Nieuwe recensies Non-fictie

Wankel Evenwicht
De eeuwige strijd tussen staat en samenleving
Daron Acemoglu en James A. Robinson


Dit boek bespreekt de verhouding tussen staat en samenleving. Een staat die te veel macht krijgt, wordt despotisch. Een samenleving met veel macht en daartegenover een zwakke staat vervalt tot anarchie. Het is van essentieel belang dat er een machtsevenwicht is tussen staat en samenleving.


De twee auteurs hebben hun onderzoek breed opgezet. Ze richten zich niet alleen op West-Europa en Noord-Amerika. Ook Latijns-Amerika, Azië (China en India) en Oost-Europa (Rusland) maken deel uit van hun verhaal.  De auteurs beperken zich niet tot de contemporaine geschiedenis, maar nemen de historie vanaf de Oudheid onder de loep.  Dit grondige onderzoek, zowel in de breedte als in de diepte, stelt hoge eisen aan een auteur wat betreft vakkennis en schrijverschap. De meest uiteenlopende onderwerpen uit verschillende perioden moeten in een goede compositie ondergebracht worden. Wat mij betreft, zijn de auteurs daar uitstekend in geslaagd.


Centraal in hun verhaal stellen zij de schaar. Het ene blad is de staat, de andere de samenleving. Om een vrije en welvarende samenleving te krijgen is een sterke staat nodig, die wetten uitvaardigt, de orde handhaaft en publieke diensten levert, met daartegenover een mondige samenleving die de staat controleert en aan de ketting houdt. Als de bladen te ver uit elkaar staan, heeft een van de twee het overwicht. Komen de bladen te dicht bij elkaar dan functioneert noch de staat noch de samenleving goed. Staan de twee bladen in de goede verhouding tot elkaar dan is er een corridor waarbinnen een samenleving tot bloei kan komen. Elke generatie moet die balans zien te vinden en in stand houden. Met behulp van een figuur maken de auteurs de verschillende mogelijkheden heel inzichtelijk.


De rijkdom aan deelonderwerpen in dit boek is zo groot dat ik ervan afzie de lezer een selectie te presenteren. Ik zou de lezer op het verkeerde been kunnen zetten en het boek tekortdoen. Mensen die het nieuws goed volgen krijgen hier verhelderende achtergronden en de historische wortels van hedendaags nieuws gepresenteerd. Misschien kan ik het boek het beste typeren door een citaat van de Duitse theoloog Marin Niemöller (1892-1984; hij heeft zeven jaar gevangenschap in Sachsenhausen en Dachau overleefd) aan te halen (te vinden op blz. 569):


Toen de nazi’s de communisten arresteerden, heb ik gezwegen;

Ik was immers geen communist.

Toen ze de sociaal-democraten gevangenzetten, heb ik gezwegen;

Ik was immers geen sociaal-democraat.

Toen ze de vakbondsleden kwamen halen, heb ik niet geprotesteerd;

Ik was immers geen vakbondslid.

Toen ze de Joden opsloten, heb ik niet geprotesteerd;

Ik was immers geen Jood.

Toen ze mij kwamen halen

Was er niemand meer die nog protesteren kon.


De bibliografie telt maar liefst 23 bladzijden. Er is geen notenapparaat. In plaats daarvan geven de auteurs per hoofdstuk een toelichting en bronvermeldingen. Een originele oplossing, want een uitgebreid notenapparaat maakt een boek meestal minder leesbaar. Uiteraard is er weer wel een register.


Dit boek is een aanrader voor mensen die in een vrije democratie leven of daar naar snakken. Ik heb slechts één opmerking, en ik geef tegelijk toe dat het om een pietluttig detail gaat. Het is een aanvulling en geen correctie. Op blz. 510 staat dat de Nigeriaanse dictator Sani Abacha vermoedelijk aan een overdosis viagra is overleden. Wikipedia vermeldt dat Abacha al jarenlang ziek was en aan een ernstige leverkwaal leed als gevolg van buitensporig drankgebruik. Hij stierf aan een hartaanval. Viagra zou dus inderdaad het laatste zetje gegeven kunnen hebben, maar Wikipedia rept daar niet over.


Daron Acemoglu is hoogleraar economie aan het MIT. James A. Robinson is politiek wetenschapper en econoom. Hij is hoogleraar aan de University of Chicago. Beide auteurs schreven eerder Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm. Dit boek is eveneens bij Nieuw Amsterdam verschenen.


ISBN 9789046824955 | Omvang 640 bladzijden | Paperback | Nieuw Amsterdam | juli 2020

© Henk Hofman, 24 juli 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Slapende leeuwen
Uitzonderlijk hoogbegaafd: is dat nu echt zo anders?
Els De Wit

Dit boek gaat niet over gewoon hoogbegaafde kinderen, maar over 1 op 15 van hen: de uitzonderlijk hoogbegaafden (UHB). En het is het eerste, Nederlandstalige boek over die kleine groep jongeren met een IQ boven 145. Zij hebben andere leerbehoeften dan die 14 hoogbegaafden en zeker dan de gewone begaafden en voor hen is het een enorme uitdaging om te passen in onze bestaande systemen. In het hoofd van zo’n kind zit blijkbaar een leeuw die jaagt op kennis, die constant leerhonger heeft en erkenning wil krijgen voor zijn capaciteiten. Maar hij wordt lui als de uitdagingen niet groot genoeg zijn.


De schrijfster noemt vijf domeinen waarop UHB zich manifesteert en ze legt die ook één voor één uit met concrete voorbeelden: intensiteit, immersie, idealisme (of perfectionisme), asynchroniteit (de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkelingen verlopen niet gelijktijdig), ervaringsgebrek (de feiten begrijpen, maar door de jonge leeftijd de ervaring of emotionele rijpheid missen om ermee om te gaan).
Ze legt tevens uit hoe je als directie, leerkracht, begeleider moet omgaan met UHB, welke voor de buitenwereld ongekende problemen zij en hun ouders kunnen hebben, hoe uitzonderlijk en tegelijk hoe normaal ze zijn, aan welke hoge verwachtingen zij ‘moeten’ beantwoorden.


Zij citeert ook uitvoerige getuigenissen van tieners en vooral van hun ouders. Hierin lezen we o.a. dat deze kinderen telkens nieuwe uitdagingen willen, maar dat ze die ook weer snel beu zijn, dat velen schoolmoe zijn en thuisonderwijs nodig hebben, dat ze vaak teleurstellingen oplopen, met onzekerheid kampen, dat scholen en centra voor leerlingbegeleiding niet weten hoe met hen om te gaan.


Ze vertelt dat er binnen UHB nog niveaus zijn (IQ van 145-159, 160-174, >175) en ze somt een aantal kenmerken ervan op plus de visie van specialisten zoals Dabrowski en Gross. Ze vertelt ook voor welke activiteiten deze kinderen interesse hebben.
In het laatste hoofdstuk vertelt de auteur over haar praktijkervaringen en geeft ze concrete adviezen aan scholen.


Beoordeling

De schrijfster heeft een mooie en krachtige synthese gemaakt van de vele Engelstalige studies over dit onderwerp. Haar boek zit zeer logisch in elkaar, maar de lectuur is niet altijd gemakkelijk. Ze brengt de lezer alvast het bewustzijn bij dat we met UHB anders moeten omgaan dan met gewone kinderen.


Soms kan ik het als leraar van gewoon hoogbegaafden niet volgen; bv. p. 75: “geen feedback geven”. Ik had altijd de neiging om te zeggen dat ze het goed of minder goed gedaan hebben. Maar zij vreest dat er soms onjuiste feedback wordt gegeven: ‘je hebt goed gestudeerd’, terwijl ze misschien vergeten zijn te studeren. Of p. 91: “Deze kinderen zijn niemand verschuldigd om hun potentieel te gebruiken”. Ik vind dat iedereen zijn talenten wél moet gebruiken voor zichzelf en voor de maatschappij. UHB-ers willen hun talenten wel gebruiken voor het goede doel, maar als er te veel nadruk ligt op ‘moeten’, krijgt men soms het omgekeerde effect.
In alle geval: gewoon begaafde kinderen hebben minder problemen dan de UHB.


Nog een detail: in het voorwoord wordt gezegd dat er de laatste twintig jaar steeds meer boeken over hoogbegaafdheid zijn gepubliceerd in Vlaanderen en Nederland, maar die zijn blijkbaar niet relevant voor het onderwerp UHB. Daardoor is de literatuurlijst (p. 284-287) bijna uitsluitend Engelstalig.


Het boek is zeer aanbevolen voor al wie met UHB-kinderen in contact komt als ouder, schooldirectie, lesgever, begeleider.
Bij een volgende uitgave mogen de drukfouten er wel uit.


ISBN 9789464072990 | Paperback | 287 pagina's | Uitgeverij Talentvol, Bornem |  juni 2020
met tekeningen en literatuurlijst

© Jef Abbeel , 23 juli 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Alice Marieke in Tinderland
Een openhartig verslag van 20 tinderdates
M.M. Visser


Tinder... het begrip ken ik wel maar verder weet ik er niets vanaf. Voor mij een aanleiding om eens te lezen wat Marieke over Tinderland te vertellen heeft. Allereerst hoe het werkt:  Je schrijft je in op de tindersite. Je ziet de kandidaten en je swipet naar links als je iemand niets vindt en naar rechts als degene je een leuke match lijkt. Heeft diegene jou ook naar rechts geswipted dan kun je gaan chatten of wat afspreken om elkaar ergens te ontmoeten. Van het een kan het ander komen natuurlijk, want dat is het doel van de site, een nieuwe relatie vinden.


Het boek begint niet zo vrolijk want de allereerste relatie die Marieke aan Tinder te danken had, liep niet goed af. Sterker nog die relatie was zo erg dat ze helemaal gebroken was door die man.


'Deze date brak me. Deze date nam het laatste restje vertrouwen dat ik had in mezelf, de Man, Tinderland, Nederland en de wereld in het algemene weg.
Ik realiseerde dat Willoughby me vakkundig kapot had gemaakt.'


Toch begeeft ze zich, na gesprekken met Richard, haar adviseur en raadgever, opnieuw in Tinderland en beschrijft in dit boek de twintig archetypes die ze dankzij tinder tegenkwam. Op zich kan dat interessant zijn, maar het blijft allemaal nogal aan de oppervlakte. Veel verder dan een beschrijving van de soort foto's die iedereen plaats (of niet) gaat het niet. Je leest geen beschouwingen van karakters en gedragingen van deze archetypes. Alleen wèl over de date met deze archetypes. Maar of deze dates nu écht het type weergeven is nog maar de vraag.


Marieke zoekt ook een hoogopgeleide man die goed gekleed gaat. Dat Marieke goed opgeleid is, wil ze weten ook, ze gaat niet voor minder. Als ze dan ook een afspraak heeft met iemand die achteraf minder hoog opgeleid blijkt en bovendien - in haar ogen - niet goed in de kleren zit, is ze ronduit beledigend. Natuurlijk is het terecht dat ze het niet prettig vindt dat ze voorgelogen is, maar dat geeft haar nog niet het recht iemand zo neerbuigend te behandelen zoals zij doet:


'Maar waardoor ik meteen zag dat je nooit overhemden draagt' vatte ik het overhemdbetoog samen 'is dat je er geen wit T-shirt onder draagt. Mannen die overhemden dragen, dragen daar altijd een wit T-shirt onder. Altijd.'
Wat zijn dat dan voor mannen?' vroeg Joris inmiddels enigszins verbolgen.
'Mannen die gestudeerd hebben,' vatte ik kernachtig samen.


Ze wil dus duidelijk een knappe, sexy, hoogopgeleide man, die wel van een beetje kinky houdt. Daar is niets mis mee natuurlijk, maar zo gauw iemand niet aan een van haar hoge verwachtingen voldoet is ze niet erg vriendelijk, bijna neerbuigend, en haakt ze gelijk af. Iemand écht leren kennen zit er niet in. Maar is degene wèl aantrekkelijk genoeg dan gaat ze er voor, helaas blijkt achteraf diegene toch steeds niet de droomman te zijn die ze voor ogen had.


We lezen dus over haar ontmoetingen met de lolbroek, de lieve, de spirituele, Dom (dominante) etc. man. Het zijn voornamelijk weergaven van de (kennismakings)gesprekken die ze met de heren voerde bij een eerste persoonlijke ontmoeting. Ze gaan een beetje vervelen op het laatst. Een heel enkele keer vindt ze iemand wèl leuk maar ook dat loopt niet goed af, hetzij doordat de man te jong is, of niets meer van zich laat horen of achteraf toch niet zo speciaal is als ze dacht.


Ze heeft ook enkele uitspraken die voor de hoogopgeleide vrouw die ze voorgeeft te zijn, wel  heel vreemd zijn. Ze schrijft bijvoorbeeld bij het archetype De creatieveling/De zichzelf onderschattende man (al een vreemde combinatie op zich) het volgende:


Het mannelijke ego is kwetsbaar, schijnt het. Nou geloof mij maar het is ronduit fragiel. Om dat fragiele ego te beschermen - een dagtaak voor mannen - is het vooral erg belangrijk dat ze nooit. Ik herhaal nooit.
NOOIT
N
O
O
I
T
- een blauwtje moeten/kunnen/willen lopen. Een blauwtje lopen is voor een man eigenlijk een soort sterven Nu ben ik geen man, maar ik kan gewoon bijna voelen hoe dat voelt. Ik denk dat het behoorlijk dicht in de buurt komt van wat wij vrouwen voelen als we verkracht en/of aangerand worden.
= niet leuk.


Nadat ik dit gelezen had, knapte ik behoorlijk af. Hoe durft Marieke een blauwtje lopen te vergelijken met een aanranding of verkrachting.


Het frappante is echter dat Marieke bijna elke date vergelijkt met de akelige Willoughby. Als ze een date heeft met iemand die erg in doen en laten én qua uiterlijk lijkt op deze man dan is ze in de wolken. Eigenlijk is ze gewoon op zoek naar een tweede Wiloughby die haar wèl ziet zitten.


Op zich is het wel knap dat ze haar tinderdates met haar lezers wil delen. Het is toch vrij privé wat je vertelt. Maar het boek voldeed niet aan mijn verwachtingen. Het zijn verhalen over ontmoetingen met mannen die zogenaamd voldoen aan een archetype. Maar deze onderverdeling in type lijkt meer toegevoegd te zijn om het boek interessant te maken. De types zijn niet uitgewerkt, of op een bepaalde studie of richtlijn onderbouwd. Het zijn puur haar bespiegelingen zonder enige kennis van zaken. Dat kan leuk zijn maar ik vond het steeds naast het doel schieten. Het zijn haar eigen ervaringen en het is heel erg persoonsafhankelijk. Je kunt een type niet uit één ontmoeting destilleren. Ondanks alle aanbod op tinder - die je eventueel wel in een categorie kan stoppen als het moet - geeft dat te weinig ondergrond om dit boek te schrijven. Voor iemand die steeds aangeeft erg gesteld te zijn op intellect en diepgaande gesprekken is voor dit boek wel erg weinig onderzoek gedaan om als een 'deskundige' de archetypes te kunnen profileren.


Doorheen het boek staan citaten uit het boek Alice in wonderland. Op zich een leuk idee maar voor mij eerder storend dan relevant. Misschien dat het boek voor andere vrouwen wel een informatiebron is bij het zoeken naar een tinderrelatie, voor mij was dat het niet.


ISBN 9789493172746 | Paperback | 263 pagina's | Uitgeverij Gopher | juni 2020

Dettie, 10 juli 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Habsburgers
De opkomst en ondergang van een wereldmacht
Martyn Rady


In de week van het schrijven van deze recensie verscheen de nieuwe en bijgestelde canon van de Nederlandse geschiedenis. Daarin is de Habsburgse keizer Karel V vervangen door Maria van Bourgondië.
In het boek van Rady krijgt Maria van Bourgondië vijf bladzijden. Voor keizer Karel V zijn vijfentwintig bladzijden uitgetrokken. Dat verschil in aandacht is wat mij betreft heel terecht en begrijpelijk. Geschiedenis is recht doen aan het verleden, en niet recht doen aan eigentijdse opvattingen en daar de geschiedenis op aanpassen. Hetzelfde kan gezegd worden over het venster dat de verzorgingsstaat behandelt. Willem Drees is daar de grondlegger van en niet Marga Klompé. Elke generatie wordt gekenmerkt door een bepaalde tijdgeest en het is de taak van de historicus om daar een waarheidsgetrouwe reconstructie van te geven. Om de canon toe te schrijven naar wat wij nu belangrijk vinden, is beslist onhistorisch. Ons commentaar op het verleden moeten we scheiden van onze beschrijving van het verleden. Martyn Rady doet dat prima.


Zijn boek over de Habsburgers is een schitterend historisch werk geworden. De ondertitel geeft een perfecte samenvatting van het boek. De eerste sporen van het Habsburgse Huis liggen in een grijs verleden, ergens in de 10de eeuw. De ondergang is exact te dateren: in 1918 deed keizer Karel I afstand van de troon. Binnen dat tijdvak groeide het Habsburgse Rijk uit van een bescheiden vorstendom tot een wereldrijk. In de 16e eeuw heerste keizer Karel V over Midden-Europa, de Nederlanden, delen van de Balkan en Italië, Spanje en het koloniale rijk in Midden- en Zuid-Amerika. Het was een rijk waarin de zon nooit onder ging. Gezien de enorme afstanden kon dit rijk geen hechte eenheid zijn. Het werd bijeengehouden door de persoon die erover heerste. Veel gebieden raakten de Habsburgers ook weer kwijt, maar tot het begin van de twintigste eeuw bleven zij dominant in Centraal-Europa.


De Habsburgers hadden hun invloedrijke positie meer te danken aan geluk dan aan geweld. Hun kerngebied lag centraal in Europa. Wegen, tolposten en handel brachten het gebied tot bloei. Daarnaast waren de Habsburgers gelukkig in het sluiten van huwelijken. En daar komt inderdaad de spilpositie van Maria van Bourgondië aan de orde.  Zij trouwde in 1477 met keizer Maximiliaan en bracht de Bourgondische bezittingen die zij van haar vader had geërfd over naar het Habsburgse Huis. Het huwelijk van hun zoon met de Spaanse erfprinses had tot gevolg dat Spanje onder Habsburgse heerschappij kwam. En zo erfde Karel V zijn wereldrijk. Een andere factor voor hun succes was de kinderrijkdom van de Habsburgers. Er was altijd wel een opvolger te vinden binnen de familie.


Nog een reden om dit boek aan te raden is Rady’s stijl van schrijven. Hier geen droge opsomming van feiten. Rady stelt in elk hoofdstuk een persoon en een thema centraal. Zijn beschrijving is levendig en heeft vaak een humoristische ondertoon. Rady portretteert de hoofdpersonen indringend en vakkundig, waarbij anekdotes kleur geven aan het verhaal. Om één voorbeeld uit vele te kiezen: Rady geeft een schitterende beschrijving van het Escorial, het paleis dat Filips II (1527-1598), voor zich liet bouwen en dat paste bij de overtuiging van de koning dat hij een goddelijk plan ten uitvoer bracht. Architectuur en geloof vallen met elkaar samen. In de slaapkamer van Filips II had de vorst via een raam uitzicht op het altaar in de kerk, waar bijna dag en nacht een mis werd opgedragen voor de zielen van overleden familieleden.


Tegelijk biedt Rady echter ook inzicht in de wijze waarop de Habsburgers hun rijk bestuurden. Een rode lijn in het bewind van de Habsburgers is hun toewijding aan het rooms-katholieke geloof. Dat bracht strijd met zich mee met diegenen die ‘het verkeerde geloof’ aanhingen, vooral mohammedanen (de Turken bedreigden het rijk op de Balkan en belegerden tot twee keer toe Wenen) en protestanten, zowel luthersen als calvinisten.


Het boek is voorzien van een stamboom (een goede leidraad bij het lezen), van duidelijke kaarten, twee katernen met kleurenfoto’s, een lijst met aanbevolen literatuur, noten en een register. Kortom: een standaardwerk over een vorstenhuis dat bijna duizend jaar de geschiedenis van Europa beheerste. Rob de Ridder tekende voor een onberispelijke vertaling.


Martyn Rady is historicus en hoogleraar Centraal-Europese geschiedenis aan het University College London. Voor zijn publicaties over het Habsburgse Huis heeft hij eredoctoraten ontvangen van een Hongaarse en Roemeense universiteit.


ISBN 9789000359899 | Hardcover | Omvang 444 bladzijden | Uitgeverij Unieboek/ Het Spectrum b.v. | juni 2020
Vertaald door Robert de Ridder

© Henk Hofman, 24 juni 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Dan is het Godswonder juist des te groter!
Eginhard Meijering


De schrijver van deze brochure gaat in op het denken van Richard Dawkins. Dawkins (1941) is een Britse wetenschapper die wereldwijd bekendheid kreeg met zijn boeken, waarin hij zich presenteerde als een fervent pleitbezorger van de evolutietheorie en een hartstochtelijk bestrijder van het christelijke geloof. Toen Dawkins in Dublin een keer een lezing hield, vroeg iemand uit het publiek aan Dawkins hoe hij dacht over het seksueel misbruik van kinderen door katholieke geestelijken. Dat misbruik was erg, luidde het antwoord, maar een katholieke opvoeding was nog veel erger (David Engels, Op weg naar het Imperium, blz. 96, Groningen, 2020).
Een gepeperde uitspraak en Dawkins krijg met dit type ongenuanceerde uitspraken regelmatig het nodige weerwerk.


Maar hoe pak je dat aan? Sommigen kiezen voor een multidisciplinaire aanpak en bestrijden Dawkins op zowel wetenschappelijke als theologische gronden. Die aanpak tref je aan bij de Britse theoloog Alister McGrath (Dawkins als misvatting. Wat er mis is met het atheïstisch fundamentalisme, Kampen, 2008) en bij Norman C. Nevin (red) die theologen en wetenschappers om bijdragen vroeg voor het boek Should Christians embrace evolution? Biblical and Scientific Responses, 2009). De VU-hoogleraar Gijsbert van den Brink volgt weer een heel andere route. Hij onderzocht hoe ver een christen mee kan gaan met de evolutiewetenschap zonder de kern van de Bijbel op te geven (En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie, Utrecht, 2017).


Meijering wil het wetenschappelijk standpunt van Dawkins niet betwisten, maar wel relativeren. Volgens Meijering zijn veel kritische opvattingen van Dawkins niet nieuw, maar zijn die al verwoord door Celsus in de 2e eeuw na Chr. [Celsus was een Griekse filosoof die rond 180 na Chr. een kritisch boek over het christendom schreef, H.] Het is leerzaam voor christenen om te kijken naar de reactie van kerkelijke woordvoerders uit die tijd. Het is beter om naar aanleiding van kritiek het eigen geloof opnieuw te verwoorden, dan in de verdediging te schieten (blz. 22 en 52). In de woorden van de schrijver: “Ik wil enerzijds duidelijk in de traditie van Irenaeus [een Griekse kerkvader uit de 2e eeuw n. Chr. H.] staan, waarin we als christenen geloven in de traditie van God als de Schepper van hemel en aarde, maar wil anderzijds dat geloof niet bedreigd zien door wetenschappelijke inzichten en het zeker niet verdedigen met het argument dat Dawkins’ wetenschappelijke inzichten niet zouden deugen” (blz. 21).


Vanuit deze respectabele en originele positie bespreekt de schrijver eerst enkele kernopvattingen van Dawkins, om er in een volgend hoofdstuk vanuit zijn positie op in te gaan en te eindigen met een samenvatting en conclusies. Dat is een heel overzichtelijke en goed afgebakende methodiek.


Meijering constateert dat de kritiek van Dawkins zich vooral richt op de inhoud (en niet op de vorm) van het christelijke geloof. Zijn antwoord is dat de wetenschap daar niet over gaat. Daar laat de schrijver het niet bij, want als vanzelf doet zich dan de vraag voor wat de inhoud van het christelijk geloof is. Theologen geven daar heel verschillende antwoorden op. Voor Meijering is de kern: “Jezus Christus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde” (blz. 25). Bij het leven hoort inderdaad ‘worden’ en ‘verandering’, maar het is speculatie dat God Zich ook in een eeuwig proces van wording zou bevinden (blz. 60). Met deze ‘belijdenis’ zet Meijering zich af tegen het idee van een ‘wordende God’. Daarmee onderscheidt hij zich van een bepaalde stroming binnen de christelijke kerk en grenst hij het idee van God af tegen het proces van ontwikkeling dat de evolutiewetenschap in de natuur ziet. Dit is beslist eveneens een markante en originele positie.


In zijn beknopte brochure ziet Meijering kans om veel aan de orde te stellen. De vermeende onredelijkheid van het christelijke geloof; het monotheïsme, jodendom en christendom; goed en kwaad in de wereld; zijn wij bepaald door ons DNA; de functie van wonderen voor het christelijk geloof. Ik doe maar een greep. Regelmatig laat hij zien dat Dawkins het christelijke geloof net even verkeerd begrijpt en dat zijn kritiek daardoor zijn doel mist. Meijering maakt zijn uitgangspunt dus waar: kritiek weerleg je niet door je boodschap te wijzigen, maar door die nauwkeurig te herformuleren.
Meijering is met dit al een waardige en deskundige gesprekspartner van Dawkins.


Een paar kanttekeningen.


Deze brochure is vooral bedoeld voor mensen die het christelijke geloof aanhangen. Maar volgens mij kunnen Dawkins en zijn medestanders ook hun voordeel doen met dit boekje. Zij zijn degenen die hun kritiek op het christelijke geloof moeten herformuleren, omdat hun bezwaren niet op de juiste gronden berusten.


Evolutiegeleerden verschillen onderling op kernpunten van de theorie van mening, eerder ingenomen standpunten worden weer ingetrokken na nieuwe ontdekkingen, sommige standpunten zijn meer speculatie dan resultaat van wetenschappelijk onderzoek. Dit alles biedt naar mijn mening meer ruimte om ook op wetenschappelijke gronden Dawkins te weerleggen dan Meijering aanneemt. Op zich is zijn keuze om Dawkins niet met wetenschappelijke argumenten aan te pakken legitiem, maar er is wat mij betreft ook niets mis mee om het debat te verleggen naar het terrein van Dawkins en deze wetenschapper zich op zijn beurt te laten verantwoorden over zijn stellingname.


Tot slot blijkt uit de laatste bladzijden van de brochure de gepassioneerde betrokkenheid van Meijering bij dit onderwerp. Hij noemt de gedachte van de ‘wordende God’ een ‘sterfhuis-theologie’, waarvoor de jeugd geen enkele belangstelling heeft. Met het wegvallen van een oudere generatie en het wegblijven van de jeugd sterft de kerk uit. Meijering wil de christelijke traditie voortzetten, zo nodig in andere woorden, en weigert de weg op te gaan om de christelijke traditie aan te passen aan moderne wetenschappelijke inzichten en daarmee de kern kwijt te raken. Hij ziet daar geen enkel heil in voor de toekomst van de kerk. Het is God Die de kerk bewaart en zal bewaren. Kerken doen er, denk ik, goed aan om die waarschuwing ter harte te nemen.


Eginhard Meijering (1940) was onder meer lector aan de Universiteit Leiden en is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Hij heeft tientallen theologische publicaties op zijn naam staan. Op hoge leeftijd heeft hij daar deze mooie publicatie aan toegevoegd.


ISBN 9789463459877 | Brochure | uitgave Pumbo.nl | omvang 71 blz. | maart 2020

© Henk Hofman, 18 juni 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER

 

Trouw
Aan mijn man en zijn minnares
Sarah Domogala


Someone I loved once gave me
a box full of darkness.
It took me years to understan
that this, too, was a gift.

            Mary Oliver


Met dit mooie citaat begint Sarah Domogala de brief aan haar man.
Zij woont met hun twee kinderen in Frankrijk, in hun gezamenlijke droomhuis. Hij werkt in Amsterdam en komt zo gauw hij kan steeds naar hen toe. Beiden zijn ze regisseur, maar zij is gestopt. Ze kreeg paniekaanvallen tijdens het werk.


Zij voelt zich als een vis in het water in Frankrijk, vindt het prettig om alleen te zijn in de rijke natuur. Als hij terugkomt verbreekt hij die magie.


"Ik verlang naar het tempo dat er is als ik alleen ben, naar de kwaliteit van de kleine dingen. De geur van natte aarde, het ritme van de rivier, de zon, het ruisen van de bomen. Ik verlang naar iets wat ik nog niet helemaal begrijp, maar dat alles te maken heeft met minder, met bescheiden met simpel, met luwte. Met wat leeft buiten het zicht van de mensenwereld."


Ze probeert het hem te vertellen wat dat verlangen is, maar hij zegt dat ze zich verstopt voor het leven.
Dit is niet het enige wat er speelt tussen hen, er is meer. Er is iets in hun relatie geslopen dat niet meer klopt. Dat waarin ze elkaar haarfijn aanvoelden is verdwenen. Hun altijd aanwezige onzichtbare band is weg. Er is iets met hem, hij is kortaf, kribbig, mijdt haar blik, kijkt haar niet meer rechtstreeks aan. Hij erkent ook dat er iets is, dat hij tijdens zijn autoritten door de bergen huilt. "je kunt mij niet helpen.' zegt hij steeds.


Zij vertelt in haar brief dat ze wel iets voelde maar niets zag. Dat ze toentertijd, vreemd genoeg, letterlijk steeds haar hoofd stootte, alsof ze gewaarschuwd werd, voordat uiteindelijk naar voren komt dat hij een - vijftien jaar jongere -  minnares heeft.
Op dat moment komt de wolf in Sarah naar boven, voelde ze een oerkracht die maakt dat ze, bijna buiten zichzelf om, precies goed kan reageren.


En terwijl ik van wanhoop in elkaar zak, voert zij het woord: Hou je nog van me? Je knikt. Genoeg? Ja, zeg je huilend terwijl je je handen nu helemaal laat zakken. Dan is het nu afgelopen,of ik ga bij je weg, en dat doe ik echt [...]
Wil je me alsjeblieft helpen? Zeg je (hij) terwijl ik voel hoe we vallen en vallen en vallen in alles waar we zo wanhopig van weg probeerden te blijven."


Ze gaan niet scheiden, hebben geen eindeloze ruzies, maar belopen samen de lange moeilijke weg, terug naar elkaar. Sarah is afwisselend woedend, wanhopig, vol liefde en soms zelfs gelukkig. Ze schrijft dat ze onzeker is geworden. Ze voelt zich de ene keer een oude lelijke vrouw, de andere keer verschijnt de wolf weer die haar de kracht geeft om zichzelf weer te accepteren zoals ze is.
De natuur, moeder aarde, is eveneens een grote rust- en tot inkeer brengende factor, iets wat ze prachtig weet te beschrijven.


Toch beseft Sarah dat ze te aardig zijn, elkaar teveel ontzien, er moet absolute eerlijkheid en openheid komen anders redden ze het evengoed niet. En dat komt er.
Die eerlijkheid schept ruimte, geeft lucht, in liefdevolle nietsontziendheid vertellen ze elkaar de waarheid en uiteindelijk maakt dit dat ze een échte verbinding krijgen, zonder valse schaamte, zonder maskers, ze doen zich niet meer mooier voor dan ze werkelijk zijn. En dát is de heling die hun samenzijn enorm verdiept en in feite beter maakt dan het was.


De tweede hobbel die Sarah moet nemen, begint als ze terugkeren naar Amsterdam, daar woont zij ook, de minnares.  Ze kan haar zomaar op straat tegenkomen. Opnieuw besluit Sarah om enorm eerlijk te zijn en schrijft ook aan de minnares een verrassende brief die alleen maar geschreven kan worden door iemand die haar ego voorbij is. Iets wat heel bijzondere gevolgen heeft.


Al met al is het een prachtig en verpletterend indringend verhaal, dat nog een tijdje in je lijf nadendert als het boek gelezen is.


ISBN 9789046826492 | Hardcover | 159 pagina's | Nieuw Amsterdam | april 2020

© Dettie, 14 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Greenfeast
Heerlijke groenterecepten voor de lente en de zomer
Nigel Slater


'Veel van wat ik in het voorjaar en in de zomer bereid, is buitengewoon licht.'

Nigel Slater is volgens eigen zeggen een kok die schrijft. Hij heeft zesentwintig jaar lang wekelijks een kookcolumn geschreven voor The Observer. Hij presenteerde negen televisieseries voor de BBC zoals Simple Suppers, Dish of the Day en Eating Together. Zijn laatste televisiewerk is de driedelige documentaire Nigel Slater’s Middle East, waarin hij reisde door Turkije, Iran en Libanon. Hij interviewde een flink aantal literaire legendes en heeft vele prijzen ontvangen voor zijn boeken en ander werk etc.. Kortom, hij is een enorm veelzijdige man.


In dit boek vertelt hij smakelijk over zijn voorliefde voor eten en hoe hij langzamerhand steeds meer groente begon te eten, gewoon omdat hij zich daar lekkerder bij voelde. Het liefst presenteert hij zijn gerechten in diverse kommen, hij heeft er een passie voor.


'Ik verzamel kommen. Ik vind het heerlijk om kommen te kiezen die het best bij mijn maaltijden passen, diep of ondiep, met of zonder rand, van aardewerk, lakwerk of hout. Het gaat hier niet om kostbare kommen, ik vind gewoon dat iets lekkerder is als je het ergens uit eet waarin het er leuk uitziet.'

'Als het eten in kommen of schalen wordt aangeboden of doorgegeven, komt een tafel tot leven,'


Groenten zijn minder geschikt voor kommen, maar als het kan, gebruikt hij ze wel. 
De recepten zijn niet strikt vegetarisch of veganistisch maar met een aantal kleine aanpassingen wel als zodanig te gebruiken.


De gerechten die hij vervolgens presenteert zijn eenvoudig en veelal gemaakt met kruiden, olie en azijnsoorten die een beetje kookliefhebber wel in huis heeft. Maar het leuke is dat de recepten wel apart zijn. Er zijn ingrediënten die ik niet ken zoals orechiette (pastasoort), burrata (kaas, die gemaakt is van mozzarella en room), ricotta (zachte Italiaanse kaas van koeien- of schapenmelk ) maar ze kosten geen vermogen, zodat het alleen maar leuk is om dat een uit te proberen.


Het zijn vooral de combinaties van ingrediënten die het kookboek anders dan andere kookboeken maakt. Boerenkool met blauwaderkaas en orechiette, een voorjaarssoep van tuinbonen en courgettes, een nagerecht van bramen, appel en marsepein, bloemkool met knoflook en specerijen zoals korianderzaad, komijnzaad, chilivlokken en gemberpoeder, wortelsoep met gegrilde sla enz.

Of je nu 's ochtends, 's middags, tussendoor of 's avonds trek hebt, voor elk moment van de dag zijn er smakelijke lichte recepten te vinden in dit boek. Ook kun je kiezen uit de bereidingswijze, bijvoorbeeld gerechten uit de oven, op de grill of het fornuis . En natuurlijk staan er overheerlijke desserts in.
Bij alle recepten staan onopgesmukte maar fraaie foto's.
Doorheen het boek staan ook verschillende penseelstreken van Tom Kemp. 'Elke penseelstreek drukt iets wezenlijks uit'. Het geeft het boek een speciale uitstraling.


Mijn exemplaar zit inmiddels al vol met smalle papierstrookjes om aan te geven welke recepten binnenkort eens uitgeprobeerd gaan worden. De gerechten prikkelen je nieuwsgierigheid. Het boek is echt een aanwinst in de (groente)keuken!


ISBN 9789059569621 | Hardcover | 320 pagina's incl. foto's | Uitgeverij Fontaine | maart 2020
Afmeting 20,2 x 15,1 x 3,4 cm | Vertaald door Hennie Franssen-Seebregts

© Dettie, 11 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De tijd van het genie
De zeventiende eeuw en de geboorte van het moderne denken
A.C. Grayling


De zeventiende eeuw was in Europa een eeuw vol oorlog en geweld. Op het geheel van honderd jaar is er hooguit vijf jaar ‘vrede’ geweest. Engeland, de Republiek, Frankrijk, het Habsburgse Rijk, Spanje waren in wisselende coalities vrijwel permanent met elkaar in oorlog. De verwoesting van steden en boerendorpen is immens geweest, de ellende voor de bevolking niet te beschrijven. In het hoofdstuk Op de puinhopen van Europa staat een ontluisterende opsomming aan verkrachtingen, martelingen, plunderingen en moordpartijen. In de Duitsprekende delen van Europa kwamen alleen al in de periode tussen 1618 en 1648 een op de drie inwoners om. Op die puinhopen kwamen kunst, wetenschap en literatuur desondanks tot grote bloei.


In de zeventiende eeuw is de grondslag gelegd voor de moderne wetenschap. Het is de eeuw van het genie. Galileï, Newton en anderen legden de basis voor de moderne wetenschap. Descartes en Spinoza deden dat voor de geschiedenis van de filosofie. Hugo de Groot stond aan de wieg van het internationale recht. Hobbes en Locke stelden de spelregels van de moderne politieke theorie vast. Een explosie van geweld en genialiteit gaan met elkaar samen in deze tumultueuze eeuw. Mens, rede en wetenschap komen centraal te staan. Een ingenieus en efficiënt postsysteem maakt een snelle uitwisseling aan informatie en ideeën tussen de toonaangevende wetenschappers mogelijk.


Nieuwe inzichten werden niet direct aanvaard. Galileï werd door de kerk veroordeeld. Heksenprocessen waren aan de orde van de dag. Grayling spreekt zelfs van een massahysterie: iedereen kon beschuldigd en gedood worden. Zelfs kinderen van zeven jaar belandden op het schavot of de brandstapel. En dan was er nog het hardnekkige geloof in occultisme, alchemie en magie. Het kostte veel tijd en inzet voor inzichten gebaseerd op rationaliteit en wetenschap aanvaard werden in de publieke opinie. Uiteindelijk maken alchemie en magie als pseudowetenschappen plaats voor wetenschappelijke observatie en experimenten.


Hoe is het mogelijk dat ondanks de chaos van al die oorlogen een nieuwe manier van denken de kans kreeg? Volgens Grayling hebben de gezagsdragers van toen hun eigen gezag ondermijnd door de oorlogen die ze voerden en de chaos die er als gevolg van het geweld ontstond. Ze verloren hun grip op de samenleving. Daardoor kregen nieuwe ideeën die voorheen met de doodstraf werden afgedaan toch de kans zich te ontplooien. In het slothoofdstuk schrijft de auteur dat goed onderwijs een terugval in oude ideeën moet voorkomen. Hij ziet met name ‘het mentale totalitarisme’ van de Islam als een bedreiging van het nieuwe denken. Ook binnen die religie zou hetzelfde proces van verlichting moeten plaatsvinden (blz. 331 en 374).


Grayling schreef met grote kennis van zaken een prachtig boek.


Een paar kanttekeningen:
- ‘Goed onderwijs’ is al door Griekse filosofen in de Oudheid aangewezen als de sleutel om de mens te verbeteren. Maar de menselijke natuur heeft dat keer op keer in de weg gestaan. Steeds weer laten mensen zich meeslepen door emoties en hartstochten, waardoor conflicten worden uitgevochten en niet opgelost in een gesprek tussen goed onderwezen mensen.
- Het verzet van kerken en christenen tegen de nieuwe manier van denken is niet altijd ingegeven door een achterhaald vertrouwen op traditie en godsdienst. De kern is het verzet tegen het idee dat de rede ook heerst over geloofszaken. Zij stelden hun geloof niet boven de rede. Dat geldt nu ook voor veel moslims.
-Een tweetal foutjes: Het beleg van Wenen vond plaats in 1683 en niet in 1686 (blz. 29). Het is niet de ‘Vierdaagse Oorlog’, maar de Vierdaagse Zeeslag (blz. 116).


A.C. Grayling is het hoofd van New College of the Humanities in Londen en fellow van St Anne’s College in Oxford. Hij schreef en redigeerde meer dan dertig boeken op het gebied van filosofie en wetenschap.


ISBN 9789048832769 | Ebook | Omvang 374 pagina’s | Uitgeverij Hollands Diep | april 2016

© Henk Hofman, 21 juli 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Bloot
Ted van Lieshout


Het begint allemaal met een artikel op zijn weblog, waarin Ted van Lieshout schrijft over het galgenveld Volenwijk (1664) aan de noordoever van het IJ in Amsterdam. Hij had als kind een prent gezien waarop de gehangenen bloot waren en vroeg zich af waarom dat was. Gehangenen waren meestal gekleed. Hij wilde een kinderboek schrijven over dat raadsel maar kwam er nooit achter waarom deze mensen bloot waren.

Naar aanleiding van dit artikel komt hij in contact met ene Frank Oldekerk werkzaam bij het stadsarchief Amsterdam die behoorlijk in de archieven duikt om Ted van Lieshout behulpzaam te zijn. Hoewel Van Lieshout aanvankelijk niet zo gediend is van deze hulp omdat hij er in feite niets aan heeft, de informatie is niet ter zake doende, ontstaat er toch een mailwisseling tussen beide heren.

Van Lieshout heeft inmiddels zijn plan laten varen om over dit specifieke geval een boek te schrijven maar speelt wel met de gedachte om daarvoor in de plaats een kinderboek over bloot in de kunst te schrijven. En daarmee komen we op een gebied dat erg netelig is. Van Lieshout beseft dat je erg moet oppassen met zo'n onderwerp, zeker voor kinderen. Hij deelt zijn gevoelens hierover met Frank Oldekerk, wat kun je wel en niet schrijven? Wat kan aanstoot geven en wat niet? In welke vorm moet je zoiets gieten en hoe presenteer je manlijk naakt? Mag je een beeld van een blote man die in opgewonden staat verkeert, laten zien? Er ontstaat een zeer interessante mailwisseling hierover, waarbij Oldekerk de kritiek niet schuwt.


Het geheel deed me sterk denken aan de briefwisseling van Gerard Reve met Simon Carmiggelt over het werk van Reve. Reve worstelde ook met het onder woorden brengen van zijn homoseksuele geaardheid en dito leven. Hoe kon hij de integriteit behouden zodat mensen niet gechoqueerd zouden raken? Iets dergelijks speelt ook met het kinderboek over bloot. Wanneer wordt het aanstootgevend en wanneer niet, wat is de gulden middenweg?


Daarnaast is Oldekerk nog steeds zeer behulpzaam in het vinden van afbeeldingen en verhalen erbij die Van Lieshout mogelijk kan gebruiken voor zijn boek. Iets wat overigens ook voor de lezer erg apart is om te lezen. Vaak geeft Van Lieshout de voorzet, hij stuurt foto's van kunstwerken met commentaar erbij, en vervolgens komt Oldekerk met aanvullende informatie. Van Lieshout beschrijft zijn bevindingen de nodige humor en zijn verhalen zijn bovenal boeiend, zoals bij het schilderij Zending uit het Paradijs van Tommasso Masaccio:


“Te zien is hoe een engel Adam en Eva wegjaagt uit het paradijs. Ze zijn radeloos en schamen zich voor hun naaktheid. Adam schaamt zich op een andere manier dan Eva, en dát is dan het verhaal wat ik bij het plaatjeskoppel wil vertellen. Adam verbergt zijn gezicht en Eva hara lichaam. Waarom niet omgedraaid? Waarom verbergt Eva net hara gezicht? Waarom houdt Adam zijn hand niet voor zijn piemel? Dat heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met verschillen tussen mannen en vrouwen en met gewoonten die in wereldlijk opzicht niet wezenlijk zijn veranderd.: mannen zijn bang hun gezicht te verliezen en vrouwen voor het verlies van hun eerbaarheid."


Apart is ook dat in vroeger tijden de meeste kunstwerken waarop een naakte vrouw te zien was een titel als zijnde een religieuze voorstelling kreeg, waardoor het gelijk geen erotiek was maar kunst. Van Lieshout vertelt o.a. ook dat het Vaticaan de grootste verzameling erotische kunst heeft omdat deze in beslag werd genomen als zijnde aanstootgevend.
Ook bijna hilarisch om te zien, zijn de takken, bloemen, doekjes en dergelijke die later zijn aangebracht op kunstwerken zoals schilderijen omdat blote geslachtsdelen ineens als lustopwekkend werden ervaren.


Naast mailwisselingen over kunstzinnig bloot geeft Ted van Lieshout ook zichzelf steeds meer bloot. Iets wat Frank Oldenkerk ten ene male weigert om te doen, de deur naar het leven van Oldenkerk blijft dicht, tot grote irritatie van Van Lieshout.
En zoals dat gaat met een mailwisseling komen er meer onderwerpen aan bod o.a. het manlijk naakt, de ervaringen van Van Lieshout met een pedofiele man - waar hij o.a. in Mijn meneer over heeft geschreven - of de toenemende burgerlijkheid inzake bloot.
Dit geheel maakt het tot een interessant en zere prettig leesbaar boek..


In Trouw staat overigens een mooi interview met Ted van Lieshout over dit boek. Een van de vragen is o.a.  Waarom wilde u een boek over bloot in de kunst schrijven? Het antwoord is:


“Ik vind het belangrijk om kunst onder de aandacht van het publiek te brengen. Als mensen zo’n boek inkijken, denken ze misschien: goh, wat een interessante afbeelding, laten we eens in het Rijksmuseum naar het origineel gaan kijken. Of andersom, dat je in Hamburg in de Kunsthalle loopt en ineens bij een schilderij dat je eerder in een boek van mij hebt gezien denkt: nou ja, jou kén ik! Wat toevallig dat ik jou hier tegenkom! Je voelt je dan meteen een beetje thuis."


Het is zo goed als zeker dat Van Lieshout hierin geslaagd is.


ISBN 9789021421025 | paperback met flappen | 182 pagina's | Uitgeverij Querido | maart 2020

Dettie, 15 juli 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Vergeten volkeren
verloren culturen op de kaart gezet
Philip Matyszak


Dit boek beschrijft 40 volkeren uit de oudheid die min of meer in de vergetelheid zijn geraakt. Velen zijn van naam nog wel bekend maar wat weten we er eigenlijk van? Het boek heeft een heldere opbouw in vier delen die de periode van 2700 voor Christus tot 550 na Christus omvatten. Het zijn volkeren ‘die grotendeels zijn vergeten, maar ons niettemin direct of indirect hebben beïnvloed. Of het zijn volkeren waarover we één feitje kennen, terwijl de rest in de vergetelheid is weggezakt’, pagina 10.


Al deze volkeren hebben wel een bijdrage geleverd aan de menselijke beschaving en zijn daarom het onthouden waard. Het gebied van deze volkeren omvat het Midden Oosten, het gebied rond de Middellandse Zee en Europa. Ieder deel begint met een algemene historische inleiding en ieder volk wordt geïntroduceerd met een kenmerkend citaat.

Ik noem enkele volkeren die mij in het bijzonder troffen:

De Akkadiërs zijn het eerste volk dat een eigen staat heeft gesticht; zij leefden van 2334 – 2190 voor Christus. Daarna nemen de Amorieten de leiding in de middenoosterse wereld van hen over en zij bouwen Babylon verder uit. Dit volk is bekend door de codex Hammurabi, genoemd naar de gelijknamige koning van de Amorieten die de nationale wet in een steen, stèle, liet graveren.


De Kanaänieten leefden van 2000 – 700 voor Christus en werden door het Joodse volk verdreven. Zij vonden de kleur purper uit die van gekookte slakken wordt bereid, een proces dat nauw luistert om de juiste, fraaie dieppaarse kleur te verkrijgen.
Van de 12 Joodse stammen is eigenlijk alleen die van Juda over gebleven; hiervan is de naam Jood afgeleid.
De Filistijnen, die voor het Joodse volk vaak een bedreiging vormden, kennen we alleen uit de bijbel. De Joodse rechter Simson huwt met de Filistijnse Delila.


Het volk van de Chaldeeën is bekend van Ur der Chaldeeën waar Abraham vandaan komt. De hangende tuinen van Babylon behoort tot één van de oude wereldwonderen.
De Samaritanen zijn vooral bekend van de gelijknamige gelijkenis van Jezus waarin een Samaritaan een gewonde Jood helpt. Dit is opmerkelijk omdat de religieuze verschillen deze volkeren uit elkaar drijven. Er zijn momenteel nog zo’n 700 Samaritanen in de wereld.


De Nabateeërs zijn vooral bekend vanwege Petra in Jordanië, één van hun steden van waaruit zijn handel dreven.

De Bataven, die leefden van 12 voor Christus tot 350 na Christus, waren weliswaar een klein volk maar waren geducht vanwege hun gevechtskracht.


Veel is onzeker over al deze volkeren omdat er vaak – te – weinig betrouwbare historische informatie voorhanden is. Er is daarom veel mythevorming. Interessant is het afsluitende ‘Echo’s van de toekomst’ waarmee de informatie over elk wordt afgesloten. Desondanks zijn er veel namen en gebeurtenissen die ons wel zijn overgeleverd waardoor de meeste van de hier beschreven volkeren wel een zekere naamsbekendheid hebben.


Het boek is mooi uitgegeven en fraai geïllustreerd.


ISBN 9 789401 916875 | Hardcover | 288 pagina’s | Omniboek | juni 2020

© Evert van der Veen, 11 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De reis van onze genen
Onze geschiedenis en die van onze voorouders
Johannes Krause en Thomas Trappe


Archeogenetica is een nieuwe wetenschappelijke techniek, waarmee erfelijk materiaal ontcijferd kan worden. De methode is ontwikkeld in de geneeskunde, maar is ook toepasbaar binnen de archeologie. Het vak bestaat nog niet lang, maar heeft in redelijk korte tijd al gigantisch veel nieuwe kennis opgeleverd.


Het boek behandelt de grote migratiegolven die sinds de prehistorie over Europa heen zijn gegaan en die het fundament hebben gelegd voor de westerse wereld. “We hebben allemaal een migratieachtergrond en onze genen getuigen daarvan… Het verhaal van Europa is een vooruitgangsverhaal dat zonder migratie en mobiliteit onmogelijk was geweest” (blz. 8). Vooral de route over de Balkan is vanaf de oertijd in gebruik geweest om Europa binnen te trekken. De bestaande bevolking voelde zich bedreigd door de nieuwkomers, zodat grootschalige migratie vaak is uitgedraaid op oorlog.


De archeogenetica geeft antwoord op kernvragen die mensen aan zichzelf stellen: wat bepaalt dat we mens zijn? Waar komen we vandaan? Migratie en de uitwisseling tussen de populaties hebben de moderne mens gevormd en hem gebracht tot de hoogontwikkelde beschaving van onze tijd. Daar is wel een prijs voor betaald. Mobiliteit en infectieziekten zijn met elkaar verbonden. In dit boek bespreken de auteurs levendig en beeldend vreselijke epidemieën zoals de pest, lepra, pokken, tyfus, tuberculose en syfilis. We kunnen ons voorstellen hoe deze infectieziekten door een samenleving heen raasden, die decimeerden en terugbrachten tot een primitief niveau. Wij hebben nu met een uitbraak van het coronavirus te maken en we weten hoe ongelooflijk besmettelijk dit virus is en hoe snel het om zich heen grijpt. Tot nog toe is voorkomen dat de epidemie Middeleeuwse proporties kan aannemen, maar de economische ravage is er al wel.


In tien hoofdstukken bespreken de auteurs de migratiestromen in de loop van de tijd, de verschillende epidemieën en tot slot toekomstige toepassingen en ontwikkelingen van de genetische wetenschap. Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een opvallend mooie kaart. Daar kijk je als lezer een poosje gefascineerd naar voor je het hoofdstuk gaat lezen. Ook de verschillende illustraties zijn een mooie onderbouwing van de tekst.


Het boek eindigt dus met een beschouwing over de toekomst van de genetische wetenschap. In tien jaar tijd heeft de archeogenetica al ontzaglijk veel bereikt. De auteurs verwachten dat er de komende jaren opnieuw grote vorderingen zullen worden gemaakt. Maar deze wetenschap is ook toepasbaar op de geneeskunde en de toekomst van de mens. Met de zogenaamde genschaar kunnen ongewenste genen verwijderd worden en vervangen worden door geselecteerde genen. Zo wordt de ‘designbaby’ mogelijk. Een baby, samengesteld door ouders: gezond, intelligent, sportief, knap.


Een paar opmerkingen

Er is de vraag naar de zekerheid van de uitkomsten van het archeogenetische onderzoek. De auteurs merken zelf al op dat keer op keer ‘zekerheden die soms al tientallen jaren binnen de archeologie bestonden’ sneuvelden (blz. 25). Het valt op dat over de oertijd regelmatig woorden vallen als ‘vermoedelijk’, ‘toeval’, ‘verkeerde berekeningen’, ‘onjuiste interpretatie van gegevens’. Dat houdt toch open dat de stelligheid van wat nu voor juist wordt gehouden in dit boek later toch weer vervangen zal worden door nieuwere inzichten.


Tot slot nog een kanttekening bij de ‘designmens’. De auteurs noemen zelf al dat hier grote juridische en ethische vraagstukken liggen. Maar de druk ligt er van ouders die een gezond kind willen, van een samenleving die ziet dat levens gered kunnen worden met de genschaarmethode. Toch is een waarschuwing hier op zijn plaats. Vóór mensen aan de knoppen van het leven gaan draaien moet er eerst een stevig goed doordacht juridisch en ethisch kader zijn. Laten we ver wegblijven van de eugenetica uit de jaren dertig van de vorige eeuw.


De auteurs schreven een boeiend, helder en actueel boek! Johannes Krause is archeoloog en directeur van het Max Planck Instituut in Duitsland. Thomas Trappe is journalist en schrijft over wetenschap en politiek. Nieuw Amsterdam heeft het boek heel mooi en in een stevige band uitgegeven. De prima vertaling is van Ronnie Boley.


Zie ook het inkijkexemplaar


ISBN 9789046826812 | Hardcover | Omvang 284 blz. | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | juni 2020

© Henk Hofman, 23 juni 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Op weg naar het Imperium
De crisis van de EU en de ondergang van de Romeinse republiek – Historische parallellen
David Engels


Kunnen we lessen trekken uit de geschiedenis? Op zich wel. Maar het is nog niet zo simpel om een gebeuren uit het verleden toe te passen op een vergelijkbare situatie in het heden. Geschiedenis herhaalt zich immers nooit één op één. Leren van de geschiedenis kan ons wel voorhouden hoe we met een crisis om moeten gaan en welke fouten we niet opnieuw moeten maken, maar het betekent niet dat we meteen beschikken over de oplossing.


Volgens sommige deskundigen verkeert de Europese Unie in een crisis: de bevolking groeit niet meer, er is hoge werkloosheid in een aantal lidstaten, integratie met nieuwkomers is een lastig proces, er is sprake van een te hoge staatsschuld en heel de EU heeft met vergrijzing te maken. Het anker van het geloof is losgelaten en een verwijzing naar het christelijke verleden is bewust weggelaten uit de grondslag van de EU. David Engels vergelijkt deze crisis met de ondergang van de Romeinse republiek in de 1e eeuw voor Christus.


Om welke historische parallellen gaat het dan?


De auteur onderzoekt zestien waarden die burgers associëren met de EU. Ik noem er een paar: tolerantie, gelijkheid, zelfverwerkelijking, respect voor andere culturen, democratie, mensenrechten, solidariteit. Per waarde geeft hij aan hoe de EU en de burgers er mee om gaan en daarna onderzoekt hij de gang van zaken in het oude Rome. Om dit toe te lichten werk ik de eerstgenoemde waarde (tolerantie) wat meer uit.


Tolerantie is een kernwaarde van de EU. Maar het was net zo goed een kernwaarde in het oude Rome. De meest uiteenlopende godsdienstige en filosofische stromingen konden hun gedachtengoed vrijelijk uitdragen. Vreemdelingen met een heel andere culturele en religieuze achtergrond konden zich zonder al te veel problemen vestigen binnen de grenzen van het rijk. Het probleem dat de schrijver signaleert in zowel de EU als in de Romeinse republiek is het teloorgaan van het besef van de eigen identiteit: een gedeeld geloof en een gedeeld stelsel van normen. De samenleving werd en wordt zo open dat vervreemding optreedt en onvrede zich baan breekt omdat een deel van de bevolking zich niet laat integreren (blz. 57). De multiculturele en geïndividualiseerde samenleving slaagt er niet in om een nieuwe samenhangende maatschappij tot stand te brengen en dat lukte de Romeinse republiek evenmin. De auteur maakt zich er grote zorgen over dat Europa zich los heeft gemaakt van zijn wortels uit het verleden, maar er tot nu toe niet in slaagt een nieuwe bindende identiteit te ontwikkelen ter vervanging van de oude.


Het is een punt waar ook Paul Scheffer, hoogleraar Europese studies, op wijst in zijn boek De vorm van vrijheid: een open samenleving vraagt om grenzen. Vrijheid zonder grenzen leidt tot het tegenovergestelde van een open samenleving, namelijk een bewakersstaat [zie mijn bespreking op Leestafel.info]. Het komt mij voor dat er op het punt van vrijheid en tolerantie raakvlakken zijn tussen Paul Scheffer en David Engels, hoewel Engels niet verwijst naar Scheffer.


De optelsom van het onderzoek naar alle zestien waarden brengt de auteur tot de conclusie dat het besluitvormingsproces zowel in de EU als in het oude Rome log en bureaucratisch is geworden. Burgers komen daardoor buitenspel te staan en vervreemden dientengevolge van de politiek en van de heersende elite. De EU en de Romeinse republiek in de 1e eeuw v. Chr. hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken: vergrijzing, een stagnerende bevolkingsgroei, een falende integratie met nieuwkomers, individualisme dat ten koste gaat van de gemeenschapszin en consumentisme ten koste van zingeving.


Hoe dat met de Romeinse republiek afliep weten we. De republiek eindigde toen Augustus in 14 v. Chr. aan de macht kwam. Hij hield de oude instituties overeind, maar in feite was hij alleenheerser. Met tal van wetten probeerde hij het verval te keren en de discipline van het voorgeslacht te herstellen. Daarmee legde hij de basis voor een hernieuwde bloei van het rijk, maar nu onder de alleenheerschappij van opeenvolgende keizers. De republiek was afgeschaft en vervangen door de monarchie.


Hoe het met de EU verder zal gaan, weten we niet. Zoals gezegd kent een historicus het verleden, maar is hij daardoor geen profeet voor de toekomst. In een postscriptum behandelt de auteur wel enkele scenario’s.


De parallel tussen onze tijd en het Romeinse Rijk wordt vaker getrokken. Maar dan gaat het meestal om het einde van het rijk in de 5e eeuw. Dit boek biedt een grondige en gedegen analyse van de 1e eeuw v. Chr. en onze tijd. De aanpak om zestien kernwaarden van de EU te vergelijken met die in het Romeinse Rijk in de genoemde periode is beslist origineel. Het levert een helder en boeiend betoog op.


Uitgeverij De Blauwe Tijger geeft vaker spraakmakende boeken uit. Dit boek is een mooi voorbeeld van een feitelijk onderzoek wars van retoriek met verontrustende resultaten. Ongegrond optimisme is onverantwoord en bovendien laf, stelt de schrijver (blz. 259). Er is een andere mentaliteit nodig om grenzen te stellen, de gemeenschapszin te bevorderen, economieën waar nodig te saneren en de positie van het gezin te versterken.


Tal van tabellen verduidelijken het betoog. Het boek wordt afgerond met een uitgebreid notenapparaat, tevens bibliografie, en een register. Kortom: een belangwekkend boek, dat een waardevolle bijdrage levert aan het gesprek over de toekomst van de EU.


David Engels (1979) is historicus klassieke oudheid. Vanaf 2018 is hij hoogleraar aan het Instytut Zachodni in het Poolse Poznan. Met  Imperium verwierf hij internationaal grote bekendheid.


ISBN 9789492161666 | Paperback | Omvang 320 blz. | Uitgeverij De Blauwe Tijger | januari 2019

© 16 juni 2020, Henk Hofman

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

De wilde stilte
Raynor Winn


"Verlies bevrijdt je. In de lege ruimte die achterblijft kan alles gebeuren. Iets uit niets."


Deze positieve woorden komen uit de pen van Raynor Winn. Maar voor ze dit überhaupt kon opschrijven heeft ze het nodige moeten overwinnen en doorstaan.


Raynor, de krachtige vrouw uit het boek Het zoutpad, waarin ze vertelt over het verlies van hun huis en overige bezittingen én over de trektocht van bijna duizend kilometer die zij met haar man Moth aflegden met niets anders dan een tentje en een heel klein maandelijks inkomen. De vrouw die door bleef gaan ondanks het bericht vlak voor hun wandeling dat Moth een dodelijke ziekte had en zich vooral niet teveel mocht inspannen. De vrouw die hem moed in sprak en ondanks alle reacties van mensen die hen maar vieze zwervers vonden, toch optimistisch bleef en bleef geloven in de goede afloop. De vrouw die haar man zag opknappen - tegen alle verwachtingen in - juist dankzij de lange tocht die ze maakten.


Deze vrouw voelt zich nu zowel letterlijk als figuurlijk opgesloten in haar huidige leven. Alles in haar lijf verlangt naar de wilde stilte van de natuur, naar de pure wereld, maar ook verlangt ze naar de man die ze al zo lang kent, haar vriend, haar minnaar, haar alles.
Ze is haar rust kwijt nu ze in een heel klein appartementje achterin een kerk woont en Moth dagelijks naar de universiteit gaat om zijn gedroomde opleiding te volgen. Ze kan haar draai niet meer vinden en moet af en toe, al is het midden in de nacht naar buiten, naar de zee.


Ik zag hem niet, maar ik wist dat hij er was. Ik voelde de kust in beide richtingen trekken en toen ik mijn armen wijs spreidde en opging in de onzichtbare, grillige, bekende vormen, werd mijn adem wind, net als ikzelf.


Ze moet machteloos toezien dat haar geliefde Moth weer zieker wordt, magerder wordt, en nu ook steeds kleine stukjes van zijn geheugen kwijtraakt. Ze wil hem en zijn standvastige geest niet kwijt maar weet dat ze hem in beide opzichten toch kwijt zal raken en dat doet pijn, enorm veel pijn. Ze wil hun leven, hun herinneringen, vasthouden maar het ontglipt hem telkens weer en steeds vaker. Het is schrijnend te lezen hoe wanhopig ze haar eenzame strijd hierin voert.


Dus, terwijl Moth elke dag naar de universiteit gaat probeert Raynor met zichzelf in het reine te komen, met zichzelf te leven, zichzelf te leren kennen en vooral haar angsten te overwinnen, want de moedige vrouw van Het zoutpad is ook de vrouw die moeite heeft met de buitenwereld, met de maatschappij, met mensen. Vooral na het verlies van het huis en de lange trektocht over het zoutpad is haar vertrouwen in mensen geschaad. Ze durft zich niet meer open te stellen. Bovendien mist ze Moth verschrikkelijk. Hij is de man waar ze blind op vertrouwt, zonder hem is alles anders, onveiliger.


Maar dan komt het bericht dat het slecht gaat met haar moeder... Wat volgt is een van de mooist geschreven passages over het afscheid nemen van een ouder die er te lezen zijn. Raynor wil dit per se alleen doen, ze wil Moth zijn voorland niet laten zien. Waaruit opnieuw blijkt hoe sterk ze ook is, ondanks haar angsten en twijfels.  De confrontatie met zichzelf is heftig, maar de herinneringen aan haar jonge jaren op het platteland, de ontmoeting met Moth, het leven met hem louteren haar ook. Het zijn ontroerende terugblikken, vol liefde geschreven, rijk van wijze gedachten en diepe ervaringen die ze in haar bijzondere leven opgedaan heeft. Langzamerhand verdwijnt de onrust.


Er ontstaan weer plannen, ze gaat weer naar buiten, ontmoet plaatsgenoten, krijgt weer vertrouwen in de mensen. Ze gaat schrijven, voor Moth, zodat hun leven bewaard blijft. Uiteindelijk wordt het een boek, dat tot haar stomme verbazing nog gedrukt wordt ook. Het is zelfs een succes. Opnieuw moet ze haar angsten overwinnen, spreken in het openbaar is, op zijn zwakst gezegd, niet iets wat ze met plezier doet. Maar Moth zit in de zaal...


En dan komt er dat aanbod van een man die haar boek gelezen heeft, Moth en zij mogen wonen in een prachtige oude boerderij in de heuvels van Cornwall. De man had een droom... Hij wilde het door landbouw verarmde land teruggeven aan de natuur...  Het wordt uiteindelijk ook Raynors en Moths nieuwe droom. Want:


Verlies bevrijdt je. In de lege ruimte die achterblijft kan alles gebeuren. Iets uit niets.


ISBN 9789463821049 | Paperback | 318 pagina's | Balans | juni 2020
Vertaald door Annemie de Vries en Anne-Marie Vervelde

© Dettie, 14 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER