Nieuwe recensies Non-fictie

Diabetes type 2?
Maak jezelf beter
Hindoestaanse editie

Karine Hoenderdos & Hanno Pijl

Nee, dit boek is niet het zoveelste boek over wonder- of crashdiëten. Het is wel een boek over minder koolhydraten eten en waarom dat beter is voor mensen met diabetes 2. Het frappante is dat al in 1917 de Amerikaanse arts Elliott Proctor opmerkte dat obesitas een belangrijke factor was voor het krijgen van diabetes type 2. Zijn dieetadvies was toentertijd al dat de inname van koolhydraten beperkt moest worden. Brood etc. werd in de ban gedaan. Het dieet was  jarenlang de richtlijn voor mensen met diabetes 2.  Door de ontwikkeling van geneesmiddelen echter verdween de noodzaak van het dieet, een pilletje hief de noodzaak van het koolhydraatarm eten op.


Nadat de voornaamste focus van de artsen werd verlegd naar de vermeerdering van hart- en vaatziekten werd de aandacht gericht op vet- en zoutarm eten ook voor mensen met diabetes 2. Maar inmiddels komt men daar op terug, de tijden zijn veranderd, op het belang van gezond eten komt steeds meer nadruk te liggen en een koolhydraatarm dieet blijkt zeker aan te raden voor mensen met diabetes. Het maakt dat het gebruik van insuline en medicijnen sterk verminderd. Het is zelfs zo dat diabetes type 2 te voorkomen en soms zelfs geheel te genezen is door deze andere leefstijl.


Diabetesdeskundige professor Hanno Pijl van het Leids Universitair Centrum is met name geïnteresseerd in de rol van voeding bij het ontstaan en behandelen van diabetes type 2 en heeft samen met Karine Hoenderdos (vakgebied diëtiek) het boek Diabetes tyoe 2? Maak jezelf beter samengesteld. In dat boek begeleiden zij de mensen met diabetes 2 naar een gezonder leven met minder koolhydraten.
Dit doen zij in tien stappen. Elke stap vormt een hoofdstuk van het boek. Aan het eind van elk hoofdstuk vatten zij de inhoud nog even kort samen.


In de hoofdstukken, zoals bijvoorbeeld hoofdstuk 1,  wordt o.a. duidelijk uitgelegd waarom het gebruik van bepaalde stoffen, zoals frisdrank, suiker, snoep, koek, gebak etc.,  niet goed voor je is en begeleiden ze je middels een stappenplan naar het verminderen van die stoffen.
En in de overige hoofdstukken is er o.a. aandacht voor bewegen. Er wordt verteld waarom het goed is en wat voor - positief - effect het heeft op diabetes 2.


Ze vertellen ook duidelijk waarom er juist wèl volvette producten gebruikt worden - wat voor veel mensen vreemd aanvoelt omdat het hen zo ingeprent is vooral magere producten te eten. Maar in tegenstelling wat iedereen denkt is het niet slecht voor je hart.


"De combinatie van weinig koolhydraten en veel vetten is juist goed.  Bij veel mensen met diabetes daalt het cholesterolgehalte juist als ze hun voeding aanpassen. En dat geld ook voor triglyceriden in het bloed, ook een risicofactor voor hart- en vaatziekten. [...] Als je de koolhydraten sterk verminderd hebben de verzadigde vetten geen schadelijk effect."


Het frappante is dat als je koolhydraatarm eet,  je totaal geen honger meer hebt. Je voelt je verzadigd, waardoor de 'lekkere trek' ook verdwijnt.


Na deze uitgebreide uitleg beginnen vanaf pagina 105 de koolhydraatarme recepten.  Mensen die nog huiveren om koolhydraatarm te gaan eten zouden echt eens in dit boek moeten kijken om te zien wat ze allemaal wel mogen eten.


In tegenstelling tot het eerste boek is in dit boek aangepast aan de Hindoestaanse eetgewoontes en cultuur. Het blijkt namelijk dat Hindoestaanse mensen meer aanleg voor diabetes 2 hebben. Er wordt verteld wat ze beter kunnen dan rijst, dahl etc. Ook veel recepten zijn aangepast aan Hindoestaans eten. Het water loopt je in de mond!


De schrijvers benadrukken dat alles wat zij in dit boek schrijven wetenschappelijk is onderbouwd. Deze manier van eten is veilig en effectief.


Zelf ben ik door het verschijnen van het eerste boek koolhydraatarm gaan eten en ik hoef geen medicijnen meer te slikken! Ik zou mensen die roepen 'ik wil mijn brood, aardappeltje, rijst en pasta niet missen' zo graag willen zeggen dat je het helemaal niet mist. Dat je je veel energieker en prettiger voelt. Dat je beter slaapt, op gewicht blijft of afvalt en het belangrijkste, je bloedsuiker daalt significant en schiet niet meer alle kanten op met als gevolg een lijf dat goed voelt.
Probeer het eens!

ISBN 9789059564053 | Paperback | 192 pagina's | Fontaine uitgevers | januari 2020

© Dettie, 24 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Cijfers liegen niet
71 dingen die je over de wereld moet weten
Vaclav Smil


De auteur bespreekt 71 onderwerpen die gegroepeerd zijn rond zeven thema’s: Mensen, Landen, Machines, Energie, Transport, Voedsel en Milieu.
Elk hoofdstuk telt slechts 4 of 5 bladzijden, vaak met een statistiek of illustratie als toelichting op de beknopte tekst. Het is verrassend om vast te stellen dat Vaclav Smil binnen die beperkte omvang toch een maximum aan informatie weet aan te reiken en tot puntige observaties komt.


Een paar voorbeelden, gehaald uit het thema Mensen.

  • Een steeds groter deel van de mensheid leeft onder het vervangingsniveau. Dat wil zeggen dat het geboortecijfer te laag is om het bevolkingsaantal stabiel te houden. De norm zou 2,1 kind per vrouw moeten zijn. In Duitsland is dit 1,4, in Frankrijk 1,8, in Nederland en België 1,7, in Spanje en Italië 1,3. De daling van het geboortecijfer is nagenoeg mondiaal en zal enorme demografische, economische, sociale en politieke gevolgen hebben.
  • De beste graadmeter om de kwaliteit van leven in een land vast te stellen is de kindersterfte. Lage aantallen geven aan dat de gezondheidszorg van een land van goede kwaliteit is en dat de sociale, economische en financiële omstandigheden goed zijn.
  • Lichaamslengte kan belangrijke voordelen hebben. Lange mensen leven langer, zijn vaker gezond en verdienen vaak meer dan hun medemens van geringere lengte. Nederland is recordhouder en melk speelt hierin een belangrijke rol. Laat je kind vooral melk drinken als je wilt dat het meer kansen heeft om lang te worden.


In het thema Landen gaat het onder meer over de tragische nasleep van de Eerste Wereldoorlog, over de Verenigde Staten waar meer baby’s sterven en scholieren minder leren dan in andere welvarende landen en over de Europese Unie die ondanks alle gebreken een resultaat bereikt dat bijna ‘te mooi is om waar te zijn.’


In het thema Voedsel snijdt Smil de voedselverspilling aan. Mondiaal gezien gaat minstens een derde van al het geproduceerde voedsel verloren. De auteur noemt de verspilling aan voedsel ‘excessief en onvergeefllijk.’


In het thema Milieu gaat het over de teloorgang van de olifant (vanwege de voortdurende vraag naar ivoor), over het enorme effect dat driedubbel glas in ramen heeft op je energiekosten en over de haalbaarheid van wereldwijde klimaatplannen (de doelstellingen zijn zo ambitieus dat grote economische en sociale ontwrichting het gevolg zal zijn. De auteur pleit voor een drastische verlaging van de vraag naar energie).


Uit deze opsomming blijkt wel hoe veelzijdig en informatief dit boek is.


Op blz. 230 is volgens mij een kleine fout gemaakt in de onderste grafiek. Het gemiddelde voedingsrendement van mager rundvlees (4%) wordt daar vergeleken met opnieuw mager rundvlees (15%). Vermoedelijk zal de vergelijking gaan tussen rundvlees en vlees van een varken of kip.


Vaclav Smil is een Tsjech die in 1969 samen met zijn vrouw uitweek naar de Verenigde Staten. Nog net op tijd, want twee weken later gingen de grenzen weer dicht. Hij is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Manitoba in Canada. Hij schreef maar liefst meer dan veertig boeken over energie, technische innovatie, risicobeoordeling en openbaar bestuur.


Kortom: een mooi en handzaam uitgegeven boek dat mede vanwege het brede scala aan onderwerpen voor veel mensen interessant zal zijn en ook nog eens heel geschikt is om aan iemand cadeau te geven.


ISBN 978906827666 | Paperback | Omvang 320 blz. | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | januari 2021
Vertaald door Joost Pollmann

© Henk Hofman, 21 januari 2021

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Niemandskind
ik groeide op in Hitlers project 'Lebensborn'
Ingrid von Oelhafen & Tim Tate


Het verhaal begint met de feiten: Joegoslavië werd in april 1941 overvallen en ingelijfd door de Duitse Wehrmacht. In augustus 1942 moesten alle gezinnen van het stadje Cilli en omstreken hun kinderen naar het schoolplein brengen ‘om medisch onderzocht’ te worden. Dat was evenwel niet het plan.


Eenmaal daar werden mannen, vrouwen en kinderen gescheiden. Zelfs de kleinste baby’s werden uit de armen van hun moeder getrokken. Alle kinderen werden onderzocht op uiterlijke kenmerken, volgens de criteria van Himmler.
‘Raciaal onbruikbare kinderen’ konden terug naar hun ouders, maar ‘potentieel bruikbare kinderen’ werden meegenomen en opgenomen in een doorgangskamp. Dat waren vierendertig kinderen tussen nul en twaalf jaar oud. Onder hen bevond zich de negen maanden oude Erika Matko. Zij en een aantal anderen werden ondergebracht bij geschikt bevonden Duitse gezinnen, in het kader van het project Lebensborn om te germaniseren.


De Lebensbornvereniging werd in 1935 opgericht als een soort welzijnsorganisatie. De opzet was om de bevolking van Duitsland, die hard aan het krimpen was, te laten groeien. Maar de tehuizen die opgericht werden in Duitsland en bezette gebieden, waar behalve echtgenotes van SS-ers ook ongehuwde vrouwen konden bevallen, de laatsten om hun kind af te staan ter adoptie, waren niet zo ethisch als men deed geloven. Men streefde namelijk naar ‘puurheid van het Arische ras’. Omdat archieven vernietigd werden zijn precieze aantallen niet bekend, men denkt aan minstens 20.000 kinderen. Als zij Arisch bevonden werden, werden ze geadopteerd. Voldeden ze niet, dan gingen ze naar een vernietigingskamp.


Dit project was de voornaamste bezigheid van Heinrich Himmler, was leider van de SS en een van de belangrijkste leiders van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij, ook grotendeels verantwoordelijk voor de Holocaust. Zijn idealen van een zuiver Arisch ras werden gedeeld door Hitler.


‘Ik ben van mening dat we, wanneer we te maken hebben met een buitenlandse natie, in het bijzonder van de Slavische nationaliteit, geen Duitse uitgangspunten moeten hanteren en dat we niet moeten proberen om deze mensen te verrijken met fatsoenlijke Duitse gedachten en logische conclusies die ze niet kunnen bevatten, maar dat we ze moeten nemen zoals ze werkelijk zijn.
Natuurlijk zullen er in een dergelijke mengeling van volken altijd een aantal mensen van goed ras te vinden zijn. Daarom zie ik het als onze plicht om hun kinderen mee te nemen, om ze weg te halen uit hun omgeving, indien nodig door ze te stelen. Of we bemachtigen goed bloed dat we voor onszelf kunnen gebruiken en geven het een plek in ons volk, of we vernietigen dit bloed.’


Te gruwelijk voor woorden. Nog erger is dat dit inderdaad gebeurde. Toen bleek dat er niet genoeg kinderen geboren werden, besloot men ze te stelen.
Een van hen was de schrijfster van dit boek.


Ingrid von Oelhafen groeide op bij Duitse ouders in Bandekow, met haar broer Dietmar. Haar ouders leefden gescheiden. Toen Duitsland de oorlog verloor en het land opgedeeld werd, viel het huis van haar moeder onder Russisch gezag, en dat van haar vader onder Amerikaans toezicht.
Net voor er een officiële grens werd ingesteld wist Ingrids moeder te vluchten met Ingrid en Dietmar, maar eenmaal aangekomen werden de kinderen in een tehuis ondergebracht.
Als ze jaren later bij hun vader gaan wonen – ook niet bepaald een prettig leven – ontdekt Ingrid dat haar broer andere familie heeft. Maar pas als ze naar het ziekenhuis moet, omdat omdat haar ogen ontstoken zijn, ontdekt ze dat ze zelf ook niet het biologische kind is van de ouders die ze tot dan toe kende.
De zoektocht naar wie ze dan wel is, begint evenwel pas echt in 1999, als er een telefoontje komt van het Rode Kruis. Ingrid heeft op dat moment een bloeiende praktijk opgebouwd als fysiotherapeute, gespecialiseerd in gehandicapte kinderen.
Getriggerd door het telefoontje neemt ze contact op met een geschiedkundige aan de universiteit van Mainz.
Via vele omzwervingen ontdekt ze daarna haar echte identiteit. Ze is de Sloveense Erika Matko.


Dit boek is een mengeling van een persoonlijk verhaal en dat van een van de gruwelijkheden die plaatsvonden in de Tweede Wereldoorlog. Nu eens heeft de ene verhaallijn de overhand, dan weer de andere. We lezen over Lebensborn, over de walgelijke ideeën van Himmler, over de tehuizen en Neurenberg, en over de bijeenkomsten van de dan al bejaarde Lebensbornkinderen.
Maar ook wat het feit dat zij een ‘gestolen’ kind was, deed met Ingrid von Oelhafen, hoe het leven dat zij leidde haar beïnvloed heeft. Wie zou ze geweest zijn als ze bij haar biologische ouders was opgegroeid?
Een schokkend en bijwijlen aangrijpend verhaal.


Ingrid von Oelhafen (1941) Het boek kwam tot stand in samenwerking met auteur, journalist en filmmaker Tim Tate (1956). Voor een productie uit 2013 sprak hij met verschillende mensen; het verhaal van Ingrid zou uiteindelijk niet gebruikt worden in de film, maar in boekvorm uitgegeven worden.


ISBN 9789402706260 | paperback |288 pagina's | Uitgeverij Harper Collins| november 2020
Uit het Engels (‘Hitler’s Forgotten Children’) vertaald door Karin de Haas.

© Marjo, 17 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Langs de afgrond
Het nut van foute denkers
Arnold Heumakers


De titel is in meervoudige zin op te vatten. Het kan betrekking hebben op foute denkers die met hun opvattingen langs de afgrond van radicalisme scheren. De auteur, Arnold Heumakers, kan aan zichzelf denken. Want hij durft het aan denkers te bespreken die vandaag de dag voor ‘fout’ worden aangezien. En de titel kan te maken met onze samenleving die langs de afgrond scheert, maar die zijn voordeel kan doen met het gedachtegoed van denkers die ook aan een afgrond hebben gestaan.
In elke interpretatie schuilt een kern van waarheid. Dat geeft aan dat deze titel heel goed gekozen is. De auteur zelf denkt overigens vooral aan de derde interpretatie.


Foute denkers zijn van rechtse signatuur. Zij hebben met hun opvattingen raakvlakken met het fascisme en nationaalsocialisme. Heumakers vindt het te kort door de bocht om deze denkers op grond daarvan af te schrijven. Niet elke ‘foute denker’ was een antisemiet of een aanhanger van Hitler en/of Mussolini. Wij leven net als de generatie voor ons in een fundamenteel verdeelde cultuur. Heumakers stelt de vraag wat we kunnen opsteken van de inzichten van ‘foute denkers’, zonder dat dit een rehabilitatie inhoudt. Het levert een aansprekend, gevarieerd en goed leesbaar boek op.


Een vijftiental foute denkers worden besproken. Sommige daarvan zijn ook vandaag de dag nog wel redelijk bekend bij het grote publiek: George Sorel (1847-1922), Oswald Spengler (1880-1936), Ernst Jünger (1895-1998), Jonathan Littel (1967), Michel Houellebecq (1956). Weer anderen zullen nauwelijks nog bekendheid genieten: Friedrich Reck-Malleczewen (in 1945 in Dachau overleden), Erich Wichman (1890-1929), Maurice Blanchot (1907-2003).


Heumakers concentreert zich op een aantal thema’s: het kwetsbare bestaan van de liberale democratie en haar streven naar gelijkheid en vrijheid, de Europese eenwording, massaemigratie, emancipatie.


Het waardevolle van dit boek is dat elk hoofdstuk leidt tot cultuurkritische opmerkingen over deze uitgangspunten, die in onze tijd tot speerpunten in het beleid zijn uitgeroepen.


Neem het begrip ‘gelijkheid’. Het begon met ‘gelijkheid voor de wet’, maar is na verloop van tijd uitgebreid tot “humane gelijkwaardigheid, gelijkheid van kansen en de laatste tijd steeds meer gelijke of liever proportionele vertegenwoordiging in bestuur, media, cultuur, bedrijfsleven, onderwijs en waar al niet meer. Zo wordt een onuitputtelijke bron van onrecht en dus van wrok en verontwaardiging aangeboord” (blz. 267).
Iets verderop constateert de auteur dat gelijkheid in de natuur niet bestaat. “Als er iets is wat alle foute denkers ons trachten bij te brengen dan is het wel dit.” Daarom kan het verlangen naar gelijkheid nooit volledig worden bevredigd.


Hetzelfde geldt voor dat andere kernbegrip uit de seculiere ideologie: het recht op vrijheid. “Als grondrecht zal het altijd een fictie blijven: nuttig om onrecht en machtsmisbruik tegen te gaan, schadelijk als het zo letterlijk wordt opgevat dat geen enkele vorm van ongelijkheid of onvrijheid meer wordt geaccepteerd. Want ook dat leren bijna alle fouten denkers ons: een gemeenschap kan niet zonder gezag en hiërarchie” (blz. 268). Uit de ongelijke verdeling van talent, intelligentie, handigheid, gezondheid, karakter en schoonheid vloeit voort dat het sociale leven altijd getekend zal zijn door ongelijke verhoudingen. “Wie denkt dat te kunnen veranderen, jaagt een hersenschim na.”


Eenzijdig hameren op gelijkheid is levensgevaarlijk voor vrijheid. ‘Emancipatie’ is in wezen een strijd om de macht. Minderheden, gegroeid in aantal en zelfbewustzijn, zetten de meerderheid onder druk om overstag te gaan. Onbedoeld kunnen we daardoor in een politiestaat terecht komen, waarin niet alleen daden, maar ook het anders denken strafbaar wordt (blz. 269).


De idealen van nu (vrijheid, gelijkheid, emancipatie, diversiteit, inclusiviteit) klinken goed, maar hebben een zwarte keerzijde als ze tot hun uiterste consequentie worden doorgevoerd. De Westerse beschaving dreigt aan haar eigen succes te gronde te gaan, schrijft Heumakers.


Een religie of ideologie die in de greep komt van fundamentalisten ontspoort inderdaad onherroepelijk. Dat wisten we al van het christendom en de islam. Het blijkt echter ook te gelden voor de seculiere ideologie die nu hoogtij viert. Een scheut minder bevlogenheid en wat meer realisme kan dus geen kwaad. Heumakers pleit voor nuchterheid en ‘methodisch pessimisme’. Dat is noodzakelijk, want het Europese universele humanisme dat niemand wil buitensluiten, verandert daardoor de eigen identiteit onherkenbaar (blz. 277).
Een waardevol en betekenisvol boek!


Arnold Heumakers (1950) is essayist, criticus bij NRC Handelsblad en was tot voor kort docent cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.


ISBN 9789024430123 | Paperback | Omvang 350 blz. | Uitgeverij Boom | november 2020

© Henk Hofman, 13 januari 2021

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER

 

50 jaar Toppop
Het verhaal van het populairste popprogramma
Tom Steenbergen


De titel van het boek is misschien een beetje misleidend, want het programma Toppop is weliswaar 50 jaar geleden begonnen, maar het is maar 18 seizoenen op TV geweest. Daarna zijn er nog allerlei programma’s geweest, waarin terug werd geblikt op oude opnamen en dit jaar is er veel aandacht voor het feit dat het 50 jaar geleden is dat dit eerste wekelijkse popprogramma op de Nederlandse TV begon.


Het is een mooi bladerboek, met veel anekdotes en mooie verhalen. Ook bevat het boek veel foto’s. Wat ik misschien jammer vind is dat niet over alle artiesten op de foto’s een verhaal in het boek te vinden is. Een klein foutje heb ik nog wel gevonden in het stuk over Roxy Music. Daarin wordt namelijk het woord viola genoemd, in het Nederlands betekent viola altviool, die niet in Roxy Music werd bespeeld. Met Eddie Jobson had men wel iemand in de gelederen, die niet alleen toetsen speelde, maar ook op de viool goed uit de voeten kon. Altviool bespeelde hij echter niet, maar wèl viool.


En wat is het verschil tussen een viool en een altviool? Een altviool is groter en een kwint lager gestemd. Een bekend grapje is dat een altviool langer brandt. Eddie Jobson speelt overigens ook de vioolsolo in ‘Love is all’ van Roger Glover and Guests, waar dit boek ook een verhaal over heeft. Voorts is hij nog bekend van de groep UK, die in Nederland een behoorlijke hit had met ‘Rendezvous 6.02.
Eddie Jobson begon ooit als 17-jarige in de groep Curved Air en heeft ook nog met Frank Zappa gespeeld. Wie wil horen wat Eddie Jobson als 17-jarige deed, moet maar eens op YouTube zoeken naar het nummer Metamorphosis van Curved Air, van het album Air cut, een nummer dat hij ook geschreven heeft. Het woord ‘viola’ komt in het Nederlands eigenlijk alleen voor in de samenstellingen ‘viola da braccio’, ‘viola da gamba’ en ‘viola d’amore’.


Het boek vertelt het verhaal van het programma in chronologische volgorde en begint met de voorganger het programma Doebidoe. Helaas is niet alles van Toppop bewaard gebleven, omdat de Ampexbanden waarop het een en ander vaak werd opgenomen, zo duur waren, dat ze opnieuw gebruikt werden. (Een probleem waar de bekende serie ‘Ja zuster, nee zuster’ ook door geplaagd is.) Wat er wel is, kan op YouTube gevonden worden.


Leuk is het verhaal in het stuk over het eerste seizoen, over Family. De opname is op YouTube te vinden en op een gegeven moment zit er een solo voor tenorsax in, die door de opvolger van saxofonist Jim King, de multi-instrumentalist John ‘Poli’ Palmer op fluit wordt geplaybackt.


In het stuk over het derde seizoen is er aandacht voor de glamrock met groepen als The Sweet, Slade en Mud, hoewel de laatste groep pas een jaar later z’n opwachting maakt.
In het vierde seizoen komt er concurrentie in de vorm van de parodie ‘Sjef Van Oekel’s Discohoek’, een programma dat overigens na een jaar weer verdween.
In het vijfde seizoen wordt het programma steeds meer een dwarsdoorsnede van de hitparade, met schlagers, chansons, novelty-songs en carnavalskrakers, iets wat niet zo goed viel bij de popfans, die zagen dat het programma gekaapt werd door de muziek van hun ouders. In dit seizoen werd Ad Visser ook regelmatig vervangen door Krijn Torringa. Dit was ook het seizoen waarin de animatievideo voor het nummer ‘Love is all’ van Roger Glover and Guests uitkwam. Zanger Ronnie James Dio (o.a. Black Sabbath en Rainbow), die in dit nummer te horen is, was iets minder blij met de gouden plaat die voor dit nummer werd uitgereikt, omdat zijn naam nergens vermeld werd.
Ook in het zesde seizoen wisselden Ad Visser en Krijn Torringa elkaar af bij de presentatie en we zagen de opkomst van de disco en de Nederpop. Concurrentie kwam van Popzien, maar Toppop blijft nog altijd het populairst.
Het achtste seizoen kent een legendarisch optreden van Iggy Pop, die het decor afbrak. In het negende seizoen kwam er concurrentie van de Tros Top 50 en Countdown van Veronica.


Ook is er natuurlijk veel aandacht voor mister Toppop Ad Visser en danseres Penney de Jager, die te zien was als een artiest niet kon komen en soms ook bij een artiest die solo optrad. Penney de Jager stopte op een gegeven moment met haar werk voor Toppop en na 15 jaar stapte ook Ad Visser op. In het zestiende seizoen wordt hij vervangen door Kas van Iersel. In het zeventiende seizoen is hij weer vervangen door Bas Westerweel en Léonie Sazias. De laatste ruimt na een seizoen al weer het veld. Na het achttiende seizoen valt het doek voor Toppop, dat inmiddels is ingehaald door Countdown en Popformule.


Ook is er in het boek de nodige aandacht voor de mensen achter de schermen en de Toppop Drive-In Show.
Zo valt er nog veel meer over dit prachtige bladerboek te vertellen. Het is echt een trip naar het verleden en naar mijn jeugd, hoewel ik nu ook weer niet zo veel van het programma gezien heb. Waarschijnlijk heb ik meer gezien in de programma’s met herhalingen, dan in het programma zelf.


ISBN 9789024593767 | Paperback | 256 pagina’s | Universal Music Books | Luitingh Sijthoff | november 2020

© Renate, 3 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De juf die geen juf is
De leraren-risicolijst en 27 andere ontroerende en inspirerende verhalen over jongeren
Katrín Gudmundsson


Try to be a rainbow in someone's cloud

                                        Maya Angelou

Katrín Gudmundsson is regelmatig die regenboog voor kinderen die in de knoop zitten met zichzelf, hun ouders, de school en/of de maatschappij. Zij luistert naar en helpt jongeren verder die in een lastige situatie zitten maar niet weten hoe ze daar uit moeten komen. Gudmundsson voert gesprekken met die jongeren en soms ook met hun ouders of leerkrachten. Ze is erg direct en eerlijk tegen hen maar zal ook niets achter hun rug, zonder hun toestemming doen. Ook toont ze haar eigen emoties bij de gesprekken. Die aanpak lijkt te helpen.


In dit boek maken wij kennis met een aantal van deze jongeren waarmee ze in gesprek raakte dankzij haar werk.
Er zijn verhalen over jongeren die al op de zoveelste school zitten en dreigen wéér weggestuurd te worden. Veelal blijkt dat die jongere zelf nauwelijks gehoord is, dat hij zijn eigen verhaal niet kon vertellen, waardoor de situatie in stand bleef en het inderdaad steeds mis bleef gaan. De jongeren merken dat Katrín te vertrouwen is en zien en voelen dat Katrín ze écht wil helpen, écht naar ze luistert en écht met ze praat en oplossingen zoekt die bij hun passen in plaats van de opgelegde oplossingen en de standaard gesprekken vol vooroordelen die ze daarvoor altijd hadden. Het is bijzonder om te lezen hoe deze jongeren opbloeien dankzij de aanpak van 'De juf die geen juf is'.


Erg leuk is het verhaal over de leraren-risicolijst. De jongen die problemen heeft met het volgen van de lessen vult samen met Katrín die lijst in. De leerkrachten waarbij het altijd goed gaat, krijgen op de lijst een groene kleur, daar waar het mis mee gaat, worden rood gekleurd. Er blijkt best veel groen te zijn, dus de jongen weet dat hij daar weinig risico op problemen heeft en zich kan ontspannen. Maar waarom gaat het bij de roodgekleurde leerkrachten mis?
'Ik krijg gelijk een één bij hem als ik mijn boek vergeten ben, terwijl een groene leraar hem zijn boek leent,' geeft de jongen als voorbeeld. En zo meldt hij meer dingen waardoor het fout gaat. Het helpt al enorm dat alles zo uitgebreid bekeken wordt en de jongen in zijn waarde wordt gelaten.
Het leuke is dat het bestaan van de lijst al snel ook door de leerkrachten opgemerkt wordt. Eén leraar wil niet als rood gekenmerkt staan, en doet zelf ook zijn best om een groene te worden!

De verhalen zijn soms ook erg schrijnend, zoals het jonge meisje dat schoorvoetend toegeeft dat haar 'zusje' eigenlijk haar kindje is, ze is lange tijd misbruikt zo blijkt, en ze voelt zich schuldig dat het gebeurd is. Eigenlijk weet ze ook niet goed hoe ze met haar kindje om moet gaan. Katrín Gudmundsson vertelt met veel compassie en liefde over het meisje en de moeilijke weg die ze te lopen heeft. Het is erg ontroerend maar ook mooi om te lezen hoe dat meisje samen met Katrín knokt om zich weer een volwaardig mens te voelen.


Ook het verhaal over een meisje dat van het ene asielzoekerscentrum naar het andere moet. Ze vond het in het centrum op Texel zo fijn, ze had daar vrienden en iedereen was aardig, maar ook daar moest ze weer weg. Ze begrijpt niet waarom ze steeds maar geen toestemming krijgen om te blijven. Ze is gevlucht met haar moeder om geen besnijdenis te hoeven ondergaan. Haar vriendinnetje is daardoor doodgebloed.
Ze wil leren en later naar haar land gaan om te strijden tegen deze kwalijke praktijken. Ook dit wordt met zoveel begrip en liefde beschreven.


Alle achtentwintig verhalen zijn indrukwekkend. Ze laten zien dat er achter die ogenschijnlijke 'lastige-' en/of 'probleem'kinderen een prachtig kind/jongere zit, die zich door de omstandigheden haast niet anders kan gedragen dan zij doen. Na gelezen te hebben hoe zij geprobeerd hebben om overeind te blijven, kun je niets anders dan groot respect voor ze hebben. Katrín laat de méns achter al dat provocerende of moeilijke gedrag zien.


Achterin het boek schrijft Katrín onder het kopje 'Het geheim van de smid is...' hoe je kunt handelen om jongeren verder te helpen en dat zijn erg mooie en vooral heel menselijke tips. Daarnaast geeft zij webadressen, telefoonnummers etc. voor jongeren waar zij zich tot kunnen richten als ze hulp nodig hebben.


Samenvattend: een prachtig, aangrijpend en imponerend boek!


Katrín Gudmundsson (1972) is moeder van 2 kinderen. Zij heeft 28 jaar gewerkt in onderwijs- en jeugdzorgorganisaties.


ISBN 9789090339818 | Paperback | 219 pagina's | Droom durf doe | december 2020

© Dettie, 18 december 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Regel
Richtsnoer voor monastiek leven
Benedictus van Nursia
Vincent Hunnik, Thomas Quartier en Guerric Aerden ocso (red.)


Dit boek is zowel wat de inhoud aangaat als wat de vormgeving betreft een parel. Het boek is het tastbare eindproduct van liefde voor en toewijding aan een oude, maar rijke traditie. Dat is de traditie van het Middeleeuwse monastieke leven. Het contrast met onze tijd is immens. Hoewel Europa mede vorm heeft gekregen met het christelijke gedachtegoed als bron, is er vrijwel geen verbondenheid meer met dit verleden.


Monastiek leven betekende ontzag hebben voor God en leven volgens Zijn voorschriften. ‘De mens moet bedenken dat God te allen tijde op hem neerziet’ (blz. 72). Ontzag voor God, Die heilig is, moet niet alleen de kloosterling, maar alle mensen brengen tot een houding van nederigheid en de bereidheid Zijn wetten te gehoorzamen. In de prachtige Inleiding staat het zo: ‘De mens wil vrede, maar maakt oorlog. Het hart is een strijdtoneel, ten prooi aan zwakheid en allerlei tegenstrijdige krachten. Wie vrede wil, moet zich toeleggen op gehoorzaamheid, zwijgzaamheid en nederigheid’ (blz. 25).


Gehoorzaamheid in plaats van verzet. Zwijgzaamheid in plaats van protest. Nederigheid in plaats van opstandigheid. Hier staat niet de rationele mens centraal, die uitgaat van rede en wetenschap, zelfontplooiing en autonomie, kritisch denken en inspraak. Vanaf het tijdvak van de Verlichting is het ene wereldbeeld vervangen door het nieuwe.


De Regel van Benedictus van Nursia (ca. 550-450) geeft richtlijnen voor het leven in een klooster. Het gaat over de abt en hoe die leiding moet geven. Het gaat over monniken die blijmoedig en gezwind gehoor moeten geven aan de leiding van de abt. De Regel behandelt hoe het kloosterleven in het teken moet staan van gebed en lofzang, afgewisseld met het dagelijkse werk.
De Regel geeft aanwijzingen voor de kleding van de monnik, de gastvrijheid die aan reizigers aan de dag moet worden gelegd, de omgang met armen en zieken.


De basis voor de Regel is de Bijbel. Alle regels moeten geworteld zijn in Bijbelse voorschriften, maar met wijsheid worden toegepast, rekening houdend met mogelijkheden en beperktheden van de individuele monnik. Tegelijk zijn de richtlijnen van Benedictus zo heilzaam dat ze toepassing verdienen in ieders leven, ook al ben je geen monnik. Wij leven in verwarrende tijden. Dat was toen niet anders. Maar wie deze levensweg volgt ‘zal gemakkelijker in balans blijven en harmonieuzer en evenwichtiger in het leven staan’ (blz. 13). Dat maakt het waardevol dat deze bron uit een ver verleden voor de hedendaagse mens weer toegankelijk is gemaakt.


Het kernwoord van de Regel is Liefde en die liefde uit zich in zorg voor elkaar en de wereld om ons heen.  De Regel structureert het dagelijkse leven. Het klooster is als een school, waarin de monnik levenslang wordt opgeleid en gevormd.


De Inleiding plaatst de Regel in zijn historische en theologische context. De vertaling is onberispelijk. De bibliografie, het tekstregister en het thematisch register maken het boek compleet.


Een heel mooi boek!


De samenstellers zijn: Vincent Hunnik (universitair docent), Guerric Aerden (cisterciënzermonnik in de abdij van Westmalle), Thomas Quartier (oblaat van de Willibrordsabdij in Doetinchem [een oblaat heeft geen gelofte afgelegd], Krijn Pansters (historicus en theoloog). De fraaie Inleiding is geschreven door Guerric Aerden. De vertaling is van Vincent Hunnik.


ISBN 9789460360602 | Hardcover met leeslint | Omvang 182 blz. | Uitgever Damon | december 2020
Vertaald door Vincent Hunnik

© Henk Hofman, 4 december 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een episode uit het leven van een landschapsschilder
César Aira


De landschapsschilder uit de titel is de Duitse kunstenaar Johann Moritz Rugendas (1802-1858), die in de voetsporen trad van zijn vader en grootvader die voornamelijk veldslagen schilderden. Maar na Waterloo brak er een tijd van vrede aan en viel er weinig meer te verdienen in dit genre.
Rugendas bleek gelukkig een een uitstekende landschapsschilder en toen zich de mogelijkheid voordeed om aan te sluiten bij de expeditie van baron Georg Heinrich von Langendorf naar Zuid Amerika, Brazilië, hoefde hij niet lang na te denken. Rugendas was toen negentien jaar. Zijn taak was het in beeld vastleggen van de vondsten en landschappen.

Na vier jaar keerde hij terug en gaf hij samen met Victor Aimé Huber (tekst) een mooi geïllustreerd boekwerk uit op basis van de reisaantekeningen van de schilder. Hierdoor kwam Rugendas in contact met de bekende naturalist en ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt. Toen Rugendas opnieuw vertrok, dit keer naar Mexico, Chili, Peru, opnieuw Brazillië en Argentinië, benadrukte Von Humbolt dat de schilder 'het waarlijk buitengewone van het landschap' moest vastleggen, 'zoals bijvoorbeeld besneeuwde bergtoppen, de flora van het regenwoud, een bepaalde plantensoort in zijn verschillende groeifasen etc.

De reis zou in totaal zestien jaar duren en het was vooral Argentinië dat Rugendas trok.


"Argentinië, die mysterieuze leegte in het brandpunt van alle horizonten boven de immense vlaktes. Alleen daar, dacht hij, zou hij de keerzijde van zijn kunst vinden."


Toen Rugendas al enkele jaren in Zuid Amerika was  vertrok hij in december 1837 met de schilder Robert Krause vanuit San Felipe de Aconcagua (Chili) met het plan alles te schilderen wat ze onderweg tegenkwamen. Dit was het begin van een langdurige vriendschap. Ze hadden altijd genoeg stof om over te praten. Hun tegengestelde karakters, Rugendas onhandig verwijfd en verlegen, Krause wellevend, aristocratisch en zelfbewust, vulden elkaar goed aan. Krause, zelf een middelmatig schilder, bewonderde Rugendas, iets wat deze laatste zich graag liet welgevallen.


In zeer bloemrijke taal - wat soms té breed uitgesmeerd wordt - lezen we over deze bijzondere episode uit het leven van Rugendas. De schrijver heeft zich gebaseerd op de vele brieven die Rugendas met name stuurde aan zijn zus. - Van Krause zijn geen brieven bewaard gebleven - Beide heren zijn zeer bevlogen in hun werk. Als iets eenmaal Rigendas' aandacht trekt, kan niets hem weerhouden om dat nader te bestuderen en vast te leggen. Vooral  de indianen in het gebied roepen bij Rugendas een verlangen op om deze te bestuderen en te schilderen. Iets wat hen soms in zeer benarde situaties laat belanden.


Zoals gemeld is de taal  bloemrijk, met als hoogtepunt de weergave van het bizarre ongeluk dat Rugendas overkomt. In zeer beeldende bewoordingen weet César Aira weer te geven wat er die noodlottige, huiveringwekkende avond gebeurde. Het is adembenemend om te lezen. Het gevolg daarvan is verschrikkelijk maar toch blijft de bevlogenheid rond het werk de enorme drijfveer voor Rugendas om door te gaan. Erg fascinerend om te lezen!


Wat Aira verder knap heeft weergegeven is de enorme en buitengewone vriendschap die tussen beide heren bestond.
Rugendas heeft een zeer filosofische inslag en is vooral op zoek naar het échte, waarlijke  bestaan. Hij gaat heel ver in zijn denken en zijn beschouwingen zijn niet altijd direct te bevatten maar wel intrigerend. Krause voelt Rugendas haarfijn aan en de twee vrienden kunnen eindeloos van gedachte wisselen over het bestaan, het heelal, parallele werelden en de wezenlijke zin van het bestaan. Mooi om te lezen.
Maar de boventoon in het boek is vooral de passie voor de leerhonger en het weergeven, het vastleggen van alles wat zich aan hen voordoet.


Kortom, al met al heb je, ondanks dat het boek maar 102 pagina's beslaat, het gevoel een dik en indringend boek gelezen te hebben. Erg indrukwekkend.


ISBN 9789492313652 |  Paperback met illustraties | 102 pagina's | Koppernik | oktober 2020
Uit het Spaans vertaald door Adri Boon

© Dettie, 23 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Odysseus’ onvoltooide reis
De ontwikkeling van een mythische held in de westerse literatuur
Jabik Veenbaas


Op de omslag van dit boek prijkt een prachtig schilderij van Max Beckmann uit 1943: Odysseus en Kalypso. De godin buigt zich in overgave toe naar Odysseus die achteroverligt, de handen achter het hoofd gevouwen. Kalypso belooft Odysseus onsterfelijkheid en eeuwige jeugd als hij bij haar zal blijven. Kalypso heeft haar linkerhand in de oksel van Odysseus gelegd en de andere op zijn hart. Maar de schilder laat ons zien dat Odysseus niet op haar avances zal ingaan. De held ligt er ongeïnteresseerd bij. Zijn gezicht is uitdrukkingsloos, afwezig kijkt hij langs Kalypso heen de verte in. Om zijn benen kronkelt zich een slang, symbool voor de verleiding. Odysseus geeft niet toe aan die verleiding. Hij verlangt naar zijn vaderland, zijn vrouw Penelope en hun kind. Hij kiest voor het aardse bestaan en een leven met Penelope, de vrouw met wie hij oud wil worden.


Dit schilderij geeft uitstekend aan waar het boek over gaat. Odysseus is een held van bovenmenselijke proporties, maar kiest ervoor om mens te blijven. Zijn belevenissen lenen zich voor spannende vertellingen in het onderwijs. Odysseus verzint de list met het houten paard waardoor Troje wordt ingenomen (in 1590 nagebootst door prins Maurits bij de inname van Breda. Het paard is hier een turfschip). Hij weet de cycloop Polyfemos onschadelijk te maken door hem van zijn ene oog te beroven. De verleidelijke zang van de Sirenen weerstaat hij door zijn mannen de oren dicht te laten stoppen en zichzelf aan de mast vast te binden. Prachtige verhalen, waar ook jonge kinderen geboeid naar luisteren.


De avonturen van Odysseus hebben de aandacht getrokken van schrijvers (Dante, Shakespeare, James Joyce), filosofen (Nietzsche), psychiaters (Freud en Jung) componisten (Monteverdi) en filmregisseurs (Stanley Kubrick).


De schrijver van dit boek, Jabik Veenbaas, laat zien hoe verschillend de perceptie van Odysseus in de loop der eeuwen in de literatuur is geweest. Vergilius ziet hem als een vijand van de voorvaders van de Romeinen. Dante plaatst hem als bedrieger in de achtste verdieping van de hel. Joost van den Vondel schildert hem af als een doortrapte intrigant. James Joyce ziet in hem een genotzuchtige flaneur.
Waardering en bewondering worden afgewisseld door afkeer en vergruizing.


Veenbaas vraagt zich af of er ooit een einde aan de reis van Odysseus zal komen. In de film van Stanley Kubrick, A Space Odyssey, is de hoofdpersoon het prototype van de ontdekkingsreiziger, die uitgezonden wordt op een geheimzinnige ruimtemissie. Door onbekende buitenaardse machten wordt hij opgenomen in een hoger bewustzijnsniveau. De ruimtereiziger wordt een onsterfelijke god, maar zonder dat hij daarvoor kon kiezen.


Veenbaas beschrijft hoe Odysseus met zijn afwijzen van de onsterfelijkheid de ideale mens werd, de voorbode van de moderne, seculiere mens (blz. 185). Odysseus kiest bewust voor het aardse leven en neemt zijn lot in eigen hand. Daarmee maakt de mens zichzelf tot zijn eigen maatstaf (blz. 148 en 149). De mens slaat zich door het leven heen, zonder goddelijke bijstand, vertrouwend op zijn verstand, zijn rede.


Veenbaas schreef met groot vakmanschap een prachtig boek over een held uit een mythisch verleden die de wisselvalligheden van het leven met zijn vernuft het hoofd bood. Onze westerse beschaving weerspiegelt zich in het verhaal van Odysseus. Zijn schranderheid en doorzettingsvermogen zijn een bron van inspiratie om een uitweg te vinden daar waar alle wegen doodlopen. De mensheid lijkt opnieuw op zo’n dood punt af te koersen en zal al zijn talenten moeten benutten om een ramp af te wenden.


De Griekse mythologie wemelt van de namen. Daarom is het handig dat in het register bij veel namen een korte uitleg van het personage wordt gegeven.


Jabik Veenbaas is schrijver, filosoof, dichter en vertaler. Dat zijn kwalificaties die hem zeer geschikt maken om dit onderwerp voor zijn lezers te behandelen. Hij publiceerde tot nog toe acht dichtbundels. In 2013 verscheen het veelgeprezen De Verlichting als kraamkamer. Ook dit boek is een aanrader.


ISBN 9789046827796 | Paperback | Omvang 207 pagina’s | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | januari 2021

© Henk Hofman, 18 januari 2021

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Het eiland van Jean Rhys
Op zoek naar de bronnen van een schrijverschap
Jan Brokken

 
Mensen die in deze lockdowntijd er even uit willen, moeten vooral dit boek gaan lezen met de laptop, tablet of iets dergelijks erbij. Dat heb ik namelijk gedaan en ik ben daardoor samen met Jan Brokken naar Dominica geweest. Dat is het eiland waar de schrijfster van De wijde Sargossazee, Jean Rhys, haar jeugd doorbracht.
Telkens als Jan Brokken een straat, plek of huis noemde, zocht ik de beelden erbij. Ondanks dat er een kaartje voorin het boek staat had ik eveneens de kaart van Dominica erbij gezocht en zo trok ik met de schrijver mee over het eiland en kon ik het bijzondere verhaal over de schrijfster én het eiland zowel lezend als visueel volgen.


Jan Brokken is namelijk gefascineerd door het boek De wijde Sargassozee waarin Jean Rhys de voorgeschiedenis vertelt van Bertha Mason, de eerste - krankzinnig verklaarde - half-Caraïbische vrouw van Mr. Rochester die door Charlotte Brontë is opgevoerd in haar beroemde roman Jane Eyre.
Jean Rhys heeft negen jaar gedaan over dit boek, want het was nogal een waagstuk om dit zo beroemd geworden verhaal een voorgeschiedenis te geven. Het moet dan naadloos aansluiten en net zo perfect geschreven worden. Het frappante is de schrijfster heel veel van haar eigen leven in dit boek verwerkt heeft. En dát is nu precies wat Jan Brokken zo fascineerde. Hij besloot naar Dominica af te reizen om de plekken uit het boek met eigen ogen te aanschouwen.


Het vulkaaneiland heeft iets mysterieus, het stoot af en trekt aan. De begroeiing is overweldigend maar ook overheersend. 'Te veel blauw, te veel purper, te veel groen. De bloemen te rood, de bergen te hoog, de heuvels te dichtbij.' zegt Jean Rhys over Dominica in De wijde Sargassozee.


Samen met Mr. Royce zijn stugge gids wil hij naar Geneva Estate, het huis dat zo'n belangrijke rol speelde in het boek, maar Mr. Royce voelt er niet veel voor. Het is een slechte plek, volgens zijn zeggen. Natuurlijk ziet Jan Brokken het huis toch, net als heel veel andere 'bekende' plekken, en hij voelt de 'slechtheid' van de omgeving rond het huis. Maar toch is hij ook gegrepen door de uitstraling van het geheel.


In de mooie taal die Jan Brokken zo eigen is, lezen we verder over de familie van Jean Rhys, haar eenzaamheid als béké zijnde (blanke Creoolse), haar leven op Dominica maar ook over de geschiedenis van het eiland zelf. Er vinden heel bijzondere, onverwachte ontmoetingen plaats, waardoor er opeens een ander stukje van Jean Rhys belicht wordt. En langzamerhand raak je zelf ook in de greep van het eiland, het boek van Jean Rhys, én de bijzondere sfeer die op het eiland hangt.
(Het is overigens aan te bevelen om De wijde Sargossazee eerst te lezen, maar dit boek kan ook makkelijk als 'stand alone' gelezen worden.)


In totaal is Jan Brokken drie keer naar het eiland teruggekeerd, hij heeft daardoor wel enkele dingen toegevoegd die hij later te weten kwam. Maar de allereerste indrukken heeft hij gelaten voor wat ze waren en dat geeft het boek een fascinerende puurheid.
Na dit boek kom je nooit meer helemaal los van Dominica en Jean Rhys.
Het viel me zwaar de reis te beëindigen. Prachtig boek!


Enkele linken:

Interview met Jan Brokken

Foto's van het huis waar Jean Rhys tot haar vertrek naar Engeland woonde. In de boom speelde Rhys als kind.


ISBN 9789045041377 | Paperback | 142 pagina's met foto's | Atlas Contact | september 2020

© Dettie, 16 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Eigenlijk is het leven simpel
Ervaringen met Een cursus in wonderen
Met een inleiding van Willem Gaudemans
Diverse auteurs


"Een Cursus in Wonderen is wereldwijd voor miljoenen mensen hun levensboek. Grote spirituele leiders als Eckhart Tolle, Deepak Chopra en verwijzen allemaal naar de cursus als hun belangrijkste inspiratiebron. Een cursus in wonderen is de uitwerking van het manuscript dat psychologe Helen Schucman schreef, waarin alle tekst is opgenomen die zij gedicteerd kreeg van een innerlijke stem."

In het voorwoord van Eigenlijk is het leven simpel kunnen we over het ontstaan van de cursus lezen. Het begon ermee dat Helen Schucman in 1965, op dat moment universitair hoofddocent Medische Psychologi en haar manager William Thetford wederom hoog oplopende ruzie hadden. Thetford uitte zijn frustratie over de werksfeer op de afdeling en riep uit "Er moet een betere manier zijn!". Schucman bood hem aan om te helpen die manier te vinden. Schucman heeft verteld dat ze daarop symbolische dromen kreeg en dat een innerlijke, geluidloze stem zich meldde: "This is a Course in Miracles. Please take notes" (Dit is een Cursus in Wonderen. Maak alsjeblieft aantekeningen).

Er volgden zeven jaar van wat ze zelf betitelde als "snel dictaat". Tussen 1965 en 1972 vulde ze bijna dertig stenografische notitieboeken met tekst van die innerlijke stem. Na het uittypen door William Thetford besloeg het manuscript zo'n 1500 pagina's. Schucman en Thetford wilden deze ervaring niet bekendmaken binnen het Columbia University Medical Center waar zij werkten; ze vreesden onbegrip en afwijzing, en waren bang dat het hun academische carrière zou schaden.


Helen Schucman deed dus aanvankelijk niets met de tekst. Totdat ene Ken Wapnick een deel van de tekst onder ogen kreeg. "Hij las en wist: dit is mijn Boek, met hoofdletter.' Hij bracht structuur aan zoals het toevoegen van hoofdstukindelingen, alinea's en tussenkopjes en uiteindelijk wisten ze na lang zoeken een uitgever te vinden die achter een uitgave van De cursus in wonderen stond. Het vuistdikke boek is - zoals hierboven ook al aangegeven staat - voor veel mensen een leidraad in hun leven geworden.


Omdat de inhoud van het boek nogal ingewikkeld en moeilijk lijkt, beginnen meestal de wat oudere mensen in dit boek te lezen en de lessen in hun leven toe te passen. Het unieke van dit boek is echter dat jonge mensen van rond de twintig over hùn ervaringen met het boek vertellen.


Het is intrigerend om te lezen hoe belangrijk dit boek voor hen is geworden. Het frappante is dat ze steeds op een toevallige manier met het boek in aanraking kwamen. Een meisje had een vriend die het boek las, bij een ander had een van de ouders het boek gekocht en keken ze er maar eens in, of ze lazen in een ander boek over dit boek. Bij de een sloeg de inhoud van het boek gelijk in als een bom, de ander deed er langer over, alsof ze voelde dat ze er nog niet aan toe was.


Maar eenmaal begonnen aan het boek werd het voor iedereen een soort bijbel. Ze sleepten het overal mee naar toe, zelfs op vakantie, en merkten hoe het hun visie op het leven veranderde. Het boek laat namelijk zien dat het ego een praatjesmaker is, dat gedachten voorbijgaand zijn, en vooral hoe je al je maskers af kunt leggen zodat je écht jezelf bent en je niet degene bent zoals er van je verwacht wordt. Dus niet handelt naar wat de buitenwereld van je verwacht maar je eigen innerlijke stem volgt.


Dat lijkt eenvoudig maar is nog niet zo'n makkelijke opgave want veel mensen zijn bang om hun wezenlijke zelf te laten zien of te handelen naar wat zij zelf willen. Niet voor niets zijn deze prachtige zinnen "Onze grootste angst is niet dat we te kort schieten. Onze grootste angst is juist dat we over onbegrensde krachten beschikken. Het is het licht in ons en niet onze duisternis, waarvoor we de grootste angst hebben. We vragen onszelf af, wie ben ik wel om briljant, schitterend, begaafd of geweldig te zijn?" van Marianne Williamson zo legendarisch geworden.


Maar al deze vertellers hebben het aangedurfd, ze zijn het stemmetje van hun ego gaan negeren, ze zijn daar aan voorbij gegaan en durven te kijken naar wat er écht in hun speelt. Ze gingen de confrontatie met zichzelf aan, ze gingen doen wat ze werkelijk wilden, zeiden wat ze écht voelden, ook al waren ze bang dat hun omgeving dat niet zou accepteren of dat ze met het opzeggen van hun baan hun hele bestaanszekerheid kwijt zouden raken etc.  Ze leerden te vertrouwen op zichzelf, op hun eigen innerlijke leidraad met De cursus in wonderen als leermeester. Het maakte dat zij zich eindelijk thuis voelden bij zichzelf en de hele wereld.


"Je hoeft geen angstig of depressief persoon te zijn, je kunt er altijd voor kiezen om iets anders te zijn. Datgene wat eigenlijk al bent maar wat je misschien nog niet ontdekt hebt. Het leven kan dus heel simpel zijn."


Het zijn inspirerende verhalen van mensen die een mooie weg in hun leven gevonden hebben. Al met al is het indrukwekkend en interessant boek dat maakt dat je het boek Een cursus in wonderen ook wilt lezen en ondergaan. Jammer dat dàt boek zo duur is, even doorsparen dus.


ISBN 9789020217469 | Paperback | 126 pagina's | Ank Hermes | december 2020

© Dettie, 8 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Pastorale
Nalatenschap van een schaapherder
James Rebanks


‘Engeland werd altijd een ’groen en aangenaam land’ genoemd, maar in werkelijkheid was het nooit geheel en al groen, noch geheel en al aangenaam.’


Als James Rebanks de boerderij erft van zijn vader, staat hem een lastig karwei te wachten. De boerderij ligt ten Noorden van het National Park Lake District. In de jaren zestig kocht zijn grootvader, al de zoveelste in een familie van boeren, een fellboerderij (met een fell wordt een rotsachtig heidelandschap bedoeld, onderaan heuvels en bergen, vooral geschikt voor veeteelt). Het was zijn grootvader die James de liefde voor het land en het vee bijbracht. Samen bewerkten ze het land, waarbij de jongen van alles leerde dat hij nooit uit boeken zou leren.


Het bedrijf dat James erft bestaat uit twee boerderijen, met er tussen en eromheen diverse stukjes land, omzoomd door muurtjes en heggen met hekken erin, een deel voor schapen of koeien en andere stukken voor landbouw, waar het voer voor dat vee geproduceerd werd. Het soort gemengde bedrijf dat in de jaren zestig langzaam verdween. Boeren voegden hun stukken land aaneen en bewerkten ze met grote landbouwmachines, terwijl ze steeds vaker overgingen tot monocultuur. Ze moesten wel om genoeg te verdienen.
De familie Rebanks evenwel deed het anders. Hoe zwaar het ook was, zij begrepen dat zulk een modernisering hen de das om zou doen. Want als je maar één product teelt en dat gaat mis? Wat dan?


‘Hoe meer vooruitgang we zagen, des te minder sprak die ons aan. En we konden hem altijd ergens tegen afzetten, omdat de vooruitgang zich om de een of andere reden nooit echt voltrok op de boerderij van mijn grootvader in de fells. We hielden vast aan dat hopeloos verouderde boerderijtje en het werd – voor mijn vader en mij – een contrapunt voor het nieuwe boeren.’


Natuurlijk moesten er concessies gedaan worden, en aanvankelijk probeerde James’ vader mee te gaan in de moderne tijd, maar hij werd er ongelukkig van.
Als de grond in hun streek onderzocht wordt, en alleen de grond van de oude fellboerderij goed bevonden wordt, uitmuntend zelfs, trekken ze de juiste conclusie. De ‘oude manier’ met wat aanpassingen, zal hun manier van werken worden.
Misschien zou de opbrengst lager zijn, maar de grond blijft gezond, terwijl de modernere boeren hun land uitputten. En daar verdwenen vogels en insecten, terwijl op het terrein van de Rebanks het leven welig tierde. Het bewees hun gelijk. En dat van zijn grootvader zoals die opmerkte - naar aanleiding van bezoekjes aan kleine boerderijen, ‘waar mensen hun werk op traditionele wijze deden, zoals koeien en schapen verkopen, muurtjes bouwen, heggen vlechten, schapen scheren, wegen repareren of werken in de groeve of het café - :


‘Er was niets mis met weinig bezit hebben, integendeel zelfs. Het was beter vast te houden aan je vrijheid, zelfs wanneer je daardoor naar moderne maatstaven arm was. De constante behoefte aan dingen uit de winkel vond hij verachtelijk. Hij meende dat deze mensen iets van vrijheid begrepen wat alle anderen over het hoofd zagen, dat als je geen dingen nodig had – in de winkel gekochte bezittingen – je bevrijd was van de noodzaak geld te verdienen om ervoor te kunnen betalen.’


Het boek bestaat uit de delen ‘Nostalgie’, ‘Vooruitgang’ en ‘Utopia’. Die titels spreken voor zich: de tijd van het oude boeren, daarna de moderne snufjes, de zucht naar meer en meer en als laatste de beschrijving van wat hij voor ogen heeft. Misschien tegen de tijdgeest in, maar dat is wat hij wil: Een duurzaam bedrijf dat zichzelf bedruipt, en waar de natuur belangrijk is.
Gelukkig kan hij ook goed schrijven, want het is een bijverdienste die hij goed gebruiken kan. Het leven als idealist is moeilijk.


Het is een persoonlijk verhaal, over de geschiedenis van het bedrijf waar Rebanks nu met zijn eigen gezin werkt en woont. En het is het verhaal van het boerenbedrijf na de Tweede Wereldoorlog, over de grote veranderingen, en de gevolgen daarvan.
Boeiend beschreven en razend interessant.


ISBN 9789048837946 | paperback | 272 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep| oktober 2020
Vertaald uit het Engels door Catalien van Paassen

© Marjo, 3 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Tante Jo
Sander Donkers


‘Nog altijd bak ik mijn aardappeltjes in haar pan, half roomboter, half Croma. Het moet bruisen. Erbij blijven is het belangrijkste. Voor de rest is het lastig te zeggen hoe mensen voortbestaan, behalve dat het soms in alles is.’


Tante Jo - Johanna Adriana Roelofs - werd geboren in 1909 en stierf in 1998.
Een vrouw die kordaat en eigengereid genoeg was, maar die door de tijd waarin zij leefde niet de kansen kreeg die een meisje in deze tijd wèl kan grijpen. Ze wilde graag gymlerares worden. Maar in de zesde klas (= groep 8) besliste de leraar dat ze maar naar de huishoudschool moest, de HBS was niet voor haar weggelegd. En die had ze nodig om haar droom waar te maken. Ze volgde een opleiding tot kraamverzorgster, maar deed daar niets mee. Wel werd ze later te werk gesteld als huurophaler. Zonder ook maar een dag af te laten weten zou ze vierenvijftig jaar lang de huur ophalen bij zo’n tweehonderd woningen.


Daarnaast wierp zij zich op als hulp in het huishouden van haar zus Katrien, en later bestierde ze de boel in het gezin van Tineke, diens dochter, die de moeder is van de schrijver. Daarvoor reisde tante Jo regelmatig naar Amsterdam.
Ze ontstond de band tussen de schrijver en zijn oudtante.


Terwijl de wereld om haar heen in snel tempo veranderde, bleef tante Jo zichzelf.
Ze was de vrouw die orde op zaken kwam stellen in het wanordelijke gezin van haar nicht.
Ze was die vrouw voor wie altijd de beentjes omhoog gingen als ze kwam aanzetten met de zwabber. Zij was die vrouw die hoewel ze de vrije natuur heel verkwikkend vond, nooit had gedacht dat het daar zo’n rommel zou zijn.
Zij was de vrouw die de man speelde op dansfeesten als er een damesoverschot was.
En zij is de vrouw over wie Sander Donkers een aantal columns schreef, een ode aan een geliefde tante, maar ook een portret van een gewone en tegelijk bijzondere Rotterdamse vrouw.
Dit boek is een bundeling van die columns die eerder in de Volkskrant zijn verschenen.

Sander Donkers (1967) was van 1999 tot en met 2019 redacteur bij Vrij Nederland. Hij schreef over een breed scala aan onderwerpen. Zijn specialisme is popmuziek


ISBN 9789048859139 | Hardcover | 256 pagina's | Uitgeverij Lebowski | november 2020

© Marjo, 9 december 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER.

 

De veertigjarige oorlog 1672-1712
De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning
Olaf van Nimwegen


We kennen de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Een paar eeuwen daarvoor woedde de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tussen Engeland en Frankrijk. Nu voegt de Veertigjarige Oorlog zich in het rijtje van langdurige conflicten. Het is origineel om de grote oorlogen die zijn gevoerd om de Franse expansie in toom te houden onder één noemer te brengen. Het gaat dan om de Hollandse Oorlog (1672-1678), de oorlog om de Zuidelijke Nederlanden (1692-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1715). De samenhang tussen die oorlogen wordt daarmee duidelijk.


Koning Lodewijk XIV had de ambitie om de hegemonie in Europa te verwerven. Onderdeel van die aspiratie was het streven naar natuurlijke grenzen (bergketens; rivieren; bossen). In de Zuidelijke Nederlanden was een natuurlijke grens niet aanwezig. Daarom wilde de Franse koning er een keten van vestingen aanleggen, de frontière de fer.


De Republiek der Verenigde Nederlanden was de spil van het verzet tegen de Franse aspiraties. De Republiek streed ‘uit liefde voor de vrijheid en de protestantse religie om de slavernij waarmee geheel Europa bedreigd wordt te helpen afweren’ (blz. 336). Het militaire doel was om de Zuidelijke Nederlanden als een buffer tussen de Republiek en Frankrijk te houden.


Het eerste hoofdstuk in dit boek behandelt de organisatie en bevelvoering van de Nederlandse en Franse strijdkrachten. Het tweede hoofdstuk bespreekt de oorlogvoering in dit tijdvak. Aan de orde komen de bevoorrading van het leger, het lijden van de burgerbevolking (klem zittend tussen heen en weer trekkende legers), de jaarlijkse veldtochten tot de legers het winterkwartier weer opzoeken, de veldslag, het belegeren van vestingen, de omgang met krijgsgevangenen. Twee heel interessante hoofdstukken.


Daarna volgen acht hoofdstukken waarin het krijgsverloop op de voet wordt gevolgd. Het begint met het jaar 1672. De Republiek stond aan de rand van ineenstorting. Toen alles verloren leek werd Willem III stadhouder. Hij was nog maar 21 jaar oud en had geen ervaring als bevelhebber van een leger. “Het blijft verbazen dat hij niet onmiddellijk onder zijn taak bezweek” (blz. 36). Toch, met zijn moed en vastberadenheid wist hij het land door de crisis heen te loodsen. Het gaf de stadhouder voor de rest van zijn leven een onaantastbaar aureool.


De Republiek kon het niet alleen opnemen tegen het machtige Frankrijk. Stadhouder Willem III zocht met wisselend succes naar bondgenoten en smeedde allianties met Engeland, de Oostenrijke Habsburgers, de Spaanse Habsburgers, Duitse vorsten. Maar steeds was de Republiek de kern van het verzet tegen Frankrijk. Het leverde de grootste troepenmacht en legde de meeste financiële middelen op tafel. De gedemoraliseerde troepen uit 1672 waren omgevormd tot een uitstekend geoefend en goed geleid leger.


Na de dood van Willem III in 1702 houden zijn opvolgers vol. De uitputtingsoorlog wordt beëindigd met de Vrede van Utrecht in 1714. Het was de Republiek gelukt om met een enorme krachtsinspanning de Franse machtsontplooiing in te dammen. De Zuidelijke Nederlanden werden een barrière tussen de Republiek en Frankrijk. Beide landen waren uitgeput. Frankrijk was pas na de revolutie van 1789 weer in staat om een oorlog te voeren gericht op uitbreiding van het grondgebied.


Er zijn veel illustraties opgenomen in het boek. Vijf tabellen geven inzicht in de krijgsverhoudingen. Twaalf kaarten maken het strijdtoneel, de veldslagen en belegeringen inzichtelijk. Naast de lijst van bronnen en literatuur is er een register van persoonsnamen en een register van allianties, vredesverdragen, veld- en zeeslagen en vestingen. Auteur en uitgever hebben veel zorg aan dit boek besteed, dat is wel duidelijk.


Dit is een prima boek. Het is levendig geschreven, met grote kennis van zaken en heel zorgvuldig in het beoordelen van personen en situaties. De Republiek heeft een prestatie geleverd die ook nu nog bewondering afdwingt. Hetzelfde geldt voor het optreden van Willem III.


De auteur is geaffilieerd onderzoeker aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. Hij heeft meerdere boeken over militaire geschiedenis op zijn naam staan.


ISBN 9789044638714 | Paperback | Omvang 416 blz. | Uitgeverij Prometheus | juli 2020

© Henk Hofman, 23 november 2020

Lees de Reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER