Nieuwe recensies Non-fictie

Koningin Elizabeth II
De biografie
Het ware verhaal achter The Crown

Sally Bedell Smith


Koningin Elizabeth II is geboren in april 1926. Zij is nu 94 jaar oud. Vanaf 1952 is zij koningin van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Ook is zij staatshoofd van de landen die behoren tot de Commonwealth. In regeringsjaren overtreft zij koningin Victoria (1819-1901) die 63 jaar vorstin is geweest. De teller staat bij Elizabeth nu op 68 jaar.
Haar naam verwijst naar koningin Elizabeth I die leefde van 1533-1603 en die vanaf 1558 regeerde tot haar overlijden in 1603.


Anders dan de vorsten uit het Oranjehuis die op enig moment afstand doen van de kroon ten gunste van hun opvolger wil Elizabeth koningin zijn voor het leven. Haar hoge leeftijd ten spijt is er geen enkel teken dat zij zal abdiceren.


Gedurende haar regeringsperiode heeft zij met veertien premiers te maken gehad. Dat loopt van Winston Churchill tot Boris Johnson. Van die veertien premiers zijn er twee vrouw geweest: Margaret Thatcher en Theresa May. Met al die premiers heeft zij een goede, professionele verstandhouding opgebouwd.


Koningin Elizabeth vervult haar ambt op een plichtsgetrouwe en gewetensvolle wijze. Ze is een baken van rust en stabiliteit in woelige tijden. Ze staat boven de partijen en blijft binnen de grenzen van haar wettelijke bevoegdheden. De wekelijkse audiënties met de premier zijn een gelegenheid om haar mening te uiten en kanttekeningen te plaatsen bij plannen van de regering. Maar dat heeft nimmer tot problemen geleid en de inhoud van de gesprekken is bovendien geheim. De koningin brengt haar persoonlijke mening nooit naar buiten. Zo heeft ze bijvoorbeeld de Brexitwet getekend, maar weten wij niet hoe zij zelf over deze historische scheiding denkt.


Koningin Elizabeth heeft met veel schandalen te kampen gehad in haar eigen familie. De problemen die er in ons land zijn geweest rondom prins Bernhard vallen erbij in het niet. Toen het huwelijk van prins Charles met Lady Diana brak, kwamen er zoveel onsmakelijke details naar buiten dat de Engelse monarchie op zijn grondvesten schudde. Mede dankzij het optreden van Elizabeth heeft de monarchie dat doorstaan. De rust is niet geheel teruggekeerd. Prins Harry en zijn vrouw Meghan wilden niet langer in de schijnwerpers van de publiciteit staan. Zij deden afstand van hun titels en traden terug als leden van het Britse koningshuis.


Sally Bedell Smith schreef een lezenswaardige biografie. Aan haar boek is grondig onderzoek voorafgegaan. Het verhaal steunt op een indrukwekkende reeks aan bronnen en op talloze interviews. Bedell Smith schrijft feitelijk, objectief en boeiend. Ze laat zien hoe het mogelijk was dat Lady Diana uitgroeide tot een icoon, de ‘prinses van het volk’. Maar ze beschrijft ook haar emotionele instabiliteit en het manipuleren van de pers waarbij ze haar eigen ontrouw tijdens het huwelijk met prins Charles verzweeg. De lezer moet zelf maar zijn conclusie trekken uit het relaas, de schrijfster loopt ons niet voor de voeten met haar eigen commentaar.


De uitgever heeft het boek mooi uitgegeven, rijkelijk voorzien van fotomateriaal en twee fotokaternen waarvan het tweede in kleur.


Royaltydeskundige Rick Evers schreef een Epiloog waarin hij beschrijft hoe de koningin moeilijke belangen in evenwicht weet te houden. Het boek is prima vertaald door Marjolein Hazelzet en Annemie de Vries.


Op blz. 156 en 157 krijgt president Kennedy de voornaam ‘Jack’ mee. Elders in het boek wordt de juiste voornaam (‘John’) gebruikt.


Sally Bedell Smith schreef een knap boek over een koningin die in schokkende tijden haar ambt ongeschokt bleef vervullen. Zij schreef al eerder biografieën van prins Charles, prinses Diana, John en Jacqueline Kennedy en Bill en Hillary Clinton. Zij is sinds 1996 redacteur bij Vanity Fair.


ISBN 9789046826775 | Hardcover | 639 bladzijden | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | augustus 2020
Vertaald door Marjolein Hazelzet en Annemie de Vries

© Henk Hofman, 23 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER

 

Het vervallen huis van de islam
Over de crisis van de islamitische wereld
Ruud Koopmans


De schrijver wil met dit boek het sterk gepolariseerde debat over de Islam doorbreken. De polarisatie gaat tussen mensen die zeggen dat terrorisme en geweld niets met de Islam hebben te maken en daar tegenover mensen die stellen dat de Islam zich niet zal en kan hervormen en dat de Koran verboden zou moeten worden. Het middenstandpunt is dan dat de Islam van binnenuit zich van fundamentalisme moet bevrijden en dat dit in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van moslims zelf is.


Koopmans vraagt zich af waarom democratisering aan de Islamitische wereld is voorbijgegaan en wat de religieuze wortels van onvrijheid zijn. Hij beschrijft de godsdienstoorlogen in de wereld van de Islam, de economische stagnatie van Islamitische landen, de falende integratie van moslimimmigranten en tot slot de vraag of de Islam zich van het fundamentalisme kan ontdoen.
Ik geef enkele hoofdlijnen uit dit rijke en veelomvattende boek weer.


Koopmans definieert fundamentalisme als de poging om de eigen geloofsopvatting tot de enig ware en toelaatbare te maken die vervolgens aan anderen opgelegd wordt. Fundamentalisme komt dan ook in elke religie voor. Maar wat in Islamitische landen funest is, is het wegvallen van het onderscheid tussen kerk en staat. Andersdenkenden worden vijandig behandeld en de shariawetgeving wordt ingevoerd. Deze wetgeving is op veel punten in strijd met elementaire mensenrechten. Denk daarbij aan de behandeling van minderheden, de achtergestelde positie van vrouwen en de vervolging van homoseksuelen. Naarmate een land langer en dieper onder invloed van de Islam heeft gestaan, zijn de problemen groter. Dat geldt in het bijzonder voor het Arabisch schiereiland.


Democratie en Islam gaan maar moeilijk samen. Indonesië ging tot voor kort nog door voor een democratie, maar glijdt af naar autocratie en fundamentalisme. Turkije leek lang op de goede weg te zijn, maar onder Erdogan is het tij gekeerd.


Het is te gemakkelijk om de problemen te wijten aan het Westerse kolonialisme. Islamitische landen hebben namelijk veel minder met kolonialisme te maken gehad dan de rest van de niet-westerse wereld. Slavernij en slavenhandel zijn geen Westerse uitvindingen, maar zo oud en wijdverbreid als de wereld zelf. Nadat de slavenhandel in het Westen was afgeschaft, bleef in grote delen van Afrika de inheemse traditie van slavernij bestaan.


Het is volgens Koopmans ook te gemakkelijk om critici te verwijten dat ze lijden aan ‘islamofobie’. Het is nu eenmaal een feit dat religieuze discriminatie en geweld tegen minderheden wijdverbreid is in de Islamitische wereld. Het bevolkingsaandeel van christenen is de laatste decennia in het Midden-Oosten afgenomen van 14 naar 4 procent. Maar ook veel moslims die tot een minderheidsgroep behoren vluchten naar Europa. En wie als moslim wordt geboren, maar dit geloof opgeeft, kan de doodstraf krijgen.


Evenmin deugt het argument van de cultuurrelativisten dat ook in het Westen en in Nederland discriminatie en onderdrukking zijn te vinden. In zijn woorden (blz. 104):


“Zulk cultuurrelativisme komt neer op de ontkenning van het lijden van tientallen miljoenen gewone vrouwen en meisjes.


Het cultuurrelativisme is een slag in het gezicht van leden van religieuze minderheden die hun culturen zien uitsterven.


Wie als vrouw in Nederland vindt dat het niet aan ons is om kritiek te uiten en dat er in Nederland ook nog veel verbeterd moet worden aan de positie van vrouwen, heeft het hart niet op de goede plaats zitten.


Wie als christen uit angst om moslims te stigmatiseren de ogen sluit voor de vervolging van christenen, heeft meer gemeen met de schijnheilige farizeeër dan met de boodschap van het evangelie.”


De schrijver vindt het ‘absurd’ om te beweren dat terrorisme niets met de Islam heeft te maken. Dat de daders zichzelf op de Koran baseren, dat ze luidkeels Alluha Akbar hebben geroepen en Koranteksten citeren, dat alles doet kennelijk niet ter zake.


Zo prikt hij ook de stelling door dat immigranten nodig zijn om in een vergrijzend Europa de economie aan de gang te houden. Het aantal mensen dat van dezelfde economische koek moet leven, neemt alleen maar toe. Veel immigranten zitten vaak jarenlang in een uitkering. En moslims uit Islamitische landen zijn hekkensluiters op het gebied van integratie. Het is echter moeilijk om op dit gebied precieze cijfers te achterhalen. Want politie en andere overheidsinstanties verzamelen geen gegevens over de afkomst van daders van geweldincidenten en criminaliteit in het algemeen. “Liever blijft men onwetend dan dat men iets te weten zou komen dat niet in de voorgeschreven denkschema’s past.” (blz. 206).


Tot zover een weergave van de inhoud van dit boek. Ik wil graag nog een paar kanttekeningen plaatsen bij een aantal opmerkingen van Koopmans.


De observatie van de schrijver dat christenen in het Romeinse rijk de wereldlijke macht van de keizer erkenden om te overleven (blz. 91 en 153) is niet juist. Immers, ondanks die erkenning werden ze toch scherp vervolgd, onder meer door keizer Diocletianus (284-305). De oproep aan christenen om het gezag van de overheid te gehoorzamen staat los van de aard van het regime. Het was geen berekening om aan vervolging te ontkomen.


De schrijver pleit er voor de Koran niet letterlijk te lezen, maar te zien in het kader van die tijd en te vertalen naar deze tijd en te herinterpreteren naar de omstandigheden van nu (blz. 91 en 233). Als het geloof steeds aangepast moet worden aan de tijdgeest, waar staan gelovigen dan nog wel voor? Moslims zien dat die herinterpretatie in de christelijke wereld de deur naar secularisatie heeft opengezet en daar passen ze voor.


Het beslissende verschil tussen de Christelijke en Islamitische leer is volgens Koopmans niet van morele, maar van praktische aard (blz. 154). Er is echter ook een essentieel moreel verschil en dat is het begrip naastenliefde. Voor christenen is die naastenliefde universeel, voor moslims is ze beperkt tot geloofsgenoten, en dan nog moeten ze behoren tot dezelfde geloofsrichting.


Emancipatie van de vrouw hangt de schrijver eenzijdig op aan de mate waarin ze actief participeren op de arbeidsmarkt (blz. 178). Vrouwen die ervoor kiezen om zich te richten op hun gezin kunnen net zo goed geëmancipeerd zijn en met hun keuze ook een waardevolle sociaaleconomische bijdrage leveren aan de samenleving.


Koopmans keert zich tegen populisten (blz. 214 en 215). Maar wat is het verschil tussen zijn observaties en feitenmateriaal en de problemen die populisten signaleren?


Koopmans pleit voor een realistische benadering van de Islam en keert zich tegen ‘wensdenken’ (blz. 216 en 233). Hij schrijft dat een breed gedragen hervormingsbeweging van binnenuit nodig is, die de misstanden in eigen kring onder ogen ziet en er afstand van neemt. Ook het idee dat de Koran het letterlijke woord van Allah is, zou verlaten moeten worden. Ik help het hem hopen, maar de vraag is of zo’n verreikend ideaal niet ook onder wensdenken valt.


Naar mijn mening schreef Ruud Koopmans een belangwekkend boek. Koopmans heeft een indrukwekkende hoeveelheid feitenmateriaal verzameld en die in zijn boek verwerkt. Tal van grafieken maken de feiten inzichtelijk. Een meer realistische benadering van de Islam, gebaseerd op feiten, is inderdaad noodzakelijk.


ISBN 9789044634099 | Paperback | Uitgeverij Prometheus | Omvang 279 blz. | februari 2019

© Henk Hofman, 15 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of klik HIER.

 

De ijssalon van meneer Mebrat
Gebre Zemichael & Gerda Crouset


In mijn vorige woonplaats kreeg ik een nieuwe buurman, een vluchteling. Hij was afkomstig uit Eritrea en was tien jaar onderweg geweest om uiteindelijk, tot zijn grote vreugde, een woning toegewezen te krijgen. Eindelijk had hij een eigen plek! Al snel kregen we contact, en langzamerhand kwamen de verhalen los. Heel voorzichtig vertelde hij wat hij onderweg allemaal gezien en meegemaakt had. Hij was bang om het ons te vertellen want hij wilde ons niet van streek maken! Maar wat hij zo mondjesmaat vertelde was onvoorstelbaar. Vooral wat mensen elkaar kunnen aandoen uit winstbejag is ronduit schokkend.

In dit boek vertelt Gebre, een zestienjarige jongen, over zijn aangrijpende vlucht naar Europa die hij samen met zijn dertienjarig neefje Hayat ondernam. Hij had namelijk de gevreesde brief gehad, waarin de oproep stond om in dienst van het Eritreese leger te treden. Dat in dienst gaan, betekende hetzelfde als levenslang. Als je geluk had was je een paar jaar in dienst maar voor het merendeel kwam je nooit meer uit dat leger. Weg vrijheid, weg eigen dromen, weg eigen mening, weg eigen inbreng. Weg eigen leven. Er is daar geen leven...


Jarenlang zou ik in staatsdienst blijven. Misschien wel voor het leven. Over het salaris bestond geen misverstand. Een mager soldijtje of in het ergste geval helemaal niks. De overheid ging me inzetten voor alles wat noodzakelijk was om de veiligheid van ons land en de jarenlange heropbouw te garanderen. En elke Eritreeër wist dat op dienstweigering of desertie maar één antwoord mogelijk was.


Met bloedend hart vertrekken de twee jongens lopend uit Asamara, ze hopen dat ze ooit hun ouders, broers en zussen, opa's en oma's weer zullen zien. Maar eerst moeten ze veilig in Europa moeten zien te komen en dat is al een heel gevaarlijke onderneming. Maar alles is beter dan blijven en overgeleverd te zijn aan de grillen van de leidinggevenden in het leger.


Als eerste moeten ze de ongezien over de grens weten te komen. We kunnen hun schokkende reis volgen op het bijgevoegde landenkaartje en zien dan gelijk hoe ver en zwaar die tocht is. De reis loopt vanaf Eritrea, dwars door Soedan, via Libië naar Lampedusa en uiteindelijk Reggio in Italië.


De voettocht die je jongens ondernemen loopt van Asmara naar de grens van Soedan. Ze slapen in de buitenlucht, een enkele keer geholpen door goedwillende Eritreese mannen en vrouwen die hun van water en voedsel voorzien. Het is slapen - lopen - slapen - lopen. Uiteindelijk belanden ze in Teseney, de stad aan de grens van Soedan en Eritrea. Als het ze lukt ongezien de grens over te gaan, kunnen ze naar vluchtelingenkamp Shagarab.
En het lukt ze, op het nippertje! Ze kijken reikhalzend naar het kamp uit, eindelijk douchen en goed eten en drinken!

Maar dat was wel een heel rooskleurig voorstelling. Een van de eerste dingen die ze moeten doen, is om geld vragen aan hun ouders om de vluchtelingenstatus aan te vragen... En dat geld vragen zal als een rode draad door hun vlucht heen lopen. Iedereen wil geld verdienen aan de vluchtelingen. Inmiddels bereikt Gebre ook het nieuws dat zijn vader opgepakt is, vanwege de vlucht van de twee jongens én Kifle, de oudere broer van Gebre. Hij is via Egypte gevlucht en zit nu in Tel Aviv.


Het is ook Kifle die zorgt voor het geld en na 5 maanden kamp,  waarin vooral Gebre op hardhandige wijze geconfronteerd werd met het gezag, kunnen de jongens verder naar Khartoem. En daar werken ze keihard om het geld bij elkaar te sprokkelen voor de oversteek naar Europa. Met financiële hulp van hun broer redden ze het allemaal net.


We werkten als bordenwasser in restaurantkeukens, maakten kantoorpanden schoon, of vouwden kartonnen dozen in sombere fabrieksruimtes. De baantjes waren weggelegd voor illegalen, bij weinigen in trek, leverden niet veel op, maar wij waren er blij mee. Niemand schold ons uit, niemand mishandelde en treiterde ons, niemand dwong ons dingen te doen die we niet wilden.


Ondertussen voelt Gebre zich enorm schuldig, wat doet hij zijn ouders aan? Het snijdt hem door zijn ziel dat zijn vader nog steeds opgepakt is. Redt zijn moeder het wel zo alleen? De heimwee, het verdriet is af en toe bijna gekmakend. Op de meest onverwachte momenten ziet hij zijn zusje of ouders voor zich en het gemis snijdt door hem heen.

Uiteindelijk is het enorme bedrag (8000 euro) voor de oversteek bij elkaar geschraapt, met veel hulp van Gebre's broer. En dan begint de meest verschrikkelijke tocht die de twee jongens voor altijd bij zal blijven. Ze moeten in een met zeildoek overdekte vrachtwagen dwars door de Sahara naar Tripoli. Op die bloedhete reis gebeuren dingen die te vreselijk zijn om mee te maken. Dit had ik ook gehoord van mijn buurman en de verhalen in dit boek bevestigen welke afschuwelijke dingen de vluchtelingen moeten zien en ondergaan voordat zij in een vrij land kunnen leven. Het erge voor de twee jongens is dat ze niet in Tripoli  zijn beland maar naar Ajdabija zijn gebracht. Om naar Tripoli te kunnen om daar de oversteek naar Europa te maken, willen de mensensmokkelaars wéér geld zien, geld voor de overtocht die al betaald was...

Het is misselijkmakend om te lezen hoe de begeleiders van de vluchtelingen zich onderweg gedragen. Niet alleen naar de vluchtelingen toe qua taal en gedrag, maar ook qua voedsel en drinken zijn ze afschuwelijk. Een hart lijken ze niet te hebben, alles draait om geld. Voor jou, tien anderen.

Dat het verhaal verteld wordt bewijst dat de jongens - na zes jaar - Europa gehaald hebben. Maar voor ze in Amsterdam belanden gaat er ook nog een heel heftig verhaal aan vooraf. Je hoopt tijdens het lezen heel erg dat de jongens er zonder kleerscheuren vanaf zullen komen en uiteindelijk hebben ze hun doel ook bereikt, maar de inwendige littekens zullen blijvend zijn...

Vrijheid is voor velen een woord. Ik zie vrijheid als energie die ik met anderen deel en waarbinnen ik mijzelf kan zijn. Voor die vrijheid heb ik mijn leven willen riskeren.

Dit verhaal zou iedereen moeten lezen, vooral de mensen die liever geen vluchtelingen in Europa willen zien...


ISBN 9789061004813 | Paperback | 220 pagina's | Uitgeverij Ad. Donker | januari 2020

© Dettie, 12 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De kunst van het ongelukkig zijn
Dirk De Wachter


"Alles draait om obsessief streven naar geluk." Dit zijn de woorden van de schrijver van dit boek, psychiater-psychotherapeut Dirk De Wachter. Hij haalt eveneens de woorden aan van de Duitse filisoof Wilhelm Schmid: "Geluk is een plicht geworden".


Een lastig leven mag je niet benoemen. Het 'niet goed gaan' is ongewenst. Ben je niet gelukkig, dan heb je dat aan jezelf te danken. Pech hebben, is je eigen schuld. Ongeluk is een hinderlijk en ongewenst obstakel. Daar moet je gauw vanaf. Mensen praten niet met je over ongeluk of de gesprekken daarover gaan heel  moeilijk. Je moet maar naar een therapeut.
"Het idee dat het leven vooral leuk moet zijn, is daarom ook een ziekte van deze tijd."
"Het gezeur over ongeluk bederft voor de ander de pret." (blz 24)


Ook verdriet moet worden weggeduwd, aandacht voor verdriet wordt niet aangemoedigd, ongelukkig zijn is niet gewenst dus sluiten we het op in onszelf. We trekken ons terug, het verdriet wordt ingeslikt. Maar van verdriet dat niet naar buiten kan, kun je ziek worden.


Deze woorden van Dirk De Wachter geven weer wat er in onze huidige maatschappij gebeurt. Mensen kunnen hun verdriet of lastige gevoelens niet meer delen, je moet je aanpassen aan een maatschappij die geen plaats meer heeft voor 'ongeluk'. Vroeger was er nog de kerk waardoor je een saamhorigheidsgevoel had. Maar ook die is nagenoeg verdwenen waardoor veel mensen zich extra eenzaam of verdrietig voelen. Het frappante is, zo stelt Dirk De Wachter is 'dat je op gelukkige momenten de ander eigenlijk niet zo nodig hebt, op slechte momenten juist wél.' Verdriet en tegenslag kan zelfs heel verbindend werken.


De Wachter vindt ook dat de maatschappij teveel doorgeslagen is in het zoeken naar geluk. Hij stelt: "Je bent niet ziek als je ongelukkig bent. Ongelukkig zijn, is een deel van het leven en ermee omgaan is wezenlijk." Verdriet wordt gespychiatiseerd omdat mensen niet meer naar elkaar luisteren, dus uiten ze hun gevoelens bij de psycholoog of psychiater.


Regelmatig wordt verdriet en ongeluk onderdrukt met een pilletje. Ondanks dat een pilletje soms een oplossing kan zijn, is het niet wenselijk, stelt Dirk De Wachter, mensen moeten meer geduld hebben, moeten leren wachten, verdriet heeft tijd nodig. Verdriet heeft geen tijdslimiet. Maar nu is het zo dat je na 6 maanden toch wel over je verdriet heen moet zijn, anders ben je een probleemgeval. Maar verdriet mag er zijn. Verdriet moet niet verdrongen worden maar omzwachteld zodat het niet meer zo steekt. (blz 57) Je hoeft niet te genezen van verdriet, maar je kunt wel leren woorden te geven aan verdriet.


Ook de dood wordt bij mensen weggehouden. 'Dood hoort niet bij een succesvol leven van een dynamische mens.' (blz 62). Zelfs van de dood wordt een 'feestje' gemaakt met wijn erbij. De dood is commercie geworden. Maar rouwen is niet gewenst, terwijl dát zo belangrijk is.


Dirk De wachter pleit als het ware om naast gelukkig zijn, zich ongelukkig voelen ook omarmd moet worden. 'Tegengestelde zaken vormen samen een evenwicht, zo ook gelukkig versus ongelukkig zijn.'


Hij spreekt over het gelukkig zijn ten koste van anderen, ook dat werkt niet, daar word je niet écht gelukkig van. Verder noemt hij de hooggevoelige mensen die last hebben van teveel prikkels, die mensen worden bijna gediagnosticeerd als hebbende een aandoening, ze hebben een gebruiksaanwijzing en dat is lastig, dat zijn dus moeilijke mensen. Maar, zo stelt, De Wachter, zij hebben oog voor anderen, zijn kwetsbaar al hebben een gebruiksaanwijzing. Maar is het niet zo dat laaggevoeligen een groter probleem vormen? 'De ongevoeligheid in de samenleving is angstwekkend.'


Zonder kwetsbaarheid en gevoeligheid maakt onze samenleving geen schijn van kans. Gevoeligheid stelt ons in staat de ander te zien en goed voor hem te zorgen. Zijn we zelf kwetsbaar, dan mogen we hopen dat gevoelige zielen ons omringen. Het is ook uit gevoleigheid en kwetsbaarheid dat creativiteit kan ontstaan.


En zo stelt Dirk De Wachter allerlei zaken aan de kaak die onderbouwen waarom ongelukkig zijn niet zo erg is, normaal is. Ook meldt hij in het laatste deel van dit boek, getiteld Zin ..., wat vervulling geeft aan iemands leven. 'Streven naar geluk als levensdoel is een vergissing. Streven naar zin en betekenis, daarentegen, is waar het leven om draait.' en ook daar schrijft hij wijze woorden over.


Wat Dirk de Wachter schrijft in dit boek, is me recht uit het hart gegrepen. Om me heen zie ik mensen worstelen (en soms ikzelf ook) met dingen waar liever niet over gesproken wordt. Verdriet, eenzaamheid, dood, dit alles is bijna een taboe aan het worden, met alle gevolgen van dien. Het enige wat mag, is blij zijn en juichen en springen van plezier. Dat is akelig en maakt dat afstand gekweekt wordt en normale gevoelens, abnormaal gemaakt worden. Ik ben dus erg blij met dit boek van Dirk De Wachter. Het is bovendien een erg vlot leesbaar boek, dat in toegankelijke taal open en eerlijk aangeeft waarom ongelukkig zijn helemaal niet zo erg is.


ISBN 9789401463584 | Paperback | 105 pagina's | Lannoo Campus | oktober 2019

© Dettie, 8 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Gastvrijheid is geen kunstje
Marieke van Bezeij


Voor wie plannen heeft om een B&B, een chambres d’hôtes, gîte, of wat voor overnachtingsgelegenheid dan ook uit te gaan baten in het buitenland, die heeft veel aan dit boekje. Marieke van Bezij beschrijft er haar wederwaardigheden in. Hoe ze er toe gekomen is om in Frankrijk – Italië was ook leuk geweest, maar toch te ver van Nederland verwijderd – een chambres d’hôtes te beginnen. Samen met haar echtgenoot.


Eerst moest er een plek gevonden worden. Je kan niet zomaar ergens een willekeurig huis kopen; als je toeristen ontvangt, is het wel prettig als er in de buurt wat te beleven valt. Maar midden in een stad, dat was ook niets.
Dan moet er verbouwd worden, waarbij Marieke duidelijk aangeeft dat je niet moet bezuinigen op materiaal:  goedkoop is duurkoop!
Goede bedden en geïsoleerde kamers, en natuurlijk een goed geoutilleerde keuken.


Marieke van Bezeij had voor ze haar droom kon verwezenlijken diverse scholingen gehad, al of niet terwijl ze werkte. Een jaartje hotelschool, een bedrijfskunde-opleiding, en banen waarbij communicatie, en organiseren belangrijk was. Maar het is vast wel een voordeel als je het een beetje in je vingers hebt. Koken bijvoorbeeld: Marieke deed het zelf, en dat was meer een uit de hand gelopen hobby dan dat ze een koksopleiding had gehad. Maar het werkte. De basis is respect en vertrouwen, zegt ze verschillende keren als ze het verhaal vertelt over hoe hun eerste vakantieverblijf een succes werd. Het lukte zo goed dat ze geen reclame hoefden te maken. Het was hard werken, maar ze had liever niet dat haar gasten daar iets van merkten.
Na het waarom en hoe volgen er diverse verhalen over hun belevenissen, ook over een enkele misser.


‘Rozengeur en maneschijn? Of transpiratie en schone schijn?
Twee kanten van dezelfde medaille, het één gaat niet zonder het andere. Sprookjes bestaan, maar dat wil niet zeggen dat je er niets voor hoeft te doen.’


Het boekje is vooral bedoeld als handleiding voor mensen die ook zo’n droom hebben, maar het leest ook lekker weg voor hen die dat niet zo nodig hoeven. Het geeft een kijkje achter de schermen. Na de verhalen volgen nog een heleboel recepten.
Tot slot vertelt Marieke wat er na dit avontuur volgde. Waarom het voorbij ging vertelt ze niet, maar ze bleef in Frankrijk, voor nieuwe avonturen.


Marieke van Bezeij (1969) vertrok op haar 31e naar Frankrijk om haar droom, een chambres d’hôtes, werkelijkheid te laten worden. Het werd een groot succes. Op dit moment begeleidt ze andere mensen in het realiseren van hun droom om naar Frankrijk te vertrekken en/of een gastenverblijf te beginnen met haar bedrijf MariekeVerthuist.


ISBN 9789492844705 | Hardcover | 200 pagina's | Droomvallei Uitgeverij | april 2020

© Marjo, 4 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Meer
Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt
Hidde Boersma, Ralf Bodelier, Maarten Boudry e.a.


Dit boek bevat zestien hoofdstukken, geschreven door elf auteurs, waarvan er drie op de titelpagina worden genoemd.
De hoofdstukken zijn gegroepeerd rond vier thema’s: Milieu en duurzaamheid; Groei en ontwikkeling; Landbouw en natuur; Leven en vrijheid. Precies in het midden staat een Intermezzo van de hand van Jaffe Vink over het rapport van de Club van Rome uit 1972.


De wetenschappers die in 1972 het Rapport Grenzen aan de groei opstelden, waarschuwden dat de mensheid de draagkracht van de aarde aantastte. Het rapport veroorzaakte een schokgolf, ondermijnde het heersende vooruitgangsgeloof, en stimuleerde een totaal andere manier van denken. De mens moest minder consumeren, kiezen voor welzijn in plaats van welvaart, en op zoek gaan naar alternatieven voor fossiele brandstof wilde ze overleven.
De meeste voorspellingen uit het Rapport zijn niet uitgekomen. Maar de invloed van het Rapport is nog bij lange na niet verdwenen. Er is een warnet aan actiegroepen ontstaan die natuur, milieu en dier beschermen tegen de gevolgen van economische groei en toegenomen consumentisme.


De actiegroepen hebben wetgeving afgedwongen die politiek beleid, wetenschappelijk onderzoek en economisch handelen sterk aan banden heeft gelegd. Het ‘voorzorgsprincipe’ is niet alleen in tal van landen in wetgeving verankerd, het is ook de leidraad voor de Verenigde Naties. Dit principe houdt in dat nieuwe activiteiten pas ontwikkeld mogen worden als we zeker weten dat er geen schadelijke effecten zullen zijn. Dat klinkt goed, maar het is fnuikend voor innovatie en creativiteit. De definitie leidt ertoe dat we in de praktijk nooit aan iets nieuws kunnen beginnen. Als deze definitie ook in het verleden was toegepast zouden er geen kinderen worden ingeënt, zou er geen röntgenapparaat bestaan of een MRI-scan zijn ingevoerd. Niemand kan vooraf met zekerheid zeggen dat een noviteit zonder negatieve bijeffecten is.


Het voorzorgsprincipe belast de discussie over natuurbeleid en landschapsinrichting, kernenergie en synthetische voedselproductie. De alternatieven die nu worden uitgeprobeerd, zoals de productie van biomassa voor energie, het aanleggen van windmolenparken en het installeren van zonnepanelen zijn volstrekt onvoldoende om aan de vraag naar energie te voldoen. De discussie hierover wordt volgens dit boek veel te veel bepaald door ‘de kletsende klasse’ aan de talkshowtafels. Het is een gevaarlijk naïeve discussie die je ook tegenkomt in krantenkolommen en in de wandelgangen van politiek en beleid.


Een citaat uit dit boek: “De grootste hindernis voor een daadkrachtig klimaatbeleid zijn niet langer de klimaatsceptici die hardnekkig ontkennen dat er een probleem is, maar de activisten die alleen oplossingen aanvaarden die binnen hun eigen ‘minder, minder’-ideologie passen.” (blz. 26).


Dat is duidelijke taal en we komen die duidelijkheid in heel het boek tegen. Zo lezen we dat de uitbraak van corona voor rekening komt van de Chinese overheid die twintig dagen lang het bestaan van het virus onder de pet heeft gehouden. Drie cruciale weken waarin het coronavirus zich ongehinderd wist te verspreiden, waardoor de hele wereld in een ongekende crisis werd gestort.” (blz. 179).


De opvallende conclusie van het boek is dat wij geen andere levenswijze nodig hebben, maar een andere en betere vorm van technologie. Daar worden ook voorstellen voor gedaan. Genetische modificatie kan gewassen resistent maken tegen droogte en vermindert het gebruik van pesticiden. Kerncentrales leveren constante, CO-2-vrije energie, zonder luchtvervuiling. Ze zijn duur en de bouw kost veel tijd, maar kerncentrales zijn het best in staat om te voorzien in een snelgroeiende energievraag. Precisiefermentatie brengt voedingsstoffen in de juiste hoeveelheid op de juiste plek. Drones kunnen akkers onderzoeken op insecten en schimmels. Voor landbouw en natuur is het veel beter dat die twee niet met elkaar verweven zijn, maar gescheiden van elkaar worden gehouden. Dat kan door een bufferzone tussen landbouw en natuur in te bouwen met een bescheiden vorm van landbouw in de bufferzone.


In de geschiedenis van de mensheid hebben zich vaker crises en catastrofes voorgedaan. Met doemdenken en apocalyptische visioenen overwin je geen enkele crisis. Dit boek laat zien dat ‘groei’ niet het probleem is, maar de oplossing (blz. 51). De centrale en verbindende boodschap van Meer is  juist dat meer technologie, meer overheidssturing en meer economische groei problemen oplost. De auteurs doen dat op een overtuigende en goed onderbouwde manier. Alle bijdragen zijn van een goed niveau en helder geschreven.


Wat mij betreft is dit een mooi, boeiend en steekhoudend boek. Het zou goed zijn als dit boek gelezen wordt op het ministerie van Economische Zaken en van Landbouw.


ISBN 9789046826959 | Paperback | Omvang 256 blz. | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | augustus 2020

© Henk Hofman, 31 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Peter de Grote
Een biografie
Robert K. Massie


De auteur (1929-2019) was Amerikaans historicus, gespecialiseerd in de Romanovs. Zijn biografie van Peter de Grote (1672-1725) kreeg in 1981 de Pulitzerprijs, en terecht. In 1986 werd het boek al eens vertaald in het Nederlands, in 2020 opnieuw.


Massie beschrijft eerst hoe Moskou en het Rode Plein eruitzagen in de 17de-18de eeuw: de gebouwen waren van hout, er brak dikwijls brand uit. Het Kremlin had twee heersers: de tsaar en de patriarch. De tsaren leefden vroom en sober, maar soms at en dronk Peter mateloos.


- Rusland telde slechts 8 miljoen inwoners, Frankrijk 19 (p. 21). Bovendien konden de Russen niet verhinderen dat de Krim-Tataren Russische slaven leverden aan de Ottomanen, met wie ze bijna permanent oorlog hadden. In 1695 leefden er 15.000 Russen als slaaf bij de Turken (p. 132). -


Peter werd tot tsaar gekozen op zijn 10e  jaar, samen met zijn halfbroer Ivan, maar zijn oudere halfzus Sophia was regentes - met de steun van de Kremlin-bewakers (Streltsy) - .
Peter was altijd bezig, maar studeerde weinig. Hij leerde veel van de Nederlanders in Moskou en tijdens zijn verblijf in de Verenigde Provinciën. Hij kende een beetje Nederlands en Duits. Op zijn 17de, in 1689, trouwde hij al. Maar hij had meer interesse voor schepen dan voor zijn vrouw. In dat jaar stopte hij de regentes het klooster Novodevitsji in. Hij zocht vaak contact met westerlingen in de ‘Duitse’ voorstad en in de enige haven Archangelsk; hij hield er ook een Duitse maîtresse aan over (Anna Mons). Met zijn 2m04 was hij 36 cm groter dan de gemiddelde man (1m68). Soms kreeg hij stuiptrekkingen en verloor hij een uur of twee het bewustzijn.


Zijn oorlogen tegen de Ottomanen leidden tot de verovering van Azov in 1696. Tientallen jongeren stuurde hij naar West-Europa voor een zeevaartopleiding en in 1697-1698 trok hij met ‘Het Grote Genootschap’ van 250 man er zelf naartoe, als eerste tsaar die naar het buitenland reisde om bij te leren. Hij wilde het bondgenootschap met Oostenrijk, Polen en Venetië tegen de Turken hernieuwen en in Holland en Engeland scheepsbouwers en marineofficieren ronselen. Lodewijk XIV was toen de invloedrijkste vorst, hij regeerde 72 jaar (1642-1714), maar hij koos voor de Turken en kreeg dus geen bezoek van de Tsaar (p. 158).


Het bezoek aan Zaandam en Amsterdam was incognito, maar door zijn uitzonderlijke lengte werd Peter snel herkend. Amsterdam was toen de grootste haven van Europa en de rijkste stad ter wereld (p. 173) o.a. dank zij de V.O.C. (Verenigde Oost-Indische Compagnie). Hij bezocht ook geleerden in Leiden (Boerhaave) en Delft (van Leeuwenhoek). De grote schilders Rembrandt, Vermeer en Hals interesseerden hem minder.


Na vijf maanden in Holland, trok Peter in 1698 voor vier maanden naar Engeland, dat toen op weg was om het belangrijkste wereldrijk te worden. Daar deelde hij eerst een kamer met vier gewone Russen, daarna met  actrice/maîtresse Laetitia Cross. De Engelsen kregen toestemming om tabak in Rusland in te voeren en te verkopen. Peter nam ook het Engelse muntstelsel over en zestig Engelse vaklui volgden hem naar Rusland.
Na Londen volgde Wenen, waar hij de keizer tevergeefs probeerde over te halen om samen tegen de Turken te vechten. Saksen en Polen kreeg hij wel aan zijn kant om de Baltische landen te veroveren op Zweden. In totaal bracht het gezantschap 800 vaklui mee om Rusland te moderniseren. Maar de politieke rechten die in Holland en Engeland al bestonden, nam hij niet over.


Na zijn terugkeer in Moskou zou Peter eigenhandig de baarden geschoren hebben bij belangrijke figuren (p. 222). Wie zijn baard wou behouden, werd daar flink op belast. Idem voor de lange traditionele kledij. Zijn vrouw Jevdokia stopte hij in het klooster. De Streltsy kwamen er na een opstand minder goed van af: zij werden zwaar gemarteld en opgehangen.


De pogingen om toegang te krijgen tot de (Turkse) Zwarte Zee mislukten. De oorlogen tegen Zweden duurden van 1611 tot 1718. Ze verliepen moeizaam, met nederlagen, maar ook met de verovering van de Baltische landen.


De bouw van Sint-Petersburg (1703 e.v.) kostte 25.000 à 100.000 mensen het leven, vooral door ziektes. Italiaanse, Duitse en Franse architecten ontwierpen de mooie gebouwen en parken. Vanaf 1712 werd het de Russische hoofdstad (tot 1918).


In 1703 vond Peter ook een nieuwe vrouw, Martha Skavronskaja, een Litouws dienstmeisje dat als gevangene in Rusland was beland. Hij noemde ze Catharina. Ze schonk hem 12 kinderen, van wie er slechts twee in leven bleven en één keizerin Elisabeth werd (1740-1762).
ook in 1703 voerde hij de eerste krant in om zijn volk te onderrichten en verbood hij afgesproken huwelijken (p. 365). In 1711-1713 bezocht hij de Noord-Duitse steden, in 1715 was hij na een braspartij zo ziek dat hij de laatste sacramenten kreeg.


In 1716-1717 maakte hij zijn tweede grote reis naar het Westen. Zijn geliefd Amsterdam en Zaandam waren er weer bij, andere steden voor het eerst: Breda, Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge en Parijs, waar Peter de 7-jarige koning Lodewijk XV optilde en kuste.


Na Parijs ging hij via het arme platteland (p. 600) naar Reims, Namen, Luik, Spa, Amsterdam, Berlijn en terug naar Sint-Petersburg. Daar had hij een politiek probleem: zijn zoon Alexej wilde hem niet opvolgen en vluchtte met zijn vriendinnetje Afrosinja, een ongeschoolde Finse lijfeigene, naar Wenen, Tirol en Napels, maar Peter liet hem terughalen. Zijn helpers kregen zware straffen. Het hooggerechtshof veroordeelde Alexej in 1718 zelfs tot de dood, maar hij stierf al na 40 slagen met de knoet, waarbij Peter toekeek en liet begaan! (p. 652)


Zijn pogingen om verplicht onderwijs in te voeren, stuitten op zoveel verzet van de landeigenaars en de middenklasse, dat hij ze moest opgeven (p. 701). De oprichting van de Academie van Wetenschappen lukte wel (p. 758-759). Peter selecteerde zijn hoge ambtenaren uitsluitend op basis van verdiensten: dus buitenlanders, joden, katholieken en lijfeigenen kregen ook topfuncties. Maar de corruptie en zelfverrijking binnen de hoge ambtenarij kreeg hij niet uitgeroeid. Dat is nu nog zo in het Rusland van Poetin. Peter deed ook van alles om industrie en handel te bevorderen, o.a. door kanalen aan te leggen en buitenlanders binnen te halen. Maar het conservatieve Russische volk wilde niet mee.


Op godsdienstig vlak was hij veel verdraagzamer dan de orthodoxe kerk, behalve tegenover de jezuïeten: aan hen had hij een hekel (p. 728). Hij zorgde er wel voor dat de orthodoxe kerk moest gehoorzamen aan de tsaar. Pogingen om handel te drijven met China en delen van Perzië te veroveren, mislukten. Er kwam wel een grensverdrag met China, waarbij jezuïeten in Peking en in Sint-Petersburg een rol speelden (n.v.d.r.).


Zijn tweede vrouw Catharina kroonde hij plechtig tot keizerin, ondanks haar bescheiden afkomst (p. 778-779).


Op 28 januari 1725 stierf Peter op zijn 53ste, in zijn 43ste regeringsjaar, nadat hij al enkele weken veel pijn had geleden van nierstenen, urineproblemen en uiteindelijk ook afsterving van lichaamsdelen rond de blaas (strangurie en gangreen). De Leidse professor Boerhaave zei dat hij hem had kunnen genezen als hij eerder geraadpleegd was (p. 789).


Peters vrouw Catharina volgde hem op, maar ze stierf twee jaar later. Tussen Peters dood en Catharina de Grote (1762-1796) regeerden er zes tsaren, van wie vier vrouwen en op Elizabeth na (1741-1762) was dat telkens maar enkele maanden. Tsaar Paul schafte in 1796 meteen het decreet  van Peter af dat ook een vrouw op de troon mocht zitten.


Tot vandaag twisten slavofielen en ‘westerlingen’ over de betekenis van Peter de Grote, de man met de fenomenale energie en de ‘Eeuwige zwoeger’ volgens Poesjkin (p. 798).


Beoordeling

Massie heeft een indrukwekkende biografie geschreven, niet enkel van Peter de Grote, maar ook van de tijd waarin hij leefde. Het had wat beknopter mogen zijn, zeker wat Zweden en Engeland betreft en de verzonnen dialoogjes had hij beter weggelaten. We krijgen een uitgebreid beeld van de verschillende vorstenhuizen in Europa, hun onderlinge contacten, hun macht. En van hun privéleven: zo zou Augustus de Sterke van Saksen en Polen 354 bastaards gehad hebben ( p. 218). En ook van de mannenmaatschappij waarin vrouwen ongenadig werden afgeranseld, de huwelijksgewoontes waarbij de huwbare leeftijd rond 13-14 jaar lag, het hele leven van de Schotse generaal Gordon en de Zwitserse charmeur Lefort, allebei medewerkers van Peter.
We lezen herhaaldelijk hoe wreed er gemarteld werd om bekentenissen af te dwingen (o.a. p. 238-242), welke wrede straffen er dan nog volgden (radbraken, vierendelen, onthoofden, ophangen, p. 384). Komen ook aan bod: de economische toestand in vele landen, het culturele en dagelijkse leven, de eetgewoontes (Karel XII van Zweden at met zijn handen), te veel veldslagen en oorlogen, rare gewoontes zoals dwergen en reuzen verzamelen voor de vorstenhoven (p. 571).


Enkele details:
vaak staat de dag en de maand vermeld, maar niet het jaartal. Een massa weinig bekende plaatsnamen zoals Soezdal, Jaoeza, Voronezj, Proet … moet je zelf opzoeken, want een kaart staat er niet in. Het register is goed, maar onvolledig. Tsarskoje Sela/Tsarendorp (p. 777, 816) moet Selo zijn.
De haven van Rotterdam kwam pas tot bloei na de aanleg van de Nieuwe Waterweg in 1866-1872, dus nog niet in de ‘17de eeuw’ (p. 169).
Rond 1717 hoorde Namen bij de Oostenrijkse Habsburgers, Luik en Spa bij het Prinsbisdom Luik. Ze waren dus niet verdeeld tussen ‘Holland’ en de Habsburgers. En Peter werd er allicht niet verwelkomd door ‘Nederlandse’ hoogwaardigheidsbekleders (p. 600). Van Breda ‘via de Schelde’ naar Antwerpen reizen (p. 589) was ook toen onmogelijk. Het laatste jaar van de 17de eeuw was niet ‘1699’ (p. 263), maar 1700.


ISBN 978-94-019-1714-8 | 830 pagina’s, inclusief stamboom, bibliografie, register, noten | Uitgeverij Omniboek, Utrecht/VBKU, Antwerpen, juli 2020
Vertaald door Bies van Ede

© Jef Abbeel www.jefabbeel.be 22 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Wild thing
(over het leven van Jimi Hendrix)
Philip Norman


De Britse auteur Philip Norman maakte al naam met zijn biografieën en boeken over Buddy Holly, Elton John, Mick Jagger, Paul McCartney en Eric Clapton. Zijn formule is simpel. Hij beschrijft het leven van de hoofdpersoon en zijn muziekcarrière. Hij voert geliefden op. Daaromheen weeft hij anekdotes rond de randfiguren, die de sterren omringden. En last but not least, claimt hij een onthulling voor de lezer in petto te hebben. Dat verkoopt natuurlijk.


Bij Hendrix valt die onthulling wat tegen. Norman claimt dat de dood van Hendrix in 1970 in raadselen is gehuld. Dat klopt wel, maar er is erg veel over geschreven er zijn documentaires over gemaakt en een heuse speelfilm. Bovendien is de dood van veel andere popartiesten ook in nevelen verpakt. Ik som er even wat op: Sid Vicious, Jim Morrison, Kurt Cobain, Brian Jones om er maar een paar te noemen. Van deze popartiesten weten we ook niet precies hoe ze aan hun einde kwamen. Waren het drugs? Was het bij Cobain het doorgeladen pistool, dat expres op onveilig was gezet. Verdronk Brian Jones na te lang onder water te zijn geduwd in zijn zwembad?
Een andere ‘onthulling’ waarop Norman ons trakteert, is het feit dat Hendrix met Noel Redding, de bassist van zijn band, sex zou hebben gehad. Interesseert ons dat echt?


James Marshall Hendrix werd geboren in Seattle in een gemengd afro-Amerikaans en indiaans gezin. Zijn vader was in het leger en doopte hem  Marshall, zijn moeder was 17 toen ze Jimi kreeg en Cherokee. Ze overleed aan de gevolgen van alcoholverslaving. Al vroeg speelde Jimi in bandjes. Uiteindelijk bij Little Richard (Tutti Frutti) waar hij discipline kreeg. Toen The Animals van Eric Burdon door Amerika toerden ontdekte Chas Chandler de goed spelende Hendrix. Hij haalde hem naar Engeland.


Hendrix wilde een band zoals The Cream. Een drieman formatie, bas, drums, sologitaar. Met Noel Redding en Mitch Mitchell vormde Hendrix The Jimi Hendrix Experience. En de band had al snel een nummer één hit met Hey Joe. Na de beschrijving van dit succes begint ook het boek te kolken en te zwalpen. Hendrix raakt in een roller coaster van drank, sex en drugs verzeild, maar houdt zich nog redelijk staande. Eén van zijn vriendinnen moet de aanvoer van groupies regelen, een roadmanager zorgt voor de drugs. Hendrix wordt een aantal keren gearresteerd voor drugsbezit.
Hij kent veel popmusici van dat moment en ze bewonderen hem allemaal.


Nog meer hits komen uit zijn gitaar en hij neemt lp’s op, die goed verkopen. Het geld stroomt binnen. Hendrix staat naast de bacchanalen die hij aanricht ook bekend als verlegen en teruggetrokken. Vreemd dat dit altijd wordt gezegd van lieden, die de boel uit de hand laten lopen. En dat laat Hendrix. Vrouwen raken zwanger, want Hendrix deed het liever zonder. Hijzelf krijgt een aantal malen een soa. Net alsof het allemaal niet erg genoeg is raakt hij aan de heroïne, een gevaarlijk middel. Het concert dat later bekend zal staan als The Band of Gypsies, komt niet uit de verf omdat de heroïne-aanvoer stokt.


Zijn monumentale lp Electric Ladyland wordt aanvankelijk te experimenteel gevonden, maar geldt later als een unicum in de popgeschiedenis. Hendrix speelt nu op grote festivals. Het bekende Woodstock-festival waar hij sluitstuk is in de modder, eindigt hij met het Amerikaanse volkslied aan flarden te spelen, The Star Spangled Banner. Een protest o.a. tegen de Vietnamoorlog.


Maar Hendrix produceert ook schitterende poëtische teksten (jammer dat Norman daar niet meer over vertelt):


The Wind cries Mary


After all jacks are in their boxes
And the clowns have all gone to bed
You can hear happiness staggering on down the street
Footprints dressed in red


And the wind whispers Mary


A broom is drearily sweeping
Up the broken pieces of yesterday's life
Somewhere a queen is weeping
Somewhere a king has no wife


And the wind, it cries Mary


The traffic lights they turn a blue tomorrow
And shine their emptiness down on my bed
The tiny island sags downstream
'Cause the life that they lived…


And the wind screams Mary


Will the wind ever remember?
The names it has blown in the past
And with its crutch, its old age and its wisdom
It whispers "no, this will be the last"


And the wind cries Mary


Zou hij dan toch de verlegen poëet zijn geweest, die in de verkeerde film terecht was gekomen? Op een van de laatste foto’s genomen voor zijn dood, zien we hem druiven plukken teder en aandachtig. Zonde van zo’n begaafd mens!


ISBN 9 789400405578 | Softcover | 480 blz.| uitg.Thomas Rap| augustus 2020
vertaald door Frits van der Waa

© Karel Wasch, 10 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Vikingen
Een nieuwe geschiedenis
Neil Price


In de jaren zestig van de vorige eeuw waren de dikke handboeken van J. de Rek heel populair bij docenten die het vak geschiedenis doceerden. Die handboeken waren ook voor mij de basis van mijn lessen toen ik zelf voor de klas kwam te staan. De Rek was hoofdonderwijzer op een school in de omgeving van Lunteren. Tijdens de oorlog redde hij tientallen Joden uit Amsterdam door ze in de omgeving van Lunteren te laten onderduiken. De Joodse historicus J. Presser, van wie hij vóór de Tweede Wereldoorlog les had gehad, nam hij in eigen huis op. In 1943 werd De Rek leraar geschiedenis aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam. Vanaf 1998 leerde ik die school goed kennen toen ik op een zusterschool onder hetzelfde bestuur kwam te werken.


Ik heb eens opgezocht wat De Rek in deel I van zijn standaardwerk te melden had over de Vikingen (Van Hunebed tot Hanzestad, blz. 138). Mijn idee was dat die tekst wel verouderd zou zijn in het licht van het boek van Neil Price over de Vikingen. Tot mijn verrassing is de tekst van De Rek echter nog steeds actueel. Hij schrijft dat de Vikingen een slechte naam hebben, maar dat dit komt omdat monniken de geschiedschrijvers van hun tijd waren. En de Vikingen plunderden eerst en het grondigst de kerken en kloosters leeg. Daar viel het meeste te halen voor de plunderaars. Modern archeologisch onderzoek heeft echter aangetoond, aldus De Rek, dat de Vikingen pioniers waren op het gebied van handel en op technisch en artistiek gebied erg begaafd waren. “Aldus hebben zij een belangrijke bijdrage geleverd voor de bouw van het moderne Europa”. Deze beschrijving van De Rek is, als je naast het boek van Price legt, nog steeds accuraat, ook 60 jaar na dato.


Price baseert zijn studie over de Vikingen ook op archeologisch onderzoek dat na de jaren zestig is voortgezet en dus nog meer inzichten en gegevens oplevert dan in de tijd van De Rek. Daarnaast is van belang dat Price schrijft vanuit het perspectief van de Vikingen zelf en niet vanuit het standpunt van de slachtoffers. Het levert een gedegen en meeslepend geschreven boek op. Hier geen droge kost, maar boeiende geschiedenis.


Het boek opent met acht kaartjes die inzicht geven over het woongebied van de Vikingen en hun ontdekkingsreizen en strooptochten.
In het Woord Vooraf geeft de schrijver aan dat de Vikingen in de periode tussen 750 en 1050 na Chr. de politieke en culturele kaart van Europa hebben getransformeerd. Het zijn niet alleen plunderaars en brandstichters, maar ook de exporteurs van nieuwe ideeën en technieken.


Deel I beschrijft het thuisland van de Vikingen, hun huis, hun sociale netwerk, hun wetten, hun religie en hun omgang met de doden.
Deel II bespreekt de veroveringstochten van de Vikingen.
Deel III de nieuwe wereld die als gevolg van de maritieme expansie van de Vikingen is ontstaan en het einde van het Vikingtijdperk.

Uit de overvloed van thema’s kies ik er drie die ik beknopt uitwerk.


De Vikingmaatschappij wordt als patriarchaal (1) gezien. Volgens dit boek bezaten vrouwen echter een grote mate van zelfstandigheid en vrijheid. Vrouwen konden gemakkelijk van hun man scheiden en dat kwam ook regelmatig voor (blz. 119). Vrouwen hadden de leiding over de boerderij. Ze konden het woord voeren in de rechtszaal, bezaten land, dreven handel. En vooral in de cultus vervulden ze een prominente rol. Politiek bleef aan mannen voorbehouden (blz. 163). Ook was het niet acceptabel dat vrouwen zich als mannen kleedden (blz. 176).


Op een ander thema scoren de Vikingen helaas heel slecht. Het was een slavenmaatschappij (2). “Het resultaat van de plundertochten en militaire campagnes was een enorme toename van het aantal slaven in Scandinavië” (blz. 148).  Slavinnen konden het extra slecht treffen als zij seksueel misbruikt werden door hun eigenaar. “De slavenhouder kon per definitie niet worden beschuldigd van verkrachting van zijn eigen slavin omdat zij als bezitting geen rechten had binnen zijn huishouden en hij met haar lichaam kon doen wat hij wilde.” (blz. 151) Achter deze droge zinnen gaat het verdriet, de angst en het leed schuil van duizenden mensen die her en der in Europa plotseling weggerukt werden uit het gewone leven.


Schapen waren vanwege de wolopbrengst (3) erg belangrijk voor de Scandinavische samenleving. Wol werd gebruikt voor het maken van de zeilen, voor dik gevoerde kleding op zee, voor dekens, tenten, touwen en tuigage. Alleen voor de zeilen was al een jaarproductie van ongeveer twee miljoen schapen nodig. De enorme behoefte aan wol had tot gevolg dat er grote kudden schapen werden gehouden. En dat bracht weer veel bedrijvigheid met zich mee. Herders, scheerders, spinners, wevers, ververs, waren er druk mee. Maar de werkomstandigheden in de schuurtjes waren meestal afschuwelijk. Het eentonige werk in de slecht verlichte gebouwen was funest voor de ogen. De rondzwevende woldeeltjes werden met elke ademtocht de longen ingezogen. De lucht was bedompt en vervuld van hoestgeluiden. In de duisternis van de winter was alles nog erger en werd er alleen bij het licht van kaarsen gewerkt (blz. 379).


De kerstening van Scandinavië heeft geen merkbare matigende invloed gehad op de scherpe kantjes van de Vikingmaatschappij, zoals slavernij en plundertochten. Het boek maakt er in ieder geval geen melding van. Lokale heersers gingen over tot het christendom en de bevolking volgde, maar oude gebruiken bleven voortleven (blz. 428-429).


Op blz. 209 staat een wat warrige passage over de ‘godsdiensten van het boek’ die gehoorzaamheid van de gelovigen vragen, wat belangrijk is voor de goedkeuring van de goden. Maar de godsdiensten van het boek (Jodendom, Christendom en Islam) zijn strikt monotheïstisch.


Neil Price schreef een fascinerend boek over de Vikingen. Het Wikipedia-artikel over de Vikingen zal op een aantal punten bijgesteld moeten worden. Zo meldt Wikipedia dat overbevolking een belangrijke factor was voor het ondernemen van de lange en gevaarlijke reizen over zee. Maar volgens dit boek was er geen sprake van overbevolking. “Demografie is zelfs de minst overtuigende verklaring voor de plundertochten” (blz. 309).


In het boek staan verder veel afbeeldingen en er is ook nog een prachtig kleurenkatern opgenomen. Een uitgebreid overzicht van bronnen en een register sluiten het geheel af. Het boek beveel ik van harte aan.


Neil Price is hoogleraar archeologie aan de Universiteit van Uppsala. De vertaling is van Roelof Posthuma.


© Henk Hofman, 8 september 2020

ISBN 9789046827116 | Paperback | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | Omvang 588 blz. | september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of klik HIER

 

Allemaal de schuld van Montgomery
De familie Van Rossem in de laatste oorlogsmaanden
Maarten van Rossem


Wat is er ‘allemaal de schuld van Montgomery’? Montgomery zou volgens Van Rossem verantwoordelijk zijn voor het mislukken van operatie Market Garden in september 1944 met als gevolg dat de Tweede Wereldoorlog met enkele maanden werd verlengd en het Westen van Nederland de hongerwinter moest doorstaan. De ijdele Montgomery was jaloers op het succes van de Amerikaanse generaal Patton en hij gokte erop dat het Duitse leger op instorten stond. Een snelle opmars vanuit Brabant via Nijmegen en Arnhem naar het noorden van Duitsland zou bijdragen aan de snelle beëindiging van de oorlog in West-Europa. En dat zou dan te danken zijn aan Montgomery en aan de Britse strijdkrachten. Montgomery haalde Eisenhower over om toestemming te geven. De Amerikaanse opperbevelhebber vond Montgomery ‘een egocentrische psychopaat’, (blz. 29) maar gaf toe. Het plan liep uit op een ramp. Volgens Van Rossem had Montgomery zich eerst op de vrije toegang van de haven van Antwerpen via de Schelde moeten richten, zodat de bevoorrading van de geallieerde legers veilig was gesteld.


Eens kijken wat andere auteurs over Montgomery en Market Garden hebben op te merken.


Max Hastings schrijft ook uitvoerig over het falen van Montgomery in deze fase van de oorlog. Na de oorlog zou Montgomery (die vrijwel nooit een fout toegaf) hebben erkend dat het niet vrijmaken van de aanvoerroute naar Antwerpen ‘een zware vergissing’ was (Bron: De slag om Duitsland, 1944-1945, blz. 49). Hastings noemt Montgomery een ‘merkwaardige’ man, wel gerespecteerd door zijn ondergeschikten, maar toch ‘een onaangename persoonlijkheid’ (blz. 56).


Ian Kershaw noemt Montgomery ‘arrogant’ en ‘eigenzinnig’. Het niet-veroveren van de Scheldeoevers en het mislukken van Market Garden was ‘een kostbare vergissing’ van hem (Bron: Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945, blz. 80).


Antony Beevor dist hetzelfde verhaal op in “De Tweede Wereldoorlog” (blz, 357, 417, 585). In “De slag om Arnhem” noemt hij operatie Market Garden ‘van meet af aan een heel slecht plan’ (blz. 57). Maar Montgomery gaf de Amerikanen de schuld. Die zouden onvoldoende steun hebben gegeven. Stuitend is ook dat de Poolse generaal Sosabowski, die vanaf het begin de zwakke plekken in Market Garden had onderkend, een gebrek aan leiderschap werd verweten en dat hij de laan werd uitgestuurd. Er zijn dus redenen te over om Montgomery in de woorden van Churchill ‘onuitstaanbaar’ te vinden. (Bron: Norman Stone, De Tweede Wereldoorlog. Een beknopte geschiedenis, blz. 178).


Wie je ook raadpleegt, de historici zijn het erover eens dat de ijdele Montgomery verantwoordelijk is voor het mislukken van Market Garden, al gaat Eisenhower niet geheel vrijuit. Met als gevolg een humanitaire ramp voor Nederland. De titel van dit boekje is dus begrijpelijk en Van Rossem overdrijft er niet mee. In zijn eigen woorden: “Het is wat gechargeerd, maar het kan toch redelijk worden volgehouden: ‘Het was allemaal de schuld van Montgomery’” (blz. 44).


De beschrijving die Van Rossem geeft van operatie Market Garden is glashelder. De twee kaartjes aan het begin van het boek maken het verloop van de veldslag heel inzichtelijk. Hier hanteert een vakman de pen. In kort bestek zet Van Rossem de lijnen uit: de strategische fouten die zijn gemaakt; de gevechtspauze na de inname van Antwerpen (waardoor de haven nog maandenlang niet bruikbaar was voor bevoorrading), de onderschatting van de Duitse gevechtskracht, de keuze van de landingszones en de spreiding van de landing over drie dagen. Interessant is de Duitse analyse die we op blz. 42 aantreffen.


Het volgende deel van het boekje gaat over de nasleep van de Slag om Arnhem: de evacuaties en de Hongerwinter. Het is weer een interessante beschrijving. De Hongerwinter was primair een transportcrisis. Er was ruim voldoende voedsel in Nederland, maar het was slecht verdeeld. De regering in Londen weigerde de staking van het treinpersoneel ongedaan te maken. Daarmee is ze ‘medeschuldig aan de Hongerwinter’ (blz. 61). De Duitsers hadden geen last van de staking, maar voor de bevolking betekende het dat de aanvoer van voedsel en brandstof kwam stil te liggen.


Van Rossem merkt terecht op dat de piloten van geallieerde vliegtuigen werkelijk op alles schoten. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen vriend en vijand, militair en burger. Hetzelfde geldt voor heel veel eindeloze artilleriebeschietingen, die geen militaire betekenis hadden maar wel van bijvoorbeeld Wageningen ‘een dode stad’ maakten. Een observatie waar niets op af te dingen valt. Dat geallieerde soldaten onder andere Nijmegen leegplunderden, is ook geen beste beurt.


Boeiend zijn de cijfers die Van Rossem verstrekt over de Hongerwinter en de gevolgen daarvan. Dat er vooral ouderen overleden, ligt voor de hand. Maar dat er twee keer zoveel mannen stierven aan ondervoeding dan vrouwen is frappant. Is de verklaring dat mannen kwetsbaarder zijn dan vrouwen? Weer wel begrijpelijk is dat het voedselgebrek van moeders verbazend negatieve gezondheidseffecten op de lange termijn had en zelfs in een volgende generatie doorwerkt. Van Rossem baseert dit op grootschalig onderzoek dat in 1994 is gestart en met tussenpozen wordt herhaald.


Het historische verhaal over het laatste oorlogsjaar wordt afgewisseld met brieven die grootvader Arnold van Rossem schreef tussen september 1944 en juni 1945. De brieven getuigen van de zorg die men voor elkaar had, maar ook van meeleven met anderen die het zwaar hadden in de laatste oorlogsmaanden. De brieven zijn natuurlijk vooral van belang voor de naaste familie en vrienden. Buitenstaanders krijgen uit de brieven een beeld van de misère, de honger, de uitputting, de onzekerheid en de angst die het leven van de bevolking tot een hel maakten. “Hoeveel je ook over die oorlog leest, de waanzin schemert er ten slotte altijd doorheen”, schrijft Van Rossem (blz. 99).


Maarten van Rossem is een scherpzinnig historicus. Hij staat echter ook bekend om de stellige uitspraken die hij kan doen. Dat valt in dit boek erg mee. Hij geeft zijn mening in klare taal en goed gefundeerd. Eén keer vliegt hij wat mij betreft wel uit de bocht als hij klakkeloos en plompverloren mensen gelijkstelt met dieren (blz. 98).


Een enkele maal zou een toelichting gewenst zijn, ook al blijkt uit het verband wel dat een ‘salamander’ een kachel is geweest. Maar waarom wordt deze ‘salamander’ genoemd? Weer een ander kacheltje stond bekend onder de naam ‘bolsjewiek’. Wat is de achtergrond daarvan? Ik lees over ‘topinamboers’. Het blijken aardperen te zijn. Op internet zie ik recepten staan om er soep van te maken.


Dit zijn een paar opmerkingen in de marge van wat een heel aantrekkelijk en heel leesbaar boek is geworden.


Maarten van Rossem was bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Hij heeft een groot aantal boeken op zijn naam staan en is betrokken bij verschillende televisieprogramma’s.


ISBN 9789046827864 | Hardcover | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | Omvang 128 blz. | 8 september 2020

© Henk Hofman, 7 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Allen tegen allen
De lange winter van 1933 en het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog
Paul Jankowski


Het scharnierpunt van dit boek is het jaar 1933. Het internationale overleg na WO I over herstelbetalingen, schuldensanering en ontwapening mislukte. De Volkenbond verloor zijn grip op de wereldpolitiek. Japan, Italië en Duitsland konden ongehinderd een agressieve buitenlandse politiek voeren. Landen konden het nergens meer over eens worden. Vandaar de titel van dit boek. Vanaf 1933 bevond de wereld zich op de weg die naar de Tweede Wereldoorlog leidde.


Maar wie zag dat aankomen? Het antwoord is: vrijwel niemand. Zodra Hitler aan de macht kwam, voerde hij censuur in, arresteerde hij politieke tegenstanders, vervolgde hij de Joden, verbood hij partijen en verenigingen. En toch schreven kranten in binnen- en buitenland dat Hitler had beloofd de grondwet te zullen respecteren en dat men op die garantie moest vertrouwen. De Angelsaksische pers besteedde amper aandacht aan het toenemend geweld in Duitsland. De Daily Express schreef het antisemitisme in Duitsland toe aan Joden die zich wereldwijd verenigden om een economische en financiële oorlog tegen Duitsland te voeren (blz. 334). De Times vond dat het geweld in Duitsland in de eerste plaats een zaak van de Duitsers zelf was (blz. 335). De New York Times berichtte dat uit niets bleek dat Hitler zich in zijn buitenlands beleid onredelijk zou opstellen (blz. 342).


Wereldwijd sloot men de ogen voor wat men niet wilde zien. Kranten die wèl over de excessen in Duitsland berichtten, zwegen weer over de gruwelen in de Sovjet-Unie (blz. 353). Correspondent Walter Duranty berichtte in zijn krant dat de Sovjet-Unie grote economische problemen had waaraan het regime zeer bekwaam het hoofd bood. Op dat moment stierven in Oekraïne miljoenen mensen de hongerdood. Die hongersnood wordt nu toegeschreven aan het wanbeleid van Stalin. Maar tijdgenoot en bekend schrijver André Gide vond dat de Sovjetterreur de belofte van een grootse toekomst inhield (blz. 355).


Wie dit boek leest, stelt zich als vanzelf de vraag hoe het staat met de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de hedendaagse berichtgeving. En daar blijft het niet bij. In de tien jaar voor de Tweede Wereldoorlog werd een politiek van ‘appeasement’ gezien als ‘verstandig nationaal beleid’ en niet als een vorm van ‘lafhartige capitulatie’ (blz. 349). Hoe staat het met het beoordelingsvermogen van de huidige wereldleiders?


Paul Jankowski beschrijft de dilemma’s waar de grote mogendheden voor stonden en hun onvermogen om tot samenwerking te komen. In westerse democratieën spraken veel ‘progressieven’ zich uit voor collectieve veiligheid en voor vrijhandel. “Maar diezelfde progressieven deinsden ook terug voor het verdedigen van deze beginselen als de risico’s te groot dreigden te worden” (blz. 430). Vanaf 1933 keken drie roofzuchtige landen (Italië, Japan en Duitsland) hoe ver zij konden gaan bij drie landen die een beleid van isolement en appeasement volgden (Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk). Na zeven jaar mondde dat uit in een vernietigende wereldoorlog.


Uit dit boek blijkt hoe moeilijk het is om gebeurtenissen te duiden als je midden in een proces zit. Slechts enkelen slagen erin om het dieperliggende patroon te zien en te onderkennen waar dat op uit loopt. Selectieve berichtgeving en kortzichtig beleid van politici, die herkozen willen worden, is funest.


Het proza van Jankowski is best ingewikkeld. Desalniettemin schreef hij met grote kennis van zaken een belangwekkend en actueel boek. Als we grote fouten uit het verleden in de huidige constellatie willen vermijden doen we er goed aan kennis te nemen van dit boek. In de woorden van de schrijver: “Iemand die nu kennisneemt van de kranten uit de jaren dertig ontkomt niet af en toe aan een huivering van herkenning” (blz. 9).


Een paar opmerkingen.


Op blz. 36 gaat het over Tsjang Kai-Sjek. Op blz. 37 wordt hij echter twee keer aangeduid met “Chiang’. Aangezien het om dezelfde persoon gaat, is dat voor de lezer verwarrend.


Vooral in het begin van het boek staan er wat kreupel geformuleerde zinnen. Verderop in het boek kwam ik dat veel minder tegen. Een voorbeeld:


“Toen de Engelse romanschrijver J.B. Priestley de overlevenden van zijn bataljon zeventien jaar nadat hij zijn kameraden bij de Somme had verlaten in 1933 op een reünie boven een café in Bradford terugzag, hoorde hij dat een aantal van hen niet had kunnen komen omdat het daarvoor te arm was” (blz. 44). Een reünie boven een café? Het daarvoor te arm was? (Zij waren daarvoor te arm.)


De Japanse rijksdag wordt ineens iets verderop de ‘Staten-Generaal’ genoemd (blz. 66).


Paul Jankowski is hoogleraar geschiedenis in Massachusetts en is gespecialiseerd in de geschiedenis van het Interbellum (de jaren tussen beide wereldoorlogen). Zijn boek is door de uitgever in een mooi en stevig formaat uitgegeven. De vertaling is van Fred Reurs.


ISBN 9789000348527 | Omvang: 542 blz. | Hardcover | Uitgeverij Spectrum | augustus 2020

© Henk Hofman, 1 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER