Nieuwe recensies Non-fictie

Verbonden en vervreemd
Over de God van Paulus op de Areopagus
Wim Dekker


De auteur heeft zijn sporen verdiend in de missionaire hoek van de Protestantse Kerk. In dit boek trekt hij vanuit een verhaal uit de bijbel – de apostel Paulus die een toespraak houdt op de Areopagus, een heuvel vlak bij de Acropolis in Athene – lijnen naar de positie van christenen in onze tijd.


Het boek is een sympathieke poging om zinvolle verbindingen te leggen vanuit een open welwillende houding naar wat er vandaag onder mensen leeft. Dekker stelt zich integer en zelfs kwetsbaar op als het gaat om wat hij zelf - niet - gelooft. Toch zijn er af en toe uitspraken die te denken geven zoals deze: ‘De veel bediscussieerde islam is bijvoorbeeld niet hetzelfde als afgoderij’, pag. 15.
Wellicht dat er in de achterban van Dekker – de orthodoxe, behoudende vleugel van de Protestantse Kerk – mensen zijn voor wie dit een eye-opener is maar voor de mainstream van de samenleving is dit toch een overbodige en zelfs storende uitspraak.
Opvallend is ook als Dekker een ‘kritische vriend van me, zeker niet ongelovig’ een boekje geeft over ‘discipelschap’ en zich vervolgens verbaast over de afhoudende reactie van deze vriend. In hoeverre voelt hij hedendaagse zoekers écht aan, vraag je je als lezer dan af.


Dekker legt goed uit wat er 2000 jaar geleden in Athene plaatsvond, onderzoekt de betekenis van Paulus’ woorden en beschrijft welke uitwerking deze hadden op zijn filosofisch onderlegde gehoor in Athene. Veel theologen vinden dit verhaal typerend voor onze tijd: Paulus kwam als enkeling met een nieuwe boodschap in Athene en sprak over ‘de onbekende god’ aan wie de Atheners ook een standbeeld hadden gewijd. Op vergelijkbare wijze staan christenen vandaag opnieuw in een minderheidspositie in de geseculariseerde samenleving.


Dekker besteedt veel aandacht aan de theologische achtergrond van het verhaal dat staat beschreven in het bijbelboek Handelingen (over de activiteiten van de apostelen gedurende het begin van de kerk) en een groot deel van het boek wordt hieraan besteed.
Het is wat dat betreft geen hedendaagse variant van Paulus want er zit aardig wat theologie in dit boek waardoor de actualiteit toch wel wat te kort komt al is dat niet de intentie van Dekker. Sfeer en inhoud van het boek zijn toch wel – teveel -binnenkerkelijk gericht en dan ook nog bestemd voor een theologisch geschoold publiek.


Dat neemt niet weg dat Dekker zich oprecht verplaatst in onze tijd, de tijdgeest echt probeert aan te voelen en veel begrip heeft voor de beleving van hedendaagse mensen die weinig religieuze binding hebben. Hij wil beslist aansluiten bij hun ervaringen, zoals het gevoel van verwondering over het leven / de schepping en van daaruit in gesprek gaan over de Schepper.
Dekker citeert een lied van Stef Bos ‘Lied van God – wat ik niet ben’. Mooi dat hij dit doet maar hier ligt meer in besloten dan in dit boek wordt uitgewerkt. Wellicht had Dekker meer naar eigentijdse religieuze elementen in literatuur, film en samenleving op zoek kunnen gaan en deze uitingen reflecteren.


Aan de andere kant is Dekker ook zelfkritisch: ‘De kerkelijke versnippering en verzuiling van de samenleving hebben eraan meegewerkt dat rondom de God van de Bijbel een religieuze cultuur werd geschapen, die veel kleiner en benauwder was dan de God over wie het zou moeten gaan’, pag. 72.
Goed om dit te zeggen maar ik kan me tegelijk voorstellen dat veel hedendaagse ‘Areopagus - luisteraars naar Paulus’ niet altijd warm worden van dit boek. De klassieke theologie is toch vrij nadrukkelijk aanwezig en dat komt het door Dekker zo gewenste aanknopingspunt bij moderne luisteraars niet ten goede. Het boek maakt gaandeweg toch een beetje de indruk dat Dekker in een notendop de hele theologie even wil bespreken. Dat gaat wel ten koste van de verbinding met Paulus op de Areopagus en de relatie met zoekende mensen vandaag raakt daardoor teveel buiten beeld.


Toch worden er ook kritische noten gekraakt zoals de traditionele gerichtheid op het hiernamaals waarbij het vooral draait om het persoonlijke heil. Die geloofsbeleving is Dekker duidelijk te individualistisch, het gaat hem om de totale wéreld die beter zal worden.
Dekker vindt het belangrijk ‘dat we de kern van dit verhaal (= van Pasen) blijven communiceren in vormen die mensen bijblijven’, pag. 164. Daarbij denkt hij vooral aan de kerk(dienst) maar het is de vraag of de kerk op die traditionele manier vandaag met mensen in contact komt.


Mooi is het laatste hoofdstuk waarin Stephan Sanders centraal staat. Hij is gaan ‘proefgeloven’ en doet daar regelmatig verslag van in het dagblad Trouw. Hier worden goede verbindingen met onze tijd zichtbaar!


Een sympathieke poging om de relevantie van een bijbelverhaal naar onze tijd te vertalen.


ISBN 9789023950417 | Hardcover | 192 pagina's | Boekencentrum | mei 2018

© Evert van der Veen, 20 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De moed om te vergeven
Levenslessen van mijn grootvader Nelson Mandela
Ndaba Mandela


Dit boek is geschreven door een kleinzoon van Nelson Mandela die als 11-jarig jongetje bij hem in huis kwam wonen. Het boek beschrijft zijn eigen levensverhaal in relatie tot zijn beroemde grootvader. Aangrijpend is de tekening van het leven onder de apartheidspolitiek in een arme wijk in Soweto en het geweld waarmee de politie optrad tegen demonstrerende kinderen en volwassenen.


Tussen alle feiten en feitjes door – waar de auteur zich soms in details verliest die voor de lezer minder interessant zijn – geeft hij de Xhosa wijsheid door van het gelijknamige Zuidafrikaanse volk waartoe de Mandela’s behoren. Het zijn oude verhalen en legenden vol levenswijsheid. De titels van de hoofdstukken verwijzen daar ook naar zoals ‘Geen enkele kind behoort tot één gezin’, 'Luister naar waar de wind vandaan komt’ en ‘De bloem die nooit sterft is onzichtbaar’.


Nelson Mandela is een strenge maar wel liefhebbende grootvader. Hij maakt soms een afstandelijke indruk maar is in feite zeer betrokken bij zijn kleinzoon die hem wel een tijdlang teleurstelt. Studieresultaten – waar Nelson zeer aan hechtte want studie betekende vooruitgang in het leven en zelfontplooiing – lieten lange tijd zeer te wensen over. De kleinzoon is openhartig over zijn gedrag: jarenlang niets doen, drinken, vriendinnetjes, allerlei leugentjes.
Zo blijft het niet; Ndaba komt tot andere inzichten en uiteindelijk gaat hij rechten studeren in Kaapstad en neemt hij iets van het idealisme van zijn grootvader over die regelmatig en respectvol ‘de Oude Man’ wordt genoemd. Kwetsbaar vanwege zijn hoge leeftijd én trots is Nelson aanwezig bij de uitreiking van de bul aan zijn Ndaba.


Via de invalshoek van deze kleinzoon komen we op een ander wijze met dé Mandela in contact. Ontroerend is zijn uitspraak over zijn gevangenschap op Robbeneiland: ‘Al die jaren in de gevangenis hoorde ik nooit het geluid van spelende kinderen. Dat was iets wat ik het meest miste’, pag. 10.
Van zijn grootvader leerde hij wat echte vrijheid is: 'Vrij zijn betekent niet alleen dat iemand zijn ketenen afwerpt. Het is ook leven op een manier die de vrijheid van anderen respecteert en vergroot’, pag. 31.
Hij vat de ontwikkelingen in zijn tijd m.b.t. racisme, seksisme en rassenhaat mooi samen: ‘De algemene opvatting is veranderd van ‘zo is het nu eenmaal’ naar ‘dat is niet acceptabel’. Het is een begin’, pag. 88.


De Engelse titel ‘Going to the Mountain’ omvat de inhoud van het boek beter dan de Nederlandse variant. Het thema vergeving speelt namelijk een ondergeschikte rol in dit boek. De Waarheids- en Verzoeningscommissie komt wel even ter sprake die als doel heeft om onder het presidentschap van Mandela het verleden te verwerken.  ‘Naar de berg gaan’ is de titel van hoofdstuk 9 en duidt op het ritueel van besnijdenis dat bij 18 – 20 jarige jongens plaatsvindt. Aanvankelijk vindt zijn grootvader hem hier nog niet rijp voor maar later gebeurt het wel en ervaart Ndaba dit als een bijzonder moment in zijn leven. ‘Ik ben een man’: die woorden klinken een aantal keren in dit hoofdstuk en ze vatten de betekenis van de besnijdenis samen. Dat is ook de reactie van Nelson: ‘Je bent een man’, pag. 217.


Ondanks de eenvoudige schrijfstijl is dit boek wel de moeite waard en dat is natuurlijk aan de grootvader van deze jongen te danken. De ondertitel suggereert een groter aandeel in dit boek waarin het eigen levensverhaal van de kleinzoon toch vooral centraal staat. In het nawoord is Ndaba's toespraak opgenomen die hij hield in de herdenkingsdienst van zijn grootvader: ‘Het verhaal van Nelson Mandela is in grote mate het verhaal van Zuid-Afrika’, pag. 268.
In de stijl van zijn grootvader eindigt Ndaba zijn boek met een appèl: ‘Het is tijd dat we vooruitgaan als één volk, en dat kan alleen bereikt worden als we als één samenwerken’, pag. 281.


Dit boek roept wellicht andere verwachtingen op maar is toch lezenswaardig.


ISBN 9789400509955 | Paperback | 285 pagina's | Uitgeverij Lev. | juni 2018

Evert van der Veen, 18 juli 2018

Lee de reactie op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Brieven uit de gevangenis
Samengesteld door Sahm Venter.
Voorwoord van Zamaswazi Dlamini-Mandela

Nelson Mandela


Dit boek bevat een chronologische selectie van brieven die Mandela schreef gedurende zijn gevangenschap in Pretoria, op Robbeneiland, in Kaapstad en in het huis van de gevangenisdirecteur waar hij de laatste jaren tot zijn vrijlating verbleef, van 1962 - 1990. Er zijn inleidingen op de diverse perioden en ook bij sommige brieven. De meeste brieven bevinden zich in het nationaal archief van Zuid-Afrika. Er zijn verklarende voetnoten bij de vele namen die voorbijkomen en achterin worden alle namen beschreven.


Dit boek 'laat de lezer niet alleen diepgaand kennismaken met Nelson Mandela de politieke activist en gevangene, maar ook met Nelson Mandela de advocaat, vader, echtgenoot, oom en vriend', pag. 7. Hij is in staat om te leven uit de woorden die hij in een brief aan Winnie citeert: 'de kettingen van het lichaam zijn vaak vleugels van de geest', pag. 210.


In een brief uit 1970, aan een senator, zegt Mandela: 'ik zit alleen lichamelijk achter deze dichte muren opgesloten. Verder blijf ik een cosmopoliet in mijn opvattingen; in mijn gedachten ben ik zo vrij als een vogel. Het houvast in al mijn dromen is de gemeenschappelijke wijsheid van de mensheid als geheel', pag. 223 - 224.
In een andere brief aan Winnie, uit 1975, zegt Mandela: 'de cel is een ideale plaats om jezelf te leren kennen, om echt en regelmatig het proces van je eigen gedachten & gevoelens na te gaan''[...] innerlijke factoren zijn veel belangrijker voor onze ontwikkeling als mens. Eerlijkheid, oprechtheid, eenvoud, bescheidenheid, edelmoedigheid zonder enige bijbedoeling, niet ijdel zijn, klaarstaan om anderen een dienst te bewijzen - kwaliteiten die ieder mens zich gemakkelijk eigen kan maken - vormen het fundament van iemand geestesleven', pag. 325 - 326.


De brieven aan Winnie, zijn kinderen en kleinkinderen zijn vaak vervuld van 'weemoedig optimisme' en altijd hartelijk en inspirerend van inhoud. Hij zegt tegen Winnie over een ontvangen foto: 'Je lijkt een beetje bedroefd, afwezig & ziek maar tegelijkertijd lieftallig', pag. 103. Wanneer zij later ook gevangen wordt genomen, bemoedigt hij haar door te verwijzen naar een boek over het proces van Jezus, vanuit het perspectief van Pilatus die zich verbaast over het feit dat men deze zachtmoedige mens wil kruisigen. Het is één van de weinige keren dat Mandela spreekt over zijn geloof. De andere keer is in een brief aan zijn schoonzus waar hij wijst op het vredesvisioen van de profeet Jesaja waar dieren in vrede samenleven.


Mandela is goed op de hoogte van ieders persoonlijke situatie, gaat daar diep op in, stelt meelevende vragen, benoemt gebeurtenissen uit het verleden en refereert aan de geschiedenis en de politiek. Mandela heeft veel begrip voor iedereen, leeft zich sterk in in hun situatie, observeert aandachtig en hoopt dat het de ander goed zal gaan. Hij heeft een mooi taalgebruik en zijn brieven getuigen van diepe levenswijsheid.

Ontroerend is de bedankbrief aan zijn neef Matanzima die hem vertegenwoordigde bij de begrafenis van zijn moeder waar hij niet bij mocht zijn. Aangrijpend is ook het - tevergeefse - verzoek aan de bevelhebber van Robbeneiland om de begrafenis van zijn zoon Thembekil, die verongelukte, te mogen bijwonen: 'Het is mijn welgemeende hoop dat u het bij deze gelegenheid mogelijk vindt dit verzoek menselijker te benaderen dan u een vergelijkbaar verzoek behandeld heeft dat ik nauwelijks tien maanden geleden, in september 1968, deed voor verlof om aanwezig te zijn bij de begrafenis van mijn moeder', pag. 141.


Veelzeggend is wat hij schrijft aan zijn dochters: 'Het kan lang duren voordat ik terugkom; het kan ook kort zijn. Niemand weet wanneer het zover is, zelfs de rechter niet die zei dat ik hier moet worden vastgehouden. Maar ik weet zeker dat ik op een dag weer thuis zal zijn om gelukkig met jullie samen te leven tot de laatste dag', pag. 86. De brief dateert van 1969...


Zijn verzoeken om verbetering van de levensomstandigheden aan de gevangenisdirecteur of de desbetreffende minister zijn keurig maar wel beslist van toon met goede argumentatie. Hij typeert het harde gevangenisleven en doet een beroep op hun redelijk inzicht dat dit niet menselijk is. Opvallend zijn de vele brieven uit de beginjaren waarin hij vraagt om studieboeken voor zijn rechtenstudie die hij uiteindelijk na 45 jaar voltooit. Hij bedankt de desbetreffende hoogleraar daar hartelijk voor. Bijzonder is ook de bedankbrief aan het medisch team van de prostaatoperatie.


Een brief aan Botha, toenmalig president, bevat enkele scherpe formuleringen zoals 'een geslepen en berekende poging', pag. 522 wanneer hij politieke feiten benoemt. Andere verzoeken aan o.a. een oogspecialist brengen ons dichter bij de gevolgen van Mandela's gevangenschap. In een lange brief aan het ministerie van justitie weerspreekt hij gedetailleerd dat hij lid is van de communistische partij en getuigt hij van vaderlandsliefde: 'heb ik mijzelf altijd vooral beschouwd als nationalist en heeft het Afrikaanse nationalisme gedurende mijn hele politieke carrière invloed op mij gehad. Mijn enige ambitie in het leven is, en is altijd geweest, een rol te spelen in de strijd van mijn volk tegen onderdrukking en uitbuiting door blanken', pag. 65.


In een andere brief aan de minister van justitie verwijst Mandela naar de geschiedenis en de toenmalige behandeling van politieke gevangenen en noemt daarbij o.a. de naam van generaal Christiaan de Wet. Met kennis van zaken pleit Mandela voor vrijlating en een vergelijkbare behandeling. Hij zegt: 'In deze situatie beschouwt de regering de gevangenis niet als een instrument van rehabilitatie maar als een instrument van vergelding, niet om ons te leiden naar een respectabel en werkzaam leven na onze invrijheidsstelling, maar om ons te straffen en te verlammen, zodat we nooit meer de moed en de kracht zullen hebben om onze idealen na te streven', pag. 113.


In uitgebreide brieven aan de Toezichthouder Gevangenissen benoemt Mandela uitvoerig de misstanden en doet hij een klemmende oproep om dit uit humanitaire oogpunt te veranderen en maakt hij ook indringend duidelijk dat gevangenschap geen einde maakt aan politieke idealen: 'Het is zinloos aan te nemen dat enige vorm van pesterij onze standpunten ooit zal doen veranderen. Uw regering en uw afdeling hebben een beruchte reputatie waar het gaat om hun haat, minachting en vernedering van de zwarte man, vooral de Afrikaan, een haat en minachting die het basisprincipe vormen van een veelheid aan wetten en casussen in het land', pag. 363. Zijn taal is beschaafd maar principieel en standvastig, overtuigd van het menselijk recht dat aan zijn kant is. Fel is Mandela over het bezoek van journalisten aan Robbeneiland dat hij beschouwt als een schijnvertoning waarmee de regering internationaal goede sier wil maken.


Verder zijn er brieven aan o.a. zijn advocaat Bram Fischer, vele familieleden, politieke vrienden. Mandela's brieven waren aan censuur onderhevig en daar beklaagt hij zich - tevergeefs - over. Veel brieven werden verminkt, niet of maanden later bezorgd. In een brief uit 1986 zegt Mandela over zichzelf: 'Als ik alles wat sindsdien is gebeurd, had kunnen voorspellen, dan zou ik absoluut dezelfde beslissing hebben genomen, dat denk ik tenminste', pag. 555.


Een indrukwekkend menselijk en politiek document!


ISBN 9789000360383 | Hardcover | 704 pagina's | met fascismile's van aantal brieven| Spectrum | juli 2018

© Evert van der Veen, 9 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Huizen in Nederland
De negentiende en twintigste eeuw
Architectuurhistorie aan de hand van het bezit van Vereniging Hendrick de Keyser
Dolf Broekhuizen, Coert Peter Krabbe, Niek Smit



In vier delen wordt de ontwikkeling van woonhuizen in de 19e en 20e eeuw in ons land geschetst. De titels zeggen al het nodige over de inhoud:


1. De nadagen van het ambachtelijke bouwen (1800- 1860)
2. Een veranderende woonomgeving (1860- 1900)
3. Een betere woning voor allen (1900 – 1940)
4. Democratisering van het wonen (1940 – 2000)


Het boek verschijnt naar aanleiding van het 100 jarig bestaan van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich sinds 1918 inzet voor het behoud van historische woonhuizen en hun interieur.


In dit boek krijgt de lezer een goed beeld van ontwikkelingen in de woningbouw zoals in de 19e eeuw de toepassing van zink en de verandering in verwarming waarbij de open haard plaats maakt voor de (kolen)kachel maar er zijn ook huizen met luchtverwarming. Sinds het einde van de 18e eeuw is er behangpapier dat in fabrieken wordt geproduceerd.


Door de groei van de bevolking zijn er in de grotere steden nieuwe woonwijken nodig. Huizen worden snel en (te) goedkoop gebouwd: de zgn. volkswoningbouw.
Aan het einde van de 19e eeuw groeit het aantal architecten in ons land en ontstaan er ook specialisten voor de aankleding en inrichting van het interieur. Elektrische verlichting, badkamer en watercloset doen hun intrede en zorgen voor nieuw comfort en betere hygiëne.
De industrialisatie heeft machinale houtbewerking als gevolg en zo ontstaan er timmerfabrieken. Ook wordt er nu met stoom geheid. De woningbouw begint steeds meer te mechaniseren. Tegelijk zijn rond 1900 veel woningen nog niet op water en riolering aangesloten.


In 1901 wordt de Woningwet aangenomen waarin sprake is van verschillende typen. De benamingen weerspiegelen de toenmalige maatschappij: arbeiderswoning, burgerwoning, middenstandswoning, herenhuis, dienstwoning.
Vooruitstrevend waren indertijd de tuindorpwijken met meer aandacht voor ruimte rond de woning en openbaar groen. Rond grote werkgevers als Philips in Eindhoven ontstaan fabrieksdorpen.


In de 20e eeuw ontstaat etagebouw waarbij de opgang uit kostenaspect gedeeld kan zijn (één voordeur voor de bewoners beneden en boven) of er is sprake van een vrije opgang waarbij de bovenbewoners een eigen deur of portiek hebben. In 1934 wordt de eerste galerijflat gebouwd, in de wijk Bergpolder in Rotterdam. Beton en staal doen hun intrede en maken nieuwe bouwtechnieken mogelijk.


Interessant is de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de woningbouw. Door de vele verwoestingen ontstond het besef dat er anders gebouwd moest worden en dat er meer rekening met de gezinscultuur moest worden gehouden. Architecten zagen een kans om bv. de verwoeste binnenstad van Rotterdam naar eigentijdse normen te herbouwen. Het boek ‘De stad der toekomst, de toekomst van de stad’ uit 1946 weerspiegelt deze gedachtegang.
Na de oorlog is er een periode van standaardisatie waarbij sober wordt en ook moést worden gebouwd. Later ontstaan zgn. keuzeplan woningen waarbij binnen een bepaald raamwerk eigen indelingen naar keuze mogelijk zijn.
De opkomst van de auto zorgt voor drive-in woningen en er wordt nu gericht voor doelgroepen als ouderen en studenten gebouwd. De keuken wordt luxer door de intrede van allerlei electrische apparaten.


Ruim de helft van dit prachtig uitgevoerde boek is gewijd aan 45 woningen uit de 19e en 20e eeuw die in het bezit zijn van de Vereniging Hendrick de Keyser.
Ieder pand wordt uitgebreid gedocumenteerd met plattegronden en technische details. Ook is er aandacht voor de ontstaans- en verbouwingsgeschiedenis; foto’s van voor en na de renovatie laten zien wat er heeft plaats gevonden.


Enkele interessante en indrukwekkend mooie voorbeelden:
-    Huis ‘Lambert van Meerten’ aan de Oude Delft in Delft (1893), gebouwd in Oudhollandse stijl voor een industrieel met kunsthistorische interesse.
-    Huis ‘Rams Woerthe’, Gasthuislaan in Steenwijk (rond 1900), een kolossale villa voor een industrieel.
-    Huis ‘De Burcht’ aan de Henri Polaklaan in Amsterdam (1899-1900), het bondsgebouw van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkersbond.


Zeer bijzonder is de ‘Gehoorzaal’ aan het Spaarne in Haarlem (1903-1904) van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen met een klein theater in neo-renaissance stijl. Fraai en opmerkelijk zijn ook het stoomgemaal Cruquius ten zuidoosten van Heemstede, de ambachtschool in Scheveningen en het reddingboothuis op Vlieland. Een bijzondere vermelding verdient ‘Huis Hildebrand’ in Blaricum (1935) van architect Rietveld.


Dit boek biedt een fraai overzicht van Nederlandse bouwkunst en vormt een waardevolle bijdrage aan inzicht van ons culturele erfgoed dat het verdient om bewaard te blijven. Een schitterend boek voor ieder die in architectuur en interieur is geïnteresseerd.


ISBN 9789462621749 | Paperback met 1000 illustraties in kleur & zwart-wit  | 456 pagina's | Uitgeverij Waanders | april 2018
Afmeting 20 x 28 cm.

© Evert van der Veen, 13 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Stand-up theology
Een quickscan van de tijdgeest
Tim Vreugdenhil


Dit boek is een goede en vaak ook geslaagde poging om een brug te slaan tussen de tijd waarin wij leven en religie, in het bijzonder het christelijk geloof en de plaats van de bijbel daarin. De titels van de hoofdstukken zijn absoluut eigentijds te noemen: grip, stress, food, netwerk, bubbel, fomo en sorry zijn daar mooie voorbeelden van. 


De auteur is gemeentepredikant geweest en wil dat in zijn nieuwe functie van cabaretier ook zijn ‘maar dan voor iedereen’, pag. 11. Hij maakt nu programma’s voor de Oosterkerk in Amsterdam. Hierin voelt hij zich ongebonden: ‘Niet-protocollair betekent dat ik mag zeggen wat ik denk en dat mijn luisteraars ervan mogen vinden wat ze willen’, pag. 12. Van oorsprong is het christendom volgens hem absoluut niet braaf te noemen, pag. 155. Dikwijls weet hij verrassende verbindingen te leggen met bijbelse verhalen en personen.


In het hoofdstuk grip komt de oude, op dat moment kinderloze Zacharias ter sprake, een originele keuze. Ook de profeet Elia die moedeloos onder een bremstruik zit en niet meer verder wil leven, is de grip op zijn leven kwijt geraakt.
Actuele verbindingen zijn er vele in dit boek: Frank de Boer wordt genoemd als voorbeeld van iemand die lijdt onder stress. Ook liedteksten en gebeurtenissen die in het nieuws zijn geweest, vormen vaak het opstapje om bij een onderwerp stil te staan en van daaruit een link te leggen naar de bijbel.
Het hoofdstuk ‘Food’ is uiterst actueel omdat we steeds bewuster met ons voedsel omgaan en nadenken over de ecologische impact daarvan. Bijzonder dat eten een sacrament wordt genoemd: er wordt iets voor opgeofferd om voedsel mogelijk te maken.
De titel ‘Bubbel’ is ontleend aan Obama die mensen opriep om niet in hun bubbel te blijven zitten maar oog te hebben voor anderen in de samenleving. Hier wordt een link naar de torenbouw van Babel gelegd, het verhaal van menselijke hoogmoed waar God in de Babylonische spraakverwarring een einde aan maakt: ‘Sinds de torenbouw van Babel zijn mensen levende zoekmachines. Ik praat en denk heel anders dan jij’, pag. 98.


Het boek is zeer toegankelijk en leest daardoor gemakkelijk. De auteur weet een goede vertaalslag te maken naar mensen en hun beleving vandaag. Daar is behoefte aan: religie heeft vaak het imago gedateerd en dogmatisch te zijn. Dit boek bewijst dat het anders kán, mág en ook moét om het contact met jongeren niet te verliezen. Het instituut kerk heeft dergelijke vertolkers nodig om bij de tijd te blijven.


Soms zoekt de auteur de grenzen op in zijn taalgebruik. Het verhaal waarin Jezus Lazarus uit de dood tot leven wekt, noemt hij ‘een knettergek verhaal’, pag. 116. In de context van twee andere ter dood veroordeelden noemt hij Jezus op pag. 152 en 159 een ‘rattenkoning’.


Een leuk boek dat hopelijk anderen inspireert om op vergelijkbare wijze de religieuze vertaalslag te maken.


ISBN 9789043529235 | Paperback | 168 pagina's | Uitgeverij Kok | maart 2018

© Evert van der Veen, 6 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Verlangen naar verbinding
Brené Brown


Je bent pas vrij als je je realiseert dat je nergens bij hoort - dat je overtal bij hoort - op geen enkele plek. De prijs is hoog. De beloning groot.

Maya Angelou


Deze uitspraak van Angelou loopt als een rode draad door het boek heen.
Brené Brown is een groot fan van Maya Angelou, vooral dankzij het gedicht En toch sta ik op (And still I rise) dat bij Brené insloeg als een bom. Ze las alles van Angelou en als ze ergens mee zat dan sloeg ze een van haar boeken open. En toen las ze dit bovenstaande citaat en was het er totaal mee oneens. Dat klopte niet wat Angelou schreef. "Waarom zegt ze dat nou? Dat is niet waar! Het is juist essentieel om ergens bij te horen. We moeten bij iets, bij iemand, bij een bepaalde plaats horen." Twintig jaar lang worstelde Brené Brown met deze uitspraak.


Het prettige van Brené Brown is dat zij altijd van zichzelf uitgaat. Ze is heel openhartig over haar gedachten, of ze nu angstig of onzeker is, ze deelt het met ons.


In het eerste hoofdstuk vertelt over haar leven. Hoe zij als kind nooit uitgenodigd werd op verjaardagen van blanke kinderen omdat men dankzij haar voornaam Casandra ervan uitging dat ze gekleurd was. Maar als ze op verjaardagen kwam van gekleurde klasgenoten, schrokken de rest van de aanwezigen weer dat zij blank was. En zo ging het haar hele leven. Ze was de enige niet katholiek op een katholieke school. Haar ouders verhuisden veel waardoor ze altijd het 'nieuwe meisje' was. Maar het ergste was dat ze afgewezen werd voor de Bearkadettes (soort cheerleaderteam) Zelfs haar ouders waren teleurgesteld in haar... En die ouders gingen nog scheiden ook...

Dit alles maakte dat Brené zich als een kameleon kon aanpassen. "Ik werd een heel eenzame vreemde voor mezelf." Ze begon mensen te bestuderen. "Ik gebruikte mijn vaardigheden in patroonherkenning om te anticiperen op wat mensen wilden, dachten of deden. Ik leerde het juiste te zeggen of op de juiste manier aanwezig te zijn. " Iets wat haar later goed van pas zou komen. Bestuderen van mensen werd zelfs uiteindelijk haar beroep! Het citaat van Maya Angelou kon ze echter nog steeds niet accepteren. Iedereen wil er toch bij horen?

Maar door haar studie en misschien juist wel door het 'er niet bij horen' deed ze de dingen waarvan mensen zeiden dat het niet kon. Ze wilde niet langer in het keurslijf passen dat haar opgelegd werd. Ze kon zich niet langer aanpassen. "Al wilde ik nog zo graag lid zijn van een groep, ik bleef liever een buitenstaander dan dat ik er iets voor opofferde." - Dat deze gedachte zal leiden tot de ontrafeling van het citaat beseft Brené Brown op dat moment nog niet. -

En dan... krijgt ze de kans om Maya Angelou te ontmoeten, en uitgerekend deze vrouw zegt tegen haar.


'U doet belangrijk werk. Blijf ermee doorgaan. Blijf over uw werk praten. Stop er niet mee en laat u door niemand in de weg staan. [...]
Ga niet aan de kant, Brené."


Deze laatste zin werd haar leidraad. En eindelijk viel ook het muntje. Ze begreep, twintig jaar later, wat Maya Angelou bedoelde! Eindelijk! Ze besefte: Het gaat erom om trouw aan jezelf te zijn, authentiek te zijn. "Je zult altijd overal bij horen als je maar jezelf bent en op een echte manier over jezelf en je werk praat."


Brené Brown dook haar onderzoekshol in en kwam er vier jaar later weer uit. Haar ervaringen en conclusies over dit onderzoek kun je in dit helder geschreven, verhelderende en boeiende boek lezen. Geen belerend vingertje, geen 'als je dit maar doet, dan komt het goed'. Nee gewoon een boek vol beschouwingen, twijfel, vragen én antwoorden. Grote aanrader.


"Bij jezelf horen betekent je geroepen voelen om alleen te staan - om de wildernis van onzekerheid, kwetsbaarheid en kritiek te trotseren. We kunnen onszelf ons hele leven blijven verraden en ervoor kiezen om ons aan te passen in plaats van alleen staan. Maar zijn we eenmaal voor onszelf en onze overtuigingen zijn opgekomen, dan ligt de lat hoger. Een wild hard verzet zich tegen aanpassingen en rouwt om verraad.[...]
Daardoor voelt de wildernis soms heel eenzaam en als een straf en dat is soms heel ontmoedigend. [...]
Maar als je maar vaak genoeg je ene voet voor je andere zet, als je maar lang genoeg koers houdt, dan baan je je vanzelf een weg door de wildernis en het zal je verbazen hoeveel mensen daar al leven. [...]
De wandeling ernaartoe is moeilijk, maar de authenciteit die er heerst, is het leven zelf.[...]"
Het is de enige weg naar bevrijding.


ISBN 9789400509689 | Paperback | 207 pagina's | Uitgeverij Lev. | februari 2018

© Dettie, 4 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het kan ook anders
Hoe non-conformisten de wereld veranderen
Adam Grant

Deze Amerikaanse topdocent behoort tot de 25 invloedrijkste managementsdenkers in de wereld. Hij is ‘als organisatiepsycholoog verbonden aan Wharton en al ruim tien jaar bezig met het bestuderen van originaliteit in zeer uiteenlopende omgevingen: bij technologiebedrijven en baken, maar ook bij scholen, ziekenhuizen en overheidsinstanties’, pag. 38.


Grant presenteert in dit boek aan de hand van talloze onderzoeken zijn prikkelende visie op mogelijkheden tot verandering in ons leven. Zo komt de flop van de Segway ter sprake en de 79 schetsen die Picasso van Guernica maakte. Bij de laatste casus is de gedachte dat het goed is om veel te genereren zodat er altijd iets bijzonders tussen zit. Edison had 1093 patenten en daarvan zijn er enkele geniaal geworden. Veel voorbeelden komen uit de politiek, wetenschap, sport en geschiedenis en getuigen van een grote belezenheid en kennis van zaken.


Interessant is Lucy Stone die bijeenkomsten belegde waarin ze zich tegen de slavernij keerde. Mensen die de posters vernielden, werden uitgenodigd om te komen omdat ze hen duidelijk maakte dat het om ménsen ging die net als zij familierelaties hadden. Die benadering werkte en menigeen werd zo een medestander van Stone.


Boeiend is de productie ‘The Lion King’: door de opmerking van een producer dat het verhaal lijkt op dat van Shakepeare’s Hamlet werd het in productie genomen. Nu was er een aansprekende invalshoek gevonden op grond waarvan men het aandurfde om in de productie te investeren.
Prachtig is het voorbeeld van het verzet tegen dictator Pinochet in Chili in 1983. Burgers werden opgeroepen tot kleine stapjes: langzamer rijden op straat, lampen aan en uit doen, met een televisie in een kruiwagen over straat rijden (omdat de tv. door de overheid werd gedomineerd).
In Egypte werd humor gebruikt om het verzet te mobiliseren. Het was een parodie op het installatieprogramma van Windows: ‘De installatie is mislukt. Verwijder ‘Mubarak’ en probeer het opnieuw’.


Graag keert Grant vaststaande uitgangspunten om en dan weet hij tot vernieuwende inzichten te komen. Zo worden lezers – mensen in het bedrijfsleven – gestimuleerd om origineel te durven denken en handelen door zich niet teveel te conformeren aan de gebruikelijke gang van zaken: ‘Hij laat zien dat iedereen creatiever kan worden. Hij onthult hoe we écht originele ideeën kunnen leren herkennen en hoe te voorspellen welke ook zullen werken’, pag. 10.


Vaak is het geen kwestie van een grotere expertise maar van een bredere en frisse blik waardoor mensen het verschil kunnen maken: ‘Psychologen ontdekten jaren geleden al dat er twee manieren zijn om een topprestatie neer te zetten: door je aan te passen of door origineel te zijn’, pag. 15. Dat laatste is duidelijk de richting die dit boek wijst. Originaliteit begint met gezonde (zelf)kritiek, nieuwsgierigheid, twijfel en onderzoek. Daar is wel moed voor nodig want een origineel iemand moet de druk van anderen kunnen weerstaan en beheerste risico’s durven nemen.


Grant citeert econoom Galenson: ‘De ware vijand voor conceptuele vernieuwers is het ontstaan van vaststaande denkgewoonten’, pag. 124. Het is voor bedrijven belangrijk dat zij originele en creatieve mensen aan zich weten te binden. Diversiteit is goed voor de bedrijfscultuur.
Grant noemt paus Sixtus V die bij een heiligverklaring iemand aanstelde die daartegen moest pleiten zodat de ware motieven beter naar voren zouden komen. Ieder bedrijf heeft ‘canaries’ nodig: klokkenluiders zouden wij zeggen (die term gebruikt Grant overigens niet). Gekooide kanaries hadden in kolenmijnen de functie om het tekort aan zuurstof te signaleren.


Eén van Grants adviezen is dat mensen een tijdlang in het buitenland werken zodat ze die nieuwe ervaringen mee terug kunnen nemen in hun werkomgeving. Een opvallend advies is om open over zwakke punten te durven zijn: dit oogt intelligent en betrouwbaar.


Diverse keren verwijst Grant naar Martin Luther King die door anderen bij de burgerrechtenbeweging werd betrokken. Zijn ambitie lag daar oorspronkelijk niet. Zijn legendarische woorden ‘I have a dream’ berust op een roep van Mahalia Jackson op de achtergrond die hem hem aanmoedigde om dit te vertellen.
Een opmerkelijk advies is ook dat de beste bondgenoot niet je vriend is maar degene die zich oorspronkelijk tegen je mening keerde. Wanneer die tot een ander inzicht is gekomen, zal hij je visie krachtig verdedigen.
Een mooi voorbeeld van ‘hoe het werkt’ is de poster over handen wassen in een ziekenhuis. De poster met als tekst ‘handhygiëne voorkomt ziekten bij patiënten’ blijkt effectiever dan de poster met de tekst ‘handhygiëne voorkomt dat je ziek wordt’.


Voor wie de boodschap nog niet helder mocht zijn: 15 individuele acties, 10 leiderschapsacties en 5 acties voor ouders en onderwijzers sluiten dit boek af dit overloopt van echt Amerikaans enthousiasme. Maar de schrijver heeft zeker een punt.


ISBN 9789400508880 | Paperback | 320 pagina's | Uitgeverij Lev | januari 2018

© Evert van der Veen, 29 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Heldhaftige missies in WO II
Raids vanuit de lucht, op zee en in het hart van het vijandelijk gebied
Peter Jacobs


Van de 'grootschalige' oorlogsvoering waarbij de fronten tegenove relkaar  stonden, kennen we allemaal in grote lijnen wel het verloop. Daarbinnen is er de oorlog in het klein waarbij het doel is de vijand schade toe te brengen. Dit boek beschrijft dertig van dergelijke acties van geallieerde kant die vaak vanuit de lucht maar ook wel via zee werden uitgevoerd.  Het zijn stuk voor stuk bijzondere verhalen die goed zouden zijn voor een spannende film en bij een aantal acties is dat ook gebeurd.


Vrij bekend is de ondergang van het Duitse oorlogsschip Bismarck van 250 meter lengte (toen indrukwekkend groot) dat zwaar was bewapend. Het schip ging 27 mei 1941 ten onder en die gebeurtenis had voor de geallieerden symbolische waarde.
Er is een aanval op het havengebied en fabrieken in Bremen, dat zwaar werd verdedigd maar de vliegers slaagden - ondanks de nodige verliezen - wel in hun missie.


Naast complete vernietiging van Duits materieel werd vaak tijdelijke schade toegebracht: reparatietijd waardoor vliegtuigen, schepen of fabrieken voor enige tijd niet konden worden ingezet. De acties werden zo goed mogelijk voorbereid, soms vond er ook training plaats, maar toch waren er altijd menselijke en materiële verliezen, soms aanzienlijk. Enkele aanslagen liepen uit op een mislukking en als men de omstandigheden leest dan is dat ook niet verwonderlijk. Het is eerder een wonder dat zoveel aanslagen wél succesvol waren.


Er zijn prachtige acties bij: de sleepboten die nazi-schepen meenemen uit een Westafrikaanse haven en de kano's waarmee mariniers kleefbommen op onderzeeërs aanbrengen. In Noorwegen werden de elektrolysekamers vernietigd van een centrale waar zgn. zwaar water (een stof voor de productie van de atoombom) werd gemaakt. De soldaten vluchtten na de aanslag per ski en overbrugden zo 400 kilometer.
Verder zijn er de aanslagen op grote dammen in het Ruhrgebied die slaagden waardoor de electriciteitsproductie een forse klap werd toegebracht en er bovendien een forse overstroming volgde.


Onbekend maar belangrijk is de actie eind december 1943 - januari 1944 waarbij de invasiestranden in Normandie werden verkend. Deze actie verliep succesvol: de Duitsers hebben er niets van gemerkt. Ook de bezetting van de Pegasusbrug waarmee de invasie van 6 juni 1944 begon, was een succes. Dat gold niet voor operatie Market Garden, beter bekend als de slag om Arnhem. Dat was letterlijk 'een brug te ver'.


Een boek dat respect afdwingt voor de militairen die voor deze acties hun leven hebben gewaagd en gegeven.


ISBN 9789045210551 | Hardcover | 303 pagina's | Uitgeverij Karakter | maart 2016
Vertaald door Gerrit-Jan van den Berg

© Evert van der Veen, 22 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De God van Galilea
Hoe een verboden religie de wereld veroverde
Bart Ehrman


De titel is wat misleidend: dit is geen ontstaansgeschiedenis van de Joodse religie maar een boeiende beschrijving van de eerste eeuwen christendom: ‘De triomf van het christelijk geloof zou de belangrijkste culturele transformatie worden die de wereld ooit had meegemaakt’, pag. 16.
De vragen die de auteur, hoogleraar godsdienstwetenschappen, intrigeren zijn:


- Waarom is het dit geloof gelukt om de Romeinse wereld in zijn greep te krijgen, zodat uiteindelijk het hele Westen christelijk is geworden?


- Hoe heeft het handjevol volgelingen dat Jezus had, een tegensputterend rijk weten te bekeren?


Zijn korte antwoord: dit is niet aan God of de bekering van keizer Constantijn te danken. Het boek maakt duidelijk dat christenen in hun persoonlijke contacten hun geloof hebben verbreid. Hun sociaal netwerk was de basis van hun missionaire activiteiten, al klinkt dat te planmatig.


De schrijver ontzenuwt op behoedzame en vriendelijke wijze diverse ingesleten mythen zoals de bekering van Constantijn waar sinds de 19e eeuw aan wordt getwijfeld. Zorgvuldig worden argumenten voor en tegen zijn christelijke integriteit gewogen en uiteindelijk komt de auteur tot de conclusie dat zijn intentie in de context van zijn tijd oprecht is.
Opvallend is de bemoeienis van Constantijn met het concilie van Nicea in 325, zijn inspanning om kerken te bouwen en christenen een betere maatschappelijke positie te geven. Er ontstaat een omslagpunt waarin het paganisme langzamerhand ten einde loopt al is het niet zo dat het christendom tot officiële staatsgodsdienst wordt uitgeroepen.


Duidelijk wordt ook dat de christenvervolgingen minder structureel waren dan wij vaak denken:


‘Ik moet meteen al benadrukken dat het georganiseerde verzet tegen de christenen meestal de vorm aannam van geïsoleerde incidenten’, pag. 201.


Dit blijkt o.a. uit de brieven van gouverneur Plinius die aan keizer Trajenus advies vraagt over de rechtspraak van christenen. Keizer Diocletianus vaardigde in 203 een decreet uit tegen christenen maar de handhaving is gebrekkig, zo toont de auteur aan. Duidelijk wordt in dit boek dat de diverse keizers niet zo zwart/wit tegenover het christelijk geloof stonden als vaak is/werd gedacht.


Interessant is de tekening van de denkbeelden die men toen van christenen had. Omdat hun religie zo anders was, minder zichtbaar en daardoor onbegrepen, werden ze o.a. beschuldigd van – sexueel getinte – orgies en kinderoffers.


De auteur is een uitstekende verteller die leven en werken van Paulus en zijn zendingsactiviteiten helder vertolkt. Zijn bekering blijft een opvallende gebeurtenis en zijn joodse achtergrond wordt goed getekend. De auteur kan zich prima inleven in zijn theologische gedachtegang en is het eens met iemand die een biografie over Paulus schreef: ‘Je kunt niet zeggen dat Paulus is overgestapt van het joodse naar het ‘christelijke’ geloof, want naar zijn idee bestond er geen scherpe scheiding tussen de twee’, pag. 71. Ehrman heeft waardering voor deze vaak verguisde apostel:


Paulus was niet alleen de belangrijkste bekeerling uit de eerste paar jaar van het christendom…… Hij was de belangrijkste christelijke bekeerling aller tijden’, pag. 87.


Ook weet hij het paganisme (deze term vindt hij minder beladen dan het Nederlandse woord heiden) goed uit te leggen als een open klimaat dat divers, tolerant en alom aanwezig was: ‘religie was overal’. De cultus van het polytheïsme bestaat uit offers, gebeden en waarzegging. In die religieuze context van ontelbare vele goden, die naast elkaar konden bestaan, was er ruimte voor een nieuwe god: die van Jezus uit Galilea.


Zonder waardeoordeel constateert hij aan het slot van zijn boek dat dit alles veranderde door de groei van het christendom:


Een van de mooiste aspecten van het paganisme in de oudheid, als geheel gezien, was de wijdverbreide bereidheid om ruimte te scheppen voor diversiteit en daar zelfs van te genieten. Dat ging verloren met de triomf van het christendom’, pag. 318.


Het christelijk geloof onderscheidde zich doordat het een ‘totaalvisie’ op religie was, een manier van leven en ethisch handelen: een ‘totaliserende verhandeling’, pag. 144.


Het boek is buitengewoon toegankelijk en boeiend geschreven, is daarom voor iedereen toegankelijk. De titel mag dan een typisch religieus boek suggeren, het boek is van algemeen cultureel belang.


Een prachtig en belangrijk boek!


ISBN 9789460038266 | Other Formats | 359 pagina's | Uitgeverij Balans | april 2018

© Evert van der Veen, 18 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

5 jaar koningspaar
Bernard Rübsamen


Dit boek is samengesteld uit de koninklijke collectie van fotograaf Rübsamen die internationale bekendheid geniet. Hij volgde koning Willem-Alexander en koningin Máxima bij staatsbezoeken, vakanties en andere officiële gelegenheden. Uit de foto’s blijkt dat Willem-Alexander een ‘modern koningschap’ voorstaat zoals dat past in de 21e eeuw.

Het is een mooi verzorgd  fotoboek met wat toelichtende tekst. Er is geen beschouwing over het koningschap als zodanig. De foto's zijn chronologisch geplaatst en van hoge kwaliteit, ze vullen een hele of halve pagina.


Origineel zijn de foto’s van februari 2013 waar het gezin voor vakantie naar Lech vertrekt. De foto’s tonen een zwaaiend gezin door het raam van de Koninklijke wagon die aan de Alpen Express is gekoppeld, pag. 12.


Stralend staat het koninklijk paar erbij tijdens het foto aan de provincies Friesland en Noord-Holland in juni 2013, deel van hun tour door het land waarbij alle provincies werden aangedaan, pag. 43.


De multiculturele samenleving komt mooi naar voren op een foto, genomen in Almere waar meer dan honderd nationaliteiten wonen. Het bezoek maakt deel uit van het bezoek aan de provincies Flevoland en Overijssel in juni 2013, pag. 44.


De fietsende Máxima roept herinneringen op aan koningin Juliana. De foto is genomen tijdens de opening van het Máxiamapark in Leidsche Rijn, juli 2013, pag. 49.


Indrukwekkend zijn de foto’s genomen tijdens de begrafenis van prins Friso in Lage Vuursche, augustus 2013. De foto van het gezin is met gevoel voor privacy op de rug genomen en dat siert de fotograaf, pag. 54.


Heel persoonlijk is de foto, genomen tijdens de dankbetuiging aan Beatrix, waar Máxima prinses Beatrix omhelst, pag. 70. Intiem en toch juist dat deze foto in de publiciteit is gekomen.


Stemmig zijn de gezichten van het koninklijk paar tijdens de dodenherdenking op de Dam, 4 mei 2014, pag. 80. Er zijn meer van deze momenten vastgelegd en de foto van 4 mei 2016 is ook van een sterke zeggingskracht, pag. 142.


Een teer moment is de foto waarop Willem-Alexander Máxima’s hand vasthoudt tijdens de aankomst van de slachtoffers van de MH17 op vliegveld Eindhoven, juli 2014, pag. 95.


Aangrijpend is de foto bij concentratiekamp Buchenwald waar het koninklijk paar in gedachten staat bij het monument, pag. 154.


Dit fraaie boek brengt niet alleen het koninklijk gezin in beeld maar laat via hen ook belangrijke historische momenten uit de afgelopen jaren zien. Een mooi document van wat werd genoemd ‘het houten jubileum’.


ISBN 9789463384230 | Hardcover | 207 pagina's | Uitgeverij Aspekt | april 2018
Aspekt/TDM Entertainment Soesterberg, 207 pag. gebonden, groot formaat, € 24.95.

© Evert van der Veen, 16 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De verzuim-
coördinator

Over beeld, afwezigheid, bedrog
Nicole Montagne


De Verzuimcoördinator is een essay- en verhalenbundel over afwezigheid, over dat wat er niet is. De titel is derhalve treffend gevonden, want dat is precies wat een verzuimcoördinator doet; het is iemand die louter afwezigheid reguleert, hij of zij vult de dagen met het registreren van leerlingen die er niet zijn. Ook de illustratie op de voorkant, een afbeelding van het schilderij De absintdrinker, onderstreept het thema; een man zittend aan een tafeltje in een café met zijn gezicht tussen zijn handen geklemd, terwijl een naakte, transparante groene vrouw met haar billen op de tafelrand zit. Door die transparantheid en door de titel van het schilderij weten we dat ze vooral in de verbeelding van de man bestaat. Ze is er, maar tegelijkertijd is ze er ook niet.


Nicole Montagne onderzoekt in dit boek ook vooral wat er níet is. Haar partner heeft haar na zestien jaar verlaten, nadat hij haar jarenlang systematisch en op allerlei mogelijke manieren bleek te hebben bedrogen. Hij bleek een schaduwbestaan te hebben met vrouwen en geld en schimmige zaken en veel leugens en bedrog. Personen uit verhalen bleken niet te bestaan en personen en gebeurtenissen die al die jaren wel een belangrijke rol in zijn leven hadden gespeeld werden verzwegen. In het boek probeert ze met grote distantie, als een onderzoeker die iets ontleden wil, te reconstrueren hoe het creëren en presenteren van een heel andere werkelijkheid nu eigenlijk in zijn werk gaat. Hoe werkt de psyche van een bedrieger, waarom doet iemand wat hij doet, waarom fabuleert iemand? En hoe komt het dat wij geloven in dat wat er niet is. Ze gebruikt hier hiervoor naast haar eigen ervaringen de kunst en literatuur om er iets meer van te begrijpen.


Nadat het bedrog aan het licht kwam, kreeg ze zo af en toe de vraag of ze echt niet door had dat ze jarenlang werd voorgelogen en bedrogen. Maar hoe kun je weten dat je belogen wordt als je slecht een gedeelte van de werkelijkheid blijkt te hebben gezien en gehoord. Het was liegen door omissie; voor een deel de waarheid vertellen en voor een deel niet. Daar is nauwelijks een vinger achter te krijgen omdat je slechts een uitsnede en niet het hele verhaal te zien krijgt, het is een sluwe vertelwijze en het zet de toehoorder van meet aan op het verkeerde been.


Achteraf toen niets bleek te zijn wat het leek, bleek ook háár hele verleden daardoor met terugwerkende kracht ineens anders te zijn dan ze dacht. Zelfs de keuzes die ze toentertijd maakte, bleken gestoeld op valse informatie. Liegen, zo betoogt ze meerdere malen in dit boek, treft de ander existentieel, zelfs in het hart van zijn of haar beslissingen, omdat die genomen worden op grond van een gapend gebrek aan kennis. Als het stof van alle leugens uiteindelijk is neergedaald moet je als het ware je eigen verhaal en de werkelijkheid opnieuw reconstrueren;


Na zijn vertrek zag ik dingen die in het verleden lagen, die ik eerder onmogelijk had kunnen zien. Ik kon de feiten uit de mij bekende maar beperkte context halen en plaatsen in een wijder verband. Dat ging niet meteen, het verstand mag het dan vatten maar de geest is traag en maakt zich niet zomaar los. Aanvankelijk was ik vooral getroffen door ongeloof.


Wat je overhoudt, is een heel ander verhaal. Daardoor werd een groot deel van mijn leven in retroperspectief, volstrekt anders dan ik dacht. Ik kon het niet overdoen, het was al geleefd. En voor een deel was ik daar, op een vreemde manier, zelf niet bij geweest. Maar door het in een andere context te plaatsen, schreef ik mezelf weer ‘binnen’ en wel in mijn eigen levensgeschiedenis. Vergelijk het met Columbus, om eens een ontdekkingsreiziger te noemen. Die dacht dat hij Indië had bereikt terwijl hij Amerika ontdekte. Hij was wel degelijk ergens aangekomen. Alleen niet op de plek die hij dacht.


Door het weglaten en het verplaatsen van een context krijgt dat wat er is dus blijkbaar een heel andere betekenis. In de kunst gebeurt dat met grote regelmaat zoals  bv Marcel Duchamp deed door een urinoir in een museumzaal ten toon te stellen. Ook de fotografie is bij uitstek een kunstvorm waar het weglaten of toevoegen van de context, een totaal andere betekenis aan het verhaal kan geven.


In Europa zijn wij gewend kunst apart te presenteren, het beeld alleen moet autonoom genoeg zijn. Verhalende kunst, zo leerde de schrijfster in de jaren tachtig op de kunstacademie, was vloeken in de kerk. In Japan denkt men daar heel anders over, daar wordt een kunst altijd in een serie gepresenteerd, in relatie met andere beelden. Het beeld krijgt op deze manier zijn betekenis, verander je de volgorde dan verander je ook de context. Ik moest hier aan denken toen ik tijdens het schrijven van deze recensie een nu al iconische serie foto’s zag van de G7-top, een reeks foto’s van een aantal wereldleiders, met Angela Merkel vooraan, staand voor de tafel van een zittende Donald Trump. De foto’s waren in een hele korte tijdspanne genomen, maar iedere invalshoek en iedere klik van de camera later, bracht een totaal ander verhaal. De context en de volgorde bepaalden het beeld en iedere wereldleider gebruikte in zijn presentatie die foto waar hij of zij het beste naar voren kwam om zijn of haar imago zo goed mogelijk te framen.


De ruimte in een verhaal die wij invullen is een terugkerend thema in dit boek. Kunst zet onze verbeelding in werking zodat wij invullen wat wij niet zien. In de abstracte schilderkunst is het weglaten zelfs tot kunst verheven, de schilderijen van Piet Mondriaan zijn daar een bekend voorbeeld van. Mondriaan schilderde in zijn leven een reeks bomen en liet hierbij steeds meer weg, om zo steeds meer tot de kern te komen. Op zijn laatste schilderijen zijn de bomen zo goed als verdwenen en blijft alleen het idee van ‘de boom’ nog over.


In de bundel keert de schrijfster terug naar haar huis in Praag, waar mensen vaak terug verlangen naar het verleden, naar de tijd van vóór de val van de muur. Maar ook hier gaat het vaak niet zo zeer om wat er echt was, maar naar het idee van het verleden dat met zoveel romantisch verlangen omgeven is, dat het niets meer te maken heeft met de werkelijkheid van toen. Net als bij schilderijen en foto’s vullen we ook in het echte verhaal de leegte in de gaten van het verhaal zelf in en wordt het iets wat er in werkelijkheid bestond.


De verzuimcoördinator  is een boeiende zoektocht naar die leegte in de gaten van de werkelijkheid, die je voert naar paden die je bij het onderwerp, leugens en bedrog, niet meteen zou verwachten. En het is ook nog eens erg goed geschreven!


Nicole Montagne is schrijfster en beeldend kunstenaar.


ISBN 9789028427600  | Paperback | 205 pagina's | Uitgeverij Wereldbibliotheek | mei 2018


© Willeke, 21 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Koningin Victoria als huwelijks-
makelaar

Haar kinderen en kleinkinderen op Europese tronen
Deborah Cadbury


Dit boek beschrijft hoe koningin Victoria (1819-1901) als een ware matriarch over haar nakomelingen regeerde. Tot op hoge leeftijd bleef ze gezag inboezemen en stelden kinderen en kleinkinderen vertrouwen in haar.


In het Victoriaanse tijdvak waren huwelijksverbintenissen onderdeel van de buitenlandse politiek. Ze dienden om bondgenootschappen te smeden of te versterken. Een vorstelijk huwelijk was altijd een zaak van politieke afwegingen.


Maar de politieke invalshoek was niet de enige die telde. In het door en door godsdienstige Europa telden ook godsdienstige aspecten mee. Naast het Rooms-Katholicisme en het protestantisme waren ook de Russisch-Orthodoxe Kerk en de Grieks-Orthodoxe Kerk bolwerken van geloof en spiritualiteit. Huwelijkskandidaten moesten beslissen of ze omwille van een huwelijk bereid waren van religie te veranderen. Het was lang niet voor iedereen vanzelfsprekend om de kerk waarin men was opgegroeid in te wisselen voor een andere. Een laatste complicerende factor in de Victoriaanse huwelijkspolitiek waren de persoonlijke voorkeuren. Moesten personen die niets met elkaar hadden toch maar met elkaar huwen omwille van het staatsbelang? Een huwelijk is toch in de eerste plaats ‘gevoel’ en geen ‘politiek’?


Koningin Victoria had het er maar druk mee. Ze kreeg de meest complicerende zaken in haar mandje geworpen en moest zien er iets van te maken. Cadbury citeert royaal uit haar uitgebreide correspondentie. De koningin had een wat geëxalteerde manier van schrijven en had de gewoonte woorden die voor haar van belang waren dubbel te onderstrepen. Haar instemming was vereist voor een huwelijk. Meestal koppelde zij zelf kandidaten aan elkaar. Maar het kwam ook wel voor dat een kleinkind zelf met een kandidaat op de proppen kwam. Het stel ging dan spoorslags naar de koningin-grootmoeder om toestemming te vragen.


De koningin had negen kinderen en dertig kleinkinderen. Het ging dus om een enorm potentieel aan huwelijkskandidaten. Haar nazaten kwamen terecht in Russische, Duitse, Griekse, Portugese, Roemeense en Deense vorstenhuizen. Half Europa was zo ongeveer door familiebanden aan elkaar gebonden.


Het doel was om een stabiel en vreedzaam Europa te stichten, waar conflicten binnen de familie werden opgelost. Dat is echter niet gelukt. Staatsbelangen doorkruisten familiebanden en maakten samenwerking soms tot een onmogelijke opgave. Daarbij kwam dat tsaar Nicolaas II niet geschikt was voor zijn zware taak en dat keizer Wilhelm II een domme, arrogante man was. Cadbury geeft van beide personen een treffende typering. Familiebanden bezweken onder de druk van enorme politieke en economische spanningen aan het begin van de 20e eeuw.


Het laatste hoofdstuk beschrijft dan ook het uitbarsten van de Eerste Wereldoorlog en de ondergang van het huis van de Romanovs en de Hohenzollern. De manier waarop Cadbury de moord op de tsaar en zijn gezin beschrijft is een macaber en tragisch hoogtepunt in dit boek. (De weerzinwekkende moord zelf is natuurlijk een dieptepunt.)


Het lijkt er op dat Cadbury Duitsland en Wilhelm II verantwoordelijk houdt voor het uitbreken van de oorlog in 1914 (blz. 356). Historici zijn het daar onderling niet over eens. Sommige historici houden de tsaar verantwoordelijk omdat die als eerste besloot tot een algehele mobilisatie. Daarmee werd oorlog onvermijdelijk. Want Duitsland kon niet volstaan met een mobilisatie. Om een tweefrontenoorlog te vermijden moest het land vervolgens de eerste klap uitdelen.


Cadbury schreef een interessant en historisch bezien een heel verantwoord boek over Victoriaanse huwelijkspolitiek. Het is fijn dat ze de lezer niet met haar eigen visie voor de voeten loopt, maar de bronnen laat spreken. Het boek is goed geschreven, heel interessant en fraai verzorgd (met een mooie omslag) uitgegeven.
Een mooi boek.


Deborah Cadbury is een Britse historica. Ze schrijft niet alleen boeken, maar is ook televisieproducente.


Zie ook het inkijkexemplaar


ISBN: 9789046823330 | Hardcover | 430 pagina's | Geïllustreerd | Uitgeverij Nieuw Amsterdam|  24 mei 2018

© Henk Hofman, 15 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Drie vormen van weten
Over ethiek, wetenschap en moraalfilosofie
Herman de Dijn


In dit boek zet de auteur, emeritus hoogleraar filosofie in Leuven, de verhouding tussen ethiek, wetenschap en moraalfilosofie uiteen: ‘In één zin samengevat is de moraalfilosofische stelling van dit boek: ‘wetenschap en ethiek zijn radicaal verschillende vormen van weten en praktijk’, pag. 8. Ze vullen elkaar aan en staan niet met elkaar in conflict, hebben elkaar ook nodig maar hebben elk hun eigen invalshoek.


Eerst legt de auteur uit wat hij onder wetenschap verstaat: ‘empirisch ondersteund theoretisch weten’, pag. 26. Wetenschap dient niet de pretentie van waarheid te hebben maar streeft naar verklaring, analyse en verbanden van de wereld om ons heen.


Ethiek is de morele betekenis van feiten: de wijze waarop wij deze waarderen en daar waarde aan toekennen. ‘Geen beschaving zonder ethiek’ is dan ook de stelling van De Dijn, pag. 32. Ethisch weten is een andere vorm van kennis die uiteindelijk dieper gaat en een innerlijke zekerheid, overtuiging kent waarbij mensen zich op medemensen en de samenleving betrokken voelen. Het gaat daarbij niet om ‘waar gebeurd’ maar om datgene wat voor ons mens-zijn waar is en waar ‘we ons niet aan kunnen of mogen onttrekken’, pag. 35. Ethiek draagt bij aan het leven zelf en daarom mogen we deze in onze huidige, sterk technocratisch ingestelde tijd, niet verontachtzamen. Ethiek houdt de menselijke waardigheid hoog en voelt intuïtief aan dat mensen respect en integriteit verdienen. Wetenschap is een kwestie van zijn, ethiek van moeten, aldus de auteur. Liever zou ik hier het woord ‘behoren’ gebruiken want dat wordt bedoeld: datgene wat wenselijk is, voortkomend uit menselijk verlangen en idealisme. 


De huidige ethiek staat los van religie en kent waarden als respect voor de ander, autonomie en wil mensen in hun identiteit en situatie niet schaden. De auteur pleit ervoor dat de moderne ethiek niet rationeel wordt maar betekenis hecht aan mensen en gebeurtenissen. Dit waardekader is belangrijk zodat mensen ook vandaag in hun volle existentie tot hun recht komen in onze zakelijk gekleurde wereld.
De Dijn ziet daarom graag dat ethiek deel blijft uitmaken van onze attitude waardoor er ‘interne vertrouwdheid met de praktijk’ blijft bestaan, pag. 158. Dat is zijn drijfveer in dit boek: dat mensen oog en hart blijven houden voor datgene wat het leven inhoud, zin en betekenis geeft.
In dat kader gebruikt hij zelfs de religieus klinkende term ‘heiligheid van de mens’ waarmee hij opkomt voor het eigene van mensen. ‘Ethiek is geen specialisme, ze is een onderdeel van de menselijke leefwereld, die onvermijdelijk historisch-cultureel bepaald is’, pag. 166.


Dit waardevolle boek levert een goede bijdrage aan de hedendaagse mens- en maatschappijbeschouwing. Het boek is voor de meeste mensen goed te lezen maar vraagt wel om enige aandacht om de inhoud goed te doorgronden.


ISBN 9789463102285 | Paperback | 199 pagina's | Uitgeverij Polis/New Book Collective | februari 2017

© Evert van der Veen, 12 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Mijn jaren met Obama
Achter de schermen van een presidentschap
Ben Rhodes


Altijd al eens willen weten hoe de president van het machtigste land ter wereld functioneert, van wie hij afhankelijk is en hoe zijn directe staf hem aanstuurt? In dit boek vertelt Ben Rhodes, één van zijn drie speechschrijvers en persoonlijke adviseurs, het verhaal van Obama, ‘de president als de persoon die besluit, troost, herdenkt en reageert; de president als tijdelijke monarch, de bevelvoerder die is overgeleverd aan de gebeurtenissen die in zijn tijd plaatsvinden’, pag. 188.


In dit boek wordt duidelijk hoe Rhodes deze jaren volkomen in dienst van het presidentschap leefde:

‘ik had mijn eigen verhaal onderdeel laten worden van het verhaal van Barack Obama – zijn campagne, zijn presidentschap, het doel waar hij ons naartoe leidde’, pag. 19.


Hij voelt zich sterk met Obama verwant en is daarom in staat om zich in hem in te leven:

‘ik las zijn boeken, analyseerde zijn commentaren, onthield de wijzigingen die hij in toespraken aanbracht en zette zijn kijk op de wereld om in geschreven woorden en beleid’, pag. 220.


Obama was op hem gesteld:


‘Jij bent niet alleen een adviseur, je bent ook een vriend’, pag. 251.


Het is tijd om naar huis te gaan’ met die symbolische woorden, waarmee Obama zijn carrière beëindigt, opent dit boek. Obama is verbijsterd door de onverwachte overwinning van Trump en vraagt zich af: ‘Stel nu dat we het mis hadden’, pag. 15. Hij probeert de uitslag te analyseren: ‘Misschien zijn we te ver gegaan. Misschien willen de mensen gewoon weer bij hun eigen groep horen’, pag. 16.


Trump komt op pag. 167 uitgebreider ter sprake en Obama’s reactie is: ‘Ik kan niet geloven dat ze (de media) hier hun zendtijd aan besteden, pag. 168. 16 juni 2016 stelde Trump zich kandidaat voor het presidentschap en Rhodes’ onderschattende reactie is veelzeggend:


‘Trump was gewoon een nog wat onbeschoftere versie van wat er van Republikeinse zijde al jaren over ons heen kwam, en het leek er niet op dat hij veel kans maakte om president te worden’, pag. 397.


Later komt hij tot een eerste analyse:


‘De populariteit van Obama bleef stijgen in eigen land en elders in de wereld, maar de binnenlandse kritiek op ons buitenlands beleid had haar hoogtepunt bereikt en gaf Trumps dystopische mening dat Amerika in een vrije val was geraakt een steuntje in de rug’, pag. 491 – 492.


In het boek komt de actuele wereldgeschiedenis voorbij en de lezer krijgt de kans om die van de binnenkant te beleven. De Arabische Lente, de arrestatie van Bin Laden, de oorlog Syrië (de ‘rode lijn’ wanneer chemische wapens worden gebruikt), de spanningen tussen Israël en Palestijnen, het terugtrekken van troepen uit Irak (‘Irak hoorde bij een andere tijd’ = erfenis van vorige president), de toenadering tot Cuba, het klimaatakkoord in Parijs, de spanningen in Oekraïne en De Krim, de MH17 en de Brexit komen in dit boek allemaal naar voren.

De meest ontroerende passage is die n.a.v. de aanslag op een zwarte kerk in Charleston waarbij 9 mensen worden vermoord. Obama spreekt over genade in zijn toespraak: ‘Als we die genade kunnen aanboren, kan alles veranderen. Amazing grace. Amazing grace’, pag. 399. Prachtig om te lezen is wat er dan gebeurt wanneer Obama dit lied begint te zingen: ‘er werd een venster geopend’, pag. 401.


Fascinerend om te lezen is hoe belangrijke speeches worden voorbereid: welk aandeel heeft Obama daar zelf in en wat mag een speechschrijver aanleveren?  Er wordt vooraf veel historische research gedaan, er vindt uitgebreid overleg plaats waarin woorden worden gewogen en soms duikt er op het laatste moment een onverwachte gevoeligheid of mogelijke misser op. Regelmatig komt Obama met een eigen herschreven voorstel. Bij belangrijke speeches is er vooraf de nodige spanning en naderhand worden de reacties in de media naderhand nauwkeurig gevolgd.
Boeiend is de invloed van zijn toespraken zoals de reactie van een vrouw die jaren na zijn speech in Caïro zei: ‘Het kwam niet door de speech. Het kwam door hém’, pag. 93.


Maar het omgekeerde gebeurt ook. Zijn persoonlijk getinte toespraak (hiertoe aangemoedigd door Rhodes) bij de herdenking van Mandela krijgt in de pers nauwelijks aandacht. De selfie die de Deense premier maakt met Obama staat daarentegen in alle kranten.


Duidelijk wordt ook hoe Obama door zijn uitgebreide staf wordt geregisseerd in zijn functioneren: ‘In de logistiek rondom de president wordt hij eerder beschreven als een object dan als een menselijk wezen’, pag. 68. Dergelijke zinnen maken dit boek interessant omdat ze iets van de werkelijkheid rondom het aureool, dat nu eenmaal rond een president hangt, laten zien.


Het nieuws in de wereld wordt permanent gevolg door stafmensen die belangrijke feiten continu aan elkaar doorgeven. Rhodes leeft met zijn I-phone op zak waar per dag honderden berichten binnenkomen en hij wordt geacht daarop te reageren indien nodig (en dat is vaak; vrije tijd heeft hij amper).
Er wordt continue stilgestaan bij actuele gebeurtenissen en de wijze waarop Obama daarop dient te reageren en daarin speelt Rhodes een belangrijke rol:


‘bedenken hoe dit beleid ontvangen zou worden door het publiek in binnen- en buitenland, hoe we het zouden uitleggen, en hoe we daar rekening mee dienden te houden bij het vastleggen van het beleid’, pag. 129.


Tussen de feiten door zijn er mooie inkijkjes in hoe Rhodes naar Obama kijkt. Het boek is geen persoonsverheerlijking al komt hij tot de conclusie: ‘Jij hebt een verschil gemaakt in het leven van miljarden mensen’, pag. 514.
De mens Obama komt steeds duidelijk naar voren. Rhodes zou ook wel meer ambitie willen zien in zijn tweede ambtstermijn maar zegt ook:


‘Obama was uniek in de zin dat alleen al het simpele feit van zijn eigen identiteit indruk zou maken op mensen in het buitenland. Hij was niet alleen president van Amerika, maar stond ook symbool voor de aspiraties van miljarden mensen – vooral etnische minderheden in ontwikkelde landen en jonge mensen in ontwikkelingslanden’, pag. 76.


Obama heeft meer tegenstand en teleurstellingen moeten verwerken dan hij liet blijken. Een uitspraak n.a.v. paus Franciscus bij het diplomatieke vooroverleg rond Cuba is veelzeggend: ‘Hoge verwachtingen. Daar weet ik alles van’, pag. 358.

De woorden van Martin Luther King – in de rand van het vloerkleed in het Witte Huis – keren regelmatig terug: ‘De boog van het morel universum is lang, maar hij neigt naar gerechtigheid’, pag. 501. Ze zijn de onderliggende hoop dat de jaren van Obama een bijdrage aan die gerechtigheid zijn geweest.


Een boeiend boek!


ISBN 9789403123509 | Paperback | 544 pagina's | De Bezige Bij Amsterdam | juni 2018

© Evert van der Veen, 20 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Nomadologisch manifest
nomadisch denken vanuit de natuur
Huig de Groot

"Al jarenlang ben ik gefascineerd door alles wat zwerft, vlucht, rondtrekt en reist. Waar dan ook, door wie dan ook. Vanuit welke motieven of noodzakelijkheid, vanuit welk verlangen dan ook. Nomadisch levende volkeren, onze nomadische prehistorie, rondtrekkende groepen mensen. Ik ben gefascineerd door een nomadisch bestaan, door nomadisch denken, door het cyclische en lineaire van culturen en samenlevingsvormen. Met hart en ziel.

Met alle bescheidenheid ook van een voormalig reiziger."

                                                                      Huig de Groot


Als mens, vooral de mensen in het rijke Westen en delen van Amerika, zijn we mijlenver verwijderd van de natuurmensen die we ooit waren. We leven in huizen met verwarming en koud en warm stromend water komt 'zomaar' uit de kraan. Groente en dergelijke halen we uit de winkel en menig kind weet niet eens dat melk uit een koe komt.  De kant-en-klare maaltijden maken dat we eveneens steeds meer vervreemden van vers voedsel zaaien, oogsten en bereiden.
Niemand hoeft meer écht moeite te doen om aan voedsel te komen en vaak is het boodschappen doen menigeen nog teveel.. Ook onze lichaam beschermen we met kleding dat overal te koop aangeboden wordt, een enkeling spint nog wol of zorgt voor zijn eigen doeltreffende kleding (Inuit bijvoorbeeld)

Ook ons dagelijks leven heeft weinig meer met leven volgens de natuur te maken. Alles verloopt vaak volgens een vast patroon zoals werken 'van negen tot vijf '. In je vrije tijd een beetje sporten, avondje uit gaan, wat cultuur of een filmpje pikken en af en toe op vakantie om bij te tanken. Zelfs ons voortbewegen is nauwelijks natuurlijk meer te noemen, veelal wordt de auto, scooter of in het beste geval de fiets gepakt. Lopen naar iets is niet meer onze eerste manier van voortbewegen.

We leven erg volgens de klok. Alles wordt daardoor bepaald. Het maakt ons gehaast, jachtig. De tijd jaagt ons op.. om 8.00 uur de kinderen naar school, om 10.00 uur een vergadering, om 12.00 uur lunchen, om 16.00 uur gauw de laatste klussen afronden want om 18.00 moet zoonlief naar voetballen en dochterlief moet... enz. enz.  Hoe anders zou het leven zijn als tijd niet bestond en wij leefden naar de 'tijden' van de natuur zoals veel nomaden doen.
Naast dit alles vervuilen we onze leefomgeving steeds meer en 'de natuur' is een hobby geworden in plaats van onderdeel van ons leven.

Dit bovenstaande zijn al jaren mijn eigen gedachten en ik vond hierin een weerklank in het boek van Huig de Groot. De schrijver van het Nomadolgisch manifest maakte (nog steeds overigens) zich eveneens over dit alles ongerust. Hij zag dat de mens zichzelf en zijn leefomgeving in allerlei opzichten langzamerhand aan het vernietigen is. In veel mooiere woorden en veel beter uitgewerkte tekst dan ik deed, vertelt hij zijn gedachten en inzichten hierover aan ons.

Zelf groeide hij op bij socialistische ouders, de ander was belangrijk, dat gold lange tijd voor hem ook. Hij was een fanatiek activist, protesteerde tegen vele uiteenlopende zaken en ook in zijn werk voerde de sociale kant de boventoon. Maar tijdens een studie ontdekte hij als het ware zichzelf en ging op 'ontdekkingsreis'. Hij woonde 15 jaar lang achtereen in verschillende landen en werelddelen. Hij verbleef in de eindeloze natuur én verrichte allerlei soorten werk. Hij ontmoette veel mensen met uiteenlopende visies o.a. mensen die nu nog steeds een nomadenleven leiden. Hij leerde o.a. daardoor de échte natuur en andere leefgewoonten kennen. Alle ervaringen die hij dankzij deze reizen opdeed, maakte dat hij inzichten verwierf en besefte dat het anders kon en moest met de wereld waarin wij leven. En zo ontwikkelde hij een eigen nomadologische levensfilosofie.

In dit manifest deelt hij, in prettige, begrijpelijke taal, zijn reiservaringen en zijn filosofie. Hij uit daarin o.a. zijn bezorgdheid over onze omgang met onszelf en de aarde. Hij wil mens en maatschappij wakkerschudden en hen bewust maken van wat zij aan het doen zijn met de wereld en betoogt hoe zij een eigen bijdrage kunnen leveren om weer te leren zien hoe het - natuurlijke - leven bedoeld is.
Dat levert zeer interessante denkstof op waar je mee verder kunt. Vooral lezen dit manifest!


Zie ook de leerzame website van de schrijver: http://www.nomadologie.nl


ISBN 99789491773785 | Paperback | 90 pagina's | Uitgeverij Palmslag | maart 2018

© Dettie, 16 juli 2018

Lees de reacties op het forum en of reageer, klik HIER

 

Frank Ankersmit: 'De erfenis is op'
Waarom de Europese cultuur zich opnieuw moet uitvinden
Leonie Wolters


Historica Leonie Wolters interviewt emeritus hoogleraar Frank Ankersmit over zijn filosofisch-historisch denken. Hij is geschiedfilosoof en was als 10-jarig jongetje al gefascineerd door Einstein.


Ankersmit begon met wis- en natuurkunde maar ging daarna geschiedenis studeren en ontdekte dat hier zijn hart lag. Geschiedenis definieert hij als volgt: ‘een selectie en ordening van historische feiten’, pag. 89. Daarin heeft hij een ontwikkeling doorgemaakt: ‘Ik had aanvankelijk een typisch antiquarische belangstelling voor het verleden’, pag. 98. Hij maakt duidelijk wat hij daaronder verstaat en hoe hij steeds duidelijker is gaan zien dat gebeurtenissen pas achteraf tot geschiedenis worden en dan in een bepaald kader worden geplaatst en gepresenteerd. Welke verbanden legt de historicus?


Interessant is zijn terloopse opmerking over Napoleon III die in 1870 een niersteen had. Mag je dit in verband brengen met de Frans-Pruisische oorlog, zo vraagt Ankersmit zich af. Zijn vrouw nam tijdens zijn ziekte regeringszaken voor hem waar en het conflict tussen Frankrijk en Duitsland leidde tot de Frans-Pruisische oorlog in 1870. Die leidde tot de Eerste Wereldoorlog en daar vloeide de Tweede Wereldoorlog weer uit voort. Ankersmit noemt dit ‘if-history’: ‘wat als’. In dit geval: hoe was de geschiedenis verlopen wanneer Napoleon III geen niersteen had gehad? Een interessante gedachte!


In het eerste gesprek komt naar voren dat Ankersmit heimwee heeft naar het culturele leven van de 18e eeuw: ‘Ik had graag in die tijd geleefd’, pag. 25. Hij is van mening dat we sindsdien iets zijn kwijt geraakt: ‘Ik mis de beschaving, de esprit, en het raffinement in de sociale omgang van de 18e eeuw’, pag. 48.
Een dergelijk heimwee is vanuit de bevoorrechte positie als hoogleraar, die toen en nu behoort tot de intellectuele elite en bovenlaag van de bevolking begrijpelijk. Hij miskent echter de armoede waarin veel, zo niet de meeste, mensen toen leefden, het ontbreken van sociale en hygiënische voorzieningen en de economische uitbuiting van de arbeidende klasse.


In een ander gesprek staat de kunst centraal. Ankersmit heeft niet zoveel affiniteit met moderne kunst. Kunst helpt ons om de wereld te zien zoals deze is: ‘Kunst kan je opmerkzaam maken op aspecten van de werkelijkheid die je zonder de kunst niet gezien zou hebben’, pag. 56. Kunst laat ons de wereld om ons heen en is daarom voor iedereen bestemd.

Een groot deel van het boek is gewijd aan onze duiding van historische feiten. Ankersmit maakt duidelijk – maar het kost wel enige inspanning om hem daarin te volgen – dat gebeurtenissen achteraf gezien nooit objectief zijn. Geschiedenis onderscheidt zich daarin van exacte wetenschappen omdat er altijd sprake is van een subjectief element. Het is de historicus die in zijn visie bepaalt hoe historisch feiten worden gepresenteerd.
Belangrijk vindt Ankersmit dat dingen binnen hun context worden gezien. Dat doen we achteraf want dán ontstaat pas wat wij geschiedenis noemen. Op het moment dat het gebeurt, is het de actualiteit van de dag. Geschiedenis is dan ook ‘present maken van iets dat afwezig is’, pag. 115, het is ‘het geheugen van de mensheid’, pag. 116.


Het begrip representatie speelt in het denken van Ankersmit een centrale rol. Daardoor werkt het verleden door in ons huidige handelen en beïnvloedt het onze keuzen. Wij worden daardoor geïnspireerd door het verleden en wat er achter ons ligt, werkt door in ons leven.
Samenvattend, met de representatie die je hier en nu, in het heden maakt van het verleden, maak je het afwezige verleden weer present (als de representatie ervan) waardoor die representatie een brug kan slaan tussen het verleden, het heden waarin je nu leeft en de toekomst waaraan je vorm wilt geven’, pag. 121.
Het standpunt van de historicus en de tijd waarin hij leeft, is daarin bepalend: ‘gebeurtenissen zijn pas onderdeel van een ‘historische realiteit’ wanneer we ontdekten, besloten of concludeerden dat we nu in een latere tijd leven’, pag. 373 – 374.


Verder gaat het in deze bundel over de democratische vertegenwoordiging van het volk en de beperkingen daarvan. Ook de volksvertegenwoordiging en de onderlinge verhoudingen binnen de EU komen ter sprake. Ondanks de nodige bedenkingen – Ankersmit is niet te spreken over de invoering van de euro – vindt hij de EU waardevol: ‘Europa is mijn continent, het is mij ontzaglijk dierbaar’, pag. 195.
Kritisch is Ankersmit over wat hij ‘refeodalisatie van het publieke domein’. Hij bedoelt  daarmee de privatisering waarbij de centrale overheid taken delegeert naar lagere overheden en andere instanties. Ankersmit ziet daarin een terugkeer naar het vroegere feodale systeem waarin het publieke domein versplintert. De overheid raakt haar verantwoordelijkheden kwijt.


Een boeiende maar niet altijd gemakkelijke bundel. De vragen zijn helder en zinnig, die geven goed richting aan de gesprekken.


ISBN 9789492538161 | Other formats | 416 pagina's | ISVW uitgevers | maart 2018

© Evert van der Veen, 13 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Rivierenland
Nederland van Aa tot Waal
Sunny Jansen en Martin van Lokven


‘Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan’


Die woorden van Hendrik Marsman speelden in mijn gedachten bij het lezen van dit boek en ze staan bovenaan pagina 308. Het rivierenlandschap is het thema van dit mooi uitgegeven boek: dit water is onze vriend én vijand geweest door de eeuwen heen. Wat is een rivier? ‘Een waterstroom van een zekere omvang, die op een natuurlijke wijze is ontstaan’, pag. 31.


Het boek is chronologisch opgezet en daarbinnen wordt tal van thema’s aangesneden zoals bruggen, dijken, sluizen, watersnoden, scheepvaart, natuur. Het eerste hoofdstuk vertelt over de grote ramp van 1809 toen kruiend ijs dijkdoorbraken veroorzaakte. Opvallend is de sterke persoonlijke betrokkenheid van koning Lodewijk Napeleon (broer van…) bij de gevolgen van deze gebeurtenis en zijn inzet voor de slachtoffers.


Een Romeinse geschiedschrijver vroeg zich al verwonderd of hoe er mensen in ons land konden wonen: ‘Er woont daar een armzalig volk op hoge terpen en eigenhandig gebouwde stellages, zodat hun huizen uitsteken boven de hoogst bekende waterstanden. Wanneer de golven het omringende land overspoelen, lijken de bewoners op zeelieden, maar als het water is geweken lijken ze op schipbreukelingen’, pag. 21.
Daarom werd al in 1255 het eerste waterschap opgericht maar het duurde tot 1798 voor het ministerie van waterstaat werd ingesteld. Uit het boek blijkt dat daarmee het gevaar niet was bezworen want de meningen over het bedwingen van het water hebben altijd fors uiteengelopen. De één vond ‘zijwaartse afleidingen’ (wat tegenwoordig ‘ruimte voor de rivier’ heet) de beste oplossing maar anderen pleitten voor ‘normalisatie’ van de rivier waarbij bochten worden rechtgetrokken met een snellere doorstroming als gevolg.
De watersnood in Zeeland in 1953 bracht de veiligheid van mensen, het onderhoud en de verbetering van dijken weer echt onder de aandacht met de stormvloedkering (Algerakering) in de Hollandsche IJssel als praktisch resultaat.


De natuur krijgt uiteraard ruime aandacht in dit boek en daarom wordt er ook ingegaan op de toenemende vervuiling in de vorige eeuw die al in 1909 leidde tot de oprichting van de eerste milieuorganisatie in ons land. Het duurde overigens tot 1986 voordat de Rijnministers tot gezamenlijke afspraken kwamen om daadwerkelijke maatregelen te nemen. De Rijn was toen op sterven na dood. In diezelfde tijd was er ook meer oog voor de oorspronkelijke landschappen en natuurwaarden in het rivierengebied. Dit had nieuwe natuur als de Millingerwaard tot gevolg. ‘Gericht nietsdoen’ is de aanpak in de woorden van een medewerker die verantwoordelijk is voor het landschappelijk beheer.


Recente dreigende overstromingen in 1993 en 1995 waren de aanleiding tot het Deltaplan Grote Rivieren dat als doel heeft om Nederland ‘rivierwaterproof’ te maken. Een indrukwekkend onderdeel van dit plan is de recent aangelegde nevengeul van de IJssel bij Veessen/Wapenveld.

Andere aspecten die aandacht krijgen: watermolens, verdedigingswerken (Hollandse Waterlinie) en buitenhuizen aan de Vecht. Uniek voor Nederland zijn de aquaducten. Typische rivierindustrie zijn de vele, voormalige steenovenfabrieken waar bakstenen werden gemaakt voor de woningbouw.


Veel mooi afgedrukte citaten van o.a. dichters, schrijvers en historici verlevendigen de zeer toegankelijk geschreven tekst. Jac. Thijsse die het boek ‘Onze groote rivieren’ schreef, wordt meerdere malen geciteerd.

Dit waardevolle en zeer toegankelijke boek is uitgegeven in een aansprekende lay-out met vele sfeervolle foto’s.


‘De rivier als verbinding en barrière, als levensader en bedreiger, maar ook als ziel van het landschap. Feit is dat de rivieren bepalen hoe Nederland eruitziet en hoe we er kunnen leven. Dat was vroeger zo en dat is nu het geval. Rivieren zijn de stromende kracht achter het Nederlandse landschap. Het water in de rivieren is continu in beweging en het land eromheen beweegt mee. Net als de mens.
Dat is Nederland Rivierenland’, pag. 334.


Met die woorden eindigt dit typisch Nederlandse boek dat voor iedere Nederlander – en zeker degene die in het rivierengebied wonen – is bestemd.


ISBN 9789460038204 | Paperback | 351 pagina's | Uitgeverij Balans | mei 2018

© Evert van der Veen, 21 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waar was ik toen ik er niet was?
Een filosofie van persoon en identiteit
Monica Meijsing


Het boek begint heel persoonlijk: de auteur vertelt dat zij drie uur onder narcose lag tijdens een operatie en zich naderhand afvroeg: Waar ben je als je onder narcose bent? Lig je gewoon op de operatietafel, tijdelijk buiten bewustzijn, of is de 'echte' persoon die je bent daar helemaal niet bij?
Vanuit deze casus gaat de auteur, docent filosofie aan de universiteit van Tilburg, in dit boek op zoek naar een antwoord op de vraag wie de mens uiteindelijk is en wat de mens nu werkelijk tot mens maakt.


Tijdens haar zoektocht staat zij stil bij Descartes in wie er ‘een wending naar het subject’ plaatsvond. Sindsdien staat de denkende mens – cogito ergo sum – voor het eerst in de geschiedenis zélf centraal en is niet langer de wereld het uitgangspunt voor de filosofie.
Bij de filosoof John Locke gaat die ontwikkeling verder want hij stelt dat de persoon wordt gevormd door zijn eigen bewustzijn: ‘wij bestaan zover als het bewustzijn reikt’, pag. 41.
Freud gaat nog een stapje verder en wijst ons op het onbewuste in onszelf.
Tegenwoordig is ons lichaam vaak niet meer het uitgangspunt maar gaan we uit van onze hersenen. Denk aan het boek van Dick Swaab ‘Wij zijn ons brein’ dat de visie typeert die momenteel veel ingang vindt.


Monica Meijsing weegt een en ander, ziet waardevolle elementen maar ook tekorten en concludeert:


‘Als we niet in essentie een immateriële res cogitans (denkende substantie) zijn, maar een lichamelijk, ruimtelijk wezen, dan was ik er wel tijdens mijn operatie. Mijn mentale aspect was even niet erg aanwezig; de meeste van mijn lichamelijke vermogens waren bovendien ook uitgeschakeld. Maar dat wil niet zeggen dat ik er helemaal niet was. Ik heb toen een operatie ondergaan, niet iemand anders of helemaal anders of helemaal niemand. Er zit een gat in mijn geheugen van die tijdspanne, en een gat in mijn bewustzijn, maar niet een gat in mijn bestaan’, pag. 86.


Meijsing ziet de mens als een levend organisme met (zelf)bewustzijn. Dat maakt ons nog niet tot een persoon, dat worden we pas wanneer we deel uitmaken van de menselijke gemeenschap en relaties met andere personen aangeven, ons voelen opgenomen in onze sociale omgeving.

Het boek eindigt even persoonlijk als het begint:


‘In mijn visie is persoon-zijn altijd een kwestie van ‘tweede persoon’ zijn. Het is het tweedepersoonsperspectief dat ons tot personen maakt; het zijn andere personen die ons opvoeden voor toetreding tot een gemeenschap en die ons daadwerkelijk opnemen in een gemeenschap van personen. Het is in deze context van aansprakelijkheid en aanspreekbaarheid, van verantwoording afleggen tegenover anderen en tegelijkertijd verantwoordelijk zijn voor anderen, dat personen bestaan. Iemand spreekt je aan; je kijkt op van wat je aan het doen was en zegt: ‘Hier ben ik’, pag. 245.


Tussen dit mooie slot en het persoonlijk begin voltrekt zich een filosofische zoektocht die van de lezer enig geduld en innerlijke aandacht vraagt.
De schrijfstijl is niet zo gemakkelijk en dat komt de toegankelijkheid van het waardevolle thema niet ten goede.


ISBN 9789460043680| Paperback | 288 pagina's | Vantilt | maart 2018

© Evert van der Veen, 6 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Droef gemoed
Nels Fahner in gesprek met Antoine Bodar over depressie
Nels Fahner/Antoine Bodar


Auteur Nels Fahner voerde een aantal diepgaande gesprekken met Antoine Bodar en stelde aan de hand daarvan dit boekje samen. De vanuit de media bekende priester is in dit boekje buitengewoon openhartig. Met name over zijn depressieve karakter maar ook zijn homosexualiteit komt ter sprake.
Bodar vertelt dat hij twee keer in een ernstige depressie heeft verkeerd maar heeft een voorkeur voor het woord melancholie: heimwee naar iets dat onze wereld overstijgt: ‘een diep verlangen naar de eeuwigheid’, pag. 25. Indertijd heeft hij over zijn persoonlijke ervaringen in het Katholiek Nieuwsblad geschreven. Bodar onderkent dat hij een ‘aanleg tot zwaarmoedigheid’ (pag. 14) heeft en ervaart als kern daarvan ‘een gevoel van overbodigheid op deze wereld’ (pag. 15).


De toon in het boekje is openhartig, persoonlijk en kwetsbaar. Bodar vertelt dat hij op 21-jarige leeftijd een suïcidepoging heeft ondernomen tijdens zijn eerste depressie. Later kwam dat niet in hem op omdat hij zich toen niet door God verlaten voelde. Zijn godsvertrouwen gaf en geeft hem steun.
Ook voelde hij zich maatschappelijk verantwoordelijk en dat typeert deze gevoelige man: je hebt als bekende priester een voorbeeldfunctie tegenover andere mensen. Veel van wat hij zegt, is voor anderen met depressieve gevoelens herkenbaar, zoals de neiging om dit verborgen te houden. Mensen reageren niet altijd even tactvol en dat remt af om ermee naar buiten te treden. Belangrijk is volgens Bodar dat je jezelf als depressief mens accepteert.


Bodar refereert aan de profeet Elia uit de bijbel die onder een bremstruik in de woestijn uitroept: ‘het is genoeg’. Een verhaal dat herkenning oproept. Ook de ijdelheid (= de vraag naar de zin van ons bestaan) die in het boek Prediker een centrale rol speelt, spreekt Bodar aan: ‘Waarom leef ik? Ben ik hier niet voor niets? Ik heb een diep verlangen naar dat wat groter is dan ikzelf ben’, pag. 41.


Bodar vindt troost in vriendschap, literatuur, (religieuze) muziek en de Latijnse liturgie van de Rooms-Katholieke kerk. Niet iedereen zal hem dat op dezelfde manier beleven. Voor menigeen is dit cultureel te hoog gegrepen maar de essentie zal toch hetzelfde zijn: iets vinden dat je hart raakt, je gevoelens vertolkt. Die geborgenheid en herkenning doen een mens goed.


Een fijnzinnig boekje dat gelijkgestemden – die zich in Bodar herkennen – een hart onder de riem kan steken.


ISBN 9789021144955 | Paperback | 80 pagina's | Uitgeverij Meinema | januari 2018

© Evert van der Veen, 29 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Veel valse hoop
De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945
Katja Happe

Het is beklemmend om te lezen hoe Katja Happe de ondergang van het Joodse bevolkingsdeel tijdens de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Eerst werden Joden van hun rechten beroofd, vervolgens geïsoleerd van de rest van de bevolking en geconcentreerd in vooral Amsterdam. Daarna beroofd van hun bezittingen en bij razzia’s opgepakt voor deportatie naar kamp Westerbork. Het sluitstuk was het transport naar een vernietigingskamp in Oost-Europa. Joden financierden hun eigen ondergang, want de kosten werden bestreden met het geld dat de Duitse bezetter in beslag nam.


Het boek is niet alleen beklemmend, het is ook beschamend. Eerst is er het demonische, volstrekt gevoelloze plan van de bezetter om alle Joden om te brengen. Vervolgens is er het wegkijken van een groot deel van de Nederlandse bevolking en tot slot het negeren van de Holocaust door de uitgeweken regering in Londen. De Nederlandse regering weigerde zelfs om de verzendkosten te betalen van voedselpakketten voor Joden die gevangen zaten in kampen over heel Europa. Koningin Wilhelmina heeft in de vijf bezettingsjaren slechts één keer verwezen naar het drama dat zich over het Joodse bevolkingsdeel voltrok. De regering was in Londen uitstekend geïnformeerd, maar nam het standpunt in dat iedereen leed onder de bezetting en dat er daarom niet een bepaalde groep recht had op specifieke zorg. Prioriteit was het winnen van de oorlog; dan zou de vervolging van Joden ook stoppen.


Achteraf is het natuurlijk makkelijk oordelen. Maar toch verbaas je je als lezer over het zwakke beoordelingsvermogen van mensen die geroepen waren om leiding te geven. Er waren genoeg feiten, inlichtingen en waarschuwingen van mensen die kennis van zaken hadden. Het werd allemaal genegeerd. Het protest van de regering in Londen had veel feller moeten zijn.


Wat Katja Happe over de Joodse Raad schrijft, is ook al zo schrijnend. De Joodse Raad vertegenwoordigde het Joodse bevolkingsdeel en werkte vrijwillig met de Duitsers samen ‘om erger te voorkomen’. Een veelgehoord argument: ‘om erger te voorkomen’, blijf ik maar op mijn post of werk ik mee aan een compromis, want het alternatief is nog erger. In de praktijk voorkom je die erge situatie meestal niet en word je zelf ook nog gecorrumpeerd. In feite zijn dit type mensen de ‘nuttige idioten’ waar Lenin al over sprak tijdens de revolutie van 1917 in Rusland: ze werken mee aan hun eigen ondergang.


Joden in Nederland zaten in de val. Wanhopig probeerden ze aan die val te ontsnappen, maar elke uitweg werd geblokkeerd. Hun hoop om te overleven, bleek ‘valse hoop’, zoals de titel van dit boek treffend aangeeft.


Het zal voor Happe niet gemakkelijk zijn geweest om dit boek te schrijven. Zij heeft de Duitse nationaliteit en ik las ergens dat haar grootvader bij de SS heeft gediend. Als dit klopt, is er dus ook nog sprake van grote persoonlijke betrokkenheid bij dit drama. Happe heeft zich echter voortreffelijk van haar taak gekweten. Ze schreef een imposant en indringend boek. Van grote waarde is ook dat zij verbindingen legt met de instanties in Berlijn die opdrachten gaven aan de bezettende macht. Tevens laat zij zien welke internationale instanties zich inspanden om Joden in Nederland te helpen – meestal tevergeefs. Wat eveneens een sterk punt is in dit boek is dat Happe de grote lijn verbindt met de lotgevallen van individuele Joden. Ze put regelmatig uit nagelaten dagboeken en brieven.


Na de oorlog keren overlevende Joden terug. Hun bezit was weg, hun woning waren ze kwijt. Daarbovenop kregen ze een kille ontvangst. Veel Nederlanders vonden dat ze het zelf ook zwaar hadden gehad. De regering bood geen hulp. Niemand sprak nog over een ‘holocaust’. Het voorstellingsvermogen dat bewust en planmatig Joden waren vermoord schoot gewoon te kort.


Zeker was er het verzet dat zich ook voor ondergedoken Joden heeft ingezet. Ook laat Happe zien dat de kerken ferm en veel hebben geprotesteerd bij de bezetter. De keerzijde is echter weer dat de kerken vooral opkwamen voor gedoopte joden. Joden dus, die christen waren geworden. Alle aspecten tegen elkaar afwegend, is toch de conclusie dat de hulpverlening aan en het meeleven met Joden tekort is geschoten. Dit boek laat zien in wat voor een ontzaglijke angst Joden hebben geleefd. Ze voelden zich door iedereen in de steek gelaten, opgedreven als gespuis, op weg naar een onzekere bestemming, ergens in het Oosten, met de dood voor ogen.


Happe schreef een boek met nieuwe gegevens over de ondergang van Joden in Nederland. Ze onthoudt zich van een emotionele toon. Nauwkeurig en zakelijk brengt ze de gang van zaken in kaart. Het beeld dat zij geeft wordt gevormd door gewetenloze harteloosheid van de kant van de Duitsers, een gebrek aan compassie bij een groot deel van de bevolking, een zwak beoordelingsvermogen van de overheid en internationale onverschilligheid voor wat in Nederland gebeurde. Zo kon de Holocaust gebeuren, ook in Nederland. 75% van de Joden kwam om. Het hoogste percentage in Europa.


Katja Happe studeerde in Groningen en Siegen. Sinds 2001 werkt zij als geassocieerd onderzoeker bij het NIOD.


Zie ook de uitzending van VPRO Boeken (29 april 2018) met Katja Happe over dit boek


ISBN 9789045035888 | Hardcover | 512 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | april 2018

© Henk Hofman, 25 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Angst en vrijheid
Hoe de Tweede Wereldoorlog ons voorgoed veranderde
Keith Lowe


Jongeren vinden de Tweede Wereldoorlog ‘lang geleden’ en dat is vanuit hun perspectief ook wel begrijpelijk. Voor hen is het echt geschiedenis die zich vér voor hun tijd afspeelde maar meer invloed heeft dan wij ons vaak bewust zijn. Over de wereldwijde, actuele doorwerking van WO II gaat dit boek en ik ben ervan onder de indruk geraakt hoe alles- en iedereen omvattend die invloed is.

De titel van het boek speelt voortdurend een rol in de verhalen van mensen en de politieke gebeurtenissen: er is de drang en het verlangen naar vrijheid en tegelijk de angst dat deze vrijheid door anderen wordt bedreigd, reden waarom men die vrijheid permanent moet/wil verdedigen. Daarom werd in 1947 de World Federalist Movement opgericht, de voorloper van de Verenigde Naties. In een manifest werd deze organisatie gemotiveerd: ‘De mensheid kan zichzelf alleen voor altijd van oorlog vrijwaren als ze een federale wereldregering opricht’, pag. 227.


De schrijver is in staat tot scherpe observaties en weet dat regelmatig mooi te verwoorden zoals bv. de leidende gedachte achter de oprichting van de Verenigde Naties: ‘De ‘ene wereld’ die we in 1945 hebben gekozen, heeft de machtconfiguraties van het einde van de Tweede Wereldoorlog op sterk water gezet en geconserveerd’, pag. 235.


25 Persoonlijke verhalen van mensen uit uiteenlopende landen geven dit boek een bijzonder karakter en brengen het grote verhaal van de oorlog dichterbij vanuit verschillende perspectieven. Zo worden ‘mythologische, filosofische en psychologische effecten van de oorlog’, pag. 18, goed zichtbaar gemaakt.
Prachtig is de schets van de atoomgeleerde Rabinowitch die zijn diepe zorg uit over datgene waarbij hij betrokken was: de ontwikkeling van het kernwapen waarin de mens in staat was om ‘de basiskracht van het heelal te temmen’, aldus president Truman van de VS, pag. 109.
Indrukwekkend is het ook het levensverhaal van Andrej Sacharov die betrokken was bij de ontwikkeling van de waterstofbom in de USSR.


Vrijheid is een gevleugeld begrip na het einde van de oorlog: nieuwe hoop, een droom die uitkomt, de gedachte van een betere wereld. De geallieerden waren de vrijheidsstrijders voor ‘de goede oorlog’ geweest en al hadden zij zich niet in alle opzichten perfect gedragen – ook daar is aandacht voor in dit boek – toch werden zij als helden vereerd.
De oorlog werd een ijkpunt van vrijheid en ieder land dat het bestaan van anderen bedreigde met als gevolg de Koude Oorlog: de communisten vormden het nieuwe gevaar dat moest worden bestreden. De zgn. Truman-doctrine verwoordt dit duidelijk:

Het beleid van de Verenigde Staten moet in mijn ogen zijn dat we steun verlenen aan de vrije volkeren die zich verzetten tegen pogingen van onderwerping door gewapende minderheden of door krachten van buitenaf…. De vrije volkeren van de wereld zoeken onze hulp bij het behoud van hun vrijheden. Als wij aarzelen in ons leiderschap, brengen we misschien wel de wereldvrede in gevaar’, pag. 283.


Het boek legt de vinger op tal van gevoelige plekken zoals de beeldvorming van het gedrag van Duitsers in de oorlog: ‘het waren geen monsters maar gewone mensen die toezicht hielden op de Holocaust, die krijgsgevangenen doodschoten, die zich verkrachtend en moordend een weg door Europa baanden’, pag. 66 – 67. Het is bedreigender wanneer het mensen als wij gaat die aanhangers van het nazisme waren.
Ook wordt duidelijk gemaakt dat er pas in de zestiger jaren van de vorige eeuw aandacht kwam voor het leed van het Joodse volk waarbij de nazi’s werden gedemoniseerd en de Joden werden geïdealiseerd. De Holocaust werd de ‘ultieme misdaad van de 20e eeuw’, pag. 86.

De oorlog heeft tal van invloeden waar wij vaak niet bij stilstaan zoals de gebombardeerde steden die opnieuw moesten worden opgebouwd maar ook een kans boden op stedenbouwkundige en architectonische vernieuwing. 
Vrouwen die in de oorlog aan het verzet hadden deelgenomen of in wapenfabrieken hadden gewerkt, werden zich bewust van hun positie en eisten gelijke rechten op de arbeidsmarkt.


Er werd tijdens de oorlog veel geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe wapens en dat bevorderde de technische ontwikkeling in het algemeen na de oorlog. De VS hebben veel aan de oorlog verdiend: ‘Tussen 1939 en 1945 was de Amerikaanse economie bijna verdubbeld in omvang en tegen het einde van de oorlog was het land verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de totale wereldproductie’, pag. 208.


Interessant is ook de tekening van het streven naar onafhankelijkheid van voormalige westerse koloniën in Azië met Indonesië, Vietnam, Korea en India als enkele voorbeelden van de conflictueuze en gewelddadige wijze waarop dit proces verliep. Ook hier leidde de oorlog en het einde daarvan tot een bewustwording waarin de drang naar vrijheid niet meer viel te keren. Datzelfde geldt voor Afrika en Zuid-Amerika, waar Venezuela tot symbool van dekolonalisatie is geworden met een militaire dictatuur als gevolg die de vrees voor het communisme weer voedde.


De vluchtelingenstroom na 1945 is ook een direct gevolg van het einde van de Tweede Wereldoorlog. In vele landen vonden etnische zuiveringen plaats en werden mensen over de grens gedreven. De auteur legt uit dat angst hier een diepere, leidende rol speelt: men was bang voor bv. Duitse minderheden in niet-Duitse landen en men maakte daar hardhandig een einde aan.
Interessant is de lijn die er naar onze tijd wordt getrokken nu er weer sprake is van angst voor de andere, islamitische cultuur die het westen bedreigt.De oorlog heeft krachten ontketend die onze wereld in 1945 hebben veranderd en die tot op de dag van vandaag nog steeds van invloed zijn op onze manier van leven’, pag. 506.

Boeiend is de beschrijving van de wijze waarop de staat Israel tot stand komt en zich door de jaren heen staande houdt in diverse oorlogen. Indrukwekkend is hier het verhaal van Aharon Appelfeld die iets zegt dat dit boek typeert: ‘het leven is een permanente oorlog’, pag. 392. Hij doelt daarmee op zijn levensverhaal maar het geldt voor de mondiale geschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog die bol staat van gewapende conflicten waarbij miljoenen slachtoffers vallen.
Ook hier is de Holocaust het ijkpunt en wel in tweevoudige zin: Israël beroept zich hierop wanneer het wijst op de dreiging van omringende, Arabische landen én het ligt gevoelig om oorlogsmisdaden van de staat Israel aan de kaak te stellen.


In de epiloog wordt een samenvattende terugblik gegeven op de inhoud van dit boek dat thematisch is opgezet rond thema’s als ‘Mythen en legenden’, ‘Utopia’s’, ‘Één wereld’. De schrijver heeft ‘de relatie tussen het mondiale, het nationale en het persoonlijke’, pag. 513, tot het belangrijkste thema van zijn boek gemaakt en daar is hij uitstekend in geslaagd. Dit boek verdient een breed lezerspubliek en helpt ons om onze geschiedenis en onszelf te begrijpen.


ISBN 9789460036248 | Paperback | 551 pagina's | Uitgeverij Balans | januari 2018

© Evert van der Veen, 23 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Geloven op de tast
Als geloof en ongeloof elkaar ontmoeten
Anselm Grün en Tomás Halík


‘In dit boek stellen we dat het ongeloof in meerdere opzichten een zuiverende betekenis kan hebben voor het geloof; juist mensen die zich als gelovigen voordoen en met zekerheden om zich heen slaan alsof het wapens zijn, kunnen diep in hun hart worstelen met scepsis, voorzichtigheid, terughoudendheid en schroom ten opzichte van het geloof’, pag. 9.


De beide auteurs zijn in verschillende omstandigheden opgegroeid en dat blijkt ook voortdurend uit hun levensverhaal waaruit blijkt dat zij allebei een religieus proces hebben doorgemaakt. Tegelijk denken zij in veel opzichten ook min of mee hetzelfde al heeft Halík wellicht een nog opener blik voor de hedendaagse samenleving hetgeen niet impliceert dat dit bij Grün níet zou opgaan.  Beiden willen graag ‘de schoonheid van het geloof’ uitdragen, pag. 9. De inzet van het boek is een tekst van Nietzsche. Zijn atheïsme (afwezigheid van geloof in een of meer goden) is een afwijzing van een bepaald theïsme (aanwezigheid van geloof in een of meer goden). De auteurs beschouwen geloof echter niet als ideologie maar als een levensweg om te gaan.
Ieder hoofdstuk heeft een korte tekst als uitgangspunt waarin wordt de ‘probleemstelling’ wordt geformuleerd waar beide auteurs vervolgens op reageren.


In het eerste hoofdstuk wordt het bestaan van God niet duidelijk gedefinieerd en dat lijkt mij een gemiste kans. Het was goed geweest om hier uit te leggen dat God op een andere manier ‘bestaat’ dan de dingen om ons heen. Ik denk dat Grün en Halík hier wel van uitgaan maar het wordt niet expliciet benoemd. Beiden gaan op respectvolle wijze met atheïsten in gesprek en vinden hun bedenkingen t.a.v. religie herkenbaar.


Halík ziet ‘christendom als de godsdienst van de paradoxen’, pag. 35. Hij is in zijn visie wat meer polemisch (strijd uitlokkend) dan Grün die wat harmonischer is ingesteld. Halík constateert: ‘Het is de kerken niet gelukt religieuze begrippen te vertalen in de gewone taal van mensen die geen contact hebben met het kerkelijke milieu’, pag. 55. Hij beschouwt het atheïsme vanuit een Oost-Europese context en die blijkt toch wel anders te zijn dan de westerse. Het is interessant om dit naast elkaar te zien in dit boek.


Zinvol is zijn opmerking: ‘De hoofdvijand van het christelijk geloof is dus niet het atheïsme – in de zin van de afwijzing van bepaalde religieuze voorstellingen en theorieën – maar het bijgeloof, de idolatrie, de afgodendienst, die het bijbelse geloof altijd al afgewezen heeft als een lastering, als zonde tegen het geloof’, pag. 65. Hier heeft hij een lastig punt want dit bijgeloof etc. is voor gelovigen confronterender omdat iedereen hier persoonlijk mee te maken heeft.


Deze opmerking snijdt meer hout dan die Grün die meent te weten: ‘Maar de belangrijkste reden waarom militante atheïsten zo tekeergaan tegen gelovigen is hun eigen onzekerheid’, pag. 73. Dan zijn gelovigen snel van hen af en hoef je naar hun kritische vragen – die dikwijls ook de onze zijn – niet meer te luisteren. Wijzer is daarom rabbi Levi Jitschak, ook geciteerd door Grün, die zijn zoon niet van Gods bestaan kan overtuigen en zegt: ‘bedenk dat het misschien toch waar is’, pag. 74.


Ook Grün pleit voor een open houding waarin mensen op zoek gaan naar God. Atheïsten bepalen ons – voor zover dat nodig mocht zijn – bij het lijden en de tekorten in het leven van waaruit God tot een vraag wordt. Grün zoekt God in de diepste van de ziel, pag. 120, wil Hem niet duiden maar houdt de ‘ervaring van het onbeschrijflijke’ open, pag. 129.


Halík kiest tegenover het ‘hebben’ in het leven voor het ‘zijn’ en wil uit de diepte van de liefde leven. Daarmee treedt hij in de voetsporen van Paul Tillich die zei: ‘Wie weet heeft van de diepte, heeft weet van God’, pag. 103.


In de epiloog komt Paulus’ toespraak op de Areopagus in Athene ter sprake. Hier worden actuele gesprekspunten aangereikt en ons verbinden met wat Paulus toen zag aan religiositeit en zoeken naar zin.
In de vragen die aan het slot worden gesteld, blijken opnieuw de grote overeenkomsten tussen Grün en Halík.


Een zinvol boek met mooie inzichten van twee markante hedendaagse theologen waarin hedendaagse vragen open en verdiepend worden besproken.


ISBN 9789021144931 | Paperback | 192 pagina's | Uitgeverij Meinema Utrecht | november 2017

© Evert van der Veen, 22 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het einde voor beginners
Een moeder, een dochter en de droom van een gelukkig afscheid
Chazia Mourali


De schrijfster, journaliste en tv-persoonlijkheid, vertelt het verhaal van haar moeder die gedurende vijftien jaar aan kanker lijdt. Lange tijd gaat dit goed maar wanneer er uitzaaiingen worden geconstateerd, is er geen behandeling meer mogelijk en blijkt haar levenstijd beperkt te zijn; er wordt gesproken over acht maanden. Dit heeft een enorme impact: Chazia is van slag en het gesprek met de huisarts is onbevredigend. ‘En zo begonnen we vol angst en goede moed aan het laatste hoofdstuk van mama’s leven. Zo veranderden we elk, zo veranderde alles’, pag. 30.


Het boek heeft een pakkende opening: het bericht dat het niet goed gaat met haar moeder en dat terminaal is. Zij maakt haar kleindochter nog mee: ‘Onze drie vrouwelijke levens waren met elkaar vervlochten in een eenheid, waarin avontuur en rust mooi in evenwicht waren’, pag. 16.
De schrijfster kan menselijke gevoelens en situaties krachtig verwoorden. Zo beschrijft ze de sfeer in de hal van het ziekenhuis als: ‘Niets klinkt onheilspellender dan het geluid van gesmoorde emoties’, pag. 39.


In het boek komt sterk het onbegrip van behandelende artsen naar voren en de groeiende emotionele afstand tot haar moeder. De ziekte legt namelijk steeds meer beslag op haar lichaam en geest waardoor een proces van vervreemding intreedt dat pijn doet.
De overgang naar een Joods hospice is weldadig: het menselijk begrip, de behandeling en de sfeer doen goed: ‘We doen niet aan stervensbegeleiding, wij doen aan levensondersteuning’ zo wordt in een gesprek naar voren gebracht, pag. 79. Het einde is mooi, met het ritueel van ziekenzalving.


Het boek is mede geschreven om de maatschappelijke en politieke dimensies van een dergelijke situatie naar voren te brengen in de hoop dat mensen ervan leren en er beter mee omgaan: ‘de menselijke ervaring in de laatste levensfase is veel ingrijpender dan alleen het hebben van een ziek lichaam’, pag. 121. Ze concludeert dan ook dat de pijn mede schuilt in de wijze waarop medici met haar moeder zijn omgegaan.


23 inzichten die de schrijfster heeft verworven, wil zij graag doorgeven waaronder:
- word je bewust van het slechte nieuws omtrent je ziekte
- zoek een medische begeleider een levenseindecoach
- de laatste levensfase is méér dan de behandeling; maak een prioriteitenlijst
- organiseer een ritueel, dat schept verbondenheid
- durf ‘uit te burgeren’ (Dick Swaab)
Voor deze en andere aandachtspunten vraagt zij aandacht, in de hoop dat er andere manier van omgaan met mensen die ongeneeslijk ziek zijn.
Zij pleit voor een integrale levensondersteuning waarbij de soms overspannen verwachting van de behandeling en te lang doorbehandelen plaatsmaken voor een realistische houding waarin de ziekte wordt aanvaard.


Ziekte is ‘total pain’, een term die de auteur ontleent aan Cecily Saunders, Brits maatschappelijk werkster in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Total pain staat voor: ‘de constante pijn die de ziekte veroorzaakt en die niet alleen lichamelijk is, maar tegelijk een lijden van de ziel is, een emotionele pijn, een relationele pijn een een existentiële pijn’, pag. 224.


Een belangrijk boek over de impact van kanker, de helaas nog onvolkomen wijze waarop – sommige – artsen daar mee omgaan. Tegelijk een leerzaam appel om hier zo goed mogelijk mee om te gaan.


ISBN 9789000350353 | Paperback | 239 pagina's | Uitgeverij Spectrum | mei 2018

Evert van der Veen, 16 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Cine zoologie
Hoe film de Antwerpse dierentuin heeft gered
Leen Engelen & Roel vande Winkel


Toen Jan Frans Loos, toen nog schepen, later burgemeester van Antwerpen,  een bezoek bracht aan Artis, wist hij het meteen: zo’n park moest er in Antwerpen ook komen! En hij stichtte de Societé de zoologie d’Anvers, waar mensen lid van konden worden. Zij leverden een geldelijke bijdrage, deels in de vorm van lidmaatschapsgeld, voor het project dat van de grond kwam op de plek waar toen het station Antwerpen-Oost was.


In 1848 werd met museum (musée de zoologie) ingehuldigd. Er waren opgezette dieren te zien, schelpen, skeletten en ook enkele levende dieren. Naast de Zoo werd een feestzaal gebouwd – de huidige Koningin Astridzaal, waar muziekvoorstellingen waren, lezingen werden gehouden en ruimte was voor andere evenementen.


Bijna zeventig jaar oud was het museum toen de Groote Oorlog uitbrak. Er waren intussen zo’n 9.000 leden, en die konden komen kijken naar ongeveer 10.000 dieren op een grondgebied van tien hectare. Er was een Egyptische tempel te bewonderen waar de Afrikaanse dieren woonden, een aquarium, een Moorse tempel voor struisvogels en een Roofdierenpaleis. Het was een dierentuin voor mensen die geld hadden, de gewone arbeider kon het niet bekostigen! Buiten het Musée was Antwerpen flink veranderd: het Musée lag nu in het centrum van de stad, naast het nieuwgebouwde station Antwerpen-Centraal. De Statieplaats – nu Koningin Astridplein – bood winkels, feestzalen, eet- en drinkgelegenheden.


De bezetting veranderde alles: voor de bevolking ontstond er een groot tekort aan voedsel en gebruiksvoorwerpen. En ook de dieren hadden nauwelijks te eten. Vele stierven of werden opgegeten. Aangezien een bezoek aan de dierentuin of de feestzaal een luxe artikel was, kwamen er steeds minder bezoekers. Er moest iets gebeuren, wilde men de dierentuin behouden.  En dat werd de bioscoop: Cinéma Zoologie. De eerste film werd op 16 oktober 1915 vertoond.
De bioscoop maakte vele ontwikkelingen door: aanvankelijk was er live muziek, in 1927 kwamen er ook gesproken films. Avondvullende programma’s werden geboden, met verschillende muziekstukken, documentaires en films.


Wie Antwerpen kent weet dat de bioscoop er nu niet meer is. Die is eind jaren dertig failliet gegaan. Te veel concurrentie en het was crisistijd. De locatie en de zaal zijn verbouwd en doen nog wel dienst. Intussen was de dierentuin weer op orde gekomen, en die bevindt zich nog op dezelfde plek.


Vanaf deze week is er in dezelfde Zoo een tentoonstelling te zien, ter gelegenheid van de 175ste verjaardag van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen.


Leen Engelen en Roel Vande Winkel zijn filmhistorici verbonden aan de KU Leuven. Zij hebben een gedegen onderzoek verricht dat uitgewerkt werd tot dit fraaie boekje. Het is voorzien van mooie afbeeldingen van de filmposters en programmaboekjes uit die tijd. Je kan ze ook bekijken op http://www.expocinezoologie.be Hun verhaal is behalve een kijkje in de geschiedenis van de dierentuin een filmhistorisch document, met informatie over de overgang van stomme naar gesproken films, waarin het aloude probleem van België: ‘Frans of Nederlands? ‘ eveneens aan bod komt.


Het is een boeiend verhaal geworden dat mooi geïllustreerd is met foto’s uit die tijd. Achterin vind je een verantwoording van die afbeeldingen, een bronnenlijst en een kort nawoord.


ISBN 9789082571271 | paperback met veel afbeeldingen| 102 pagina's | Letterwerk | juni 2018

© Marjo,  20 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Dudok
Annette Koenders en Arie den Dikken


Het is goed en ook terecht dat er aan deze belangrijke Nederlandse architect uit de 20e eeuw aandacht wordt besteed want hij heeft ons land veel karakteristieke en waardevolle gebouwen nagelaten.


Aardig in dit boek zijn de talrijke citaten uit brieven en tal van uitspraken van Dudok (1884-1974). Ze brengen deze architect als mens dichterbij en geven ons een mooi inkijkje in zijn persoonlijk leven, zijn gedachtegang bij de ontwikkeling van een project en zijn architectonische overwegingen bij de totstandkoming van gebouwen.
De visie van Dudok m.b.t. de uitbreiding van Hilversum klinkt mooi door in dit citaat: ‘Ik heb getracht die vraag op te lossen door het vraagstuk zoo groot mogelijk te bezien, d.w.z. als een geheel; de vraag was niet huisjes te bouwen, maar straten; meer dan dat: geheele dorpswijken’, pag. 42.


Dudok studeerde aan de Koninklijke Militaire Aacademie in Breda, viel toen al op door zijn talent voor tekenen en kreeg een militaire adviesfunctie voor de inrichting van kazernes. Hij ontwierp diverse gebouwen met een militaire functie zoals de Staf der Genie (1910) en het Tehuis voor Militairen in Den Helder (1911).
In 1913 verliet hij de militaire dienst en werd plaatsvervangend directeur van gemeentewerken in Leiden. Uit deze periode dateren de ontwerpen voor de HBS en Gemeenteschool in deze plaats. Van de laatste zijn diverse fraaie details afgebeeld zoals zuilen en beeldhouwwerk. Ook het ontwerp van het kantoor van het Leidsche Dagblad in Leiden is van Dudoks hand.


In 1915 kreeg hij de prestigieuze functie van gemeentearchitect in Hilversum. In die tijd stond de uitbreiding van de stad al op gespannen voet met de omringende natuur die gespaard moest blijven. Dudok hechtte waarde aan de openbare ruimte en aan groen in woonwijken en rond gebouwen waarbij het devies van de burgemeester van Hilversum zijn leidraad was: ‘de stedenbouwkundige architect moet optreden als criticus en veldheer tegelijkertijd. Hij tenslotte is het, die als allesbeheerschend leider de beslissingen moet nemen en uit den chaos van gegevens, adviezen en inzichten een doelmatig en schoon geheel te voorschijn moet brengen’, pag. 38 – 39.


Dudok was geen voorstander van hoogbouw maar later ontwierp hij wel lagere appartementen en enkele flatgebouwen in Amsterdam omdat hij deze daar vond passen.
Vele schoolgebouwen zijn door hem ontworpen en een groot aantal foto’s brengen die fraai in beeld, ook zien we daarop de voor hem zo karakteristieke details als zuilen, torentjes, ornamenten.
Het hoofdkantoor van hoogovens in Velsen heeft een prachtige spiltrap. Bekend en tot zijn icoon geworden is het raadhuis van Hilversum waarvoor hij al vanaf 1914 tekeningen heeft gemaakt maar dat pas in 1927 tot stand is gekomen. In het boek is een prachtige perspectieftekening in kleur opgenomen naast vele details.
Het monument op de Afsluitdijk, op de plaats waar de dijk gesloten werd, dateert van 1932 en heeft deze tekst ‘Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst’, pag. 115.
Verder ontwierp hij een T-vormig tankstation met een overstekend vlinderdak voor Esso waarvan toentertijd 112 exemplaren in het land hebben gestaan. In Groningen is er nog één in gebruik. Verder zijn er fraaie woonhuizen voor particulieren, sportvoorzieningen, een schouwburg in Utrecht en aula’s voor begraafplaatsen waarvan sfeervolle foto’s zijn opgenomen.
Voor zijn werk heeft hij vele onderscheidingen in binnen- en buitenland ontvangen.


Een prachtig boek met interessante foto’s van vroeger en een boeiende teksten met interessante citaten.


ISBN 9789066305564 | Hardcover | 176 pagina's | Uitgeverij W-books | oktober 2013

© Evert van der Veen, 15 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Hitlers Derde Rijk in 100 voorwerpen
De Materiële geschiedenis van Nazi-Duitsland
Roger Moorhouse


Dit is een heel origineel boek. Historicus Roger Moorhouse beschrijft de geschiedenis van Nazi-Duitsland aan de hand van 100 voorwerpen.


Het eerste hoofdstuk gaat over de schildersdoos van Hitler die hij in zijn jonge jaren gebruikte voor zijn schilderwerk: aquarellen en ansichtkaarten. Het laatste hoofdstuk gaat over de cyanide-ampul die Göring innam in zijn cel in Neurenberg. Daartussenin zijn in chronologische volgorde tientallen verrassende voorwerpen beschreven die een prima beeld geven van het Derde Rijk.


Een willekeurige greep uit de rijke inhoud: de snorborstel van Hitler; het Horst Wessellied; de SA-dolk; de Leica van fotograaf Henrich Hoffmann; de laarzen van de Wehrmacht; het moederkruis; Jerrycans; Pervitin; de onderbroek van Rudolf Hess; Jodenster; Ziklon-B blik. Veel voorwerpen beschrijven de indrukwekkende oorlogsmachinerie die Hitler had opgebouwd: Junkers Ju 52; de Messerschmitt Bf 109; het 88 mm-kanon; de steelhandgranaat; het Lugerpistool; de Tigertank.


Van sommige onderwerpen vraag je je af wat de link is met de geschiedenis van het Derde Rijk. Maar Moorhouse slaagt er steeds in om dat op een heel interessante manier duidelijk te maken. De snor van Hitler maakte deel uit van diens imago en werd daarom zorgvuldig door hem bijgehouden. Pervitin was een drug, nu bekend als ‘speed’, die Duitse soldaten de adrenaline gaf om de strijd desnoods drie dagen achtereen vol te houden. Hess droeg tijdens zijn vliegtocht naar Engeland in 1941 een lange onderbroek die door de Engelse geheime dienst zorgvuldig onderzocht werd op codes. De Jerrycan (Jerry: Britse spotnaam voor Duitsers) wordt tot op de dag van vandaag over de hele wereld gebruikt.


Er zit niet een thema bij dat volgens mij gemist had kunnen worden. Er zijn daarentegen vast en zeker nog andere thema’s te bedenken die een plek in dit boek waard waren geweest. Maar dan had het boek weer ingeleverd op zijn stevige structuur. Wat mij betreft, is dit een prima keuze.


Alle lof dus voor schrijver en uitgever. Het is een heel geslaagde poging om Hitler en zijn rijk te beschrijven vanuit een heel nieuwe invalshoek. Elk hoofdstuk is beknopt van omvang en van elk voorwerp zijn één of meerdere afbeeldingen opgenomen.


Terecht schrijft Richard Overy in zijn voorwoord: “Het Derde Rijk was zowel gewoon als ongewoon, zowel alledaags als boosaardig en dramatisch.” De twaalf jaar dat de nazi’s aan de macht waren, gooide de fundamenten van de Oude Wereld omver. Na 1945 was alles anders geworden: grenzen, politiek, economie, ethiek. Met verbazing kijken we terug op een periode waarin leiders en onderdanen een verderfelijke ideologie huldigden die uitliep op de verwoesting van Europa. Als je het boek van Roger Moorhouse uit hebt, hoop je dat Europeanen hun lesje geleerd hebben.


Van harte aanbevolen!


ISBN: 9789089757128 | Paperback met foto's | 270 pagina's | Uitgeverij Just Publishers | mei 2018
Met een voorwoord van prof. Richard Overy

© Henk Hofman, 13 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER