Nieuwe recensies Non-fictie

Verdun
De grote slagen
Perry Pierik


‘Oud-NAVO-opperbevelhebber Graf von Kielmansegg (1906 – 2006) noemde de Slag om Verdun niet alleen een ‘barbaarse’ fantasieloze daad, maar ook een poging tot strategisch denken dat verder ieder strategisch initiatief onmogelijk maakte.’


Verdun had en heeft een symbolische betekenis voor de Fransen. Het stadje ligt aan de Maas en was bij de Vrede van Münster in 1648 toegewezen aan Frankrijk. Na de Frans-Pruisische oorlog in 1870 hadden de Fransen een verdedigingslinie aangelegd, met onder meer een fortencomplex tussen Verdun en Toul. Verdun bewaakt als het ware de noordelijke toegang tot de Champagne-vlakte en daarmee de toegang tot Parijs. Eerder, in 1914, waren de forten ook aangevallen, en sterk genoeg gebleken.


Dat de Duitse opperbevelhebber Erich von Falkenhayn besloot toch daar de aanval in te zetten was een meesterlijke zet. Het Duitse leger kampte op dat moment met een dilemma: naar voren kwam men niet, terugtrekken wilde men niet.
Falkenhayn organiseerde afleidingen door aan te vallen bij de Marne, bij de Somme en bij Neuville, eveneens in Noord-Frankrijk. Voor Verdun koos hij voor de ‘leegbloedingstactiek’, in de wetenschap dat de Fransen Verdun nooit op zouden willen geven. Dit leidde in 1916 van februari tot oktober tot de ‘Maasmühle’ oftewel de vleesmolen, een enorm bloedbad.

Aan de Franse kant had Luitenant-kolonel Emile Driant als politicus al geijverd voor versterkingen, maar men vond hem een betweter. Gelukkig voor de Fransen werd de Duitse aanval vanwege slecht weer uitgesteld tot 21 februari en was men toch in staat geweest versterkingen naar de forten over te brengen.
Driant nam als commandant zelf deel aan de Slag bij Verdun, met zijn troepen lag hij in het Bois des Caures ten noorden van de stad, waar hij tot het laatst toe stand hield. Toen hij sneuvelde, werd hij door de Duitsers eervol begraven!


Driant had de Duitsers weten te vertragen en daardoor de Fransen de gelegenheid gegeven zich beter voor te bereiden. Hij wordt nog steeds herdacht door de bevolking van Verdun. Zij houden een ceremonie bij het monument te zijner ere op de 21ste februari van elk jaar.
De opperbevelhebber, generaal Joffre, werd vervangen door generaal Philippe Pétain.
Hij is de opdrachtgever die de toevoer van manschappen en munitie als ook de afvoer van gewonden en gesneuvelden in goede banen wist te leiden. Over La Voie Sacree reden vanaf februari 1916 tot september 1916 de vrachtwagens af en aan in twee eindeloze rijen. Rechts naar Verdun toe, links van Verdun af.


Het grootste en sterkste fort in de verdedigingslinie rond Verdun was Fort Douaumont. Het moest aangevallen worden, vond Falkenhayn, er al tevoren van uitgaande dat het duizenden manschappen zou kosten. Tot verrassing van de Duitsers en schande van de Fransen bleek de inname van Douaumont makkelijk: er was geen leger aanwezig! Slechts ongeveer 60 lichtbewapende, bijna pensioengerechtigde soldaten, die eigenlijk alleen het onderhoud aan de gebouwen uitvoerden, waren in het fort.


‘Als Douaumont door iets was gevallen was het vooral door de Franse slag.’


Het Duitse leger lag nog steeds op de rechteroever van de Maas en kon niet oversteken. Zij probeerden de controle te krijgen over de heuvelrug tussen Le Mort-Homme en heuvel 304. Na Douaumont volgden vele gevechten waar heden ten dage overblijfselen nog getuigen van een kapotgeschoten streek en van verdwenen dorpen. Een van de doelen was Fort de Vaux. Dat fort was veel kleiner dan Douaumont, maar na de val van Douaumont wel beter versterkt.
In mei en juni waren de gevechten bij Verdun het hevigst en na een verschrikkelijke strijd die vele levens kostte,  moesten de Fransen zich overgeven op 7 juni 1916.
Maar Frankrijk was niet verloren. Door de Slag aan de Somme werd de vijand gedwongen manschappen naar elders te sturen. Bij Verdun strandde het Duitse leger na een laatste aanval bij het Fort Souville. Het betekende een nederlaag voor  Erich von Falkenhayn. Hij werd vervangen door Paul von Hindenburg en Erich Ludendorff.


‘De vleesmolen aan de Maas kwam tot stilstand. Sinds 21 februari 1916 had Duitsland zo’n 50 divisies in de strijd geworpen. Naar men aanneemt waren de Duitse verliezen opgelopen tot 362.000 man tegenover 336.831 Franse verliezen.’


In oktober  werd er opnieuw gevochten bij fort Douaumont, nu waren het de Fransen die het fort in handen kregen. Fort Vaux volgde op 2 november.
Half december lag het front vrijwel op dezelfde positie van voor februari 1916.


In dit vrij dunne boekje met veel foto’s wordt summier verteld over de Slag bij Verdun die zoveel mensenlevens kostte in zo weinig tijd. Voor een eerste algemene indruk is het een prima boekje, en voor wie dieper op de kwestie in wil gaan is er een bibliografie toegevoegd.
Er is speciale aandacht voor twee hoofdrolspelers: Falkenhayn en Briant. Het boek eindigt met een beknopte tijdsloop van het jaar 1916.


ISBN 9789493001091 | paperback | 128 pagina's | Uitgeverij Aspekt | oktober 2018

© Marjo, 23 maart  2019

 

De allerlaatste getuigen van WOI
Philip Vanoutrive


‘Den oorlog mijnheer…ik heb nooit kind mogen zijn. Als de anderen buiten speelden en lachten, zat ik in huis met een borsteltje pisdoeken proper te schuren. Of ik was op zoek naar wat schrebielden (=as van kolen) of hout om de stoof aan te maken of aan ’t werk in de vlasfabriek. Dat ben ik na de oorlog blijven doen want halfweg de jaren twintig waren we al met zestien kinderen.’


Yvonne De Vetter (1907-2011) was zeven jaar oud toen de oorlog uitbrak. Ze was de oudste in een al groot gezin. Ook als het geen oorlogstijd geweest zou zijn was haar lot als die van velen: zij moest helpen om de eindjes aan elkaar te knopen, mee zorg dragen voor haar broertjes en zusjes.
Was haar leven anders verlopen zonder de oorlog?
We zullen het nooit weten. Net zomin als we dat weten over alle andere getuigen die in dit boek aan het woord komen.


Journalist en fotograaf Philip Vanoutrive zag de interviews op de Vlaamse televisie die in 2009 uitgezonden werd. Naar aanleiding daarvan bezocht hij een zestigtal van deze hoogbejaarde mannen en vrouwen, en ontdekte dat zij zich na de interviews nog meer wisten te herinneren. Van 43 van hen noteerde hij de verhalen en gebruikte die om dit boek samen te stellen. ‘Philip Vanoutrive zoomt graag in op de kleine mens van wie het grote leed de statistieken niet haalde.’ staat op de flap.


Het verhaal van de Eerste Wereldoorlog wordt nu verteld door ooggetuigen, door mensen die kind waren in die jaren. Hoe ervoeren zij de uitbraak van een oorlog, de invasie van  mannen die er vreemd uitzagen en anders spraken? Hoe verging het hun als hun ouders besloten te vluchten en hun heil elders te zoeken? Hoe gingen zij om met gewelddadigheden waar ze getuigen van waren?
Vaders en broers die blij gemoed op pad gingen en riepen ‘tot over drie weken!’ om vervolgens vijf jaar lang niet terug te keren. Of helemaal niet meer.


‘De talrijke zware granaatinslagen hadden vaders minutieuze werk (NB vader was groenteteler) in een onherkenbare woestenij herschapen,’ vertelt Philemond (Van den Eynde) verder. Ook ik, een manneke van zes jaar, moest meehelpen om de kuilen en de kapotgeschoten loopgraven te dempen, tot de blaren op mijn vingers en handpalmen opensprongen.’


Hoe ging men met de vijand om?
'Dat was niet altijd vijandelijk: De bevolking en de vijand zat nu eenmaal met elkaar opgescheept en maakten er het beste van.’
Yvonne Steenwinckel herinnert zich hoe zij als kind iedere dag mee ging met de Duister Wilhelm. Naar de veldkeuken, waar zij een kan koffie kreeg voor thuis. Tot op een dag de jongen niet meer verscheen. Zij zegt: ‘De oorlog was een schone tijd’. ‘Van geweld heb ik niet geweten en er is geen dag geweest dat ik honger had.’


De schrijver Ernest Claes die geen kind meer was in die tijd, maar gemobiliseerd werd in 1914 schreef over die tijd: ’Van mensen die nu onze doodsvijanden geworden waren en die maar tien meter van hun Belgische buren wonen. Voorheen vrijden en trouwden ze onder elkaar en zaten op zondag naast elkaar in de kerk.’


Allerlei soorten mensen, met ieder hun eigen verhaal tot in 1918 het bericht kwam: ‘Ze zeggen dat de oorlog gedaan is.’ En het angstige afwachten voor vele Van deze ooggetuigen begon: zouden hun geliefden terugkeren?


De getuigenissen zijn niet als geheel opgetekend. Vanoutrive heeft er een chronologisch geheel van gemaakt, zodat we lezen over de oorlogsjaren in al zijn facetten waar de getuigen aan het woord komen als dat in dat kader past.
Er is een voorwoord, een dankwoord en een uitgebreide bibliografie.


Zoals gezegd: het zijn getuigenissen van de gewone burger. Geen militaire feiten, geen veldslagen in dit boek maar wel wat het betekende voor een kind om op de vlucht te zijn, en laten zien hoe het huis waar ze woonden met het gezin niet overeind bleef staan. Over de enorme schrik die een Zeppelin veroorzaakte bij een kind, over hoe de wereld ineens zoveel groter werd dan het eigen erf.


Philip Vanoutrive is al bijna veertig jaar freelance fotograaf en auteur. Hij maakt foto- en tekstreportages die in binnen- en buitenland verspreid worden door ID Photo Agency en Hollandse Hoogte. In zijn themareportages over de Eerste Wereldoorlog bestaan er geen vrienden of vijanden, geen winnaars of verliezers.


ISBN  9789401456210 | Paperback | 275 pagina's | Uitgeverij Lannoo | januari 2019

© Marjo, 21 maart 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kom, Kitty!
Nicola Jane Swinney


‘Denk nooit dat jij de kat bezit. De kat bezit jou.’


We kunnen niet zonder katten: al 12.000 jaar zijn deze dieren huisgenoten van de mens. In het begin werden ze vooral gezien als nuttig, denk aan muizen, maar al snel waren katten onze maatjes.
In dit boek worden alle raskatten besproken, verdeeld in verschillende categorieën: Klassieke rassen, Amerikaanse rassen, zeldzame of uitzonderlijke rassen, langharige rassen en designerrassen.


Designerrassen? Niet vreemd dat je je afvraagt wat voor katten dat dan wel niet zijn.
Bengalen horen hier bijvoorbeeld bij, en de RagaMuffin of Havana. Het zijn kattensoorten die door de mens ‘ontworpen’ zijn, ze zijn niet op natuurlijke wijze ontstaan, zoals de meeste andere soorten wel.


Wat een langharige raskat is, is duidelijk – vachtverzorging is heel belangrijk bij deze dieren - hiertoe behoren onder meer de Pers en de Siberische boskat.
Wat verbaast, is dat er bij de Amerikaanse raskatten – Ragdoll, Maine Coon, Selkirk Rex – ook de Amerikaanse korthaar staat vermeld, terwijl je in het boek nergens de Europese korthaar ziet, het soort katten dat toch het meest voorkomt!
(Als je dat gaat nazoeken dan blijken de meningen verdeeld of dit eigenlijk wel een raskat is. De een heeft het wel over een gefokte raskat, terwijl een ander het de ‘gewone huis-, tuin- en keukenkat’ genoemd. Wat de samensteller van dit boek daarvan vindt, is duidelijk)


Op alle pagina’s in dit boek staan prachtige foto’s van allerlei verschillende katten, en ze zien er allemaal schattig uit. Extra zijn de openklappagina’s met kittens! Je smelt weg…
Bij iedere soort staan gegevens bij die belangrijk kunnen zijn als je een bepaald ras wil aanschaffen.
Naast de uiterlijke kenmerken en de verwachte levensduur  - gemiddeld 15 jaar, maar de Amerikaanse korthaar vijf jaar langer – staat er bij wat je kunt verwachten van het karakter van het dier. Er zijn namelijk katten die er om bekend staan dat ze graag knuffelen, zoals de Ragdoll. Als een kat daar minder op gesteld is, wordt dat onafhankelijk of intelligent genoemd. De vermelding of ze goed met kinderen overweg kunnen, of misschien rustig van nature zijn staat er ook bij.


Zelfs als je geen kattenliefhebber bent, ga je overstag bij het zien van de prachtige foto’s van al die katten die in dit boek besproken worden.


ISBN 9789461319432 | paperback | 96 pagina's | Uitgeverij Schuyt & Co Van Halewijck | januari 2019
Vertaald uit het Engels door Melissa Debruyn

© Marjo, 10 maart 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Sfeervol wonen op het ritme van de natuur
elk seizoen een andere sfeer in huis
Marie Masureel


Aan de hand van haar eigen woning laat interieurstyliste Marie Masureel zien hoe ze het interieur van haar huis aanpast aan elk seizoen. Na de uitbundige decembermaand met de flonkerende kerstboom start ze met een totaal ander aanzicht van haar leefruimte.


In het prille voorjaar gaat ze terug naar de basis. "De natuur is immers in rust, dus zorg ik ervoor dat mijn interieur ook sereniteit uitstraalt'. We zien een sober geheel met veel oud hout en wittinten, de badkamer is bijna sereenwit, de lampen, de gordijnen de kussens, ze zijn wit met een lichte aardetint. De ruimtes stralen een verstilde natuurlijkheid uit. De tafel is gedekt met houten placemats en ruwe aardewerken witte kommen. En er is natuurlijk veel kaarslicht.

En dan breekt de lente aan. Het hout en het wit blijft maar alles wordt wat uitbundiger, we zien vazen vol bloeiende voorjaarstakken, er worden meer brocante spulletjes neergezet, we zien anemoontjes bloeien in een vaas, er komt iets meer kleur in huis dankzij toegevoegde blauwtinten (borden, kommetjes, borduurwerk met blauw) in de woonruimtes of allerlei rozetinten zoals baksteenroze, licht bordeaux, fuchsiaroze etc. in de meisjeskamer. Er wordt vooral veel met bloemen gewerkt en gestileerd.

in de zomer wordt er vooral buiten geleefd. We zien in de tuin een lange houten eettafel met daarbij allerlei soorten verweerde stoelen. Op tafel staat een zee van vazen en vaasjes met bloemen. De wit en natureltinten komen nog steeds overal in terug. We zien in de eetkamer een prachtige grote houten tafel met een bankje en een grote rieten stoel, in de keuken overheerst hout (snijplanken, lepels, bakjes) en wit. Doorheen het huis komen summier her en der warme oranje- en geeltinten voor dankzij bijvoorbeeld een gekleurde sjaal, kaarsen of een oranje gestreepte kussen. Maar riet, verweerd hout en wit blijven de hoofdtoon voeren. Het straalt een grote zomerse rust uit. De aankleding buiten is wat uitbundiger met diepe indigokleuren.

In de nazomer komen er meer metalen attributen tevoorschijn.


"Metaal is een meerwaarde voor de inrichting. Het vangt en weerkaatst het licht en kan een bepaalde gloed verspreiden, afhankelijk van de glansgraad de kleur van het metaal. [...] Stylen met metaal hoeft niet kil te zijn. Zolang je de 'metalics'countert met warme elementen zoals het hout, de juten mand en de linnen kussens."


En Marie Masureel heeft gelijk, ook de metalen voorwerpen stralen een verstilde, warme schoonheid uit. Op de witte bank komen kussentjes in warme geel en roesttinten, op de grote ruwhouten salontafel komen andere vazen te staan en diverse boeken te liggen, in de vazen staan takken met rode bladeren of besjes. Buiten hangen lampen gemaakt van flespompoenen, kaarsjes worden in schelpen of uitgeholde paarse rapen geplaatst en zo is opnieuw het huis aangepast aan het jaargetijde.

En dan breekt de herfst aan en wordt het huis samen met de natuur weer wat soberder en donkerder. Er komen opnieuw andere stoffen en teksturen tevoorschijn. Voor de koude dagen ligt er een zeer grofgebreide plaid op de bank, de warmgekleurde kussens hebben plaats gemaakt voor donkergroene en grijsgemeleerde exemplaren, de berenklauw staat gedroogd in een vaas mooi te wezen, alles is nu in grijs- en zwarttinten met een vleugje naturel. Het heeft wel veel weg van een - donkere - grot.

Gelukkig keert in de feestmaand het licht weer meer terug, de open haard brand, er licht een beige plaid van teddystof op de bank, boven de haard staan warm glanzende sterren. De bank is weer voorzien van lichtere kussens, bij de grote fauteuil liggen boeken en staat een voetenbank, ook in deze stoel liggen kussens en een warme plaid zodat je knus opgevouwen in de stoel lekker kunt zitten lezen. De kerstversiering is heel subtiel met hier en daar sterren gemaakt van twijgen of een schaaltje met kerstballen in een sobere ingehouden tint. Bijna alle kerstversiering is van natuurlijke materialen gemaakt.
En dan is het jaar alweer om...

Natuurlijk heeft niet iedereen een groot huis met dito tuin, ook een heel arsenaal aan kussens, plaids en schalen zal niet in elk huis te vinden zijn. Bovendien zal niet iedereen de behoefte voelen om per seizoen het huis een andere sfeer te geven, maar dat hoeft ook niet. Dankzij dit boek kun je wel zien wat er aan mogelijkheden is om met relatief weinig dingen je leefomgeving te veranderen, hetzij met een reeks vaasjes met bloemen, hetzij door een ander kleed neer te leggen of anders gekleurde kleine accessoires aan te brengen.  Kortom, het boek laat je via de prachtige sfeervolle foto's anders naar je eigen huis kijken en toont allerlei mogelijkheden om het in elk seizoen jóuw huis te maken!

Zie voor een impressie de website van Marie Masureel


ISBN 9789401455466 | Hardcover | 224 pagina's | Uitgeverij Lannoo | oktober 2018

© Dettie, 3 maart 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Alleen in Iran
Kristina Paltén


'Maar ik wil liever doorrennen, als het enigszins haalbaar is,' zeg ik ietwat aarzelend.
Mehrdad geeft om me en ik wil zijn zorgzaamheid niet wegwuiven. Ik heb het altijd moeilijk gevonden om te zeggen wat ik vind en wat ik wil, en dat is ook Mehrdad niet ontgaan. Sinds kort belt hij zelfs de families bij wie ik zal overnachten van tevoren op om hen te waarschuwen dat ik zo iemand ben die niet zegt wat ze cht wil. Dan vertelt hij bijvoorbeeld dat ik graag een gebakken ei bij het ontbijt eet, en dat ik soms alleen wil zijn.


Aan het woord is de schrijfster van dit boek, de Zweedse Kristina Paltén, voormalig ingenieur bij Ericsson, die in haar eentje 59 dagen lang al hardlopend door Iran trekt. De kinderwagen waarmee ze loopt is door haar 'Baby Blue' gedoopt. "Hij is een stabiele, compacte jongen, ongeveer vijf jaar oud en altijd even betrouwbaar," zegt ze daarover. In Baby Blue zitten haar kleding en andere attributen die ze nodig heeft voor haar tocht.

Het is bijna niet voor te stellen dat iemand per dag zulke enorme afstanden aflegt, zoals op dag 18 waarop ze 85 kilometer gelopen heeft en veertien uur onderweg is geweest. "Mijn lichaam is krachteloos, maar niet stijf," vertelt ze als ze eindelijk haar hotel bereikt heeft. En dat voor een vrouw die tot haar eenendertigste nog nooit hardgelopen heeft. "Hardlopen bestond niet in mijn wereld".
Dankzij een vriendin die vroeg om samen met haar in Stockholm de tien kilometer voor vrouwen te rennen, kreeg ze de smaak te pakken. Ze weet dan nog niet dat het hardlopen haar medicijn zou worden...

Het wordt namelijk een zwaar jaar voor Kristina Paltén, de haar zo gewenste kinderen komen maar niet, ze krijgt een burn-out en als laatste klapper kondigt haar man, de liefde van haar leven, aan dat hij niet meer met haar verder wil.
Het hardlopen helpt haar door deze crisis heen. Ze ontdekt verder dat zij pas op dreef komt als anderen er genoeg van krijgen. Ze blijkt een lange afstandsloper bij uitstek te zijn. Al gauw doet ze mee aan marathons en na zeven maanden volgt haar eerste vierentwintiguursloop. Het levert haar ook een vriendin op, Carina Borén, haar partner in adventure. Met haar rende ze in 2013 van Turkije naar Stockholm. Na deze tocht wilde ze dat haar volgende reis een diepere betekenis zou krijgen. En ze kiest voor Iran.


"De polarisatie tussen het Westen en de islam leek met de dag te groeien. Velen van ons baseren hun wereldbeeld op aannames die voortkomen uit angst voor een andere religie of cultuur. Ikzelf ook.[...]
Ik hoopte dat ik de wereld, en mijzelf, zou kunnen laten zien dat al die angst nergens voor nodig is. Dat kon ik het beste doen door me bloot te stellen aan datgene waar ik bang voor was, en een hardlooptocht door Iran was een van de engste dingen die ik me kon voorstellen. [blz 28]


Het toeval wil dat ze Amir Nazari tegenkomt een man van tegen de vijftig die op zijn tweeëntwintigste gevlucht is uit Iran. Hij wordt haar steun en toeverlaat tijdens de voorbereidingen voor haar tocht door Iran. Natuurlijk valt er veel te regelen, zoals de juiste kleding, ze zal haar hoofd moeten bedekken maar hoe vindt ze iets dat blijft zitten? Welke route is het beste om te lopen? Waar vindt ze elke avond onderdak?  Ze kan maar voor één dag voedsel meenemen in Baby Blue. En zo zijn er heel veel puzzels die opgelost moeten worden voor ze überhaupt kan vertrekken. Hoe moet het bijvoorbeeld met haar werk? En hoe maakt ze zich verstaanbaar? Ze spreekt de taal niet. Bovendien heeft inmiddels ook een nieuwe liefde Fredrik, hoe vindt hij haar plan?  Gelukkig staat hij, zelf hardloper zijnde, achter haar idee. Maar toch... het is gewaagd wat Kristina wil doen.


Iran is gevaarlijk wordt tegen haar gezegd, ze zal verkracht worden, ze zal in een lijkzak terugkomen. 'Hoe moet het met papa en mama als jij er niet meer bent?' vraagt haar zus... Maar de enthousiaste reacties overheersen ook van Iraniërs zelf. De pers heeft eveneens veel aandacht voor haar geplande tocht en dat is precies de bedoeling. Na héél veel haken en ogen overwonnen te hebben is het eindelijk zo ver. Tijdens haar reis krijgt ze veel hulp, o.a. van Mehrdad die haar vrijwillig, telefonisch door Iran leidt en behoed voor misstappen. Het zal goed gaan...


En ja Kristina Paltén leeft nog én heeft dit boek geschreven, dus ze heeft haar tocht ondanks het doemdenken van enkelen tot een goed einde gebracht. Elke dag beschrijft ze haar tocht die af en toe bijna tot euforie leidt maar haar ook soms in tranen laat uitbarsten. Het is een prachtige tocht waarin ze ontzettend veel lieve, goede, bijzondere mensen ontmoet die veel meer voor haar doen dan ze ooit had durven dromen. Natuurlijk is ze af en toe vreselijk bang, natuurlijk mist ze haar geliefden, natuurlijk is het regelmatig loodzwaar maar uiteindelijk is de hele tocht enorm de moeite waard geweest in velerlei opzichten, je kijkt inderdaad met andere, liefdevoller ogen naar dat land. Kristina's missie is meer dan geslaagd.


Het is een verhaal dat gelezen moet worden, de laatste meters bezorgen je kippenvel.


ISBN 9789402729504 | Paperback | 315 pagina's | Uitgeverij Harper Collins | november 2018
Vertaald door Tineke Jorissen-Wedzinga en Sophie Kuiper

© Dettie, 28 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kip
Makkelijke recepten van bij ons en uit de wereldkeuken

Sophie Matthys


'Kip, het meest veelzijdige stukje vlees', is de slogan die we regelmatig horen in de tv reclames. Dit kookboek bewijst dat het waar is. Het kookboek begint namelijk met enkele tips per bereidingswijze, en die zijn; kip bakken, kip in de oven, kip wokken, kip op de barbecue en kip stoven. Alleen dat geeft al aan hoevéél er te maken is met kip. De tips zijn overigens helder en leerzaam.


Nadat we gelezen hebben waar we op moeten letten als we kip kopen beginnen de recepten per 'onderdeel' maar eerst worden ons heerlijke recepten geleverd voor het bereiden van kip in zij geheel te beginnen met 'De perfect gebraden kip'. Je krijgt gelijk al trek als je het leest en ziet. Deze kop wordt in de oven bereid, evenals de volgende twee recepten. Voor de daarop volgende recepten wordt eveneens een hele kip gebruikt die wel in stukken wordt verdeeld. Vooral de tajine gerechten zijn een lust voor het oog én zullen gezien de ingrediënten heerlijk smaken.


Dan volgt een groot hoofdstuk met recepten rond de kipfilet. De recepten variëren van ceasarsalade, toast met kipfilet en ander lekkers, kiptaco's tot een prachtige kleurrijke buddhabowl met quinoa, avocado, kip en kurkumadressing maar ook de 'gewone' kipnuggets ontbreken niet. In totaal staan er 22 erg lekkere, zeer gevarieerde recepten waarbij kipfilet het hoofdingrediënt is, in dit boek.


Natuurlijk komen ook de kippenvleugels aan de kippenbouten en onderbouten aan bod. De kippenvleugels met zelfgemaakte chimchurri (Argentijnse saus) lijken me zeker de moeite van het proberen waard evenals de chicken tikka masala of kip met chorizo en witte bonen en misschien ga ik nu eindelijk eens coq au vin maken, waarvan het recept ook in dit boek staat. Kip met peer en kaneel klinkt overigens ook erg lekker... eigenlijk zijn alle recepten wel de moeite van het proberen waard.


Met kippengehakt ben ik zelf niet erg bekend, maar daar gaat vast verandering in komen nu ik de recepten daarmee gezien heb. We kunnen kiezen voor Laab khai (Pittig Thais kippengehakt) of muffins met kippengehakt of Balinese kippensatés (van heerlijk gekruid kippengehakt) of... een heerlijke kippenhamburger!


Een kippensoepje is natuurlijk ook nooit te versmaden en daarvan staan er eveneens diverse variaties in dit kookboek gemeld, zelfs de Gentse waterzooi, maar de romige kippensoep met champignons ziet er ook érg aantrekkelijk uit.

Bij alle recepten staat een foto, wat ik persoonlijk altijd erg prettig vind. Bij diverse recepten staan ook tips vermeld waarin iets wordt uitgelegd of aangeraden, maar ook welke dingen je eventueel in of bij het gerecht kunt toevoegen.


De recepten vertegenwoordigen, zoals de ondertitel al meldt, verschillende keukens van over de hele wereld. Met mijn voorkeur voor pittig en Aziatisch en Mediterraan eten is dat zeer welkom, maar ook de Vlaamse en Hollandse keuken is prima vertegenwoordigd.


Kortom, een prettig kookboek, zonder al te veel bizarre ingrediënten, maar met erg smakelijke, aantrekkelijke recepten. Dit boek gaat veel gebruikt worden denk ik zomaar.


ISBN 9789022336052 | Paperback | 144 pagina's | Uitgeverij Manteau/NewBook Collective | februari 2019

© Dettie, 15 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel
P.C. Emmer


Dit boek is een bijgewerkte versie van Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. Dat boek verscheen in het jaar 2007 bij De Arbeiderspers. De bijgewerkte versie die nu is verschenen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, sluit naadloos aan bij het vorig jaar gepubliceerde Het zwart-witdenken voorbij. Een bijdrage aan de discussie over kolonialisme, slavernij en migratie. Het laatstgenoemde boek, eveneens van prof. Emmer, is vorig jaar besproken voor Leestafel.info.


Het slavernijverleden van Nederland is een beladen thema. Je kunt wel stellen dat de slaaf het niet slechter had, en soms zelfs wel beter qua levensomstandigheden, dan een matroos op de grote vaart of een dagloner thuis, maar het punt dat in het oog springt is natuurlijk de onvrijheid van de slaaf. Bij zijn gevangenneming verloor hij zijn vrijheid, werden gezins- en familiebanden verbroken, werd hij voor geld verkocht, en kwam hij terecht in een vreemd land aan de andere kant van de wereld. De slaaf was daar het bezit van zijn eigenaar.
Dit alles verdroeg zich natuurlijk niet met het idee van de menselijke waardigheid. Geïnspireerd door Verlichtingsidealen, gebaseerd op vrijheid en gelijkheid, maar ook door christenen van uiteenlopende signatuur, die in de slaaf een schepsel van God, en dus een gelijke zagen, trokken abolitionisten ten strijde tegen de slavenhandel en de slavernij.


Wie kochten slaven? Hoe stak de reis in elkaar? Wat vervoerden de schepen vanuit Nederland naar de kust van Afrika, vervolgens van Afrika naar de Caribische wereld, en tot slot op de terugreis naar Nederland? Onder welke omstandigheden werkten slaven op de plantages? Wat bracht de slavenhandel Nederland op? Hoe en wanneer kwam het tot afschaffing van eerst de slavenhandel en daarna de slavernij?
Boeiende en nuttige vragen. Dit boek presenteert de feiten, ontkracht mythes en plaatst slavernij in het perspectief van die tijd (de periode van 1500-1800).


Critici van prof. Emmer vinden dat hij het aandeel van Nederland in de Caribische slavenhandel te laag raamt op 5%. Het is natuurlijk buitengewoon ingewikkeld om een paar eeuwen na het gebeuren berekeningen te construeren die betrouwbaar zijn. Een leek kan moeilijk een uitspraak doen over de betrouwbaarheid van de ene of de andere berekening.


Dat ligt anders met het gelijkstellen van slavernij met de holocaust op de Joden. Het lijkt me duidelijk dat prof Emmer terecht op de verschillen wijst. Een slaaf moest werken en dus in leven blijven, een Jood moest sterven omdat hij Jood was.


Op nog een ander punt kan ik me vinden in de benadering van prof. Emmer. Dat is de vraag naar herstelbetalingen. Aan wie moet je die uitbetalen? Hoe stel je vast wie op welk bedrag aanspraak kan maken? Moeten we dan ook herstelbetalingen uitbetalen aan andere vervolgde groepen? De protestanten bijvoorbeeld uit de 16e eeuw? Welk land heeft nu eigenlijk wel een onbevlekt historisch blazoen? Veel beter is het om zoals de auteur voorstelt het slavernijverleden van Nederland te herdenken met een museum, een monument, een jaarlijkse bezinningsdag. In plaats van geld moet Nederland publieke aandacht geven. Een culturele brug tussen bevolkingsgroepen is beter dan het geven van een financiële vergoeding.


De slavernij laat zien dat een mensenleven vroeger niet zo zwaar meetelde. Helaas, maar het is niet anders. Het recente verleden leert dat we dit gebrek in de menselijke aard nog niet te boven zijn gekomen. Mensen zijn bereid het leven van anderen op te offeren als zij denken daar baat bij te hebben.


Het boek van prof. Emmer kenmerkt zich door een heldere opbouw en een rustige betoogtrant. We hebben hier te maken met gedegen wetenschappelijk onderzoek. Het is geen droge kost. De hoofdstukken zijn kort en lezen gemakkelijk.


Voor dit boek geldt wat ik ook over Het zwart-witdenken voorbij schreef: de informatie in deze boeken moet betrokken worden in de discussie over het Nederlandse slavernijverleden. De auteur (1944), emeritus-hoogleraar Europese expansie en migratie aan de Universiteit Leiden, is een kenner als geen ander met betrekking tot dit onderwerp.  Van harte aanbevolen!


ISBN 9789046824368 | Paperback | uitgeverij Nieuw Amsterdam | 336 bladzijden | januari 2019

© Henk Hofman, 12 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Gandhi
De legendarische jaren
Ramachandra Guha

 

Gandhi (1869-1948), grondlegger van de moderne staat India, was in vele opzichten een uitzonderlijke man.
De Britse bezetter van zijn land confronteerde hij met betogingen, marsen, oproepen aan Indiërs om niet mee te werken met het Britse bewind. Het was verzet, maar geweldloos verzet. Geweld wees hij zijn leven lang van de hand. Geweld van de tegenstander beantwoordde hij met verzoenende woorden en passief verzet.


Gandhi was een hindoe, maar ook binnen zijn eigen religie een opmerkelijke man. Hij streed voor gelijke rechten van de vrouw en veroordeelde het kastenstelsel. De ‘dalits’ (onaanraakbaren), een groep van miljoenen mensen, stonden op de onderste sport en waren in feite buiten de samenleving gesloten. Gandhi vond het een schandvlek op de Hindoe-religie en streed voor afschaffing van het kastenstelsel.


Gandhi zette zich in voor een India waarin alle religies vreedzaam met elkaar samenleefden. Moslims en andere minderheden, zoals christenen, moesten volledig gelijkberechtigd deel uit maken van de staat. Gandhi kende hun geschriften en vond vooral de Bijbel een prachtig boek. Maar hij moest helaas constateren dat veel ‘van wat voor christelijk doorgaat, een loochening van de Bergrede is.’ Een rake opmerking! Zijn pleidooi voor religieuze diversiteit en tolerantie is in de context van zijn tijd heel opvallend.


Gandhi kreeg een geweldige greep op de bevolking. Maar hij leefde eenvoudig en ontweek de paleizen. Hij deed zijn eigen was, spon zijn eigen kleding, een bril kon je nog best dragen al ontbrak een poot, een menu van noten en fruit voldeed prima. Gandhi was een asceet. Het gebruik van alcohol en tabak stond hij niet toe. Op afbeeldingen zie je een spichtige gestalte, met een rond hoofd, gekleed in een omslagdoek, op sandalen.  Zo heeft hij India doorkruist. Zo gekleed bezocht hij een conferentie in Londen over de toekomst van Brits-India. Anders dan communistische leiders als Lenin en Stalin deelde Gandhi het leven van het ‘proletariaat’. En in zijn land waren dat de onaanraakbaren.


Gandhi kwam op voor het traditionele India. Hij wilde geen industriesteden, maar landbouw, dorpen, spinnen en weven. Het spinnewiel werd het nationale symbool van India.


Gandhi was een gematigd man, een verzoener en bruggenbouwer. Hij was niet radicaal en niet revolutionair. Hij geloofde in een politiek van geleidelijke verbeteringen en een beleid waarin stap voor stap verbeteringen werden ingevoerd. Hij verfoeide de moderne beschaving, maar baseerde zich wel op twee Westerse waarden, die van vrijheid en gelijkheid.


Op het eerste gezicht is er weinig terecht gekomen van de idealen van Gandhi. Zijn moordenaar was een fanatieke Hindoe. De zelfstandigheid van India is met veel bloedvergieten tot stand gekomen. De moslims zagen niets in een eenheidsstaat en stichtten een eigen staat, Pakistan. Het kastenstelsel bestaat nog steeds en de positie van vrouwen is voor verbetering vatbaar. Toch gaat het te ver om van een mislukking te spreken. De ideeën van Gandhi zijn het waard om te verdedigen, zeker in turbulente tijden. Martin Luther King en Nelson Mandela lieten zich door Gandhi inspireren in hun strijd tegen discriminatie en racisme. Velen in de wereld zien in Gandhi hun morele leider. En voor Indiërs is Gandhi nog steeds de vader van hun staat.


De Britten moesten niets hebben van Gandhi. En helaas is ook de houding van Churchill teleurstellend geweest. In de strijd tegen het nationaalsocialisme stond Groot-Brittannië onder leiding van een onverzettelijke Churchill pal voor vrijheid en democratie. Maar Brits-Indië willen ze in hun imperium houden en ontzegden ze zowel vrijheid als democratie. Churchill had Hitler op de knieën gekregen, maar de schriele Gandhi kreeg hij niet klein, ook al werd hij om de haverklap in het gevang gegooid. Churchill spreekt ‘over de misselijk makende aanblik van de heer Gandhi, een opruiende advocaat, die halfnaakt de trappen bestijgt van het paleis waar de Britse gouverneur zetelt.’


Gandhi kreeg ook problemen uit de internationale politiek voorgelegd. De stichting van de staat Israël noemde hij begrijpelijk. Antisemitisme vond hij barbaars. Hij had echter oog voor de rechten van de Palestijnen en vond dat zij een eigen staat behoorden te krijgen. Voor moslims en joden (en christenen) was en is Jeruzalem een heilige stad. Voor Gandhi was geloof een kwestie van het hart. Het echte Jeruzalem is het geestelijke Jeruzalem. Een heilig gebouw is dan van minder belang. Dat zijn nog steeds waardevolle opvattingen.


Ramanchandra Guha schreef een formidabele biografie over Gandhi. Zijn verhaal begint in 1915 als Gandhi vanuit Zuid-Afrika terugkeert naar India. Het is een dik boek geworden. Het voordeel daarvan is dat we een rijk en compleet beeld krijgen van Gandhi als mens en politicus. Uiteraard was hij geen heilige en kende ook hij zijn gebreken. Maar in zijn sereniteit, zijn inzichten in mens en samenleving, zijn zelfopoffering voor zijn idealen en zijn inzet voor rechtelozen, zijn strijd tegen ongelijkheid, zijn afzien van persoonlijk gewin, zijn moed om tegen de publieke opinie in te gaan, in al deze zaken was hij een uniek persoon.


Uitgeverij Nieuw Amsterdam heeft er weer een prachtig boek van gemaakt. De Nederlandse vertaling van Chiel van Soelen en Pieter van der Veen is voortreffelijk. Guha is een gerenommeerd Indiaas historicus met tal van werken op zijn naam. Het leven van Gandhi tot 1915 beschreef hij in een boek dat in 2014 bij Nieuw Amsterdam verscheen.


ISBN 9789046823729 | Hardcover |1071 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | maart 2019
Vertaald door Chiel van Soelen en Pieter van der Veen

© Henk Hofman, 21 maart 2019

 

Leopold II
Le plus grand chef d’Etat de l’histoire du Congo

Jean-Pierre Nzeza Kabu Zex-Kongo


L’Harmattan is een Franse uitgeverij die gespecialiseerd is in Afrika. Ze waagt het een studie te publiceren over Leopold II op het moment waarop ‘deskundigen’ van de UNO aan België vragen om excuses voor de kolonisatie. Die ‘deskundigen’ deden dat enkel op basis van gesprekken met Congolezen die liever in België wonen dan in hun eigen land. Ze vonden het niet nodig om echte Congo-kenners te raadplegen.


De auteur, Nzeza Kabu Zex-Kongo, is een veelzijdig man: veearts, ontwikkelingshelper, historicus. Hij is zich bewust van de menselijke kost van de kolonisatie en ook van het gebruik van geweld om de Afrikanen te onderwerpen. Toch wil hij vooral onderzoeken welke positieve erfenis Leopold II achtergelaten heeft voor de Congolezen en of het geen tijd wordt om hem te rehabiliteren. Hij richt zich tot alle Congolezen, alle Belgen en allen die Congo weer op de rails willen zetten. Hij kent uiteraard het boek van de Amerikaan Adam Hochschild, die in 1998 Leopold beschuldigde van genocide, d.w.z. opzettelijke volkerenmoord op ‘10 miljoen’ Congolezen.


Voor 1920 waren er geen tellingen en 10 miljoen komt wellicht overeen met de totale toenmalige bevolking. Nzeza reageert ook op het toneelstuk van Peter Bate uit 2003. Beide werken zijn eenzijdig; ze plaatsen de kolonisatie niet in zijn algemeen kader, vergelijken ze niet met de tien andere koloniale machten en ze houden geen rekening met de conclusies van de internationale commissie die in 1904-1905 een onpartijdig onderzoek deed in Congo en Leopold toen al rehabiliteerde. Ze berusten vooral op tendentieuze Britse publicaties van rond 1900. De Britten waren erg jaloers dat Congo aan Leopold toegekend was en ze hebben in 1908, 1911 en 1937 met de Duitsers onderhandeld om Congo af te pakken van de Belgen.


Serieuzere studies zoals die van Jean-Paul Sanderson (UCL) ramen de daling van de bevolking op enkele honderdduizenden en geven daar meerdere oorzaken voor: de militaire verovering, de repressie, het harde werk op de rubberplantages, ziektes, ondervoeding. Hochschild vernoemt die factoren ook wel, maar de meeste lezers onthouden enkel het getal ‘10 miljoen’.


Nzeza noemt Leopold wel verantwoordelijk voor de wreedheden, maar niet schuldig, want de daders waren soldaten, concessiehouders en ambtenaren. En zodra Leopold dat vernam, heeft hij meteen alles gedaan om die wreedheden te stoppen. Bovendien was zijn domein zo groot (80 x België) en de verbindingen zo slecht, dat het onmogelijk was om overal te controleren. Origineel aan het pleidooi van Nzeza is alvast dat hij een Congolees is, die geboren  is in Congo (1949) en daar nog 11 jaar  kolonisatie en daarna de teloorgang heeft meegemaakt. En dat hij vooral bezorgd is om de toekomst van de huidige Congolezen, wat van hun leiders helaas niet gezegd kan worden.


Hij situeert Leopold in zijn historische context. Zijn tijdgenoten prezen zijn intelligentie en grote cultuur. Zijn voorbeeld was Johan van Oldenbarnevelt, medestichter van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie, 1602-1795), die van Nederland een koloniale grootmacht had gemaakt. Vanaf 1850 ging Europa weer kolonies veroveren om grondstoffen te zoeken, zijn overproductie te verkopen, beschaving over te brengen en om de eer. Deze laatste twee factoren waren zeer belangrijk voor Leopold. Hij organiseerde conferenties in Brussel, nam Stanley in dienst, die in 1879 de Congostroom bereikte, voor Brazza, die door Frankrijk was uitgezonden. De concurrentie met Frankrijk, Portugal en Groot-Brittannië bleef nog jaren duren. Stanley kon de meeste contracten sluiten met inheemse stamhoofden: 450 erkenden de AIA (Association Internationale Africaine, opgericht in 1876, p. 33) van Leopold als soeverein. In 1884 kon Leopold de VSA en de Duitse kanselier Bismarck overtuigen om hem te steunen tegen de andere Europese landen. In november 1884 riep Bismarck dan de Conferentie van Berlijn samen, met Lambermont als rapporteur, waar de AIC (Association Internationale du Congo, opgericht in 1884, p.49) in februari 1885 erkend werd, ook door Frankrijk en Portugal. België toonde zijn bekrompenheid en erkende de AIC als allerlaatste!


De EIC (°1885) werd in 1885 opgericht in Berlijn: L’ Etat Indépendant du Congo, met Leopold als staatshoofd (p.57). Leopold voegde er nog eenderde aan toe, om natuurlijke grenzen en veiligheid  te bereiken. Hij vestigde er een administratie en een leger en daarvoor moest hij veel geld lenen, want zijn persoonlijk fortuin raakte snel op.
Hij ging ook de strijd aan met de slavenhandelaars. Daarvoor riep hij een conferentie samen in Brussel (1889-1890) en begon de jacht op de handelaars en tegelijk op ivoor. Die handelaars waren Arabieren, Arabische halfbloeden en Afrikaanse moslims. In die strijd sneuvelden ook een aantal westerlingen; ze werden onthoofd of doodgestoken, waarna ook hun voeten en handen afgesneden werden( p.66-67).


Met de opbrengst van Congo legde Leopold wegen, parken, musea, serres en andere gebouwen aan in Brussel, Tervuren, Antwerpen, Oostende en Zeebrugge. Tijdens WOII werd met het Congolese uranium de eerste atoombom gemaakt. In 1959 werkten 115.000 westerlingen in Congo, van wie 87.736 Belgen (75%): 44% voor bedrijven, 22% op plantages, 19% voor de staat en 15 % missionarissen (p. 71).


Nzeza besluit zijn eerste hoofdstuk als volgt: de Congolezen hebben van Leopold een indrukwekkend land gekregen dat voordien terra incognita was. Hij zegt dat Rwanda en Oeganda in 1998-2003 tevergeefs probeerden om Congo in te palmen om er een protectoraat van te maken (p. 79). Hun poging is niet volledig mislukt: Rwanda heeft zelf geen grondstoffen, maar exporteert wel coltan, ijzererts, tin uit … Oost-Congo!


Leopold verenigde de honderden stammen en volkeren tot één Congolees volk via het onderwijs (grotendeels door missionarissen), het christendom en het Frans als officiële taal. In 1934 volgden 8 miljoen kinderen lager onderwijs in christelijke scholen. Leopold richtte in 1885 ook één Force Publique op, die zowel leger als politie was. Ook zij droeg bij aan de nationale eenheid. Hoewel het Frans de nationale taal was, werd het Lingala de taal van het leger. Om de orde te handhaven, werd ook de zweep gebruikt.


Nzeza vertelt ook over de jaren 1956-1960 of de aanloop naar de onafhankelijkheid en de snelle dekolonisatie. Op 5 juli 1960 kwamen de soldaten in opstand, o.a. tegen generaal Emile Janssens en zijn ‘Avant l’indépendance = Après l’indépendance pour la Force Publique’ en ze eisten het vertrek van de Belgische officieren. Over de dood van Lumumba spreekt hij niet. Wel over Mobutu, die tussen 1965 en 1995 ervoor zorgde dat alle Congolezen het gevoel kregen dat ze bij Congo hoorden. Nzeza noemt Leopold en Mobutu de echte vaders van de Congolese natie: een homogeen volk, van hetzelfde Bantoe-bloed, christelijk, Franstalig, met dezelfde cultuur en waarden, wat in vele andere Afrikaanse landen helaas niet zo is.


Het huidige geweld in Congo is niet religieus, niet etnisch, niet raciaal, maar een gevolg van de instorting van de staat en van de hardnekkige wil om de macht te behouden (p. 92).


Een volgend hoofdstuk gaat over de economische rijkdom van Congo: het land heeft alles om zijn bevolking te voeden en welvarend te maken: zoet water, rijke landbouwgronden waar alles op groeit en waarmee 3 miljard mensen of 45% van de wereldbevolking gevoed kunnen worden (p. 96), enorme voorraden vis, een overvloed aan strategische mineralen (kobalt, coltan, koper, …) en edelstenen (p. 103), olie, gas, uranium, windturbines, toeristische mogelijkheden.


Dan volgt het treurigste hoofdstuk: ‘Le Congo, l’enfer sur terre pour les Congolais’ (p. 127 e.v.). Het rijke Congo was in 2015 ongeveer het armste land van de wereld: met 394$ BBP per jaar of 1,07$ per dag leeft 90% van de 79 miljoen Congolezen onder de armoededrempel, terwijl de economische groei 9,4% per jaar bedraagt (p. 127). Die groei komt vooral de ontwikkelde landen ten goede. De levensverwachting is 58 voor de mannen en 60 voor de vrouwen. Tijdens het Belgisch bestuur was Congo de best presterende kolonie in Afrika op economisch, sociaal en cultureel gebied, zelfs vóór Zuid-Afrika (p. 137). Onbekwame leiders hebben er een hel van gemaakt en zichzelf verrijkt. De verarming is dus veroorzaakt door mensen, niet door de natuur of de bodem.


Die leiders waren en zijn niet gediplomeerd. Zelfs de nieuwe president, Félix Tshisekedi, verkozen met veel fraude, heeft na 20 jaar ‘studie’ aan de Brusselse ICC enkel een vervalst bachelor diploma (n.v.d.r.). Congo zoekt sinds 1960 een bekwame en integere Congolese De Gaulle of een Deng Xiao Ping om het land weer op de rails te zetten. Het had genoeg hooggeschoolden, maar ze hebben hun land verlaten. Helaas noemt hij hier geen namen. Mogelijk is Martin Fayulu zo iemand, hij heeft universitaire diploma’s en ervaring als directeur van ExxonMobil, hij kreeg de meeste stemmen, maar Kabila verhinderde zijn verkiezing.


Voor staatsfuncties wordt nu geen enkel diploma meer vereist, enkel corruptie telt. De gevolgen dan: een lege schatkist, geen investeringen, armoede, ziektes, emigratie van hooggeschoolden en vaklieden, internationale organisaties verlaten Kinshasa, de ‘vuilste hoofdstad van de wereld’.
Nzeza vreest zelfs een scenario zoals het uiteenvallen van de SU (1991), Joegoslavië (1991), Tsjecho-Slowakije (1993) en Soedan (2011).


Het boek eindigt met de tekst van de Conferentie van Berlijn, inclusief de bepalingen over de vrijheid van handel en scheepvaart op de Congostroom en de strijd tegen de slavenhandel. Er is ook een zeer nuttige lijst van de vele mineralen en edelstenen die Congo bezit en de doeleinden waarvoor ze (door anderen) gebruikt worden (p. 185-188).


De bibliografie is grotendeels Franstalig. Sommige titels die in het boek voorkomen (Dumoulin, Hochschild, Bate), staan hier niet meer in. Ik mis vooral de zeer degelijke studie van Jean-Paul Sanderson over het reële aantal doden tijdens Leopold. Hier had Nzeza wel wat meer over mogen vertellen: de bevolking daalde van ca. 10,5 naar ca. 10 miljoen i.p.v. met ‘10 miljoen’, zoals Hochschild schreef en de internationale media nu nog altijd verkondigen. En de oorzaken waren divers: ook ondervoeding en ziektes speelden een rol.


Het boek is één grote lofrede op Leopold. Het is een reactie op de vele kritiek, die deels terecht en voor een groot deel ongegrond was en is.


De auteur is zeer goed op de hoogte van de geschiedenis van Afrika en van de huidige toestand. In tegenstelling met de Congolezen hier in België, die herstelbetalingen vragen van België (zonder te zeggen waarvoor), is hij zeer kritisch voor de Congolese leiders, die hun land leeggezogen hebben.


Een paar details: Nzeza spreekt over Duitstaligen in België rond 1850 (p. 26 en 151), maar de Oostkantons werden pas in 1919 bij België aangehecht. De Berezina stroomt door Wit-Rusland, niet door Oekraïne (p. 78). Hij vermeldt nergens in welke taal de onderhandelingen plaatsvonden tussen de kolonisatoren en de honderden stamhoofden.


Hopelijk wordt dit boek gelezen door zeer veel Congolezen en zeker door hen die in België met een beperkte kennis van zaken eenzijdige kritiek uitoefenen op ons land, maar niet op de wantoestanden en de dagelijkse moordpartijen, verkrachtingen en verminkingen in hun eigen land.


ISBN 9782343149912 | Paperback | 199 pagina's | Editions L’Harmattan, Paris |  januari 2019

© Jef Abbeel, 17 maart 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De zaak Oldenbarnevelt
Val, proces en executie
Wilfried Uitterhoeve

 

De onthoofding op 13 mei 1619 van Johan van Oldenbarnevelt in het openbaar, op een schavot op het Binnenhof, is een van de grootste tragedies uit de Nederlandse geschiedenis. Van Oldenbarnevelt had 43 jaar de belangen van de Republiek voortreffelijk gediend. Vriend en vijand erkende dat hij een man van grote besogne [verdienste] was, ja singulier [voortreffelijk] in alles. Zo tekenden de Staten van Holland het op in hun notulen. Ze voegden eraan toe: die staet, sie toe dat hij niet valle.


De val van Johan van Oldenbarnevelt had alles te maken met de Bestandstwisten. Er ontstond verwijdering tussen stadhouder Maurits en landsadvocaat Oldenbarnevelt. Wel of geen bestand met Spanje? Wel of geen ruimte bieden aan de opvattingen van Arminius? Wel of geen Nationale Synode bijeenroepen om de religietwisten te beslechten?


Het zwaard van Maurits won het van het woord van Oldenbarnevelt. 24 rechters oordeelden dat Oldenbarnevelt met zijn rechtlijnige beleid enorme onenigheid had veroorzaakt. Daardoor was het land verzwakt en in een diepe crisis gestort. Gelet op de oorlog met Spanje kwam dit neer op landverraad. Het vonnis was hard: de doodstraf en verbeurdverklaring van alle goederen. De enige mogelijkheid om aan de doodstraf te ontsnappen was een verzoek om gratie bij Maurits in te dienen. Dat weigerde de vergrijsde landsadvocaat. Om gratie vragen kwam volgens hem neer op een schulderkentenis.


Wilfried Uitterhoeve beschrijft de tragedie boeiend, helder, objectief en deskundig. Dit prima boek begint breed met de beschrijving van de voorgeschiedenis. Daarna versmalt de focus en zoomt de auteur in op de arrestatie van Oldenbarnevelt, diens proces, het vonnis en tot slot de laatste uren van Oldenbarnevelt.


De auteur heeft zich grondig verdiept in dit onderwerp. Aan dit boek ligt een gedegen bronnenonderzoek ten grondslag. Tal van processtukken zijn door hem opgediept en bestudeerd. Rianne Savenije van uitgeverij Vantilt verzamelde prachtige illustraties die steeds op de linker pagina, passend bij de tekst, staan afgebeeld. Zo is een lees-en kijkboek ontstaan van een hoog niveau.


Tal van historici hebben zich uitgesproken over het vonnis dat over Oldenbarnevelt is uitgesproken. J.C. Boogman (1917-2001), hoogleraar nieuwe geschiedenis van de Universiteit Utrecht, vat het wat mij betreft prima samen als hij schrijft: ‘Van een gerechtelijke moord kan stellig niet gesproken worden. Dat neemt niet weg dat het harde vonnis ons rechtsgevoel allerminst bevredigt.’ [J.C. Boogman: Van spel en spelers, blz. 99].


Uitterhoeve komt tot een vergelijkbare beoordeling. Het was geen gerechtelijke moord, maar wel een afrekening in een politiek proces dat niet voldeed aan de maatstaven van een gewoon strafproces (blz. 184). Het is een keurige afweging van allerlei argumenten en invalshoeken, waarbij ook nog eens het risico bestaat op emotionele betrokkenheid. Uitterhoeve laat zich niet meeslepen in verontwaardiging, maar houdt de regie over zijn onderwerp strak in de hand. Hij maakt duidelijk dat de briljante landsadvocaat weinig empathisch vermogen had. Hij kon zich moeilijk verplaatsen in de gevoelens en meningen van Maurits. De prins moest buigen voor de inzichten van de oudere staatsman.


Op blz. 13 tast de auteur mis als het over de predestinatie gaat.


“Volgens de aanhangers van de predestinatie kiest God in Zijn almacht aan het begin der tijden de ene mens uit voor gelovigheid en eeuwige zaligheid, voor de ander is ongelovigheid en eeuwige verdoemenis weggelegd. God wordt hiermee de schepper van het goede én het kwade; hij creëert de zonde en legt die op; de levenswandel van de mens doet er niet toe.”


Het leerstuk van de predestinatie heeft zijn wortels in de opvattingen van Augustinus. Volgens deze bisschop uit de vroegchristelijke kerk kiest God uit de massa corruptiones [de gevallen mensheid] sommigen tot zaligheid en gaat Hij aan anderen voorbij. Die verkiezing is van eeuwigheid, en niet, zoals het boek meldt, ‘vanaf het begin der tijden’. God is nooit de auteur van de zonde en legt die nooit op. De mens kiest zelf voor de zonde. Gevolg van de verkiezing is dat de mens gelooft en dat hij uit dankbaarheid goede werken gaat doen. Volgens Arminius kwam de mens eerst tot geloof en volgde daar de verkiezing tot zaligheid op. Bij Arminius is de volgorde dus precies omgedraaid. Eerst geloof en goed gedrag, daarna verkiezing. Dat was in de ogen van zijn opponent Gomarus een aanranding van de eer van God. De mens droeg niets bij aan zijn zaligheid. Het was genade, geen prestatie.


Het merkwaardige is dat Oldenbarnevelt om politieke redenen in het kamp van de Arminianen belandde. Uitterhoeve citeert een paar keer enkele opmerkingen van Oldenbarnevelt over de verkiezing die langs de meetlat van Gomarus gelegd kunnen worden. In de nacht voor zijn executie beleed Oldenbarnevelt dat mensen door Gods genade gaan geloven en dat deze mensen vervolgens hun geloof versierden met goede werken (blz. 154). Dat sluit aan bij Gomarus, niet bij Arminius.


Het is buitengewoon boeiend om je te verdiepen in de mentaliteit van mensen in voorgaande eeuwen. Geheel tegenovergesteld aan dit intellectuele debat beschrijft Uitterhoeve ook de rauwe kant van het leven in de 17e eeuw. Na de executie dopen toeschouwers hun zakdoek in het bloed en wrikken bloedige splinters los uit het schavot.


Dit mooie boek verdient qua vormgeving en inhoud een royale aanbeveling. Bij dezen!


Wilfried Uitterhoeve (1944) is historicus en jurist.


ISBN 9789460044113 | Paperback | omvang 208 blz. | uitgeverij Vantilt | januari 2019

© Henk Hofman, 5 maart 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer. Klik HIER

 

Gabrielle Petit
Dood en leven van een Belgische spionne tijdens de Eerste Wereldoorlog
Sophie De Schaepdrijver


In Brussel en Doornik staan standbeelden van Gabrielle Petit. Toch zal menigeen geen idee hebben wie zij was. Ook de verwijzing 'Eerste Wereldoorlog' zal nauwelijks iets verduidelijken.
Toch zijn er films gemaakt over haar en zijn er biografieën over haar leven verschenen.
Niettemin vond historica Sophie De Schaepdrijver het nodig opnieuw onderzoek te doen naar deze bijzondere vrouw.


Wie was zij dan?
Gabrielle Petit wordt geboren in februari 1893 te Doornik. Haar grootouders waren niet onbemiddeld, ze hoorden tot de burgerij, maar de vader van Gabrielle geeft er geen blijk van talent voor zaken te bezitten. Hij gaat geregeld failliet. In het gezin Petit zijn drie dochters en een zoon. Gabrielle, de middelste, heeft een scherpe geest, en ligt regelmatig in de clinch met haar moeder. Daarom wordt zij naar de nonnenschool gestuurd. Als hun moeder overlijdt en haar vader hertrouwt blijkt ook de nieuwe moeder de kinderen niet aan te kunnen.


Jules Petit brengt zijn dochters naar het weeshuis, hetgeen een sociale achteruitgang betekent, waar het meisje Gabrielle gevoelig voor is. En dat terwijl ze dus ook niet meer in familiale kring verkeert. Op haar zestiende verlaat ze het weeshuis en trekt in Brussel in bij een tante. Na een paar jaar gaat ze op zichzelf wonen, en heeft allerlei baantjes om de kost te verdienen.


Als de oorlog uitbreekt is zij verloofd met Maurice Gobert, een jonge onderofficier, die gewond raakt en met de hulp van Gabrielle naar Engeland ontkomt. De verloving zal stuk lopen op haar zelfstandigheid. Als Maurice door heeft dat ze niet van plan is het onderdanige vrouwtje te spelen, verbreekt hij de verloving. Om de een of andere reden dringt dat niet tot Gabrielle door, ze blijft hem schrijven. Haar leven is dan evenwel heel anders geworden. Verpleegster mocht ze niet worden, omdat ze niet opgeleid was, maar tot haar geluk vindt ze een levensdoel als spionne.


Na een korte opleiding in Engeland, reist ze reist heen en weer terwijl ze allerlei informatie verzamelt die de geallieerden graag hebben. Dankzij Gabrielle weten de Britten exact hoeveel vijandelijke troepen er te verwachten zijn, want haar informatie is zeer precies en bereikt hen snel. Gabrielle werkt ook nog als koerierster voor het clandestiene dagblad La Libre Belgique en voor de ondergrondse postdienst Mot du Soldat. Ze helpt bovendien om een vluchtroute naar Nederland op te zetten. Het gaat fout in 1916. Ze wordt verraden en door de Duitsers gefusilleerd op 1 april 1916.
Drieëntwintig jaar oud is ze op dat moment.


Na haar dood werd ze jarenlang gezien als een echte heldin die voor het vaderland streed. Dat heeft ook te maken met het feit dat ze niet brak toen ze eenmaal opgepakt was. Ze noemde geen namen, en weigerde genade. In de gevangenis van Sint-Gillis schreef ze op de muur: ‘Ik vraag geen genade, om de mof te laten zien dat ik mijn voeten aan hem veeg’.


Na de oorlog werd Gabrielle Petit herbegraven op de Begraafplaats van Schaarbeek. In 2005 werd ze in Vlaanderen en Wallonië genomineerd voor de titel De Grootste Belg. In de Waalse versie eindigde ze op nummer 85 en in de Vlaamse op 94.


Zoals in de inleiding wordt vermeld is dit lijvige boek het verhaal van haar leven en over hoe zij herdacht werd. Zoals het een historicus betaamt wordt dat ingebed in de tijd, zodat het boek ook een beeld geeft van de eerste decennia van de vorige eeuw, waaronder ook een (minimale) beschrijving van het verloop van de oorlog hoort.


Het is een verhaal dat ondanks de enorme hoeveelheid feiten niet saai wordt: al is het niet een boek dat je in een ruk uitleest, het boeit van begin tot einde.
Was ze in de naoorlogse jaren een volksheldin – daar was behoefte aan na al die jaren van ellende – Sophie de Schaepdrijver zet haar in dit boek neer als een historisch figuur.
Achterin het boek vinden we naast een flinke hoeveelheid noten een indrukwekkende lijst van geraadpleegde boeken, en een register van personen en plaatsen.


ISBN 9789492159922 | Hardcover | 448 pagina's | Uitgeverij Horizon | oktober 2018

© Marjo, 28 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Endlösung
Het lot van de Joden 1933-1949
David Cesarani


Dit boek is geen deelstudie, maar een alomvattend en uitputtend onderzoek naar het lot van de Joden in Duitsland en Europa tussen 1933 en 1949.


Hitler was de man die de lont ontstak, waarna een vergiftigde sfeer in kruitvat Europa tot ontploffing kwam. De Joden waren daarvan de dupe. Duidelijk is dat nazi’s en Duitsers de eerstverantwoordelijken en schuldigen zijn als het gaat om het uitroeien van het Joodse volk. Maar op het punt van het antisemitisme viel de Duitse haat tegen Joden samen met haat in heel Europa tegen Joden. In alle landen hielp het overheidsapparaat, samen met de lokale bevolking, om Joden op te sporen en te deporteren.


Endlösung
is een overstelpende aaneenschakeling van gruwelen die de Joden ondergingen. Bewakers haalden mooie vrouwen uit de rij gevangenen om ze eerst te verkrachten voor ze vermoord werden. Baby’s werden uit de armen van hun moeders gerukt en voor hun ogen in het vuur geworpen. Burgers stonden lachend toe te kijken hoe Joden geëxecuteerd werden. In heel Europa onteigende de staat Joods bezit, plunderden burgers Joodse woningen, stalen ze schilderijen en meubilair. Omstanders doorzochten de buit die achterbleef als Joden vergast of geëxecuteerd werden op waardevolle spullen.


Joden waren nergens welkom en stonden er altijd alleen voor. Engeland en de VS hielden de grenzen gesloten. Na de oorlog weigerde de Britse regering om Joodse overlevenden toe te laten tot Palestina. Zij werden opnieuw geïnterneerd in kampen op Cyprus. Geroofd goed werd door de Britse regering niet teruggegeven, maar gebruikt voor eigen doeleinden. Zwitserse banken, beschermd door de overheid, namen dezelfde houding aan. In Nederland ontvingen teruggekeerde overlevenden uit de kampen belastingaanslagen over de achterliggende jaren verhoogd met een boete vanwege achterstalligheid. In Polen werden na 1945 Joden opnieuw slachtoffer van pogroms, nu bedreven door Polen. De berechting van de oorlogsmisdadigers verliep eveneens heel gebrekkig. De meeste daders ontsprongen de dans, anderen kwamen er af met geringe straffen of kregen na verloop van tijd gratie.
De ongevoeligheid en misdadigheid van dit alles is van een adembenemende omvang.


De enige uitzondering die in dit boek wordt genoemd is Denemarken. In dit land werkten overheid, verzetsbeweging, kerken en burgers eendrachtig samen om zoveel mogelijk Joden te redden.


Over het lot van de Joden was al tijdens de oorlog veel bekend bij de geallieerden. Smeekbeden om te interveniëren en bijvoorbeeld de gaskamers en toeleidende spoorwegen te bombarderen, of Joden tegen Duitse krijgsgevangenen te ruilen, of ze vrij te kopen, werden van de hand gewezen. De geallieerden gaven de prioriteit aan oorlogvoering op het slagveld. Volgens Cesarani heeft falend geallieerd beleid het lijden van het Joodse volk verlengd.


Cesarani beschrijft de lijdensweg van Joden sober en terughoudend. Toch komt dat zo indringend over dat de lezer vol emotie schiet. Verontwaardiging en ongeloof dat dit allemaal echt is gebeurd, wisselen elkaar af. Dit is een inktzwarte bladzijde in de geschiedenis van Duitsland, van Europa en van de mensheid als geheel.
Rode draad in het boek is dat het antisemitisme tot de kern van het nationaalsocialistische gedachtegoed hoorde, maar dat in de uitvoering het beleid met betrekking tot de Joden al improviserend tot stand is gekomen.


Hoe omvangrijk het boek ook is, het is onmogelijk om volledig te zijn. Raoul Wallenberg, de Zweedse redder van tienduizenden Hongaarse Joden komt er wat bekaaid van af met een tweetal regels. Oscar Schindler, die in Krakau Joden uit de Duitse klauwen wist te houden, wordt niet genoemd. De Nederlandse Jood Jules Schelvis, een van de achttien overlevenden van Sobibor wordt evenmin genoemd. Hetzelfde geldt voor de Italiaan Primo Levi, die Auschwitz overleefde en daar het aangrijpende boek Is dat een mens? over schreef. Niet alles hoeft en kan genoemd worden. De verpletterende indruk die dit boek op de lezer maakt is er niet minder om.


De vertaling van dit omvangrijke boek zal een enorm karwei zijn geweest. Voor zover ik het kan beoordelen heeft de vertaler zijn werk prima gedaan. Een aandachtspuntje is het consequent zijn als het om begrippen gaat. De terminologie als het gaat om instanties en functies is niet altijd eenduidig. Het woord ‘dodenmarsen’ is in historische werken meer gebruikelijk dan ‘doodsmarsen’.


Voorin het boek staan een aantal overzichtelijke kaarten. Achterin zijn een glossarium (begrippenlijst), notenapparaat, en bibliografie op genomen. Alles bij elkaar een indrukwekkende uitgave.


David Cesarani is de aangewezen historicus voor dit onderwerp. Hij schreef veel over de Holocaust, publiceerde in 2004 een biografie over Eichmann en was hoogleraar moderne geschiedenis. Hij overleed in 2015 toen de laatste hand aan dit boek werd gelegd.


Dit magistrale werk verschaft samen met de boeken van Saul Friedländer (die zich richt op de Joden in Duitsland), Raul Hilberg (die zijn studie net als Cesarani in Europees kader plaatst) en Nikolaus Wachsmann (die zich richt op de concentratiekampen) inzicht in de afgrond van de menselijke geest.


ISBN 9789045034904 | Hardcover | uitgeverij Atlas Contact | omvang 1056 blz. | november 2018
Vertaald door Ton Zwaan

© Henk Hofman, 20 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Forever 27
The infamous club of 27
Godfried Nevels


Een interessant boek over muzikanten die op 27-jarige leeftijd zijn overleden en die samen nog wel eens als een soort club gezien worden. Natuurlijk vinden we de bekende namen: Brian Jones, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Jim Morrison, Kurt Cobain en Amy Winehouse, maar ook wat minder bekende namen.
Na het voorwoord van Barry Hay, die later ook nog een keer aan het woord komt over Jimi Hendrix, Janis Joplin en Jim Morrison, volgt een inleiding over de vraag waarom muzikanten jong sterven en of 27 nu echt wel zo'n gevaarlijke leeftijd is.


Het stuk met muzikantenportretten trapt af met Robert Johnson, die misschien een beetje een vreemde eend in de bijt is. Hij overleed in 1938 en is eigenlijk pas later aan de club van 27 toegevoegd. Dan volgen de portretten van 4 muzikanten die hun stempel op de muziek van de jaren 60 hebben gezet, namelijk Brian Jones (overleden in 1969), Jimi Hendrix (overleden in 1970), Janis Joplin (ook overleden in 1970) en Jim Morrison (overleden in 1971).


Hierna volgen een aantal intermezzo's. Eerst een stuk over het getal 27, dat wat mij betreft beter weggelaten had kunnen worden. Het is vooral vaag geklets dat niets toevoegt aan het verhaal. Het is vooral een soort bewijs van het feit dat mensen geneigd zijn om overal patronen in te zoeken. Het stuk over muzikanten die op 26-jarige en 28-jarige leeftijd zijn overleden is interessanter. Daar vinden we onder andere Nick Drake, die 26 jaar werd en Tim Buckley, die 28 jaar heeft geleefd. Beide muzikanten werden na hun dood pas echt populair. Natuurlijk ontbreken er de nodige muzikanten die de pech hadden om op een andere leeftijd te overlijden, maar goed, je moet nu eenmaal ergens een streep trekken. Tot slot is er nog een stukje met uitspraken van de overleden muzikanten.


Na deze intermezzo's volgt nog een stuk met portretten van muzikanten die op 27-jarige leeftijd zijn overleden, waarbij de aandacht wordt gericht op muzikanten van latere generaties. In dat opzicht is de eerste muzikant een beetje een vreemde eend in de bijt, die eerder bij het stuk voor de intermezzo's past. Dat is Pete Ham, de frontman van Badfinger, een naam die vermoedelijk minder mensen wat zal zeggen dan de andere namen die voor de intermezzo's aan bod komen. Hij maakte in 1975 een einde aan z'n leven.
Dan komt er ineens een sprong in de tijd naar Kurt Cobain, die op 8 april 1994 een einde aan z'n leven maakte. Verder volgen nog Kirsten Pfaff (1994), de bassiste van Courtney Love's groep Hole (voor wie het niet weet, Courtney Love was de partner van Kurt Cobain) en Richey Edwards (die in 1995 verdwenen is en van wie niemand meer iets gehoord heeft) van The Manic Street Preachers. En dan volgt nog Amy Winehouse (2011), waarmee het rijtje voorlopig compleet is.


Na deze muzikantenportretten, waarin ook aandacht is voor de doodsoorzaken en eventuele mysteries volgen nog interviews met mensen die iets te maken hebben gehad met verschillende leden van de club van 27. Al met al is het een interessant werkstuk op vrij groot formaat, met veel informatie en het nodige fotomateriaal.
Na het dankwoord volgen nog een bronvermelding en een fotoverantwoording.


ISBN 9789493001107 | NUR 660 | Paperback | 214 pagina’s | Uitgeverij Aspect | januari 2019
Afmeting 27,8 x 21,1 cm.

© Renate 14 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Paul
Zoektocht van een vader naar zijn zoon
Nol van Gerwen


De schrijver van het boek Paul is diens vader. Op 22 juni 1989 pleegde de toen 24-jarige zoon zelfmoord, niet zo onverwacht, hij had al eerder pogingen gedaan. Hij had al enkele malen een periode doorgebracht op een psychiatrische afdeling, waarbij de diagnose schizofrenie was gesteld.


Hij was gaan studeren in Amsterdam maar had zijn studie er aan gegeven en was terug verhuisd naar Maastricht. Zijn ouders waren in de tussentijd gescheiden en hadden nauwelijks nog contact.
Paul woonde in een kamer in een buitenwijk van Maastricht op het moment dat hij besloot een eind aan zijn leven te maken.
Nol neemt alle bezittingen mee: een aantal schriften, tekenblokken en losse blaadjes met dagboekaantekeningen, notities en tekeningen. Pas in 2014 komt hij er toe om deze te ordenen en te proberen meer te weten te komen over wie zijn zoon was. Dat is het moment waarop hij in therapie gaat omdat hij steeds meer last begint te krijgen van depressieve periodes. 


‘De deurtjes van de kast zijn niet langer gesloten en ik ben dichter bij mijn belangrijkste doel gekomen: ‘Mijn zoon Paul een herkenbare plaats in onze wereld geven, de plek die hij verdient.‘


De reden waarom dit boek is ontstaan is tweeledig en is een wisselwerking. Het dient om de vader zijn rust terug te geven en te leren omgaan met het verlies van zijn zoon, maar ook wil hij zijn zoon postuum een reden van bestaan geven.


In de vorm van een soort dagboek vertelt hij over zijn eigen leven en over het ordenen van Pauls papieren, waarbij hij steeds opnieuw tot observaties en constateringen komt die hem soms onrustig maken, maar die hopelijk uiteindelijk leiden tot de rust die hij zoekt.
Hij spreekt zijn zoon rechtstreeks aan, hetgeen goed werkt. Het is alsof Paul er nog is. Alsof hij nog antwoorden kan krijgen. Soms komen die antwoorden ook, als Nol associaties legt met de dingen die hij leest in een boek, of iets wat hij op de televisie ziet.


Het boek begint met een voorwoord van Jan Olthof, de psychotherapeut, en een van Gertha Sijbers, de schrijfcoach en redacteur. Beiden hielpen Nol van Gerwen om dit zeer persoonlijke verhaal te vertellen. Het is nogal wat om met iets wat zo privé is de openbaarheid op te zoeken. Het is één ding om de papieren uit te zoeken en dingen op een rijtje te zetten, voor jezelf, maar om het dan ook nog bloot te geven aan wie het maar lezen wil, dat getuigt toch van lef. Hij moet immers met de billen bloot: het is zeer aannemelijk dat je als ouder met een schuldgevoel blijft zitten als je kind zelf een einde aan zijn leven maakt, de vraag komt dan ook aan de orde: had Nol het kunnen voorkomen? Is hij tekort geschoten?


We lezen hoe dit proces nu eens vlot verloopt dan weer met horten en stoten verloopt. Eerlijkheid is een van de belangrijkste voorwaarden waaraan je moet voldoen om met jezelf – en de dood van je zoon – in het reine te komen. Het boek straalt dat uit en kan daarom steun bieden aan mensen die in een soortgelijke situatie verkeren. Troost kan een aspect zijn, maar ook misschien een leidraad om eenzelfde soort verwerking aan te gaan.


Het boek sluit af met een dankwoord en een literatuurlijst.


ISBN 9789079226504 | paperback |150 pagina's | Uitgeverij Leon van Dorp | oktober 2018

© Marjo, 13 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER