Nieuwe recensies Non-fictie

Zelfontplooiing voor hooggevoelige mensen
Dagelijkse tips voor empathische mensen
Judith Orloff


Judith Orloff (juni 1951) is hoogleraar in de psychiatrie, deze titel houdt in dat zij probeert mensen met psychisch lijden, en hun naasten, bij te staan met vernieuwende zorg en wetenschap. Ze is gespecialiseerd in het behandelen van empaten en hooggevoelige mensen (HSP-ers). Zij wordt wel de grondlegger van de empathische beweging genoemd.


Empaten kunnen letterlijk andermans pijn voelen, als een spons, en overnemen. Ze kunnen helderwetend of heldervoelend zijn en bepaalde situaties ‘voorspellen.’ HSP-ers hebben dat minder of niet.
Beiden zijn wel erg gevoelig voor geluid, geur en prikkels, en hebben veel  behoefte aan tijd alleen doorbrengen en kunnen slecht tegen groepen. Ze houden ook erg van de natuur, waar ze in opladen, en vinden ze het belangrijk om andere mensen te helpen. (bron: https://www.mynd.nu)
Als je een HSP-er bent kun je je gevoelens op een andere manier leren hanteren dan empaten. Voor HSP-ers zou dat bijvoorbeeld kunnen gaan om oefenen in mindfullness en voldoende rust, een empaat moet zich leren wapenen tegen andermans emoties en energie.


Het is voor empaten en HSP-ers soms moeilijk 'om compassie te hebben zonder de stress van anderen en de wereld over te nemen. Zij hebben niet de filters waarover de meeste mensen beschikken. Ze zijn emotionele sponzen. Zij zijn helpers en geven vaak te veel, ten koste van zichzelf' (blz 7/8). Om niet uitgeput te raken moet de HSP-er en empaat leren hoe ze goed voor zichzelf kunnen zorgen zodat ze in balans blijven.
Dit kun je o.a. doen door goed te leren omgaan met de tijd, zowel de tijd van de klok als de tijdloze tijd (zoals opgaan in een boek en de tijd vergeten).
Daarbij zijn er de seizoenen die ieder om hun eigen tijd vragen en hun eigen invloed op de empaat en HSP-er hebben. Sommigen hebben bijv. een winterdepressie of keren in de winter meer naar binnen. Ook de zon en maan hebben grote invloed op de genoemde groep evenals de vier elementen; vuur, lucht, water en aarde.


Al deze aspecten zijn in dit boek vertegenwoordigd. De schrijfster probeert door dagelijkse tips te geven de empaten en HSP-ers te leren omgaan met hun hooggevoeligheid. Elke dag bespreekt ze een aspect en geeft ze een intentie voor de dag waarmee je aan de slag kunt gaan.
Dit kan bijvoorbeeld zijn 'Retour afzender' waarin je leert te kijken welke gevoelens van jezelf zijn en welke je van de ander hebt overgenomen. Deze laatste kun je dan retour afzender sturen zodat je meer energie overhoudt. Daarbij is de intentie dat die dag alles terug zal sturen wat niet van jou is.
Op een andere pagina bespreekt Judith Orloff hoe je empathische vrienden kunt vinden. Veel HSP-ers of empaten werden niet begrepen, mensen vinden dat ze 'te diep gaan' of 'moeilijk doen'. Het is dan prettig om enkele empathische vrienden te hebben die je wél begrijpen.
Ook zegt zij in de tip  'Eerlijk zijn over je emoties' dat het belangrijk is dat empaten accepteren en respecteren wat ze werkelijk voelen. Vaak zijn zij bang dat ze 'te heftig' zijn en zwakken hun emoties af voor de ander. De intentie van de dag is om dat die dag ook te doen.


De 365 tips met intenties beslaan qua tekst een hele of halve pagina en de intentie voor de dag bestaat uit een of twee zinnen. De tips zijn enorm gevarieerd, ze laten de lezers elke dag stilstaan bij een belangrijk aspect van het empatisch en HSP bestaan en leren daarmee HSP-ers en empaten sterker te worden zodat zij niet meer omver geblazen worden door alle dagelijks prikkels en indrukken.
Mooi initiatief waar de doelgroep naar alle waarschijnlijkheid veel aan zal hebben.


ISBN 9789492995483 | Paperback | 406 pagina's | NUR 770 | Uitgeverij Samsara | april 2020
Vertaald door Ananto Dirksen

© Dettie, 22 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Remi
De oorlogsgeschiedenis van twee broers
Frank van Kolfschooten


Voor in het boek staan de stambomen van de familie Goudeket en Gezang. Als je nog niet wist wat voor boek je gaat lezen, dan is het meteen duidelijk: het zijn Joodse families en een groot aantal is omgekomen in de oorlog. Over hun lot is geen onduidelijkheid. Toch verkeerde Eddy Gezang tot nog niet zo lang geleden in het ongewisse over zijn jongere broertje, Koentje.


In dit boek wordt verteld over de familie, over de gelukkige jaren voordat de oorlog uitbrak, en over wat er gebeurde toen duidelijk werd dat ze beter konden maken dat ze weg waren voor ze opgepakt werden. Het is het verhaal van Eddy, geboren in 1930. Tien jaar oud dus toen ze in hun woning te Kijkduin de vliegtuigen hoorden die het nabij gelegen vliegveld Ockenburg bombardeerden.


Na een jaar beginnen de Duitsers met de eerste maatregelen ten nadele van de Joden. Dus ook de familie Gezang krijgt allerlei beperkingen opgelegd. Ze zijn niet praktiserend Joods, maar dat maakt voor de bezetter niets uit. Niet naar de stranden, niet naar het park, en dan ook niet meer naar de openbare school. Eddy is bijna veertig minuten onderweg om bij de Joodse school te komen. Zijn vader wordt ontslagen en heeft vanaf dan allerlei baantjes.
In 1942 wordt Eddy’s broertje geboren. Tegen zijn verwachting in – hij is elf jaar de enige telg geweest - is hij dol op de baby.


In datzelfde jaar beginnen de Duitsers Joden op transport te sturen, aanvankelijk moesten ze zich melden, later kwamen de razzia’s. Een vluchtpoging van het gezin mislukt, maar terug naar Kijkduin kan niet meer. Ze vertrekken naar Amsterdam, naar opa en oma Goudeket.
We weten het: de hoofdstad is evenmin veilig. En dan beginnen de omzwervingen van Eddy. Dan weer bij een tante, dan bij onbekenden, eerst in Utrecht, dan naar Normandië, en later Parijs. Soms kort, soms wat langer. School schiet er bij in.


Eddy’s moeder is met haar ouders naar Westerbork vervoerd, men wist nog niet van de transporten en het lot van de Joden. Waar Koentje gebleven is weet Eddy niet. Zijn vader komt gelukkig wel bij hem, maar is in gezelschap van een andere vrouw. Met deze Elly botert het niet, en dat zal nooit goed komen.
In 1944 wordt Parijs bevrijd, Eddy is het zwerven en zijn stiefmoeder beu, en vertrekt alleen, hij wil naar Nederland. Veertien jaar oud, en hij reist alleen door een wereld in oorlog!


Niet zonder slag of stoot lukt het hem om zijn leven weer op de rails te krijgen. Maar waar zijn zijn moeder en broertje gebleven? Ook al gaat het hem goed, en is hij intussen getrouwd, het blijft hem bezighouden. In 1993 reizen Eddy en Edith samen naar Westerbork, waar ze in het gedenkboek van de Oorlogsgravenstichting de naam lezen van Koentje. Het is niet bekend waar hij begraven ligt. En als Eddy er achter komt dat zijn broertje niet met hun moeder mee is gegaan, maar ter vondeling is gelegd, krijgt hij hoop: misschien heeft Koentje het overleefd?


Een zoektocht volgt: waar kan de baby gebleven zijn? Hij was pas acht maanden oud toen de ouders van Eddy een oplossing zochten, omdat ze wisten dat ze niet veilig waren.
Eddy ontdekt hoe het kind bij een familie in Bloemendaal gevonden is. Zij noemden hem Remi. Maar deze mensen melden de vondeling bij de politie, en dat zijn Duitsers. Zij vermoeden dat hij Joods is. Het jongetje wordt naar het Joodse weeshuis in Amsterdam gebracht.
Wat er met Koentje gebeurd is, ontdekt Eddy pas in 2002. Lang hoopt hij dat Walter Süskind, beheerder van de Hollandsche Schouwburg, zijn broertje heeft kunnen redden zoals hij zoveel andere kinderen redde.


Hoewel het boek de titel Remi heeft meegekregen domineert het verhaal van Eddy het boek tot over de helft. Het verhaal vertelt over de familie, over de oorlogsjaren en zijn eigen wederwaardigheden. Pas daarna volgt de zoektocht naar Remi/Koentje.
Het is een relaas met veel feiten, met achterin een verantwoording en een bibliografie. Ook staan er foto’s in.

Frappant is het feit dat er al geschreven werd over Remi en er een zoektocht was gedaan naar wie hij was, voordat Eddy ging zoeken! Er was geschreven in de kranten, in 1986 al.  Pas in 2002 ontdekte Eddy dat Remi zijn eigen broertje Koentje was…


Frank van Kolfschooten (1959) heeft aan de hand van interviews en archiefonderzoek deze reconstructie kunnen maken. Hij is freelance onderzoeksjournalist. Zijn artikelen over wetenschap, geschiedenis en sport verschenen onder meer in de Volkskrant, NRC Handelsblad, Intermediair, Nature en The Lancet. Behalve Valse vooruitgang (1993) schreef hij o.m. De Koningin van Plan Zuid. Geschiedenissen uit de Beethovenstraat en De bal is niet rond.
Er is een documentaire gemaakt ‘Het korte leven van Koen Gezang.’
https://www.uitzendinggemist.net/aflevering/73437/kruispunt.html


ISBN 9789462971608 | Paperback | 256 pagina's | Uitgeverij de Kring | april 2020

© Marjo, 5 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De geheime oorlog
Spionnen, codes en verzet 1939 – 1945
Max Hastings


Geheime diensten en alles wat daarmee samenhangt (het breken van codes, infiltratie, spionage en verraad) zijn altijd intrigerende onderwerpen geweest. Ze vormen het dankbare uitgangspunt voor spannende boeken en speelfilms die vaak enorme successen suggereren waardoor het verloop van de oorlog spectaculair is  beïnvloed.


Hastings, Brits historicus, journalist en documentairemaker, laat in dit boek zien dat we het effect van alle spionage activiteiten niet moeten overwaarderen al zijn er zeker belangrijke ontwikkelingen aan te danken. De auteur zegt nogal eens dat geheime diensten vaak bergen verzetten om een muis te baren. Er is zeker een aantal successen geboekt, met name op het gebied van het breken van vijandelijke codes, maar tegenover elk succes staan zeker tien miskleunen. Er werden talloze fouten gemaakt, goede bronnen werden als onbetrouwbaar terzijde geschoven en aan fantasten werd veel te veel geloof gehecht. Berichten werden te traag gedecodeerd, waardoor zij voor de militairen weinig waarde meer hadden. Als er al iets bruikbaars werd verkregen, is juiste interpretatie belangrijk én de militaire middelen om er iets mee te doen.


Hastings citeert een academisch geschoolde medewerker van de Britse geheime dienst die opmerkte: ‘M16 waardeert informatie naargelang het geheime ervan, niet naargelang de juistheid. Ze zouden meer waarde hechten aan…. een flard tendentieuze derderangs misinformatie die uit Sofia is gesmokkeld in de knoopjesgulp van een zwervende Roemeense pooier, dan aan inlichtingen op grond van nauwkeurige lezing van de buitenlandse pers’, pag. 33.


De Duitsers wisten in de laatste jaren van de oorlog bijvoorbeeld door ondervraging van gevangenen, of door het buitmaken van documenten, interessante informatie te achterhalen. Het ontbrak hun echter aan de militaire middelen om hier ook daadwerkelijk iets mee te doen.


Hastings beschrijft in dit lijvige boek de wereldwijde geheime oorlog tussen alle strijdende partijen en de mensen die in die oorlog hun leven waagden. De nadruk valt op de Britse geheime dienst maar ook de Amerikaanse, Duitse, Russische en Japanse geheime diensten komen ter sprake. Dit boek maakt duidelijk welke invloed geheim agenten, spionnen en ondergrondse operaties hebben gehad op het verloop van de Tweede Wereldoorlog.


Het verhaal gaat over o.a. Bletchley Park, waar de Britse geheime dienst zetelde, die de Duitse Enigma-code wist te kraken. Dit wordt als één van hun belangrijkste prestaties beschouwd en deze heeft de geallieerden het nodige voordeel bezorgd. Hastings vertelt over de ingewikkelde werkwijze van deze Enigma machine die gecodeerde berichten kon verzenden en hoe men met behulp van een ingewikkelde machine achter de betekenis van versleutelde berichten kon komen. Het kraken van de Enigma-code heeft een belangrijke rol gespeeld in de slag om de Atlantische Oceaan omdat de geallieerden beter geïnformeerd waren over de posities van Duitse schepen en hun aanvalsplannen. Hastings is genuanceerd in zijn oordeel want de Enigma machine was dermate ingewikkeld – tientallen versleutelingen met tienduizenden mogelijkheden – dat de geallieerden onmogelijk álles konden ontcijferen.


Er zijn ook tal van voorbeelden waarbij beschikbare informatie niet op waarde werd geschat, niet tijdig bij de juiste leidinggevende personen voorhanden was of gewoon werd genegeerd. Eén van de meest desastreuze voorbeelden is dat er berichten waren onderschept waaruit bleek dat Japan Pearl Harbor zou aanvallen. Boeiend is de passage waarin Hastings dit beschrijft en pijnlijk is het feit dat dit geheel misloopt zodat de aanval op 7 december 1941 als een volslagen verrassing komt voor de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor.


De Duitsers beschikten in 1944 over aanwijzigingen dat de geallieerde invasie zou plaatsvinden en vermoedden ook dat deze in juni van dat jaar zou plaatsvinden. Zij wisten echter niet de exacte datum en ook niet de plaats van handeling waardoor zij uiteindelijk toch in het duister tastten met als gevolg dat een belangrijk tankdivisie die niet in Normandië voorhanden was maar van elders moest komen, vertraging opliep hetgeen de geallieerden uiteraard goed uitkwam.


Het optreden van de Russische inlichtingendiensten laat het belang zien van de juiste inschatting van verworven informatie. Stalin ontving voor het begin van de operatie Barbarossa, de Duitse invasie van Rusland op 22 juni 1941, talloze waarschuwingen die aangaven dat er iets te gebeuren stond. Hij deed hier echter niets mee en bestempelde ze alle als onbetrouwbaar.


Dit boek is vol met verhalen over bedrog, misleiding, verraad en incompetentie, bij alle partijen. Hastings is terughoudend maar wel duidelijk in zijn oordeel hierover want hij heeft ook begrip voor de menselijke kant van de oorlog, de moed die voor dit werk nodig was en de spanning waaronder het moest worden uitgevoerd.


In ons land is het Britse 'Englandspiel' een belangrijk maar ook tragisch onderwerp. In dit project werden spionnen en materieel in ons land gedropt maar deze vielen stelselmatig in Duitse handen. Die wisten lange tijd op listige wijze de schijn hoog te houden dat het allemaal goed verliep. Hastings beschrijft hoe alle signalen van het Nederlandse verzet dat de zaak verraden was, niet werden opgepakt. Men kwam er pas achter toen de leider van de Duitse contraspionage dit uiteindelijk maar zelf aan de Engelsen telegrafeerde toen hij de operatie beëindigde.


Hastings laat zien dat de Britse inlichtingendiensten overdreven veel respect hadden voor hun Duitse tegenhangers terwijl later zou blijken dat deze zeer incompetent waren en zijn oordeel is duidelijk: ‘Het blijft een van de grote mysteries van de Tweede Wereldoorlog waarom een land met een hoge ontwikkelingsgraad als Duitsland er niet in slaagde dezelfde bekwaamheid in het bedenken en ontcijferen van codes te ontwikkelen als de geallieerden’, pag. 595.


De agenten die de Abwehr naar Engeland stuurde waren allemaal onbekwaam en vielen bij aankomst door hun amateurisme vrijwel direct door de mand. De Duitsers boekten op andere gebieden wel successen. Zo slaagden zij erin de Britse maritieme code te kraken, waardoor een aantal konvooien op de Atlantische Oceaan onderschept en vernietigd kon worden.Karl Dönitz, opperbevelhebber van de U-bootafdeling en later van de gehele Kriegsmarine, had al in 1941 het vermoeden dat de Enigma-code was gekraakt, maar hij herzag zijn mening mede door de zwakte van de Britse codes. Hij ging ervan uit dat als de Britten Enigma hadden gekraakt, zij ook wel door zouden hebben dat hun eigen codes zeer kwetsbaar waren en deze zouden vervangen. Pas in juni 1943 zouden de Britten dit daadwerkelijk doen.


De Japanners presteerden volgens Hastings weinig op inlichtingengebied. In het begin van de oorlog maakten zij voor hun aanval op Pearl Harbor en de Britse, Franse en Nederlandse koloniale gebieden in Azië nog gebruik van accurate inlichtingen. Later namen de successen echter af. De Japanners bleven zich de hele oorlog sterk op de Sovjet-Unie richten en schonken weinig aandacht aan de Amerikanen, die zij sterk onderschatten. De Japanners richtten pas in 1943 een afdeling op voor het kraken van vijandelijke codes. Alle andere diensten die aan bod komen in het boek hadden al lang een dergelijke afdeling, vaak al voor de oorlog. Zij beschouwden hun eigen codes als onbreekbaar, terwijl zij dit allerminst waren.


Belangrijk is de conclusie aan het slot van dit boek: ‘Veruit het allerbelangrijkste aspect van de impact van inlichtingen op de Tweede Wereldoorlog – of eigenlijk alle oorlogen – is dat kennis over wat de vijand van plan is niets verandert aan het feit dat de soldaten, het marinepersoneel en de piloten hem nog steeds op het slagveld moeten zien te verslaan’, pag. 735.


Hasting schrijft een overzichtswerk en vertelt een uitgebreid verhaal waarin onnoemelijk veel personen, organisaties en (advies)commissies de revue passeren. Die grote hoeveelheid en ook de omvang van het boek vergen wel het nodige van de gemiddelde lezer. Door al deze detail-verhalen is de grote lijn in dit boek niet altijd even helder en gemakkelijk te volgen. Het overkoepelende en doorgaande verhaal dat alles met elkaar verbindt, ontbreekt voor mijn gevoel. Dat maakt dit boek niet voor iedereen even soepel leesbaar.


ISBN 978 90 417 1361 2 | Paperback | 656 pagina's | Rainbow | april 2020 |
Vertaling: Annemie de Vries, Annoesjka Oostindiër, Ineke van den Elskamp, Peter van Nieuwkoop, Pon Ruiter, Willem van Paassen

© Evert van der Veen, 30 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Vuur en duisternis
Het bombardement op Dresden
Sinclair McKay


“Florence aan de Elbe” werd Dresden genoemd tot de dag kwam waarop deze stad tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog tóch nog deelde in het bittere lot dat zoveel andere Duitse steden ten deel was gevallen. Het was een meedogenloos bombardement waarbij de geallieerden alles uit de kast haalden.


Dit prachtig geschreven boek belicht deze gruwelijke gebeurtenis door de ogen van mensen die erbij waren, vooral burgers maar ook de militairen die de opdracht moesten uitvoeren. “Onthuizen” werd bombarderen eufemistisch genoemd. De stad had eind 1944 en begin 1945 al enkele luchtaanvallen op het grote spoorwegemplacement meegemaakt. Hierbij waren – bijna onvermijdelijk – ook slachtoffers gevallen maar het was eigenlijk niets bij wat er 14 februari 1945 zou plaatsvinden.


Het eerste hoofdstuk begint met een fraaie sfeertekening van het leven in de stad en schetst in scherpe trekken ook de nazistische Gauleiter Mutschmann. Onthutsend zijn de woorden van de burgemeester van Dresden in 1938 toen de mooie synagoge van de stad ten prooi viel aan de vlammen: “Het symbool van de rassenvijand is eindelijk vernietigd”, pagina 56.


Mooi en triest in het licht van de Holocaust is de wijze waarop de auteur, Brits historicus, het joodse leven in Dresden tot leven brengt in de tekst. De stad is een levendig centrum van kunst en cultuur, herbergt veel van historische waarde maar is ook een broedplaats van toenmalige vernieuwende kunst. Mensen als Richard Wagner en Richard Strauss wonen er. Ook is er een universiteit en zijn er fabrieken met hoogwaardige technologie zoals de Zeiss-Ikon optiek. Dresden is beroemd om zijn Meiszen porcelein.
Opmerkelijk is dat de stad zich in de jaren 30 profileerde als toeristische bestemming en zich daarbij ook richtte op Engelse en Amerikaanse toeristen met de slogan: “Komt het huidige Duitschland met eigen ogen zien”.


Steeds komen mensen in de tekst naar voren waardoor de lezer dicht bij de stad in de toenmalige context komt. Deze mensen vertolken waarden en gedachten van de tijd waarin ze leven en door hun persoonlijke verhaal krijgt het tijdsbeeld een diepere dimensie. De auteur weet een mooie balans te vinden tussen deze persoonlijke verhalen en de grotere gebeurtenissen.


Waardevol is dat de auteur het bombardement van Dresden in een breder historisch-militair kader plaatst. Hij bespreekt de Duitse bombardementen op Londen en het doel van de nazi’s om doelbewust Britse steden van cultuurhistorische waarde te vernietigen.
Er is veel aandacht voor de geallieerde overwegingen van het bombarderen waarvan het slotoffensief veelzeggend Operatie Donderslag wordt genoemd: “De aanval moet zo hevig zijn dat in het gebied waar die plaatsvindt, de kans dat een individu overlijdt de 100 procent benadert”, alddus een document.


Interessant is het hoofdstuk dat gaat over de bemanning van de bommenwerpers, hun functies aan boord van het vliegtuig en hun persoonlijke ervaringen.


Zonder dat de auteur uit is op effectbejag, voelt de lezer in het boek de onderhuidse spanning toenemen: 14 februari 1945 nadert…. Bijzonder is het feit dat men hier in Dresden geen rekening mee hield: “Niemand kon zich voorstellen dat onze stad ooit slachtoffer zou worden van een wreed en zinloos bombardement”, pagina 198. Veelzeggend is de titel van een hoofdstuk: “22.03” wanneer de eerste aanvalsgolf de stad nadert. Beklemmend en buitengewoon aangrijpend is de beschrijving van hetgeen er vervolgens gebeurt. De lezer wordt aan de hand van diverse mensen en hun belevenissen helemaal meegenomen in de nietsontziende terreur van dood en verderf die over de stad wordt uitgestort. Het was met name de verstikking door gebrek aan zuurstof waardoor veel mensen in schuilkelders omkwamen terwijl buiten vliegvuur en vuurstormen de straten teisterden. Het zijn buitengewoon aangrijpende taferelen die zich dan afspelen al doet de auteur niets anders dan gebeurtenissen verwoorden, maar dit is al genoeg om een heftig beeld bij de lezer op te roepen.


Dan komt er de volgende dag een tweede aanvalsgolf. Veelzeggend is deze zin: “Het goud-met-rode vuur waarin Dresden was gehuld en dat tot steeds hoger in de hemel reikte, was al zestig kilometer voordat ze de stad bereikten zichtbaar”, pagina 254. Aangrijpend is de totale ontreddering onder de burgers naderhand en de verhalen over overlevenden. Het doel van bombardementen “ontregeling en verwarring” is ruimschoots gehaald….


De wijze waarop er binnen regering en legerleiding over bombardementen wordt gesproken en nagedacht, is interessant maar ook wel schokkend. Over de gevolgen voor mensen wordt – tamelijk bewust zo lijkt het wel – niet of nauwelijks nagedacht. De nuchtere formuleringen zijn soms onthutsend en lijken een poging om de ernst van de gevolgen te rationaliseren. Er is intern wel een forse discussie over de woorden “precisiebombardementen” en “terreurbombardementen”. Het is belangrijk dat de auteur hier uitgebreid aandacht aan besteedt en tussen de regels door is zijn kritisch oordeel hierover merkbaar.


Een aantal zwart-wit foto’s toont de stad voor en na het bombardement en zij vormen stille getuigen van wat er heeft plaats gevonden.


Een belangrijk en zeer leesbaar boek over een iconisch bombardement in de Tweede Wereldoorlog.


ISBN 978 90 450 398 31 | Paperback | 416 pagina’s | Atlas Contact | 15 februari 2020

© Evert van der Veen, 24 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Bloot
Ted van Lieshout


In dit boek zijn twee thema’s met elkaar verweven. Aan de ene kant gaat het over het plan van Ted van Lieshout om een boek te schrijven over het bloot in de kunst. Een boek dat geschikt moet zijn voor kinderen. Aan de andere kant is het ook het verslag van een mailwisseling tussen Ted van Lieshout en een medewerker van het Amsterdamse stadsarchief.


Die mailwisseling is begonnen met een vraag om informatie voor het boek dat Van Lieshout wil schrijven. De mails gaan dan ook over kunstbeschouwing, maar krijgen gaandeweg een steeds meer persoonlijk karakter. De lezer komt steeds meer te weten over de privéomstandigheden van schrijver en archivaris. Op het moment dat de mailwisseling vervangen zal worden door een persoonlijk contact, trekt de archivaris zich echter terug. Hij geeft zich zogezegd ‘niet bloot’. De reden daarvoor laat zich gemakkelijk raden voor wie alle mails heeft gelezen. Beide mannen hebben een moeilijk verleden gehad op het gebied van seksualiteit. Ted van Lieshout gaat er open mee om. De archivaris geeft op zijn beurt ook het een en ander prijs, maar wil anoniem blijven. Op een laatste mail van Van Lieshout komt geen antwoord meer.


Het is knap zoals de auteur deze thema’s in elkaar over laat vloeien. Wat mij betreft is de persoonlijke kant van het boek echter wat minder interessant. De toon is soms ook wat zeurderig en de fixatie op seks doet wel eens wat krampachtig aan. Maar de beschouwingen over bloot in de kunst zijn interessant en tillen het boek boven het persoonlijke uit.


Bloot in de kunst is in onze tijd als gevolg van de Me Too-beweging controversioneel geworden. In de Europese kunst is vooral het vrouwelijk naakt als thema niet weg te denken. Het komt in elke culturele periode voor. Nu de norm vandaag de dag meer een ethische dan een esthetische is, wordt dit een probleem. Het is vooral de ‘male gaze’, de wellustige blik van witte heteromannen, die het probleem is. Het zijn immers vooral vrouwen die naakt afgebeeld worden door merendeels mannelijke kunstenaars. In het Van Goghmuseum in Amsterdam hangt een schilderij van de impressionist Edgar Degas. Het stelde een naakte badende vrouw voor, op de rug gezien. Past dat nog wel in deze tijd? Bezoekers noemen het schilderij ‘voyeuristisch’, ‘seksistisch’ en ‘vrouwonvriendelijk’ (Het Parool, 22 februari 2020). Anderen zijn echter bang dat als deze trend doorzet, er ontzettend veel kunst uit de musea zal verdwijnen. In hun ogen gaat de samenleving weer terug naar de tijd van de ‘victoriaanse preutsheid’.


Van Lieshout laat zien dat de tijden vaker zijn veranderd op het gebied van bloot in de kunst. De Renaissance produceerde een overvloed van naaktfiguren, tot in de kerken en kathedralen toe. Plak de naam van een Bijbels persoon of iemand uit de Griekse mythologie op de afgebeelde schone dame of gespierde man en het was geen erotiek, maar kunst met een moraal. In het tijdvak van de Contra-Reformatie (16de eeuw) daarentegen werden schilders aangesteld die de geslachtsdelen moesten bedekken met doekjes, bladertakken of een broek. Het Concilie van Trente had in 1563 bepaald dat naaktheid lustopwekkend was en niet gepast was voor kerkgebouwen. Het is echter de ironie van de geschiedenis dat de grootste collectie erotische kunst in het Vaticaan is te vinden. In de loop van de tijd nam het Vaticaan veel erotische kunst in beslag en werd het achter slot en grendel opgesloten.


In dit boek wordt werk besproken van onder meer Rembrandt, Boucher, Masaccio, Hubert en Jan van Eyck, Hugo van der Goes, Michelangelo, Leonardo Da Vinci, Albrecht Dürer, Bernini, Courbet, Rodin en Titiaan. Van elk besproken werk is een afbeelding opgenomen, sommige zelfs in kleur. Het is heel interessant te volgen hoe in meerdere mails Van Lieshout en zijn gesprekspartner een compleet beeld van het kunstwerk opbouwen. Ze vullen elkaar aan in het benoemen van aspecten, stellen dieper gaande vragen en gissen naar de bedoeling van de kunstenaar en de betekenis van het kunstwerk. Zo wordt Bloot een onderhoudend lees- en kijkboek.

Ted van Lieshout (1955) is vooral bekend als schrijver van kinderboeken. In 2009 kreeg hij de Theo Thijssenprijs voor jeugdliteratuur. In 2012 publiceerde hij de roman Mijn meneer, die hij baseerde op zijn jeugdervaringen met een pedofiele man.


ISBN 9789021421025 | Paperback | uitgeverij Querido | omvang 184 pagina’s | februari 2020

© Henk Hofman, 21 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Brieven van een Russische reiziger
Nikolaj Karamzin


Karamzin (1766-1826) werd geboren in Simbirsk, waar een eeuw later ook Lenin (1870-1924) en Kerenski (1881-1970) vandaan kwamen. Na de dood van Lenin kreeg de stad de naam Oeljanovsk. Zowel Karamzin als Lenin hebben er hun standbeeld.


In 1789, toen Karamzin 23 was, mocht hij een grote studiereis (Bildungsreise) maken. Dat gebeurde met paarden en koetsen en sommige stukken per boot. Hij bezocht vooral Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Engeland. Onze gewesten waren er helaas niet bij: hij volgde niet zijn grote voorbeeld Peter de Grote. In 1818 schreef Karamzin ook de eerste leesbare  “Geschiedenis van Rusland”.


Zijn reisverslag verscheen in 1791-1792 en is nu netjes vertaald en van schitterende noten voorzien door professor Emmanuel Waegemans. Karamzin informeerde zijn Russische vrienden over het leven, de infrastructuur, de cultuur en de sociale en politieke toestanden in West-Europa, aangevuld met zijn persoonlijke ervaringen en bedenkingen. Met veel gevoel beschrijft hij ook de mentaliteit van de mensen die hij ziet en ontmoet. Fragmentarisch beschrijft hij ook een paar momenten uit de Franse Revolutie, die tussen 1789 en 1812 de belangrijkste gebeurtenis was in West-Europa en die in Rusland met veel aandacht gevolgd werd. Hij noemt ze een tragedie en zegt dat het vuur, de passie en de haat van de Fransen verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben.


Zijn boek was een sentimentele liefdesverklaring van een Rus aan het westen en verschijnt op een moment waarop Poetin zich afzet tegen de westerse waarden en cultuur.


Tussen zijn vele sentimentele uitlatingen door vernemen we ook veel feitelijke zaken: de posthuizen tussen Narva en Riga werden bemand door Duitsers (die waren prominent aanwezig in de Baltische landen tot in WO II), boeren in Estland brachten veel meer op dan in Kazan of Simbirsk en wat wij al lang niet meer kennen: controle en steekpenningen betalen bij elke stadspoort om binnen te mogen.


In Berlijn valt het hem op hoe groot de dierentuin is, maar meestal beschrijft hij meer ontmoetingen met schrijvers, geleerden en filosofen dan gebouwen. Dresden vond hij heel mooi en zeker het museum en de bibliotheek. In Leipzig vallen hem de vele boekhandels en boekenbeurzen op, in Weimar heeft hij een filosofische ontmoeting met Herder en ziet hij Goethe van op afstand. Frankfurt was toen al een rijke koopmansstad, maar niet mooi en nog geen boekenstad. De 7.000 arme Joden woonden er allemaal verplicht in één straat. Dan volgen de mooie Elzas en Straatsburg, waar de Franse Revolutie volop bezig was. Hij bewondert er de kathedraal, de ‘hoogste piramide van Europa’. Het Duits is er niet mooi, in betere kringen spreekt men Frans.


Vandaar trekt hij naar Bazel, de ‘grootste stad van Zwitserland’ (momenteel nummer 3, na Zürich en Genève, n.v.d.r.). Hij bewondert de Zwitsers om hun netheid, vriendelijkheid en het ontbreken van misdadigers. Ze trekken wel naar de universiteiten van Leipzig en Göttingen, die ze blijkbaar beter vinden dan de hunne en die ook Karamzin als top beschouwt.


In Zürich ontmoet hij Lavater, bekende filosoof en specialist in fysionomie, die door zijn tijdgenoot Goethe geringschattend ‘De profeet van Zürich’ genoemd werd (p. 159). In Bern spreekt men Frans met de buitenlanders, tot grote vreugde van Karamzin, die het Zwitsers Duits niet mooi vindt. Op weg naar Lausanne passeert hij Murten, waar de beenderen nog lagen van ‘30.000 gesneuvelde soldaten’ van Karel de Stoute van Bourgondië, die in 1476 tevergeefs probeerde om de Zwitsers te onderwerpen. Karamzin betreurt dat ze die akelige trofee niet verstoppen. Die ’30.000’ waren er eerder 10 à 12.000 (n.v.d.r.). In de buurt van Lausanne komt hij bij het ‘meer van Vevey’, waar Rousseau inspiratie opdeed voor zijn ‘Julie, ou la nouvelle Héloïse’ (1761). Karamzin bedoelt wellicht het meer van Genève, waar Vevey bij ligt. Hij zegt niets over Madame de Warens, bij wie Rousseau logeerde en die zijn weldoenster en één van zijn vele minnaressen was. Hij vermeldt ook niet de Russisch-orthodoxe kerk die er staat.


Genève wordt zijn volgende verblijfplaats. Daar wordt hij 23. Overal wordt hij uitgenodigd bij voorname en geleerde mensen. De rijken maken zich zorgen over de miljoenen die ze in het revolutionaire Frankrijk geïnvesteerd hebben en die ze nu kwijt zullen spelen. Aan filosoof Bonnet stelt Karamzin voor om zijn geschriften uit het Frans in het Russisch te vertalen.


Vandaar trekt hij naar Lyon, toen één van de grote steden van Europa. De Italiaans-Franse balletdanser Angiolo Vestris is er de grote held. Vandaar hoopt Karamzin naar de Romeinse monumenten van de Provence te trekken, maar het wordt eerst Bourgondië en dan Parijs, de bron van de goede smaak, waar hij zo naar uitgekeken heeft. Hij beweert dat de naam Parisii komt van para Isis, volk beschermd door de Egyptische godin Isis. Een andere, even onzekere  etymologie zegt dat ze afstammen van Paris, die Troje kon ontvluchten. Karamzin verwijst naar Caesar, die in zijn De Bello Gallico als eerste, antieke auteur de stad vermeldde en noemt historische gebouwen en parken die er nu nog zijn.


Hij ziet en ruikt ook smerige straten. De stad telt 1.130.450 inwoners, meer dan Londen en Constantinopel (p. 291). De Revolutie heeft de rijkste inwoners verjaagd, wat niet belet dat Karamzin nog bij vele rijken ontvangen wordt. In de hofkerk ziet hij koning Lodewijk XVI en koningin Marie-Antoinette en hij heeft alle lof voor hen. Het aantal revolutionairen schat hij op 1%. De vijf grote theaters zitten elke dag bomvol. Hij bewondert ook het Louvre, de Tuilerieën, het Palais de Luxembourg en zijn tuin. Terloops beschrijft hij dan de prestaties van Peter de Grote, die hij zeer bewondert. Hij prijst ook de Franse wetenschappers, o.a. Lavoisier, die een paar jaar later door Robespierre onthoofd werd. Ook Versailles wordt tot in de details beschreven, inclusief de grote dierentuin die er toen was. Hij bezoekt ook Ermenonville, op 30 km van Parijs, waar Rousseau zijn laatste 43 dagen in het bos leefde. En hij woont de Nationale Vergadering bij, die chaotisch verloopt.


Na drie maanden verlaat hij Parijs, richting Calais, Dover en Londen. Hij noemt Londen de eerste haven ter wereld, het middelpunt van de wereldhandel, veel properder dan Parijs en met mooiere vrouwen (p. 428-431). In Westminster Abbey luistert hij naar Händel en ziet er ook de koninklijke familie. Alle welopgevoede Engelsen kennen Frans, maar willen het niet spreken. Hij moet dus Engels spreken. Hij beschrijft vol bewondering de Engelse rechtspraak, het gevangeniswezen, de godsdienstige tolerantie, de beurs (waar zelfs Russisch gesproken wordt), de parlementsverkiezingen, het British Museum, de St. Paul’s Cathedral, de rijkdom van de Oost-Indische Compagnie.


Hij vertelt over Thomas Parr en gelooft dat die 152 jaar oud werd (1483-1635), tien koningen overleefde en op zijn 130ste nog achter de jonge meisjes liep (p. 485). Hij klaagt over de vele mist, de rook van de steenkool en het gebrek aan zon, waaraan hij het kil en nors karakter van de Britten wijt.


Wanneer zijn geld na 18 maanden op is, keert hij per schip via Noorwegen terug naar Rusland. Het is dan oktober 1790. Daarmee eindigt zijn verslag.


Beoordeling

Karamzin was een zeer veelzijdig intellectueel, die op jonge leeftijd al enorm belezen was en genoeg talen kende om overal te reizen. Hij had ook een rijk observatievermogen en veel mensenkennis. Hij vertelt zeer gedetailleerd, soms te breedsprakerig, waardoor van de lezer wel wat geduld verwacht wordt. De 38 pagina’s noten achteraan zijn niet overbodig: anders weet je als lezer vaak niet waar het precies over gaat. Die noten tonen ook meteen de indrukwekkende kennis en belezenheid van de vertaler. De uitgebreide index met namen van personen en plaatsen is een handig middel om zaken terug te vinden. Een aantal literaire citaten zijn vertaald, een aantal niet: ook de lezer krijgt huiswerk. Bij plaatsnamen zoals Lijfland (zuiden van Estland en noorden van Letland), Koerland (zuiden van Letland), Memel (Klaipéda) en Tilsit (Sovjetsk) had de vertaler wel de huidige namen mogen vermelden. Bij een ‘werst’ had hij mogen zeggen dat dit ruim 1 km is (1.067m). Er staan een paar drukfoutjes in: een linden (p. 170), seizen i.p.v. sijzen (p. 229), Voltaire, zie hij i.p.v. zei hij (p. 375). Soms is het taalgebruik ouderwets: welks bewoner (p. 222), de bergen achter dewelke (p. 262).


De kaart met de reisroute van Moskou tot Londen (p. 6-7) is zeer duidelijk, maar de terugweg staat er niet op. Die details kunnen bij de volgende druk vlot aangepast worden.


Wie veel tijd en geduld heeft, kan met dit stevig boek de reis overdoen: de meeste genoemde hotels bestaan nog altijd, de paarden- en koetsenservice niet meer.


ISBN 978-90-8167389-1 | Hardcover | 558 pagina’s incl Kaart, prenten, noten, bibliografie, index.  | Uitgeverij BENERUS en EPO, Antwerpen | november 2019
Vertaald door Emmanuel Waegemans

© Jef Abbeel, 29 maart 2020 www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De geniale mislukking van de Middeleeuwen
Raoul Bauer


Dit boek heeft als thema de cultuurcrisis in de Westerse samenleving. Een crisis die veroorzaakt wordt door een ver doorgevoerde rationele kijk op het leven, maar die vandaag de dag ten koste gaat van de bestaanszekerheid van de mens. Zelfs zozeer dat de vraag op tafel ligt of de mens nog wel toekomst heeft. In de woorden van de auteur: “Men kan niet anders dan zich bekommerd en verontwaardigd voelen over de weg die onze moderne wereld is ingeslagen. Onze tijd schijnt ziek te zijn” (blz. 23). Hij wijst dan onder meer op de klimaatverandering, de menselijke honger naar macht, toenemende intolerantie voor afwijkende meningen, het binnendringen van de staat in het privéleven.


Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Sommige geleerden wijzen op de Verlichting als het tijdvak waarin de wissel werd omgezet naar menselijke autonomie en alle kaarten op kennis en wetenschap werden gezet. Een enkeling ziet de wortels al liggen in het tijdvak van de Renaissance. Raoul Bauer, de auteur van dit boek, is volstrekt origineel door nog verder terug te gaan in de tijd. Volgens hem begint de grote culturele ontsporing met de controverse tussen twee beroemde denkers uit de 12e eeuw, namelijk Petrus Abelardus en Bernardus van Clairvaux.


Het boek opent met een beschrijving van de cultuurcrisis van onze tijd. Typerend is dat door het wegvallen van leiding en gezag en het afgesneden zijn van de historische wortels de samenleving verweesd is geraakt. Het ontbreekt aan moreel leiderschap. Het tweede kenmerk is de dictatuur van het rationalisme. Dat laatste brengt met zich mee dat de werkelijkheid gereduceerd wordt tot datgene wat begrepen kan worden.


In het volgende deel van het boek beschrijft Raoul Bauer het leven en werk van Bernard van Clairvaux, voorman van de Cisterciënzer orde en vooraanstaand woordvoerder van paus en vorst.
Daarop volgt de weergave van de felle polemiek tussen Bernard van Clairvaux en Abelardus. De laatste kende de rede een rol toe in geloofszaken. Bernard vond dat het geloof genoeg had aan zichzelf en geen rationele fundering behoefde.


Het is een genoegen om te lezen hoe Bauer argumenten en inzichten tegen elkaar afweegt en laat zien hoe de discussie een interne dynamiek kende die uitliep op een breuk en een veroordeling van Abelardus door de paus op voorspraak van Bernard van Clairvaux. De auteur verwijt aan Bernard dat hij een karikatuur maakte van het standpunt van Abelardus, want voor Abelardus bleef het bestaan van God een kwestie van geloven en niet in de eerste plaats van begrijpen (blz. 128). Bernard was er echter beducht voor dat op enig moment de rede zou gaan heersen over het geloof. En dat was inderdaad het punt dat René Descartes (1596-1650) eeuwen later heeft opgepakt.


Bauer betreurt het dat de twee kemphanen elkaar niet hebben kunnen vinden. Want als dat was gelukt, had er een geïntegreerd mensbeeld kunnen ontstaan, waarin plaats was voor zowel het rationele van Abelardus als het instinctieve van Bernard. Bauer had als uitkomst van het debat een synthese gewild van de twee standpunten, waardoor de Westerse cultuur behoed was geweest voor de eenzijdige focus op het rationele alleen. Want Bernard won het bij de paus, maar Abelardus won het in de loop der eeuwen.


Het boek laat zich aangenaam lezen. Wie houdt van een mix tussen theologie, filosofie en sociologie vindt een prima gids in Bauer. Of de breuk in de Westerse geschiedenis en het teloorgaan van een eenheid van denken werkelijk te herleiden is tot de 12e eeuw laat ik hier in het midden. De controverse weerspiegelt in ieder geval prima de verscheurdheid in onze tijd tussen ratio en gevoel. Nogmaals in de woorden van de schrijver: “De huidige beschaving gebruikt haar immense kennis en haar groot technisch kunnen niet in dienst van, maar ten koste van de mens.” (blz. 29).


Raoul Bauer is historicus en emeritus-hoogleraar cultuurgeschiedenis van de Leuvense universiteit. Hij publiceerde eerder Karel de Grote en Niet meer blaffen naar de maan. Beide boeken verschenen bij dezelfde uitgever.


ISBN 9789056155872 | Paperback | omvang 142 blz. | Uitgeverij Sterck en de Vrees | maart 2020

© Henk Hofman, 5 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of klik HIER

 

Geen zee te hoog
Japan en de Japanners in de 21ste eeuw
Paul Muys


Japan, een topper in de jaren 70-80, is in de 21ste eeuw op enkele domeinen voorbijgestoken door China en nu ‘pas’ nummer 3 in de economische rangschikking. Paul Muys toont overtuigend aan dat het land nog echt meetelt en nog altijd topproducten aflevert.


Geschiedenis

In 1853 verplichtte de Amerikaanse vloot de Japanners om hun geïsoleerd land te openen voor de Amerikanen en nadien ook voor vijf andere landen én om ‘ongelijke’ verdragen te tekenen. Tussen 1641 en 1859 hadden de Nederlanders wel beperkte toegang tot het eilandje Desjima (bij Nagasaki). Van hen leerden de Japanners in 1855 hoe ze op zee moesten varen. Vanaf 1868 was de keizer weer machtig en voerde het land zijn modernisering door. In één generatie werd Japan een grootmacht die het westerse imperialisme kon tegenhouden. Tussen 1870 en 1914 ging de productie van steenkool en staal steil de hoogte in, nog voor 1900 maakte Japan een einde aan de ongelijke verdragen en rond 1930 hadden de huizen al elektrisch licht, eerder dan vele in Amerika en Europa.


In 1894-95 veroverde Japan Korea, vazalstaat van het grote China, dat bovendien een zware schadevergoeding moest betalen aan de agressor en Formosa/Taiwan moest afstaan. Japan sloot nu zelf ‘ongelijke’ verdragen met China en Korea.


In 1904-05 versloeg het Rusland in de strijd om Mantsjoerije. Voor het eerst sinds de Mongolen (13de eeuw) werd een Europees land vernederd door een Aziatisch.


Tijdens WO I vervijfvoudigde de industriële productie, met dank aan de toegenomen vraag uit Europa. Maar de grote meerderheid van de bevolking bleef arm. In 1931 bezetten Japanse troepen Mantsjoerije, op eigen initiatief, zonder goedkeuring van de regering: het oppermachtige leger was een staat in de staat geworden. Mantsjoerije werd een Japanse kolonie, met Puyi als nep-keizer tot 1945.
In 1937 viel Japan nog eens China binnen en veroorzaakte een groot bloedbad in Nanjing.
In 1941 bezette het Frans-Indochina. Roosevelt vaardigde dan een olie-embargo uit en eiste dat  Japan alle veroverde gebieden zou opgeven. Japan reageerde met de aanval op Pearl Harbor (7 december 1941). Het werd  een totale oorlog, waarbij Japan ook de Filipijnen, Nederlands-Indië en de Britse gebieden Birma, Maleisië, Singapore en Hongkong ‘bevrijdde’, d.w.z. veroverde.


De oorlog werd een ramp en eindigde pas na twee atoombommen. Op 15 augustus 1945 was Japan alles kwijt, de bevolking was ondervoed, het werd (voor het eerst) bezet door de Amerikanen, die zorgden voor de demilitarisering, ‘denazificering’ en democratisering. Het land werd een bolwerk tegen de communistische buren Noord-Korea en China.


Heropstanding na WO II

De Koreaanse oorlog zorgde voor massale Amerikaanse orders en voor economische heropleving.
In 1960 was Japan veruit nummer één in scheepsbouw met de helft van de wereldproductie. De autosector volgde, met een export van meer dan één miljoen auto’s per jaar in de jaren ’70. In 1962 overtrof het BNP dat van Frankrijk (p. 41). Met een jaarlijkse groei van 11% verdubbelde het inkomen in zeven jaar. In 1964 mocht het de Olympische Spelen organiseren en deed dat met veel succes.

Lees verder, klik HIER

 

Verbinding verbroken
Familie in frontgebied 1944-1945
J.C.A. de Meij


“... voor het overgrote deel van de Nederlandse bevolking begon de oorlog eerst echt in september 1944” aldus de auteur. Natuurlijk was deze oorlog al in mei 1940 begonnen en werden de gevolgen van de Duitse bezetting in de loop van dat jaar al merkbaar. Daarna werd de onderdrukking heviger, waren er bombardementen van geallieerden waarbij ook burgers omkwamen, werd het gebrek aan levensmiddelen nijpender en verloren velen het leven als Jood, onderduiker of in het verzet.


Maar de auteur, geboren in 1939 in Middelburg, beschrijft in dit boek zijn familiegeschiedenis gedurende het laatste oorlogsjaar:


“Mijn opzet is om aan de hand van wat deze familie overkwam een beeld op te roepen van de problemen en de gevaren waarmee grote delen van de Nederlandse samenleving in het laatste oorlogsjaar werden geconfronteerd: de strijd in zuid-west Nederland, de inundatie van Walcheren en andere eilanden, de Hongerwinter, gedwongen tewerkstelling in Duitsland’, pagina 8.


Deze onderwijzersfamilie met familieleden elders in het land maakt gedurende de laatste fase van de oorlog, vanaf september 1944 tot aan de bevrijding, van alles mee en dit staat min of meer model voor wat andere mensen ook meemaken. In die zin vervult dit boek een voorbeeldfunctie en dat is ook de bedoeling van de auteur. Daar is hij aardig in geslaagd maar toch ontkomt de lezer niet aan de indruk dat hij vooral deelgenoot wordt gemaakt van familiaire gebeurtenissen.


Het boek is samengesteld aan de hand van brieven en dagboeken van familieleden. Op deze wijze komt de lezer dicht bij alledaagse gebeurtenissen en de wijze waarop mensen deze beleven, te staan. Dat heeft z’n charme en geeft een kleinschalige menselijke sfeer waarin de lezer proeft hoe voor hen het leven in oorlogstijd is.


Op de achtergrond spelen grote gebeurtenissen als de Slag om de Schelde met als direct gevolg inundatie en oorlogsgeweld voor de mensen in dat gebied. Dat is merkbaar in wat zij erover schrijven aan elkaar zoals: “Nauwelijks was ik op het hof, of we hoorden het zeewater met geweld door de watergangen en sloten aanrollen”, pagina 46.


Ook zijn er brieven waarin de nijpende voedselsituatie naar voren komt zoals familie uit Poeldijk 25 september 1944 schrijft:


“De voedselpositie is in de steden zeker minder dan hier, ofschoon het hier ook niet alles is. Aardappels op de bon zijn niet te bekomen… Maar voor de rest is het beroerd: alleen gas van 5 – 7½ ’s avonds. De ganse dag door niks warms…. Gisteren hebben we van iemand een primusbrander gekregen, dus nu kunnen we wat warmen zolang de spiritusvoorraad strekt”, pagina 82.


De auteur geeft hier en daar een toelichting op de brieven zodat de hedendaagse lezer begrijpt wat er wordt bedoeld. Post wordt bijna tot het einde van de oorlog verzonden omdat de Duitsers hier zelf belang bij hebben en omdat dit de maatschappelijke sfeer ten goede komt. In de laatste fase verloopt de distributie van de post via het Rode Kruis.


Het boek geeft ook een inkijkje in de hongertochten zoals dit citaat uit januari 1945: “De school is gesloten door mij wegens gebrek aan brandstof. Dus al mijn tijd kan ik nu besteden aan ‘wat’ op de kop tikken”, pagina 121.


Er zijn hoofdstukken over dwangarbeid, postbezorging en bombardementen op Nordhausen, waar onderaardse fabrieken zijn die de V-wapens produceren. Zo komt uiteindelijk de bevrijding in zicht. Iemand schrijft op 15 maart 1945:


“Toen men op Nieuwland zei, dat de Koningin in één der auto’s zat, wilde ik dat niet gelooven. Toen uw moeder en ik bij Middelburg kwamen, zagen we overal vlaggen en de menschen met oranje versierd. Dus ’t was waar, dat de Koningin was gekomen”, pagina 306.


De lezer kan zich gedurende dit boek afvragen: wat heb ik eraan om dit allemaal te weten? De verhouding tussen de familiegeschiedenis en de grotere geschiedenis is niet altijd optimaal. Toch komen wij in dit boek wel dichtbij mensen van die tijd te staan zoals de auteur aan het eind van zijn boek concludeert: “Het leven draaide om voedsel, tobben met verwarming en verlichting, je onzichtbaar maken tegenover de bezetter, kortom: ploeteren en scharrelen”, pagina 307.


Ook in dit boek wordt duidelijk dat de bevrijding een zware prijs had zoals de grootvader van de auteur treffend verwoordde: “de vrijheid is te droevig gekocht om zich te verblijden door Oranje te dragen”, pagina 350.


Dit boek is een redelijk geslaagde poging om vanuit de kleinschalige ervaringen van mensen wat meer grip te krijgen op hoe de situatie in ons land was gedurende het laatste oorlogsjaar. Iets minder nadruk op gebeurtenissen in de familie en wat meer accent op het grotere geheel had voor een betere balans kunnen zorgen.


ISBN 978 94 62494695 | Paperback | 368 pagina’s | Walburgpers | april 2020

© Evert van der Veen, 29 april 2020

Lees de reactie op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Zwarte golf
Hoe de rivaliteit tussen Saoedi-Arabië en Iran het leven in het Midden-Oosten heeft verwoest
Kim Ghattas


Al tientallen jaren wordt het Midden-Oosten verscheurd door geweld. De hele regio staat in brand en niemand weet hoe het vuur geblust moet worden. Het Westen kijkt toe met afgrijzen en onbegrip. Maar laat dan gelijk gezegd worden dat het Christelijke Europa geen onbevlekt blazoen heeft. Hier hebben we ook een Inquisitie gekend die brandstapels oprichtte voor mensen met een afwijkende mening. De godsdienstoorlogen in de 16e eeuw hebben ook half Europa in puin gelegd. En Bisschop Amaury leek wel op een ayatollah toen hij in 1209 opdracht gaf een hele stad uit te moorden en plat te branden, omdat er ketters woonden. “Sla ze allen dood”, vuurde hij zijn mannen aan. “De Heer weet wel wie de Zijnen zijn”.
Het is goed om dit in het achterhoofd te houden als je leest over de gruwelen die nu het huis van de Islam teisteren.


Om te begrijpen hoe het Midden-Oosten in de greep van het fundamentalisme kwam, moeten we volgens Kim Ghattas kijken naar het jaar 1979.
In dat jaar kwam ayatollah Khomeini aan de macht in Iran. In hetzelfde jaar bezetten extremistische Arabieren de Grote Moskee in Mekka en riepen zij op de monarchie omver te werpen omdat het Saoedische koningshuis van het ware geloof zou zijn afgeweken. En 1979 is het jaar waarin de Sovjet-Unie Afghanistan binnenviel. Vanuit heel de Arabische wereld stroomden vrijwilligers toe om de jihad tegen de ongelovigen te voeren.


Drie gebeurtenissen die enorm veel bloedvergieten tot gevolg hebben gehad. Vanaf 1979 raakte het Midden-Oosten verzeild in de draaikolk van geweld op naam van sjiieten, soennieten, wahabieten, salafisten, Hezbollah, al Quida, IS, en zo nog een paar van dit soort groepen. De meeste slachtoffers van het jihadistisch geweld zijn moslims zelf.


Het ene land na het andere raakte verwikkeld in een strijd met fundamentalisten. In Pakistan staat het proces tegen de christelijke Asia Bibi hiervoor model. In Egypte wordt Sadat vermoord. Moebarak werd de nieuwe heerser, maar dan komt de Moslimbroederschap aan de macht. In Syrië, Irak, Jemen en Libanon worden bloedige burgeroorlogen uitgevochten. In dit kluwen van rivaliserend sektarisch geweld staan vooral het sjiitische Iran en het soennitische Saoedi-Arabië tegenover elkaar. Deze aartsvijanden strijden om het leiderschap in de Arabische wereld. Iran strijdt met sluwheid, Saoedi-Arabië zet zijn miljarden petrodollars in.


Het Westen wist er zich geen raad mee. Het ingrijpen van president Bush pakte averechts uit. De afstandelijkheid van president Obama gaf IS, de Iraanse Revolutionaire Garde van Suleimani en Hezbollah de ruimte voor hun terroristische optreden. In de zomer van 1988 schoten de Amerikanen per ongeluk een Iraans verkeersvliegtuig met pelgrims boven de straat van Hormuz uit de lucht. Niemand overleefde de ramp. Aan boord bevonden zich 290 burgers, onder wie 66 baby’s en kinderen. Een excuus bleef uit. Internationale sympathie voor deze tragedie was er nauwelijks. Vergelijk dat eens met de jarenlange aandacht voor het neerhalen van de MH17 in 2014 boven Oekraïne.


Kim Ghattas houdt hoop op een betere toekomst voor het Midden-Oosten. Tijdens haar onderzoek en de vele reizen die ze voor haar boek heeft gemaakt, raakte ze onder de indruk van de standvastigheid waarmee in het Midden-Oosten mensen zich blijven inzetten voor meer vrijheid, meer verdraagzaamheid en minder fanatisme. Mensen die snakken naar minder religie in hun dagelijkse leven en die uitzien naar een samenleving waarin zij niet voortdurend hoeven te vrezen voor hun leven en dat van hun geliefden.


De lappendeken aan personen, religieuze en politieke stromingen, feiten en gebeurtenissen weeft Ghattas samen tot een ontstellend en indringend verslag. Gepassioneerd beschrijft zij hoe in de ene na de andere maatschappij fundamentalisten het voor het zeggen krijgen, zodat vrouwen hun vlotte zomerjurk omruilen voor de zwarte niqab. Die passie komt niet in mindering op de journalistieke kwaliteiten waarmee zij haar verhaal aan het papier heeft toevertrouwd. Het is een adembenemend boek geworden.


Zwarte Golf
opent met een mooie overzichtskaart van het beschreven gebied. Daarna komt een overzicht van personen, gerangschikt per land, die een belangrijke rol in dit boek vervullen. Ik heb het tijdens het lezen vaak geraadpleegd. Eenzelfde overzicht van de belangrijkste religieuze en sektarische groepen ontbreekt, maar zou ook heel nuttig zijn geweest. Het boek wordt afgesloten met een notenapparaat tevens bibliografie en een register.


Kim Ghattas is een Nederlands-Libanese journalist en schrijver. Voor haar werk heeft zij een Emmy Award ontvangen.


ISBN 9789046827130 | Paperback | uitgeverij Nieuw Amsterdam | 448 pagina’s | april 2020

© Henk Hofman, 24 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Je bent jong en je krijgt wat
Leven en liefhebben in tijden van baarmoederhalskanker
Monique van Loon


‘Baarmoederhalskanker kan het niet zijn, je bent pas achtentwintig’. Deze opening is typerend voor dit boek dat in een levendige, open stijl is geschreven. De (culinair) schrijfster die ook ondernemer is, had een bezoek aan de huisarts al een poosje uitgesteld en deze mededeling lijkt een geruststelling. Voor de zekerheid wordt ze doorgestuurd naar de gynaecoloog en dan blijkt het tóch kanker te zijn: ‘Het is niet goed, Monique’. Ze denkt dit bericht aan te kunnen maar ‘onder al mijn grappen en grollen en we-zullen-doorgaan-mentaliteit zit pijn en angst. Maar dat realiseer ik me later pas’, pagina 30.


Monique is bijzonder eerlijk over zichzelf en deelt haar gevoelens en ervaringen met de lezer. We lezen over haar dagelijkse ervaringen, haar bezoeken aan het ziekenhuis, vervolgonderzoeken, operatie en herstel maar ook over haar vlucht in eten en drinken en seks. Ook over dat laatste is ze openhartig.


In al die directe openheid doorbreekt dit boek een zeker taboe dat er toch altijd nog wel is in onze tijd. Monique durft het aan om gewoon op te schrijven wat ze meemaakt en zegt wat ze beleeft. Het zou heel goed kunnen zijn dat ze daarmee de tolk is van vele – vooral jonge(re) - vrouwen die iets vergelijkbaars meemaken. Zij kunnen zich in dit boek vast wel goed herkennen.


Bijzonder is de hechte relatie met haar vader die een belangrijke rol speelt in de bezoeken aan de specialist en ook nauw bij de operatie betrokken is en die zij graag bij zich aan bed heeft. Hoewel er een nieuwe relatie opbloeit, blijft zij sterk aan haar vader hechten.


Voor de zekerheid wordt een operatie met grote gevolgen geadviseerd: ‘We raden inderdaad de baarmoeder-verwijderende operatie aan. Alleen zo kunnen we volledig garanderen dat de tumor weg is’, pagina 101. Monique neemt de consequenties van deze ingreep nogal nuchter op en lijkt niet zo te hechten aan het krijgen van kinderen. Ik kan mij voorstellen dat veel vrouwen dit heel anders zouden beleven en emotioneel zouden breken wanneer het moederschap hen op deze wijze wordt ontnomen.


‘Ik blijf het raar vinden, hoe helend het kan werken om over je ziekte te praten… ik word zo langzamerhand bijna moe van mezelf’, pagina 127. Voor Monique is dit blijkbaar een nieuwe dimensie in het leven, dit ‘therapeutisch’ praten. Veel mensen die iets ingrijpends meemaken, zullen echter beamen dat praten de situatie niet oplost of verandert maar dat het wel ruimte geeft aan je gevoelens waardoor je je minder eenzaam voelt.


Na de operatie is Monique bijzonder daadkrachtig: ze doet er alles aan om weer op de been te komen en aan het leven deel te nemen. Na de bevestigende uitslag van het ziekenhuis beseft ze: ‘Ik ben kankervrij. Baarmoederloos, dat ook, maar vooral: kankervrij. Vanaf nu wordt vast alles beter’, pagina 186. In dat laatste zinnetje gaat veel verborgen of onderdrukte emotie schuil en die innerlijke strijd met gevoelens wordt op meer plaatsen – even – zichtbaar in dit boek.


Tijdens de weg van het herstel krijgt ze haaruitval en heeft ze zenuwpijn aan haar benen. Het zijn dingen die haar sterk bezighouden en deprimeren. Herkenbaar: je hebt genoeg beleefd en nu wil je vooruit en weer voluit kunnen leven.


Dit is een uitermate eerlijk en daarom ook herkenbaar boek met veel aandacht voor het vrouw-zijn.


ISBN 978 90 468 2643 0 | Paperback | 254 pagina’s | Nieuw Amsterdam | april 2020

© Evert van der Veen, 25 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER