ze 29 was, had ze al eens eerder een klein jaar lang last had van krachtverlies in haar enkel en linkeronderbeen, maar dat ging toen gelukkig over. Tot nu dus en nu gaat het niet alleen om krachtverlies, maar om van het ene op het andere moment volledig verlamde armen en benen, een toestand die meestal wel een uur duurt en dat vaak wel drie keer op een dag. Daarnaast treedt er een steeds groter krachtverlies op, op de momenten dat er geen verlamming is, waardoor lopen en voor zichzelf zorgen steeds moeilijker wordt.


Er volgt een lang traject langs artsen en therapeuten, maar de oorzaak wordt niet duidelijk. Men denkt aan een conversiestoornis, een psychische aandoening die zich op verschillende manieren kan uiten. De oorzaak ligt daarbij in acute stress door angst of woede die de persoon niet kan verwerken. Door de spanning die hierbij optreden, schakelen de hersenen bepaalde lichamelijke functies uit, zodat de patiënt de stress niet meer ervaart. Hierbij ontstaat het beeld dat kan lijken op een neurologische ziekte.


Cathy wordt opgenomen in een kliniek voor onverklaarbare lichamelijk klachten (KOLK) in Brugge en er volgen therapieën en gesprekken, maar zonder resultaat. Als de psycholoog bij haar laatste gesprek vraagt of ze ze zich kan verzoenen met de diagnose van onverklaarbare klachten of dat ze er voor kiest om toch nog een andere dokter te consulteren, slaat de twijfel toe. Is er dan tóch nog een mogelijkheid dat ze iets anders heeft?


Toch brengen de revalidatie en de gesprekken ook goede dingen te weeg, in plaats van te vechten tégen de beperkingen die deze ziekte met zich mee brengt, besluiten zij en haar partner te beginnen met de nodige aanpassingen aan hun levenspatroon en omstandigheden, om zo goed mogelijk met deze ziekte te kunnen leven. Er komt een rolstoel en het huis wordt verbouwd, praktische zaken die goed te regelen zijn.|
Het geestelijke proces van aanpassingen blijkt een stuk lastiger. Cathy kan eigenlijk niets langer dan tien minuten en maximaal anderhalf uur rechtop zitten is haar maximum. De wereld is daardoor piepklein geworden en een sociaal isolement dreigt. Ze probeert zich vooral te richten op wat nog wél lukt, maar leert ook dat af en toe verdrietig zijn en te rouwen om wat er niet meer kan, nodig is om ruimte te maken om verder te kunnen. Toch blijft de opmerking van de psycholoog nog regelmatig door haar hoofd zeuren… wát als er toch iets anders aan de hand is dan een conversiestoornis.


Tot ze op een avond op tv het programma “Mystery Diagnosis” ziet, wat gaat over de ziekte Hyperkalemic periodic paralysis, een ziekte waarbij tijdelijke verlammingen voorkomen. Ze kijkt met open mond, het is alsof ze naar haar eigen verhaal zit te kijken. Bij deze ziekte worden de verlammingen veroorzaakt door een teveel aan kalium in het bloed. Snelwerkende suikers zouden de verlammingen kunnen verkorten, iets wat ze natuurlijk meteen uit gaat proberen, en inderdaad er is meteen verschil in de duur van de verlammingen te zien. In overleg met de huisarts start ze met de medicatie die bij deze ziekte wordt voorgeschreven en de verlammingen verminderen meteen; geen twee a drie verlammingen van een uur meer per dag, maar één a twee, en ook de bijbehorende spierzwaktes nemen in duur af. Vreemd genoeg blijkt uit de testen die worden afgenomen dat ze deze ziekte toch niet heeft.


Weer volgt een traject langs artsen met alsmaar hetzelfde resultaat; ze heeft de ziekte niet. Er wordt gesuggereerd dat de verbeteringen een placebo-effect zijn. Cathy voelt echter aan alles dat haar lichaam goed op de medicatie reageert en kan zich niet voorstellen dat de testuitslagen kloppen. Via het internet neemt ze contact op met Amerikaanse arts, die haar doorverwijst naar een arts in Duitsland en zo krijgt ze na bijna vijf jaar van zoeken eindelijk haar definitieve diagnose ; hyperkaliemische periodieke paralyse, een variant die bij een deel van de patiënten nog niet genetisch te testen is, vandaar alle negatieve testuitslagen. Ze krijgt andere medicatie en vanaf dan slaan de verlammingen af en toe een dag over. Nog steeds is het leven beperkt, maar met de juiste medicatie, een kaliumarm- dieet en het vermijden van triggers die de verlammingen kunnen uitlokken, is het leven een stuk leefbaarder geworden. Op goede dagen kan ze tegenwoordig twee uur achter elkaar iets ondernemen. Voor gezonde mensen nog bizar weinig, maar als je van nul komt, is dat een wereld van verschil.


De reden van dit boek is duidelijk, het is geschreven voor mensen met dezelfde ziekte, voor lotgenoten zonder diagnose, maar ook en misschien wel vooral voor artsen die patiënten zoals zij onder ogen krijgen, in de hoop dat ze aan deze ziekte denken en het verder onderzoeken als ze een patiënt met haar symptomen onder ogen krijgen, zodat anderen het traject wat zij moest ondergaan, bespaard kan blijven.


Omdat het boek niet alleen de zoektocht naar een diagnose beschrijft, maar ook het acceptatieproces van leven met een chronische en ernstig beperkende ziekte, is het ook een boek wat heel herkenbaar en behulpzaam kan zijn voor andere chronisch zieken. Het beschrijft de isolatie waarin je terecht kan komen, hoe moeilijk het is om van hulp afhankelijk te zijn, de confrontaties met jezelf en anderen, maar ook het blijven kijken naar wat wel mogelijk is en daar wat genieten. En verder is het bovenal is een oproep om je intuïtie te volgen… als je zelf het idee hebt dat een diagnose niet klopt, blijf zoeken!


ISBN 9789463428804 | Paperback | 200 pagina's | Uitgeverij mijnbestseller.nl | december 2016

© Willeke, 29 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De droom der Verlichting
De opkomst van de moderne filosofie
Anthony Gottlieb


Dit boek wil recht doen aan het werk van een negental filosofen uit het tijdvak van de Verlichting. In de woorden van de schrijver: “Dat doen we niet door ze te beoordelen vanuit het kader van onze tijd. We moeten pas op de plaats maken en in hun schoenen gaan staan.” (blz. 10).


De droom der Verlichting maakt deel uit van een serie.
Deel 1 behandelt de filosofie van de Grieken tot de Renaissance. Dit zelfstandig te lezen tweede deel, dat de 17e en 18e eeuw omvat, is het vervolg hierop. De auteur kondigt nog een derde deel aan dat het tijdvak van Immanuel Kant tot heden zal omvatten.


In dit tweede deel bespreekt Anthony Gottlieb de volgende filosofen: Descartes, Hobbes, Spinoza, Locke, Bayle, Leibniz, en Hume. Het slothoofdstuk is besteed aan Voltaire en Rousseau. Hierin bespreekt de auteur tevens wat de Verlichting betekent voor onze tijd.


Er zitten een aantal sterke kanten aan dit boek.
Sterk is dat Gottlieb de filosofen in gesprek laat gaan met elkaar. Zo plaatst hij de ideeën van Thomas Hobbes in rapport met die van Descartes en Leibniz. Het interessante is dat daardoor overeenkomsten en verschillen, sterke en zwakke punten worden bloot gelegd.


Een ander sterk punt is dat de auteur hier en daar wat mythes doorprikt. Een voorbeeld daarvan is “de edele wilde” die helemaal niet zo vredig en aardig werd voorgesteld als Rousseau wordt verweten. Gottlieb praat niemand na, maar gaat van elke filosoof heel nauwkeurig na wat deze nu precies voorstond.


Een derde sterk punt is dat Gottlieb laat zien wat de verbindende thema’s zijn in deze twee eeuwen. Het gaat dan om tolerantie, het probleem van het kwaad, het bestaan van God, de verhouding tussen ziel en lichaam, de bestudering van de natuur. Het zijn onderwerpen uit de natuurwetenschap, theologie en ethiek.


En tot slot, om niet meer te noemen, gaat Gottlieb in op de vraag welke kwesties nog steeds door moderne filosofen worden aangesneden en in welke vorm zij dat doen.


De Verlichting was een tijd van zelfvertrouwen. De kennis van de natuur nam met sprongen toe. Dat werd de motor achter het optimisme en het vooruitgangsgeloof dat zo kenmerkend voor de Verlichting is geworden. De Verlichtingsfilosofen beschouwden het als een voorrecht in hun tijd te leven (blz. 274). De keerzijde daarvan was zelfgenoegzaamheid en een gebrek aan zelfkritiek. Uiteindelijk bleven de aanhangers van deze denkstroom een betrekkelijk kleine bovenlaag die wisten wat goed was voor de rest van de samenleving. Zij gaven zichzelf een beschavingsopdracht, geënt op het idee van de maakbaarheid van de samenleving. In feite keek men wat neer op de massa, die onderontwikkeld was, en nog niet goed begreep wat goed was voor hen. De filosofen zouden het uitleggen.


Vandaag de dag is er veel kritiek op de Verlichtingsfilosofie. Het vooruitgangsgeloof zou aan de basis liggen van roofbouw op de natuur en van onmenselijke dictaturen in nazi-Duitsland en communistisch Rusland. De auteur neemt de Verlichting in bescherming tegen deze kritiek. Je kunt mensen niet aansprakelijk stellen voor hun denkbeelden als die decennia later door volgelingen verdraaid worden. (blz. 278). Een terecht punt, al blijf je nog wel zitten met de vraag hoe het zit ten aanzien van de samenhang tussen Verlichting en het direct daarop aansluitende schrikbewind van de Franse terreur onder Robespierre.
Ook kan de vraag gesteld worden in hoeverre het optimisme van de Verlichting getuigde van naïviteit ten aanzien van de menselijke natuur en de weerbarstige werkelijkheid van alledag.


Dit neemt niet weg dat Gottlieb een prachtig boek schreef dat gekenmerkt wordt door grondigheid en deskundigheid, geschreven in een soepele stijl, met gevoel voor humor en geschikt voor een breed publiek. Van harte aanbevolen.


Anthony Gottlieb studeerde filosofie in Cambridge en publiceert in The New Yorker en The New York Times.


ISBN: 978902633115 | Paperback | 327 pagina's | Uitgeverij Ambo|Anthos | september 2016

© Henk Hofman, 25 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

vspace=Een glimp van de hemel
Jan Riemersma


Het begon allemaal in oktober 1966, in een dorpsschool in Ternaard, toen een invalmeester Vaderlandse geschiedenis gaf en over Joost van de Vondel en Rembrandt vertelde. Achteraf gezien moet daar bij Jan Riemersma het zaadje geplant zijn wat uitgroeide tot een diepgewortelde liefde voor Rembrandt. Een liefde die uiteindelijk uitmondde in dit práchtige boek.


Over Rembrandt zijn natuurlijk al vele boeken geschreven, dit boek belicht dan ook vooral één aspect van Rembrandts werk; de Bijbelse schilderijen. Rembrandt heeft in zijn leven vele schilderijen, etsen en tekeningen gemaakt die op Bijbelse verhalen geënt zijn. Wat zegt dat over hem, over zijn manier van geloven en waarom heeft hij de schilderijen juist zó geschilderd, wat wil hij ons daarmee zeggen? Dit boek zoekt en geeft antwoord op die vragen aan de hand van diverse thema’s. Tegelijkertijd plaatst het Rembrandt in een kader met tijdgenoten, onderzoekt het door wie hij beïnvloed werd en gaat het in op technieken en werkwijze van de schilder. Maar bovenal is dit boek toch vooral een enorme uitnodiging tot kijken, kijken en nog eens kijken. Want zelfs al je denkt dat je álles gezien hebt, is er bij Rembrandt altijd nog wel iemand die in de schaduw staat, een mens of een dier of een detail, wat je tóch over het hoofd hebt gezien.


De sleutel van Rembrandts werk is geen geheim, dat is het licht. Niet alleen geeft de lichtval het kernpunt van het schilderij aan, het benadrukt ook, juist bij deze Bijbelse schilderijen, wat Rembrandt belangrijk vindt. Hóe hij zijn personages schildert, onthult hun karakter, hun zwaktes en hun strijd. Als David voor Saul op de harp speelt, valt het licht precies op de gebalde vuist van Saul en op de ontspannen handen van David. Alles wat deze twee karakters tekent wordt door de lichtval al onthuld. Het getuigt van een groot inzicht in de menselijke psyche.
Rembrandt schildert échte mensen, juist in hun momenten van twijfel, sarcasme, boosheid of verdriet en vaak op het moment dat er een machtsstrijd plaats vindt of er keuzes gemaakt moeten worden. Daarbij gaat hij vaak tegen de gebruikelijke kijk in. De verrader Judas zet hij niet neer als een gemene boef, maar als een medemens in crisis met wie je wel mee moet voelen. Hij schildert altijd met mededogen.


Riemersma vergelijkt Rembrandt met Shakespare, hun beider werk gaat over de grote thema’s van het leven, dood, liefde, angst, hoop, intriges en tragiek. Maar precies op dit punt verschillen ze, Rembrandt schilderijen hebben naast deze thema’s altijd ook nog een boodschap van barmhartigheid en genade… er is een God die naar je omkijkt. Zijn schilderijen nodigen je uit om dichtbij komen en troost te zoeken. Vaak staan op zijn werk, los van de historische figuren die een rol spelen, ook toeschouwers, als een uitnodiging aan de kijker… blijf geen toeschouwer, wordt deelnemer. Opvallend is dat Rembrandt zichzelf meerdere malen als een van die toeschouwers geschilderd heeft, hij schildert zichzelf als de verloren zoon die aan de boemel is, hij maakt een zelfportret van zichzelf als de apostel Paulus, maar je ziet hem  bijvoorbeeld ook naast Jezus aan het kruis staan kijken, waar hij zichzelf vol in het licht neerzet, als betrokkene bij het verhaal.


Ook vrouwen krijgen, meer dan gebruikelijk in die tijd, een centrale plaats in zijn werk, bij een ets van de verloren zoon,waar traditiegetrouw de vader altijd centraal staat, is het bij Rembrandt de moeder die haar zoon uitzwaait. En bij, naar mijn mening zijn allermooiste werk, de thuiskomst van de verloren zoon, schildert Rembrandt de vader met een mannelijke én een vrouwelijke hand, als symbool van de vaderlijke én moederlijke kanten van God.


Hoe ouder Rembrandt wordt, en hoe meer hij door het leven getekend is, des te persoonlijker worden de boodschappen in zijn schilderijen. In zijn jongere jaren lag de nadruk vaak meer op het spektakel, het uiterlijk drama, de dynamiek, maar hoe ouder Rembrandt wordt, hoe meer het perspectief verschuift naar het innerlijk en de stilte. Het geloof en vooral de liefde worden meer en meer zijn hoofdmotief. Zijn schilderijen willen steeds meer troost bieden, in het schilderij waarop Jacob worstelt met de engel, symbool van hoe een mens kan worstelen met God en zichzelf, is de ene hand van de engel in gevecht met Jacob, maar de ander zegent hem, zodat het meer een liefdevolle omhelzing lijkt dan een gevecht.


Toen Rembrandt stierf, in bittere armoede, stond er nog één onvoltooid schilderij in zijn atelier; het schilderij waarop de oude Simeon de kleine Jezus in zijn armen houdt. Zijn hele leven was hij met donker en licht in de weer geweest, als afspiegel van zijn eigen leven wat ook zoveel donkere periodes kende, maar dit schilderij is een climax van gloeiend warm licht. Simeon ziet al een glimp van de hemel.


Jan Riemersma heeft een prachtig en indrukwekkend boek geschreven. De liefde voor Rembrandt, gepaard aan een leven lang bij elkaar vergaarde kennis, spat van de pagina’s af. Aan dit boek moet een jarenlange studie vooraf gegaan zijn, niet voor niets heeft ieder hoofdstuk aansluitend een pagina bronvermelding. Maar het kapseist niet van al die kennis, het is vooral een warm, toegankelijk en uitnodigend boek geworden, wat een enorme honger opwekt om heel veel van dat werk opnieuw of voor het eerst met eigen ogen, en met andere ogen, te gaan bekijken. Maar het is ook een boek wat troost biedt en bemoedigd. De uitgave is prachtig, ieder genoemd schilderij is paginagroot afgerukt, soms nog met uitlichting van een detail. Kortom, een aanrader voor iedere liefhebber van Rembrandt, of juist voor hen die kennis willen maken met dit deel van zijn werk.


Zie ook het inkijkexemplaar


ISBN 9789043527293 | Paperback | 158 pagina's | Uitgeverij Kok | 11 november 2016

© Willeke, 20 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het graf van de dichter
Joop Verstraten


In dit boek probeert Verstraten verbanden te zien tussen de vroegtijdige dood van respectievelijk de Engelse dichter Wilfred Owen (1893-1918), de Spaanse dichter en toneelschrijver Frederico Garcia Lorca (1898-1936) en de Welshe bard Dylan Thomas (1914- 1953). Ze stierven jong 25, 36 en 39 jaar oud en hun dood was bovendien tragisch.


Wilfred Owen meldde zich als jongeman vrijwillig aan voor het leger in 1917 en werd onmiddellijk naar Frankrijk gestuurd om daar in de bloedige Eerste Wereldoorlog terecht te komen. Daar was hij als romanticus helemaal niet op voorbereid. Opgezwollen lijken, verrotting en vooral de zinloosheid van het gebeuren shockeerden hem in hoge mate. Dat resulteerde in een shellshock en hij werd halsoverkop teruggebracht naar Edinburgh om daar bij te komen in de Craighlockart kliniek. Dat bleek een blessing in disguise te zijn want hier leerde hij Siegfied Sassoon (1886-1967) kennen. Deze dichter en luitenant zou later bekend worden door zijn anti-oorlogspoëzie zoals het beroemde:


Does it matter
Does it matter? – losing your legs?...
For people will always be kind,
And you need not show that you mind
When the others come in after football
To gobble their muffins and eggs. (...)


Hij ontfermt zich over Owen, herkent in hem de dichter en stimuleert Owen om veel meer te gaan schrijven. Maar wanneer de shellshock genezen is moet de arme Owen weer onder de wapenen, en vertrekt naar Frankrijk. Veel hogere officieren in het Britse leger keken neer op shellshock-patiënten, ze vonden het maar aanstellerij en simuleren en Owen krijgt na aankomst meteen allerhande nare baantjes en taken te verstouwen. Bij een krankzinnige actie in het Sambre- Oise kanaal sterft hij door vijandelijk mitrailleurvuur. Sassoon zorgt voor uitgave en heruitgave van Owens gedichten, waarvan Anthem for Doomed Youth, bekend zal blijven. Owen was dus op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.


Eenzelfde lot zal de Spaanse dichter en toneelschrijver Frederico Garcia Lorca ondergaan. Hij heeft rijke ouders en gaat na enige tijd compositieleer studeren, maar al ras gaat zijn werkelijke belangstelling uit naar toneelschrijven en dichten. Verstraten geeft in dit stuk over Lorca veel achtergrondinformatie over de Spaanse geschiedenis en dat doet hij beheerst en ter zake kundig.
Lorca gaat reizen naar Argentinië, waar hij zijn toneelstuk Bloedbruiloft  regisseert. 'Toneel is poëzie, dat het boek ontstijgt!' zal hij verklaren en ook reist hij naar New York, maar voelt hij zich maar matig op zijn plaats. Terug in zijn lievelingsstad Granada, maakt hij het voorspel tot de Spaanse Burgeroorlog mee en hij staat aan de kant van de linkse regering. Met de schilder Salvador Dali sluit hij vriendschap en hij werkt aan Impressies en landschappen. Ook openbaart zich zijn homoseksaualiteit, een moeizame geaardheid in het Spanje waar machissimo de trend is. Verstraten gaat op zoek in Granada naar sporen van Lorca en dat verlevendigt zijn verhaal.
Uiteindelijk valt hij in handen van de milities van Franco, de fascistenleider en wordt gefusilleerd. Waarom vluchtte hij niet?


Een andere displaced person was de Welshe bard Dylan Thomas. Verstraten volgt zijn spoor terug naar Swansea het vieze provinciestadje in Wales. Hier gaf de vader van Dylan les op een school en was de familie half Engels in een Welshe gemeenschap. Dylan verlaat al vroeg de school en gaat werken bij de krant, komt ook in een toneelgezelschap terecht, waar men echter zijn gebrek aan discipline niet op prijs stelt. Zijn smoezen wanneer hij te laat komt, worden legendarisch, van 'er vloog een meeuw in m'n oog' t/m 'de trein deed er te lang over,' terwijl er naar het theater in de verste verte geen trein reed.


Hij leert al op jonge leeftijd wat poëzie is van zijn vader en van een oom hoe je moet voordragen. De oom is predikant en kan dat als geen ander. Bij de krant wordt hij ontslagen omdat hij een cricketwedstrijd laat winnen door een team dat verloren had. Hij zat tijdens de wedstrijd in de pub zoals later veel vaker zou gebeuren. En zijn eerste bundel gedichten wordt een succes. Zijn carrière neemt een aanvang. Hij mag radioprogramma's verzorgen voor de BBC en wordt nog populairder door zijn prachtige stem en sublieme voordrachten.


Eén van zijn lievelingsdichters is de eerder vermelde Owen. In begin jaren '50 vertrekt hij door toedoen van zijn literaire agent Brinnin naar de V.S. voor lange tournees langs theaters en universiteiten. Hier gedraagt hij zich als een popster avant la lettre, drinkt meer dan ooit en gebruikt pillen om overeind te blijven ondanks zijn maagzweer en diabetes. Het stemmenspel Under Milk Wood dat hem na zijn dood onsterfelijk zal maken, rondt hij pas een uur voor de première van het stuk af.


Tijdens zijn laatste tournee door Amerika belandt hij in het Chelsea Hotel in New York, waar veel beroemde en beruchte literatoren en later popiconen hun intrek zouden nemen. Hij gaat voor een wandelingetje naar The White Horse Tavern en komt in verwarring terug. "Ik heb zestien whisky's op!" stamelt hij en stort in. Zijn maîtresse belt een dokter, die hem een verkeerde injectie toedient en hij raakt in coma. Zijn vrouw Caitlin komt pas twee dagen later uit Wales aan en maakt zijn dood mee. Hij bleek niet opgewassen tegen zijn roem en raakte in Amerika verdwaald ver van zijn vaderland. Verstraten neemt ons ook in dit verhaal mee naar de krochten van de ziel van een dichter, die niet tegen het leven opgewassen was en nooit naar Amerika had moeten gaan.


Een mooi boek waarin aannemelijk wordt dat talent, gevoeligheid en naïviteit niet altijd leiden tot geluk, maar veel eerder tot een vroegtijdige dood. Verstraten weet bovendien de valkuil van sensatie behendig te omzeilen. Hij is zeer goed gedocumenteerd en heeft bovendien een fraaie schrijfstijl tot zijn beschikking.

ISBN 9789089549204 | Paperback | 240 pagina's| Uitgeverij Elikser | december 2016

© Karel Wasch, 18 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER