Boekenarchief T-U-V

Caspar Visser 't Hooft

http://www.schrijverinfrankrijk.nl

 

altWaldenberg
Caspar Visser 't Hooft


Als Menno, de verteller van het verhaal, zich op een bepaald moment de vraag stelt waarom hij zich eigenlijk zo druk maakt om Waldenberg, die niet eens ooit een vriend in de ware betekenis van het woord was, dan wacht de lezer gespannen op het antwoord.


Menno bevindt zich op een keerpunt in zijn leven. Zijn kinderen worden zelfstandig en hij vraagt zich af of zijn huwelijk nog wel de moeite waard is. Op zijn werk heeft hij het wel gezien. Het leven van jagen en jachten is hij beu en voor het geld hoeft hij het niet te laten: hij heeft zijn baas vaarwel gezegd en is een eigen kantoortje begonnen voor rechtsbijstand, speciaal voor musea. Het leven wordt rustiger, en hij krijgt de tijd om eens terug te denken aan vroeger. Aan Syl en Waldenberg, twee mensen die hij nooit vergeten is. Sylvia was ooit zijn vriendinnetje, ach, ze waren nog maar net tieners, en Menno besefte pas toen het te laat was, dat het meer had kunnen zijn. Ze ontmoetten elkaar bijna jaarlijks in Grindelried, het dorp in de Zwitserse bergen waar hun families de vakanties doorbrachten. Dat Waldenberg hier ook geweest moet zijn, dringt pas later tot hem door, als de verhalen van hun verleden duidelijk worden. Menno zal Waldenberg nog een keer ontmoeten in Leiden, waar ze allebei studeren, en later in Doesbergen, waar ‘gestoomd’ wordt voor tentamens. Ook Syl is daar, en enigszins met spijt hoort hij dat zij en Waldenberg een stel zijn.


Het leven is zoals het is: ‘het beloofde land ligt niet achter je, maar voor je...’


Dat Syl ooit een vage belofte was die hij zelf nooit ingewisseld heeft, dat weet hij, maar Waldenberg, waarom kon hij deze jongen die hij immers nauwelijks kende niet vergeten? Hij wil het weten! Wat was de betekenis van hun aanwezigheid, hun verschijnen in zijn leven? Waarom heeft hij er behoefte aan hen terug te zien?
Menno volgt de sporen terug in de tijd, en ontdekt dat het leven van Waldenberg niet voorspoedig is verlopen. Wat is er in zijn leven voorgevallen?
De terugblik van dit verhaal is gesitueerd in begin jaren tachtig. De hippiejaren zijn voorbij, vrijgevochtenheid moet plaats maken voor verstandig leven. Een tijd waarin men moest vechten voor zijn plekje in de maatschappij.


Nu Menno een nieuw pad is ingeslagen, hoopt hij begrip te krijgen over het verleden. Voorbij is voorbij, maar er is altijd een nieuwe toekomst. Een belofte zoals ook bergen een belofte inhouden. De bergen, de Zwitserse Alpen, zijn een toonbeeld van eeuwigheid, met steeds nieuwe toppen en een belofte van iets, wat dan ook, dat zich daar achter bevindt. Maar het zou ook kunnen zijn dat hetgeen achter de volgende top ligt, niet overeen komt met je verwachtingen.
Hoe zal dat voor Menno verlopen?


Caspar ’t Hooft schrijft boeken met een filosofische inslag zonder er meteen een zware thematiek van te maken. Het is aan de lezer:  als je er geen zin in hebt dan neem je de overdenkingen voor wat ze zijn, en lees je alleen het verhaal over Menno en zijn zoektocht naar het verleden. Maar natuurlijk kan je ook meegaan in de gedachtegang.  Wordt ons leven bepaald door wat er in het verleden gebeurd is? Hebben we altijd de vrije keuze om een andere weg in te slaan dan die gewezen lijkt? Wanneer dan ook?
Menno, Syl en Waldenberg hebben ieder hun eigen keuzes gemaakt. Had het anders gekund?
Wat ook in Vissers eerdere boeken het geval was: de natuur speelt een grote rol. In een naturalistische stijl ontvouwen zich de Alpen, en de karakters van de personages.


Een roman om nog eens op je gemak te herlezen en rustig te laten bezinken. Om opnieuw te genieten van het uitzicht, dat dan misschien wel anders is.


ISBN 9789086841097 | Paperback| 190 pagina's | Uitgeverij IJzer | oktober 2014

© Marjo, 16 november  2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altOntwaken
Caspar Visser 't Hooft


Dit boek bevat vier verhalen waarvan het eerste ‘het ontwaken’  de toon zet.


‘Zo’n typisch onaanzienlijk, ja, zelfs lelijk huis, gebouwd tussen 1900 en 1920, zoals je die veel hebt in de banlieues van kleinere Franse stadjes. Tamelijk groot (in Frankrijk zijn alle huizen groter dan in Nederland –meer ruimte!), met muren waarvan de buitenzijde uit expres-ruwe grauwe stenen bestaat, en met name ramen die door de smalle zijden van ingemestelde bakstenen worden omlijst. Hij verbeeldde zich dat voor, boven de voordeur, op een rijtje groengeglazuurde tegels, de naam van het huis stond aangegeven: Villa Mon Repos, of Villa Iris of Les Mimosas. Een grote serre kwam achter uit op de tuin, Een gezellige, een beetje rommelige tuin, met grindpaadjes, een perk vol rode en gele tulpen, een groen grasveld achter, een moestuin, verderop de bollende nevels van bloeiende vruchtenbomen, mimosa, tamarisken... wat voor mensen? De gepensioneerde chef van een plaatselijk postkantoor? Een gewezen hogere spoorwegbeambte? Een ex-legerofficier? Gelukkige mensen die er een vriendelijk, rustig bestaan op na houden. Mensen die van lekker eten houden. Zo veel mogelijk uit eigen tuin. Zo rustig als die oudere meneer in zijn groene jekker die daar hele ochtenden in zijn moestuin kon rondscharrelen. Spitten, grond omwoelen, zaaien...’


Je waant je meteen daar, in dat ‘lelijke’ huis.  En je begrijpt hoe het kan dat de hoofdpersoon van het verhaal ervaart wat het verhaal gaat vertellen.
Geluk bij een ongeluk, het is een uitdrukking, die Gerard van de Wall Haneman zal leren waarderen. Hij wordt wakker en weet niet waar hij is. Natuurlijk ontdekt hij dat al snel. Hij bevindt zich in een herstellingsoord, nadat hij een ongeluk heeft gehad met de auto. Hij was onderweg naar zijn huis in Frankrijk. Nu is hij gedwongen rust te nemen, terwijl hij het zo druk had met de verbouwing van het huis. Het duurt niet lang om tot het besef te komen dat zijn leven niet is wat hij eigenlijk wil.
Wie is die protserige vent die alles doet om in de smaak te vallen bij die omhooggevallen lui, die denken dat ze alles zijn? Wilde hij daar echt bij horen? En waarom heeft hij zijn vriend toen verraden; alleen om er zelf beter van te worden? Wat heeft dat leven hem opgeleverd?
Ja, dat ongeluk is een geluk. Tijd om het roer om te gooien. Al is het de vraag of dat kan.


In het tweede verhaal ‘sneeuw voor de zon’ is het Tina die terugkijkt op haar leven. Zij bevindt zich bij een seminar dat haar teruggebracht heeft naar een plek waar ze een deel van haar jeugd doorgebracht heeft. Een idyllische plek waar haar kinderjaren tot een einde kwamen door toedoen van een ander meisje. Tina kwam tot het besef dat zij geacht werd zich anders te gedragen dan ze deed. Jongens zijn niet hetzelfde als meisjes. Tina trok zich het liefst niets van anderen aan, en nu nog niet. Maar ze beseft wel dat het haar tot een buitenbeentje maakt. Ze hoort er niet bij. Ook op dat seminar: ze hoort er nog steeds niet bij. Maar dat meisje van vroeger is nu haar schoonzus en zal zodoende in de afwezigheid van Tina voor haar moeder zorgen. Is de boosheid die ze altijd voelde ten opzichte van haar schoonzus wel terecht? Was het wel door diens toedoen dat de gebeurtenissen in het verleden zo verliepen? 


Dan volgen nog een tweetal korte verhalen, die eenzelfde thematiek hebben: vroeger is voorbij.
Hoe mooi, hoe gezellig, hoe idyllisch het ook was, het is niet handig om je te laten leiden door het verleden: je leeft nu!  
Zoals we van Caspar Visser ’t Hooft gewend zijn, ademen deze verhalen een Franse sfeer. Zijn beschrijvingen van de achtergrond zijn impressionistisch en naturalistisch, zijn stijl is omfloerst, de karakters worden tot in de finesses ontleed.


ISBN 9789086840465 | paperback |143 pagina’s |IJzer| november 2009

© Marjo, 21 oktober  2013

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altFeniksbloem
Caspar Visser ’t Hooft


Het is 1913. De Eerste Wereldoorlog, alsmede de Russische Revolutie zijn ophanden, maar Vanja en Elisabeth die op een soort verlate huwelijksreis zijn in Italië, weten nog niet hoe dat hun leven zal bepalen.
Als Vanja (=Ivan Konstantinovitch Rozanov) op het eiland San Antonio rondstruint vindt hij een heel klein plantje, dat veel lijkt op een orchidee. ‘Drie witte kelkblaadjes, drie witte kroonblaadjes, een wit lipje: een pahleanopsis, maar dan in het klein’. Hij neemt het mee in zijn botaniseertrommel, omdat dat zijn taak is: planten verzamelen voor de botanische tuin die zijn vader aan het aanleggen is in het park dat bij de Rozanov-villa hoort. Het park moet het grootste ter wereld worden, en zijn kleinzoon reist daarvoor de wereld af.
Elisabeth is Nederlands, een freule uit Bloemendaal, en zij zal haar verhaal vertellen tussen het actuele verhaal door.
Haar verhaal beleeft een vervolg in het heden, waar Ernst, net terug uit Brazilië, is gaan werken bij het Plantarium. Daar leert hij Vanja kennen, een achterkleinzoon van de eerder genoemde Rozanov, op zoek naar informatie over de botanische tuin van zijn voorvader. Ernst is geïntrigeerd en belooft hem te helpen met een speurtocht in het archief. Vanja blijkt een zus te hebben, die betrokken is bij een kind dat lijdt aan een huidziekte. En zo hangt alles met alles samen, want Ernst stuit in het archief op een aanwijzing dat de feniksbloem, het kleine witte bloempje uit Venetië,   misschien wel geneeskracht zou kunnen bezitten.
Vanuit het perspectief van Elisabeth in het verleden, en Ernst en Olga in het heden lezen we over de geschiedenis van de plantkunde; over de gevolgen van de Russische revolutie en nog veel meer. Een verhaal waarin het verleden het heden inhaalt, waaruit blijkt dat we vandaag de dag oogsten wat lang geleden gezaaid is. Niets is voor niets.
Nog een thema: de calvinistische levenshouding van ons Nederlanders.
De grootvader van Ernst, grootvader de Vreeze, predikte de stelling ‘wie niet werkt is een dief’. Een devies dat hij op Ernst had willen overbrengen. Het bezorgt zijn kleinzoon inderdaad schuldgevoelens:

‘Nu, achteraf denk ik wel eens: maar wat heb ik in die tien jaar eigenlijk gedaan? Het antwoord hierop is natuurlijk dat ik gewoon geleefd heb. Gedurende de tien jaar dat ik daar woonde, kwam de vraag – die de vraag is naar de zin van het leven – geen moment bij me op. Hier wel, vooral de laatste tijd.
En ik denk dat dat komt omdat we hier teveel van onszelf vragen. Alsof we ons voortdurend voor ons bestaan hebben te verantwoorden. Door maar druk in de weer te zijn, te regelen, dingen te veranderen, beleid te voeren, kortom te werken en nog eens te werken. Daar niet, want wat zul je druk in de weer zijn wanneer je omringd wordt door een natuur waarvan je weet dat hij een rustig moment afwacht om alles wat de mensen van  hem hebben afgepakt weer terug te veroveren en langzaam maar zeker te verteren? Is dat fatalisme? Een fatalisme dat tot een gemakzuchtig ‘laisser aller’ leidt? Wanneer wij, calvinistische Nederlanders in andere streken komen, vinden we al gauw dat de dingen er rommelig zijn, dat orde en structuur er ontbreken, dat de mensen er ondegelijk zijn, weinig serieus, lui.’


Caspar Visser ’t Hooft woont en werkt in Frankrijk…

Dit is de tweede roman van zijn hand die ik lees, maar hij lijkt nog niet echt bekend bij Nederlandse lezers. Misschien dat er daarom gekozen is voor zo’n opvallende omslag?
Het zou daar niet van af moeten hangen: zijn boeken zijn goed geschreven, met een afwisseling van gedragen proza en vlotte dialogen.  Ze bieden ook meer dan een gewoon verhaaltje. Het blijft haken in je hoofd, en maakt je nieuwsgierig naar nog meer feiten over de achtergrond.


ISBN 9789086840809  | paperback| 224 pagina's |IJzer |mei 2012

© Marjo, 18 november 2012

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Koningskinderen
Caspar Visser 't Hooft


‘Een sprookje is als stil water. Je moet je heel stil houden wil je kunnen zien wat er aan de andere kant van het wateroppervlak leeft en beweegt. (..) Wanneer je probeert ze te begrijpen, wanneer ze je’ analyseert’, wanneer je over de ‘functies’ ervan speculeert, dan is het alsof de elfen en zeemeerminnen, de heksen en de kabouters, de prinsen en de prinsessen, de koningen, de feeën, ridders zich schielijk in hun onderaardse grotten, hun hutten in het hartje van diepe, donkere wouden, hun burchten voorbij onbegaanbare gebergten terugtrekken en verbergen.’


De levens van Dona en Alexander zijn sterk gelieerd met dat van Hanno, de dromer. Hanno is de geheimzinnige man, die ze niet schijnen te kunnen bereiken, al is hij hun geliefde, hun vriend, hij blijft raadselachtig, een dromer met grootse plannen.
Dona is de dochter van graaf Ernst-Casimir Blankenburg, die in Karlfurt zetelt. Zij heeft letterkunde gestudeerd, maar heeft nu een carrière als filmster op het oog. Zij heeft na een nogal stormachtige ontmoeting met de man  een relatie gehad met Hanno, maar vond haar eigen toekomst toch belangrijker. Hanno is er stuk van, maar Dona weet niet zo goed wat ze wil. In ieder geval wil ze niet de brave huisvrouw worden, zoals haar vader graag zou zien.


Alexander Reael is een Nederlander die in Karlsfurt woont en werkt, op een bank. Hij ontmoet Hanno op een koor, en wordt betrokken bij diens project. Hanno is bezig een clip op te nemen met de rapzanger Jaled. Daarbij staat hem voor ogen dat twee rivaliserende groepen jongeren van allochtone afkomst samenwerken, zo elkaar leren kennen en waarderen.
Hanno droomt  van vrede. Van een samensmelten van  joden, christenen en moslims. Hij heeft afstammelingen gevonden die de drie groepen vertegenwoordigden: een nazaat van de hogepriesters van Israel;  een afstammeling van het geslacht Saladin, de dynastie van de Ayyoubiden en degene die de officiële titel van koning van Jerusalem mocht dragen (maar niet deed) omdat zijn voorvader koning was van het kruisvaarderkoninkrijk Jerusalem, i.e. de christelijke kant.


‘In een manifest wilden we de drie gemeenschappen die vanouds op de Heilige stad (=Jerusalem) aanspraak maken tot vrede oproepen. Een symbolische actie. We zouden ons opgeroepen hebben als de stem van de geschiedenis.’


De drie worden meegezogen in een maalstroom van gebeurtenissen, waarbij dromen sprookjes blijken, en een mooi streven eindigt in een drama.


Het verhaal wordt verteld vanuit Dona - waarbij de schrijver een meer psychologische verteltrant hanteert -  en Alexander, die vooral filosofische gesprekken voert met vriend Hanno. Met flinke tijdsprongen vormen een proloog, drie delen - twee van de dame, een voor de heer - en een brief van Hanno als slotstuk, een boeiende roman in een veelal beschouwende stijl, afgewisseld met  aansprekende dialogen.
De achterliggende filosofie over een samensmelten van drie godsdiensten, met een koning, de koning van Jerusalem, wordt uitgewerkt op een kleiner niveau: het opnemen van de clip, hetgeen in een drama eindigt.


De stemmige omslag is de afbeelding van een vrouw (Dona?). die knielt voor een ridder (Hanno?).   Voeg daarbij de titel, en je verwacht een ander verhaal dat hetgeen je krijgt. Het is geen historische roman, al liggen er wortels in het verleden. Het is, zoals de flap zegt, een eigentijds sprookje.
Het sprookje van Jorinde en Joringel waarvan sprake is in het boek, is bij ons niet zo bekend, de ‘Almanach de Gotha’ kende ik ook niet, maar dat stoort niet. Weer wat bijgeleerd.
Wat de Nederlandse lezer wel kan storen, is de taal van Caspar Visser ’t Hooft, iemand die duidelijk gewend is Frans te spreken en te schrijven. Er zijn nogal wat gallicismen, of Gallische zinswendingen. ‘Introït’; ‘blondbollig’; ‘we hebben het nooit over onze personen’. Jammer genoeg leidt dat weleens tot echte fouten. Maar soms is het ook gewoon leuk:  zoals een woord als ‘biggenbloot’.  Kleinigheden.
Het geheel is een boeiende roman, met filosofische en psychologische benadering van een belangwekkende vraagstuk.


ISBN 9086840604 | Paperback |221 pagina's | Uitgeverij IJzer |  december 2010

© Marjo, 29 januari 2011

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe ring van de keizerin
Caspar Visser 't Hooft


‘Wat is de werkelijkheid? Is de werkelijkheid altijd de werkelijkheid-zoals-wij-die-zien? En de manier waarop wij de dingen zien, die wordt nu juist bepaald – deels bepaald, door de schilders. Zij oriënteren, scherpen, verrijken onze blik. En in die zin màken zij de werkelijkheid – omdat de werkelijkheid altijd de werkelijkheid is zoals-wij-die-zien.’


Hoe komt het dat Marnix, de hoofdpersoon, na een openhartoperatie steeds terugdenkt aan de periode in zijn jeugd dat hij veel optrok met Irene en Roman Komnenos? Het laat hem niet los, zeker niet na zijn bezoek aan de tentoonstelling in Boymans-van Beuningen, waar hij werken van Cuyp bekijkt. Als hij het werk ‘Gezicht op Nijmegen’ ziet, beseft hij hoe belangrijk die periode, waarin hij broer en zus kende, in zijn leven was. Hij herinnert zich weer hoe oom Ernst hem vertelde over het Valkhof, waar de familie vroeger woonde, als burggraaf. Dat en nog veel meer verhalen vertelde hij als Marnix logeerde in Heelst, waar later Irene en Roman hem gezelschap hielden. Ook vertelde hij het sprookje over de ring van de keizerin, waarmee het boek begint.
Twee mannen redden de keizerin uit de rivier en willen geen van tweeën vertellen wie van hen de echte redder was. Een van de twee kon namelijk niet zwemmen. De keizerin gooide haar ring in het water in de verwachting dat de zwemmer er wel achteraan zou springen. Dan zou ze haar antwoord hebben. Maar dat gebeurde niet.
Marnix herinnert zich hoe Irene en Roman hem meetrokken en hem altijd in situaties brachten waar hij in zijn eentje nooit over gedacht zou hebben dat te doen. Niet hij die met een zwak hart geboren is. En hij wist hoe zij altijd het avontuur zo wisten te draaien dat Marnix er als de grote held uitkwam. Maar hij wist het, en beseft het nog steeds: hij was een minkukel. Hij was de niet-zwemmer, denkt hij.


Waarom is hij broer en zus eigenlijk uit het oog verloren? Het toeval helpt hem, en hij op zijn beurt het toeval: hij ontmoet Irene opnieuw, en zij brengt hem in contact met Roman.  Dan rijst opnieuw de vraag: wie was de zwemmer? Wie was de echte redder? En had het sprookje echt een vervolg?
Mooi geschreven verhaal over hoe gebeurtenissen uit je jeugd de mens maken en breken.
Er zit een stukje geschiedenis in, en natuurlijk moesten de schilderijen even opgezocht worden.
‘Mooie leugen, mààr- een-verhaaltje!’  Casper Visser ’t Hooft zegt het zelf. Het is maar wat de lezer er van maakt. Ik heb in ieder geval bijgeleerd en mooie schilderijen gezien.


ISBN 9789086840144 |paperback | 94 pagina’s  | IJzer | november 2007

© Marjo, 12 april  2013

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER