Nieuwe recensies Non-fictie

Frankrijk in 50 nuances
Caspar Visser ‘t Hooft


Na de bundels ‘Frankrijk in 50 klanken’ en ‘Frankrijk in 50 fragmenten  verschijnt opnieuw een bundel verhalen over La douce France. ‘Douce’ blijkt Frankrijk niet altijd te zijn, maar interessant absoluut wel. Iemand die Frankrijk kent, of denkt te kennen – het land is immers enorm groot! - bekruipt bij het lezen een gevoel van nostalgie, een verlangen om dit (eventueel opnieuw) ook mee te mogen maken.

Het moge zo zijn dat de huidige republiek onder leiding van Macron verre van ideaal is, zo maakt de schrijver ons duidelijk - tegelijk lees je dat het niet zo veel anders is als wat er in de afgelopen decennia in ons land heeft plaats gevonden. De economie, de markt, is belangrijker geworden.
Het is jammer dat het sociale aspect daar onder te lijden heeft: waar ooit de postbode zonder eigenbelang een oogje in het zeil hield als zij hun rondes deden in de kleinere dorpen, moeten mensen nu deze hulp aanvragen en er voor betalen.


En tja, ook in Frankrijk is de moderne tijd doorgedrongen: geen telefooncellen meer. En brieven worden vervangen door e-mailberichten.
Door er rake stukjes over te schrijven is duidelijk dat het de schrijver treurig stemt, dat het niet meer is zoals het was, maar och, ook hier kun je voordelen zien: het verhaal over de kapel van Brouls, dat in de negentiende eeuw nog een oord was waar je eens fijn kon gaan kuren om van vervelende kwalen af te komen, dat kent nu niemand meer. Maar je moet er toch niet aan denken dat die plek nu een drukke toeristische trekpleister zou zijn!
Hoe zouden we dan de nostalgie nog kunnen proeven?


Over proeven gesproken. Als je het hebt over Frankrijk moeten we het ook hebben over het eten, en de wijn. Dat doet Caspar Visser ’t Hooft dan ook. En hij beschrijft landschappen, plekken waar je graag eens zou gaan vertoeven. Wij zullen de schrijver nooit kunnen inhalen, hij heeft het voordeel er al zoveel jaren te wonen – niet altijd op dezelfde plek – maar door deze verhalen krijg je zin om eens op je gemak het land te doorkruisen.
En dan te stoppen op die plekken die in dit boek – en de eerdere natuurlijk – beschreven staan, om te lezen over de historische achtergrond. Geen duffe jaartallen, en algemene feiten, maar echte verhalen over lang geleden. Als je dan die tijden vergelijkt met hoe het nu is, ach, het is niet altijd slecht, de vooruitgang.


Al deze nuances krijg je mee als je deze 50 stukjes leest.
Conclusie: Frankrijk is anders. De een zal dat prettig vinden, de ander wat minder. Maar dat je er zin in krijgt om naar het Zuiden af te reizen, dat is een feit!

Caspar Visser ’t Hooft (1960, Straatsburg) studeerde in Leiden en in St Andrews (UK).
Hij werkt en woont sinds 1990 in Frankrijk. In 2005 debuteerde hij met de novelle Sprekend portret. Daarop volgden een tweede novelle, De ring van de keizerin, en een verhalenbundel, Ontwaken.
In 2010 verscheen bij Uitgeverij IJzer zijn eerste roman, Koningskinderen, gevolgd door Feniksbloem (2012), Waldenberg (2014) en Brandende kolen (2015). Hij beheert sinds jaren de veelgelezen Frankrijk-site ‘Schrijver in Frankrijk’, waarvoor hij geregeld columns schrijft.

Met een voorwoord van Frankrijkkenner Ariejan Korteweg, parlementair redacteur bij de Volkskrant, tot de zomer van 2013 correspondent in Frankrijk.

ISBN 9789461853219 | paperback | 180 pagina's | Uitgeverij Grenzenloos | april 2022

© Marjo, 27 januari 2023

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Alle Oekraïners die ik ken
En een paar van wie ik alleen maar gehoord heb
Olaf Koens


De auteur is een succesvol en veeltalig journalist, die Rusland en Oekraïne door en door kent en veelvuldig bezocht voor en tijdens de oorlog. Hij woont met zijn gezin in Istanboel, maar zijn schoonfamilie woont in Gorlevka, in de Donbas, tussen Donetsk en Loegansk. Hij kent heel wat Oekraïners, minstens 30 (p. 29) en veel Russen, o.a. Tichon Dzjadko van de verboden Dozjd-tv.


In de proloog vernemen we dat niet enkel mannen tussen 18 en 60, maar ook vrouwelijke artsen het land niet mogen verlaten wegens onmisbaar (p. 12). De auteur zit dan in een overvolle trein met mensen die uit Kramatorsk (Donbas) vluchten naar Polen. Blijkbaar vluchten de Donbassers dus niet allemaal naar Rusland, zoals de Russen soms beweren.


Koens praat ook met Oekraïense mannen die vanuit West- en Midden-Europa vrijwillig naar hun land trekken om daar mee te vechten. Zelfs Ljoebomir, hoewel zijn naam betekent: hij die houdt van de vrede. Er is ook veel transport van zwaar zieken naar Polen en Duitsland: tientallen doodzieke kinderen met kanker kunnen wegens de oorlog niet in Oekraïne behandeld worden.


Overal in Oekraïne hangen boven de wegen en kruispunten berichten voor de invallers: “Russische soldaat, ga terug” of “Russische soldaat, krijg de tering”. En overal zijn de verkeersborden verdwenen of afgeplakt met variaties daarop: “Russische soldaat, stop! Poetin heeft verloren, de hele wereld staat achter Oekraïne!” (p. 60). Helaas is dat niet zo, want een aantal landen zoals China steunen Poetin ten volle.


De auteur toont ook schrijnende sms-berichten van kinderen naar hun vader aan het front, waarin ze dagen na elkaar, van 5/3 tot 2/4, vragen of hij nog leeft. Totdat ze hem mee begraven. Hij vertelt ook over de meer dan 1.500 lijken van Russische soldaten in het mortuarium van Dnipro. De Russen willen ze niet terugnemen. En in het ziekenhuis van Dnipro ontmoet hij jonge mannen met afschuwelijke letsels: zonder armen of benen of zonder gezicht.


De Russen veroveren steden en dorpen, maar verwoesten ze compleet. Van de mooie stad Marioepol zijn enkel ruïnes over. De Oekraïners vragen zich terecht af: wat is hun doel?  De dierentuin van Odessa overleeft dank zij vrijwilligers en internationale hulp. Hij zit vol met huisdieren van gevluchte inwoners. De dieren zijn bang van de oorlogsgeluiden en de directeur brengt er ook vele nachten door. In Kiev en andere plaatsen ontbreekt van alles: benzine, wc-papier etc. Maar de treinen rijden in heel het land nog op tijd. En als de sporen gebombardeerd worden, worden ze meteen hersteld. Ze vervangen nu ook het luchtverkeer.


Beoordeling
Koens bezit een schitterende schrijfstijl en een heel rijke woordenschat. Uit de interviews die hij afneemt blijkt heel duidelijk dat Oekraïners mekaar enorm helpen, bereid zijn om te sterven voor hun vrijheid -“de vrijheid of de dood” - en geen nieuwe Russische bezetting willen. De kaart vooraan (p. 8-9) is zeer degelijk en toont bijna alle plaatsnamen die in het boek genoemd worden, uitgezonderd Leopoli (p. 54) en Gomel (p. 163).

ISBN 978-90-388-1250-2 | Paperback | 192 pagina's | Uitgeverij Nijgh & van Ditmar, Amsterdam/L&M, Antwerpen, november 2022

Jef Abbeel, Turnhout, 23 januari 2023 www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De adel en de nazi’s
De collaboratie van de Duitse keizerlijke familie
Stephan Malinowski


Aan de binnenzijde van deze hardcover is over twee bladzijden een grote kaart van Noord-Europa opgenomen. Naast steden als Wenen, Berlijn, Warschau, Praag zie je ineens dat er drie kleine plaatsen in Nederland worden genoemd: Amerongen, Doorn en Wieringen. Deze plaatsen werden in 1918 wereldwijd nieuws omdat de verslagen keizer Wilhelm II uitweek naar eerst Amerongen en vervolgens Doorn. Zijn zoon, de kroonprins, vond een toevluchtsoord in de kop van Noord-Holland in wat toen nog het eiland Wieringen was.


Aan de binnenkant van de achterzijde treffen we over twee bladzijden uitgestrekt een stamboom aan van de Holenzollern in de 20e eeuw. Wilhelm II had zes zonen en een dochter. De kroonprins kwam aan vijf zonen en een dochter. Diens tweede zoon Louis Ferdinand, overleden in 1994, speelt ook een belangrijke rol in dit boek.


De keizer en de kroonprins hebben nooit kunnen verkroppen dat de dynastie afstand moest doen van de keizerlijke kroon. De Weimar-democratie verafschuwden ze. Ze allieerden zich met extreemrechts om de Weimarrepubliek omvergeworpen te krijgen. Heel pragmatisch en opportunistisch zetten ze hun kaarten op het opkomende nationaalsocialisme en op Hitler. In ruil voor hun steun verwachtten ze dat hun bezittingen niet onteigend zouden worden en hoopten ze zelfs op een herstel van hun dynastieke macht. Hitler wilde bij verkiezingen graag de steun van de vele monarchisten in Duitsland verwerven, maar peinsde er niet over om de macht weer uit handen te geven.


Dat de Hohenzollern aanpapten met de nazi’s is op zich geen nieuws. In 2021 bezocht ik een expositie op Huis Doorn over dit onderwerp. Daar zag je allerlei foto’s van de kroonprins: met de hakenkruisarmband om, de Hitlergroet brengend, vooroplopend bij een SA-parade, in gesprek met lieden als Göring, Himmler en Goebbels. De keizer zelf stuurde in 1940 een felicitatietelegram naar Hitler nadat hij Nederland had veroverd en bezet.


Het belang van dit boek is vooral gelegen in de overstelpende hoeveelheid materiaal dat Malinowski uit de archieven heeft opgedoken: documenten, foto’s, brieven, akten, gespreksverslagen, interviews. Het is zoveel en zo overtuigend dat je inderdaad zonder overdrijven kunt spreken van collaboratie met de nazi’s.


Die conclusie is van groot belang, want de Hohenzollern zijn in tal van processen verwikkeld tegen de Duitse en Nederlandse staat om hun bezittingen terug te krijgen (Huis Doorn is in 1945 door de staat onteigend) of om compensatie te krijgen. De vraag of er sprake was van collaboratie is dan van cruciaal belang. Individuen die dat standpunt uitdragen krijgen eveneens met een proces te maken. De familie laat dan een batterij juristen en historici op de tegenpartij los om hun versie van het verleden gesanctioneerd te krijgen door de rechter. De auteur van dit boek verhaalt dat hij daar bij eerdere publicaties over dit thema zelf slachtoffer van is geworden en dat ging hem niet in de kouwe kleren zitten.


De band met het Hitler-regime is voor de Hohenzollern op termijn een tweesnijdend zwaard gebleken. Toen een mogelijk voordeel, nu een nadeel. Terecht merkt Beatrice de Graaf in het Woord Vooraf op dat rechters een nuttig gebruik kunnen maken van dit boek bij lopende processen.


De compositie van een boek dat een thema bestrijkt met zoveel aspecten, over zoveel decennia en met een omvangrijke familie is een lastige. Het betoog van Malinowski is als een meanderende rivier, met veel lange zinnen waarbij de adjectieven op elkaar worden gestapeld. De vertaling zal een hele klus zijn geweest. Het leverde niet altijd een goed leesbare tekst op. Regelmatig kijk je als lezer naar een passage met de vraag: wat wordt hier nu eigenlijk bedoeld? Misschien was het overzichtelijker uitgevallen als de stof behandeld was aan de hand van de overzichtelijke stamboom achterin.


Volgens die stamboom is er in elke generatie één hoofdpersoon. De keizer in Doorn die opereerde vanuit zijn ballingsoord. De zoon, de ex-kroonprins, die vanaf 1923 in Duitsland optrad en zich lieerde aan de nazi’s. De kleinzoon Louis Ferdinand die meer modern was ingesteld, maar wel vast bleef houden aan oude aanspraken en uiteindelijk  Georg Friedrich, die in 2021 toegaf dat het debat over het verleden in volle vrijheid gevoerd moet kunnen worden.


Het boek is voorzien van een uitgebreid notenapparaat, een overzicht van bronnen en literatuur, en ook een personenregister. In de tekst zijn zwart-witfoto’s en historische spotprenten opgenomen.


Stephan Malinowski (1966) is historicus en schrijver. Sinds 2012 is hij verbonden aan de universiteit van Edinburgh. Dit boek werd in 2022 in Duitsland bekroond met de belangrijkste prijs voor non-fictie.


ISBN 9789046829936 | Hardcover | Omvang 624 blz. | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | januari 2023

© Henk Hofman, 16 januari 2023

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Oekraïne. Geschiedenissen en verhalen
Volodymyr Yermolenko e.a.


Deze bundel bevat bijdragen van 16 filosofen, historici en denkers over de geschiedenis, literatuur, filosofie, mythes etc. van Oekraïne. Ze willen daarmee tonen dat hun land behalve sport, corruptie, oorlog en Kozakken nog andere troeven heeft: kunst, literatuur, IT, mode, moderne staatsdiensten. En economie: het werd altijd begeerd om zijn graan en zijn grondstoffen.


Rond 1900 was 90% nog boer en Oekraïners kijken met trots naar hun boerencultuur en boerendeugden: werklust en gastvrijheid. Het Oekraïens was vooral de taal van het platteland, het Russisch van de steden en van al wie carrière wilde maken. De Russische overheid verbood lange tijd om boeken te publiceren in het Oekraïens en bepaalde wie een functie kreeg. De landbouw is inmiddels wel zeer ontwikkeld en winstgevend. En Oekraïne is veranderd van een ‘geboren antisemietenland’ naar één met de laagste antisemitisme-cijfers in Europa.


We krijgen interessante informatie over de Kozakken, de betekenis van de woorden Oekraïne (grensgebied) en Roes (Fins voor roeiers), Rossia (de Griekse vorm van Roes) en de gifmoord op Bandera door een Oekraïner die ingehuurd was door de KGB. Het hoofdstuk over de vele Oekraïense schrijvers is vooral bedoeld voor ingewijden.


Oekraïners hebben andere karaktertrekken dan hun Russische buren: ze verwerpen elke vorm van monarchie, ze zijn democratisch-anarchistisch, ze willen hun bestuurders zelf kiezen, maar daarna hebben ze snel kritiek op hen. Er zijn meer dan 350 politieke partijen. Vijf of tien jaar vooruitplannen zit niet in hun bloed.


Russen daarentegen geloven dat hun tsaar of leider door God is gegeven en dat ze hem moeten blijven steunen. De Russen slaagden er niet in de Oekraïense mentaliteit te collectiviseren. Enkel in het oosten, langs de Russische grens en in de Donbas, is die collectieve mentaliteit nog sterk aanwezig als gevolg van Sovjet-deportaties en Russische kolonisatie.


Yermolenko filosofeert ook over de betekenis van de naam Oekraïne, over hun held Ivan Mazepa, de historische rol van de steppe, het ontstaan van het land te midden van het imperialistische katholieke Rome en het even imperialistische orthodoxe Moskou, het verlies van de Kozakse autonomie in de 15de-18de eeuw. Volgens hem is corruptie een manier om veiligheid te kopen in een maatschappij waarin niemand zich veilig voelt.


Schrijver Bondar somt een aantal zaken op die de Oekraïners misten in de geschiedenis: Renaissance, Reformatie, Verlichting, Industriële Revolutie (hij vergeet dan wel de Donbas), een Nobelprijs literatuur. Eeuwenlang moesten ze zien te overleven onder vreemde repressieve regimes.


De ‘Aeneïs’ van Ivan Kotljarevsky en ‘Kobzar’ (een muziekspeler) van Taras Sjevtsjenko tonen hun helden en beproevingen. Oekraïners denken niet met hun brein, maar met hun hart. En ze bezitten een lijst goede eigenschappen: tolerantie, vrije meningsuiting, tweetaligheid, weinig antisemitisme, talent om ontberingen te doorstaan.


Een dichteres strijdt voor ‘KyivNotKiev’. Hopelijk weet ze dat de naam ‘Kiev’ al minstens sinds de 9de eeuw bestaat. Sinds 1991 zijn vele Russische namen veranderd in Oekraïense.


Vóór 1991 werd het Oekraïens geassocieerd met het platteland. Voor de Russischtaligen was de overgang naar het Oekraïens een zware aanpassing, zelfs een vernedering. De Russische propaganda stelde en stelt dat het Oekraïens geen volwaardige taal is. De Oekraïense meerderheid voelt zich trouwens nog altijd een minderheid. Mensen uit de Donbas of de Krim, die gevlucht zijn naar het centrum van het land, hebben daar na 8 jaar nog geen stemrecht omdat ze… een ander geloof hebben, d.w.z. bij de kerk van Moskou behoren!


Eén auteur beweert dat het Oekraïens meer gediscrimineerd wordt dan het Russisch en dat de Holodomor ook diende om Oekraïners te vervangen door Russen. Hij zegt ook dat sinds Maidan het vertrouwen onder de Oekraïners is toegenomen, dat het antisemitisme is verdwenen (omdat de Joden meededen aan Maidan) en dat ook de corruptie is afgenomen. Een schrijver die in 2014 uit Donetsk naar Kiev is gevlucht, verklaart dat de Russischtaligen zoals hij hoegenaamd niet verdrukt werden door de Oekraïners, dat hij overal in zijn land Russisch kan spreken en dat het Donetsbekken (Donbas) zich op cultureel vlak nooit deel voelde uitmaken van Rusland: de ‘onderdrukking’ van de Russischtaligen was gewoon een voorwendsel voor Poetin om daar de afscheiding te bevorderen.


Een Oekraïense Krim-Tataar getuigt over de terugkeer van de helft van zijn volk uit Oezbekistan etc. naar de Krim rond 1989-1990. In 1944 had Stalin er 190.000 gedeporteerd. In 2013 zijn ze (dankzij hun groot aantal kinderen) met 270.000 of 13,5% op 2 miljoen Krim-bewoners, terwijl ze in 1783 nog 95% van de bevolking uitmaakten. Het aantal Krim-Tataarse scholen is sinds de Russische bezetting gehalveerd van 15 naar 7. En sinds 2014 hebben 30.000 Tataren de Krim verlaten.


Een Pools-Oekraïense vertelt over de ingewikkelde verhoudingen tussen beide landen in de 20ste eeuw en de verzoening tussen de twee volkeren. Inwoners van Lviv werden in 1945 verplicht naar Polen te verhuizen, vaak naar de westelijke gebieden die van Duitsland waren afgenomen. En een aantal Polen betreurt nog steeds dat het in 1945 gebied kwijtspeelde aan Oekraïne.


Ook tussen Oekraïners en Joden waren de relaties complex en moeizaam, maar sinds Maidan schieten ze goed op. In de Sovjet-Unie werden 400 antisemitische boeken gepubliceerd en op het einde van de jaren 40 probeerde Stalin de Joodse intellectuele klasse uit te roeien en de Joden naar Siberië te deporteren, o.a. omdat de nieuwe staat Israël de kant van het Westen koos en omdat de Joden veel connecties in Amerika hadden (p. 233-235).


De Holocaust is in Oekraïne nog bijna niet bestudeerd. In de Westerse literatuur overheerst het beeld dat de Oekraïners collaboreerden, maar dat is ongenuanceerd. Er vochten en sneuvelden veel meer Oekraïners in het Rode Leger dan dat er actief waren in de collaboratie.


In Duitsland circuleren (of circuleerden) opvallend veel Poetin-vriendelijke standpunten: de schuld van de crisis zou bij het Westen liggen, Oekraïne is verdeeld tussen Oost en West, de Duits-Russische samenwerking en Nord Stream-2 mogen niet opgeofferd worden voor het verre en zwakke Oekraïne, kritiek op Poetin is ‘russofobie’ (aldus zowel Die Linke als AfD, beiden anti-Amerikaans), er leeft een historisch schuldgevoel tegenover Rusland, maar niet tegenover Oekraïne, dat zowel in 1918 als in 1941 door de Duitsers werd bezet en dat in verhouding veel meer doden telde. Oekraïne wordt er nog altijd geassocieerd met nationalisme en collaboratie, hoewel Zelensky en zijn regering geen van beide aspecten vertonen. De Russische propaganda heeft alleszins veel impact in Duitsland.


De laatste auteur pleit ervoor om zijn land niet te beschouwen als een bufferzone: het is na Rusland het grootste land van Europa, met een breedte van meer dan 1.000 km van west naar oost en 46 miljoen inwoners. Hij wil ook niet dat men berust in het vooroordeel dat er tegen Rusland niet te vechten valt.


Beoordeling

De auteurs geven ons een veelzijdige kijk op hun land. Het boek zit niet vol met data, maar het beschrijft  wel de mentaliteit van de Oekraïners, hun drang naar vrijheid, hun afkeer van vreemde overheersing. De auteurs kennen de Grieks-Romeinse oudheid goed en tonen de invloed ervan op hun literatuur. Ze vergeten daarbij nog de plaatsnamen in het zuiden die Grieks geïnspireerd zijn. De bladspiegel is aangenaam, het boek is mooi uitgegeven.


Eén schrijver vreest dat zijn land over 30 jaar eentalig Russisch zal zijn. Maar de oorlog heeft de interesse voor het Russisch sterk verlaagd. Het grootste nadeel is dat de artikels geen precieze datum hebben en allemaal van vóór de oorlog zijn. Een kaart ontbreekt ook: de auteurs en de uitgever veronderstellen dat iedereen weet waar Galicië, Wolynië, Boekovina, Zhytomyr etc. liggen.


Bij de info over de auteurs (p. 281-284) mis ik ‘Dagboek van een invasie’ bij Andrej Koerkov en ‘De poorten van Europa’ bij Serhii Plokhy (de Engelse versie staat er wel bij).


Tot slot: alle inkomsten van dit boek gaan naar Oekraïense goede doelen.


ISBN 978-90-832-1228-9 | paperback | 288 pagina's | Uitgeverij ISVW, Leusden | december  2022

© Jef Abbeel, 12 januari 2023 www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

China na Mao
De opkomst van een supermacht
Frank Dikötter


De auteur (°1961) is Nederlander en sinds 2006 professor in Hongkong. In 2012-2016 schreef hij al een boeiende trilogie over China in de periode 1945-1976. Dit boek gaat over de tijd na Mao: de jaren 1976-2012. Het eindigt dus 10 jaar te vroeg. Als reden geeft hij op dat Li Rui (1917-2019) dan zijn dagboek sluit en dat degelijke informatie dan niet meer beschikbaar is, alsof deze veelzijdige man (politicus, secretaris van Mao, historicus en dissident) de enige betrouwbare bron is.


Dikötter waarschuwt de lezer meerdere keren dat China nooit een democratie zal worden met meerdere partijen, scheiding der machten en onafhankelijke rechtspraak. Mao beloofde dat wel in 1940, maar dat was om meer leden te werven voor zijn partij.
Zhao Ziyang zei dat duidelijk in 1987 en Xi Jinping herhaalde het in 2018. Ondanks de economische liberalisering sinds 1978, is de CCP/Chinese Communistische Partij de enige eigenaar gebleven van alle grote industriële bedrijven, banken etc. En 95 van de 100 grootste particuliere bedrijven zijn eigendom van partijleden (p. 12). In 1976, na 10 jaar Culturele Revolutie en zelfgekozen isolement, lag de levensstandaard lager dan in 1949 en was bijna de helft van de Chinezen analfabeet (p. 37-39).


Dikötter beschrijft iets te gedetailleerd en met te veel eigennamen de gebeurtenissen vanaf 1976: de dood van Zhou Enlai en van Mao, de Bende van Vier, Hua Guofeng (premier 1976-1980 en partijvoorzitter 1976-1981), de terugkeer van Deng in juli 1977.


In september 1977 trok een delegatie naar Amerika om technologische kennis op te doen. In 1978 deden ze dat over in Nieuw-Zeeland, Japan en Europa. In 1980 verkreeg Deng voor China de status van meest begunstigde natie. Maar hij bestreed elke vorm van democratie.
De éénkindpolitiek begon pas in 1979, maar tussen 1971 en 1978 deed de overheid al van alles om koppels te dwingen slechts twee kinderen te hebben: 5 miljoen abortussen per jaar, het water afsluiten als er een derde kind kwam, hun fietsen afpakken, de kinderen uitsluiten van alle rechten.
1983 was het recordjaar: 14 miljoen abortussen, 20 miljoen sterilisaties en bij 18 miljoen vrouwen werden anticonceptiva ingeplant in de baarmoeder (p. 77-78).


In de jaren 80 was georganiseerde namaak de voornaamste bron van technologische vooruitgang.
De export nam toe van 10 miljard $ in 1978 naar 50 miljard $ in 1988.


Demonstraties van studenten voor democratie vonden toen bijna jaarlijks plaats, dus niet enkel in 1989. En in vele steden, dus niet enkel in Beijing. Maar Deng zei telkens duidelijk: “Geen democratie, geen scheiding van de machten.” (p. 121). Bij de opstand op Tiananmen lag het dodental tussen 2.600 en 3.400. Bovendien vielen er doden in andere steden (p. 172-176).
Vanaf 8 juni begonnen de arrestaties van tienduizenden opstandelingen. Ze kregen langdurige gevangenisstraffen of openbare executies. Leiders van ondergrondse kerken werden ook gearresteerd: in 1991 was dat het geval voor meer dan 140 katholieken (p. 180-184). Onderdrukking van elke onrust werd het ordewoord.

Lees verder, klik HIER

 

De Verlosser van de Wetenschap
Stanley L. Jaki


In dit boek onderzoekt de auteur de grondslagen van de wetenschap.
Wetenschap is een zoektocht naar de geheimen van de natuur.
Wetenschap is op zoek naar een ware en juiste voorstelling van zaken.
Wetenschap is gebaseerd op het vertrouwen dat de natuur open staat voor rationeel onderzoek.


Dat zijn drie belangrijke zaken. En de vraag rijst op: waar komt het vertrouwen op een kenbare natuur vandaan? Volgens de auteur van dit boek was dit vertrouwen in eerste instantie te vinden bij christelijke wetenschappers uit het verleden.


De Middeleeuwse onderzoekers gingen uit van een heelal dat redelijk geschapen was en dat om die reden natuurwetten stabiel waren. De feilloze werking van natuurwetten was een teken van zekerheid en bestendigheid. Deze wetenschappers zagen daarin de hand van de Schepper, maar alle wetenschap is gebouwd op het geloof in stabiele natuurwetten. Met de opkomst van de evolutietheorie van Darwin gaat het verband tussen natuurwetten en een Schepper die deze aan de kosmos heeft opgelegd verloren. Wetenschap wordt geseculariseerd en voortaan is alleen het materiële en waarneembare object van onderzoek. De opvatting dat uit de natuur valt af te leiden dat er een Schepper moet zijn, raakt in diskrediet.


De auteur betreurt dat en een deel van zijn boek is besteed aan de weerlegging van de theorie van Darwin. Alle wetenschap is verweven met vooronderstellingen die getoetst worden. Die vooronderstellingen zijn niet waardenvrij, maar hangen samen met de voorkeuren, de ideologie dan wel het geloof van de onderzoeker. Darwin wilde aantonen dat de ‘struggle for life’ de motor was voor een opwaartse ontwikkeling en had dus God niet meer nodig als verklaringsbron. Het doelgerichte van een schepping maakte plaats voor het toeval dat er een leefbare aarde ontstond met fijnzinnig op elkaar afgestemde natuurwetten. Moderne wetenschap plaatst de visie van Darwin echter weer voor grote vragen. De auteur komt met rake voorbeelden en stelt vragen waar nog geen bevredigend antwoord op is gegeven.


Het boek biedt echter veel meer dan een bespreking van de zwakke aspecten in de evolutietheorie. Naast Middeleeuwse natuurwetenschappers en de evolutietheorie van Darwin bespreekt hij het werk van Copernicus, Immanuel Kant, Rousseau, Karl Popper, Joodse rabbijnen en moslim-geleerden. Tal van onderwerpen passeren de revue: de klimaatcrisis, de ontwikkeling van kernwapens en de bevolkingsexplosie.


De auteur heeft als kernovertuiging dat de geboorte van Christus opnieuw de betrokkenheid van God op zijn Schepping tot uitdrukking heeft gebracht en dat wetenschappelijk onderzoek binnen dat kader tot volle wasdom kan komen.


De uitgever heeft er goed aan gedaan om dit boek, dat in 2000 verscheen, onder het stof vandaan te halen en voor de Nederlandse markt uit te geven. Terecht merkt vertaler Wim Peeters in zijn Ten Geleide op dat het hier en daar een moeilijk boek is. Hij begreep niet alles, maar had volop genoten van de delen die hij wel begreep. Zo heb ik het ook beleefd bij het lezen.


Auteur Stanley Jaki is buitengewoon goed thuis in dit onderwerp. Alles wordt gestaafd met onderzoeksresultaten en verwijzingen naar vakliteratuur. Een register ontbreekt, maar dit wordt redelijk gecompenseerd doordat elk hoofdstuk is opgesplitst in afzonderlijke paragrafen.


Stanley Jaki (1924-2009) was een Hongaars Rooms-Katholiek geestelijke en fysicus. Hij doceerde wetenschapsfilosofie aan de universiteiten van Stanford, Berkeley en Princeton. Daarnaast doceerde hij fysica aan de Universiteit van New Jersey. Jaki schreef meerdere boeken over de verhouding tussen de moderne wetenschap en het christendom.


Dit is een interessant boek dat een nuttige rol kan spelen in het debat over de relatie wetenschap en geloof.


ISBN 9789493207172 | Paperback | Omvang 267 blz. | Uitgeverij Betsaida | ’s-Hertogenbosch | december 2022
Vertaald door Drs. Wim Peeters

© Henk Hofman, 30 december 2022

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER

 

Jack Kerouac op weg
in Nederland en Vlaanderen
Jaap van der Bent

 
Het verhaal mag inmiddels bekend geacht worden. On the Road verscheen in 1957, een boek geschreven door Jack Kerouac (1922-1969) en het zette de wereld op z’n kop. Bob Dylan ging zelfs zover dat hij meende zijn leven te kunnen splitsen in tweeën: één helft voordat hij Road gelezen had en de andere helft bestaande uit de periode erna.


Jaap van de Bent, (1948-) is gepensioneerd docent Amerikaanse Letterkunde aan de Nijmeegse Radboud-universiteit en onderzocht hoe de Nederlandse literatuurkritiek reageerde op Road. Maar ook hoe Vlaamse en Nederlandse schrijvers werden beïnvloed door de onnavolgbare ‘beatwriting,’ van Kerouac. Kerouac schreef ritmisch, zoals jazz dat vaak is, gebruikte weinig leestekens, veel slang.


Kerouac beweerde het werk in een paar lange sessies geschreven te hebben gedrogeerd door koffie en benzedrine. Later bleek dat er wel degelijk geredigeerd was in het script. Dat sccript dat op een telexrol stond, omdat Kerouac dan gewoon verder kon pompen. Overigens knabbelde een hond een stuk van de rol af maar het deerde Jack niet hij begon gewoon weer opnieuw. De telexrol reist als memorabilia heel Amerika rond.

Doordat er van allerhande schrijvers, artikelen zijn opgenomen krijgen we een levendig beeld en wemelt het in het boek van de anekdotes. Ed Korlaar, Johnny van Doorn, Kester Freriks, Hansmaarten Tromp, Simon Vinkenoog, en o.m Auke Hulst komen via hun artikelen uit kranten en tijdschriften weer tot leven. Auke Hulst wordt door Van der Bent trouwens betrapt op onvolkomenheden in het boekje van hem. De tekeningen sluiten niet naadloos aan bij de tekstjes. Is het belangrijk? Maar Van der Bent laat de bewonderaars van Jack ruimschoots aan het woord en zo dalen we weer af in de krochten van romans als: Pic, Desolation Angels,The Subteraneans en Tristessa o.a.


De meeste  Nederlandse auteurs bewonderden Kerouac. Zo niet Gerard Reve, die zijn werk onsamenhangend en saai vond. Maar hij staat betrekkelijk alleen.


Wat veroorzaakte de aardbeving, die de arme Jack - onbedoeld - teweegbracht? En waardoor hij aan de drank raakte en eenzaam bij zijn moeder op de bank stierf. De Zenboeddhist, die weer katholiek werd, de liberaal die er niet voor terugdeinsde antisemitische taal te uiten. Een paar fans die aan de deur kwamen vroegen of meneer Kerouac thuis was. Ze herkenden de aan lager wal geraakte Kerouac niet eens meer.
Zijn buddy, Neal Cassady was al gestoven. Hij speelt de andere hoofdrol in Road. Hij had het niet gered.


Na Kerouacs dood werd een lijst gepubliceerd - door Jack samengesteld - van mannen vrouwen met wie hij sex gehad zou hebben gehad. Merkwaardigerwijze wisten de meeste mensen op deze lijst van niets. Ed’ Korlaar onthult verder nog in zijn artikel, dat Kerouac homoseksuele aspiraties had gehad. Iets wat ook geheim werd gehouden. Was hij ook nog antisemiet?


Geerten Meijsing en Keith Snell, voormannen van het collectief Joyce & Co gaven lucht aan hun bewondering voor Kerouac. Echt in zijn stijl schrijven deden ze niet. Konden ze misschien zelfs niet.


Hans Plomp, de hippie-poet en Ruigoordridder, schreef in zijn boekje Revolvers lijkt me overdreven, leuke anekdotes over een trip naar Amerika van o.a. Bernlef, Campert, Vinkenoog en.amderen. Ze worden verwelkomd door Allen Ginsberg, Gregory Corso en andere kopstukken uit the beatscene. Maar er tekent zich een schisma af wanneer er een dronken goeroe van Ginsberg ten tonele wordt gevoerd. Bernlef, Campert en Judith Herzberg schrikken van zoveel esoterie en vrijheid. Vinkenoog en Plomp genieten met volle teugen Ook Ewald Vanvugt ging op reis net als Kerouac maar zijn boeken zijn stroever meer gekunsteld.


In Nederland duurt het nog tot 2022 voordat de honderdste geboortedag van Kerouac wordt herdacht. De kranten puilen uit met artikelen over On the Road. De verfilming van Road heeft dan, helaas, al plaatsgevonden. Walter Selles, de regisseur maakte er een soepfilm van waarin alles en iedereen door het beeld loopt alsof hij er niets mee te maken heeft. Van der Bent heeft de film helemaal gemist ook een aantal toneelbewerkingen zag hij nooit. Dat er in Joe Speedboot van Tommy Wieringa veel verwijzingen zijn naar Kerouac ontsnapte ook aan zijn aandacht. Je kunt niet alles weten.


De vraag, die mij al tijden bezighoudt is waarom niemand kon schrijven zoals Kerouac. Zijn stijl is wellicht te puur, te gedreven en ook te knap. Ook de latere werken van Kerouac zijn eigen en van een delirerende schoonheid. Ze dreven een wig tussen de onverbeterlijke betweters en burgermannetjes aan de ene kant en de libertijnen en rebellen aan de andere. De maatschappij was aan het veranderen, de hippiegolf stond voor de deur en Kerouac was portier.


Een interessant boek!


ISBN 9789493214873 | Paperback | 285 pagina’s incl. 4 fotopagina’s | Uitgeverij In de Knipscheer | 9 oktober 2022

© Karel Wasch, 27 december 2022

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Psychologie van Totalitarisme
Mattias Desmet


Dit boek gaat niet over dictators. Dictators zijn alleenheersers. De vraag die Desmet zich stelt is hoe een hele samenleving in de greep kan raken van een totalitaire ideologie en zich daar vrijwillig aan uitlevert.
Een interessante en actuele vraag.


Volgens de schrijver zit er geen plan achter een totalitaire ideologie. Het is allemaal niet vooruit bedacht. Dan zouden we van een complot kunnen spreken.
In een totalitaire samenleving staat een ideologie aan het roer en ideologie heeft een enorme kracht. Elke ideologie selecteert zijn eigen mensen uit. Je komt alleen op belangrijke posten als je de ideologie steunt. Daarmee versterkt de ideologie zichzelf. Het geluid dat wordt uitgedragen is in lijn met de dominante ideologie, andere stemmen worden weggedrukt. Dat is het verklarende mechanisme.


Het verontrustende hiervan is dat de heersende ideologie onverdraagzaam wordt. Andersdenkenden wordt het zwijgen opgelegd. Ze worden ‘gecanceld’. Een totalitaire samenleving probeert op verregaande manier het leven van alledag te sturen en te controleren. Als voorbeeld noemt Desmet het drastische overheidsbeleid met betrekking tot Covid-19. Burgerrechten werden opgeheven met een beroep op de noodzaak corona in te dammen.


Met zo’n rigoureuze aanpak belandt de mens in een dystopische samenleving. Dystopisch is het tegenovergestelde van ‘utopia’. Geen paradijs, maar ‘een akelige samenleving’. Een symptoom daarvan zijn de talloze camera’s in de publieke ruimte die de privacy van de burger opofferen om permanente controle mogelijk te maken. Het Westen is een surveillancemaatschappij aan het worden, zoals China dat al lang heeft ingevoerd.


Een totalitaire ideologie is overtuigd van haar ethische en morele intenties.


“Het dominante discours legt zich steeds meer autoritair op aan de maatschappij en censureert en sanctioneert steeds radicaler alternatieve stemmen. Op sociale media worden artikels die niet stroken met het dominante narratief geblokkeerd, zelfs als ze gepubliceerd werden in medische toptijdschriften als The Lancet. Verschillende artsen en onderzoekers die zich kritisch uitlieten omtrent de coronamaatregelen zijn ontslagen” (blz. 143).


Volgens de schrijver zit een totalitaire ideologie gevangen in een vicieuze cirkel. Controledwang leidt tot angst en angst tot nog meer controledwang. Er is een eindeloze woekering van regels, procedures, (anonieme) meldpunten, protocollen. Dat is allemaal heel slecht voor de menselijke gezondheid. Miljoenen mensen leven op pillen. De diagnose ‘burn-out’ neemt epidemische vormen aan. Eenzaamheid is een groot maatschappelijk probleem.


In zijn boek bespreekt Desmet de relevantie van medisch onderzoek met zijn afschuwelijke dierproeven in laboratoria en de schijnzekerheid die wetenschap biedt. Zoals ideologie de werkelijkheid aanpast aan de theorie, zo past wetenschap haar theorie aan aan de werkelijkheid. Dat verklaart het verschijnsel dat wetenschappers zichzelf en elkaar tegenspreken, en soms wel heel gemakkelijk van mening veranderen. Cijfermatige overzichten berusten altijd op selectie van data en de interpretatie van die ‘feiten’. Maar de dominante ideologie presenteert keer op keer in de massamedia cijfers die haar eigen gelijk bevestigen. Vervolgens worden die cijfers weer gebruikt om de meest verregaande maatregelen op te leggen.


Desmet schreef een verontrustend boek. Een samenleving moet voeling blijven houden met grondrechten, zoals het zelfbeschikkingsrecht, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst. Die rechten staan inderdaad onder druk.


De vraag doet zich dan ook voor: hoe doorbreek je de ban waarmee een totalitaire ideologie zijn volgers in de greep houdt? Confrontatie, laat staan het gebruik van geweld, baat niet en heeft een tegengesteld effect. Het gaat erom een kanteling teweeg te brengen van retoriek naar waarheid als sturend principe. Rustige tegenspraak, solide argumenten aanvoeren, twijfelaars over de streep trekken, en daarmee stukje bij beetje het bolwerk afbreken. Het aantal meelopers binnen een ideologie raamt Desmet op 40-60% en die moet je los zien te weken uit het kamp van de hardliners. Een totalitair systeem moet je zien te overleven tot het zichzelf uiteindelijk vanwege de absurde uitgangspunten kapot heeft gemaakt.


Met dit boek levert de schrijver daar een bijdrage aan. Ik wens het dan ook een grote lezerskring toe. Verder valt te hopen dat volksvertegenwoordigers hun stem niet geven aan overheidsregels die grondrechten in gevaar brengen. En dan mag je ook hopen dat media (weer) als waakhond gaan functioneren en niet de stem van een totalitaire ideologie versterken omdat die politiek correct zou zijn.


De Psychologie van Totalitarisme doet me sterk denken aan wat de Franse filosoof René Girard (overleden in 2015) schreef over het ‘zondebokmechanisme’. De massa, in de ban van een opzwepende ideologie, stort zich op een zondebok en vernietigt deze. In hoofdstuk 6 en hoofdstuk 8 (op blz. 173) schrijft Desmet uitgebreid over dit verschijnsel. Irritatie leidt tot frustratie. En dan komt het tot agressie en zoekt de massa een ‘object’ om zich op af te reageren. Voor zover ik kan nagaan wordt Girard niet genoemd (een register en literatuurlijst ontbreken).


Het boek van Walter Weyns Wie Wat Woke heeft eveneens raakvlakken met dat van Desmet. Zie bijvoorbeeld blz. 104 en volgende waar Desmet het heeft over de woke-cultuur. Weyns boek is bij dezelfde uitgever verschenen (in 2021). Ook dit boek zag ik nergens vermeld staan. Desmet is overigens heel belezen en gaat zorgvuldig te werk. Alles lezen over je onderwerp gaat nu eenmaal niet.
Op blz. 53 en 54 wordt Christiaan Huyghens genoemd. De juiste schrijfwijze is: Huygens.


Mattias Desmet is hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit Gent.


ISBN 97894464015393 | Paperback | Omvang 270 blz. | Uitgeverij Pelckmans (België) | september 2022

© Henk Hofman, 26 januari 2023

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Waar is Johny?
De zoektocht naar een Congolese Belg in Dachau
Wannes Peremans


Johny Vosté (1924-1993) werd geboren in Nizi, Belgisch-Congo. Hij verbleef tussen 1942 en 1945 in verschillende kampen van de nazi’s en leefde na de bevrijding verder In Mechelen, waar hij sinds 1927 gewoond had. Hij was één van de weinige zwarten of half-zwarten in Dachau. Daar zaten tussen 1933 en 1945 ca. 200.000 dwangarbeiders, van wie er 60.000 gestorven zijn.


Johny werd in 1924 geboren in Congo uit een Congolese moeder (Fatuma, huishoudster, 18 jaar) en een Belgische vader (timmerman, 41 jaar).
Toen hij drie jaar oud was, nam zijn vader hem mee naar België. Zijn moeder werd achtergelaten en ze hebben mekaar nooit meer gezien. De schrijver veronderstelt dat zijn moeder nog lang de vraag gesteld heeft: “Waar is Johny?” Idem voor de vader, toen Johny in een kamp zat. Vandaar de titel van het boek (p. 73).


Van 1930 tot 1942 zat hij op internaten in Brussel. Eerst op een Franstalige lagere school, dan op een middelbare. Hij kon dus nog geen piloot zijn, zoals de auteur even laat uitschijnen op p. 25, maar hij ontkent het zelf op het einde.
Tegelijk zat hij in 1941-42 in Mechelen in het verzet, de reden voor zijn deportatie op 13 mei 1942.
Dankzij zijn talenkennis mocht hij er als tolk optreden. Hij slaagde erin zijn vriend Jean Volckaerts te redden van de gaskamer en anderen van de hongerdood. Johny was niet de enige half-zwarte in het kamp. Er was ook nog een Grieks-Eritrese gevangene (p. 135) en een paar andere niet-blanken van wie geen foto beschikbaar is (p. 157).


Peremans beschrijft hoe de gevangenen hun dagen moesten doorbrengen, hoe ze behandeld werden, hoe ze op zondag de mis vierden met een pastoor uit Laken en hoe ze op 29 april 1945 bevrijd werden.


Na de oorlog trouwde Johny met Rosa Hendrickx. Het koppel bleef kinderloos. Johny was vooral geliefd in het Mechelse uitgangsleven en aan de Costa Brava als vrolijke dandy, zanger en charmante danser. De auteur zegt niet hoe hij een appartement in Spanje kon kopen zonder veel te werken en ook niet waarom Johny nooit op zoek ging naar zijn moeder in Congo.
Omdat hij leed aan tuberculose, moest hij veel tijd doorbrengen in sanatoria, maar desondanks bleef hij kettingroken.


Peremans schrijft in de ik-vorm en citeert zijn dialogen letterlijk. Hij is een vlotte en aangename verteller. De volgorde is verre van chronologisch, maar eerder chaotisch: we vernemen zijn datum van overlijden op p. 28, zijn geboortedatum pas op p. 70 en zijn schooltijd wordt op p. 74 verhaald.
Ik mis ook een kaart van Congo (niet iedereen weet Ituri en Kilo-Moto liggen) en ook een kaart van de Duitse kampen die hier genoemd worden (Esterwegen, Mauthausen, Dachau e.a.).
De auteur legt wel goed uit wat het verschil was tussen concentratie- en vernietigingskampen, wat Nacht und Nebel-gevangenen waren, waarom Duitsland overging tot verplichte tewerkstelling.


De bibliografie achteraan is te beperkt. Interessante titels die in het boek voorkomen, staan niet vermeld. Enkele voorbeelden: Ward Adriaens, “Partizaan Storms”(p. 93); Bruno Furch, “Allen Gewalten zum Trotz” (p. 136); Clarence Lusane, “Hitler’s Black Victims” (p. 137); Edgar Kupfer-Koberwitz, “Dachauer Tagebücher” (p. 158-172). Deze laatste was Duitser, maar slachtoffer, geen dader.

Peremans heeft zijn zoektocht grondig uitgevoerd, ook in gespecialiseerde archieven in Duitsland en Amerika. Hij vertelt niet enkel over Johny, maar ook over het verzet, de kampen, het naoorlogse racisme in België. Hij heeft de bijna anonieme Johny uit de vergetelheid gehaald. Deze bleef, ondanks zijn lijden in de kampen, een vrolijk en optimistisch man die zonder wrok door het leven ging.


ISBN 978-94-639-3863-1 | Paperback | 198 pagina's | Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, Gent, | november 2022

© Jef Abbeel, Turnhout, 19  januari 2023, www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

In opstand
Geuzen in de Lage Landen, 1565-1578
Pieter Serrien

Dit is het verhaal van de geuzen: een groep opstandelingen in de zestiende eeuw. Een groep mensen van allerlei komaf, waaronder criminelen maar ook idealisten, mannen zowel als vrouwen, mensen die één doel gemeen hadden: ze wilden een einde maken aan de overheersing door de katholieken en door de Spanjaarden.


Koning Philips II was nadat hij zijn vader Karel V was opgevolgd niet in Brussel gebleven, in zijn plaats zou Margaretha van Parma, zijn halfzus, de Lage Landen in het gareel moeten houden. In zijn kielzog liet Philips ontevredenheid achter: omdat hij geld nodig had verhoogde hij de belastingen. De Staten-Generaal met vertegenwoordigers van alle zeventien provinciën keurde het alleen goed als de Spaanse troepen zouden vertrekken en de edelen uit de provinciën zelf hun land konden besturen. Een van hen was Willem van Oranje, 26 jaar oud, die stadhouder werd over Holland, Zeeland en Utrecht.


In de eerste decennia van de zestiende eeuw  ontwikkelde zich vanuit Duitsland kritiek op hoe het er in de katholieke kerk aan toe ging: de Reformatie. Ook in de Nederlanden kreeg dit protestantisme navolging, met name het calvinisme. De zeer katholieke Philips bestreed deze ketters met harde hand. Toen Margaretha op 5 april 1566 in de grote zaal van het paleis in Brussel haar zorg uitsprak over de groeiende groep rebellen, zou een edelman gezegd hebben.


‘N’ayez pas peur, Madame, ce ne sont que des gueux.’


Het Franse gueux betekent schooiers, bedelaars. De naam was gegeven. Hun doel was ook duidelijk: ze wilden vrijheid. Nu de uitvoering nog.


Dat verhaal vertelt Serrien in dit lijvige boek, dat begint in 1565, en eindigt in 1578.
Het is dus niet het verhaal van de Tachtigjarige Oorlog, al hadden de geuzen daar natuurlijk wel een grote rol in. Zoals ze dat zeker hadden bij het beeldenstormen, de zeeroverij en de vele bloedbaden. Al was Alva, die in 1567 de plaats innam van Margaretha, nog erger: Mensen werden om het minste opgehangen of op een andere gruwelijke manier vermoord.


Serrien vertelt een lopend verhaal, met veel namen en jaartallen, met veel details, waaruit het de lezer duidelijk wordt dat een mensenleven in die tijd nauwelijks iets voorstelde.
Een uiting daarvan is hoe een leger opgezet werd. Er was geen dienstplicht, mannen (soms met vrouwen in hun kielzog) meldden zich als huurling. Zij moesten dus betaald worden, en daar lag een probleem. Als de opdrachtgevers geen geld hadden lieten zij oogluikend toe dat de huurlingen plunderden. Ook dit ging gepaard met veel geweld, vrouwen waren vaak doelwit.


Komt er nog bij dat er in die periode een kleine ijstijd heerste. In de jaren 1586 en 1587 begon de winter in november en duurde tot april met flinke lage temperaturen, en veel sneeuw en ijs. Oogsten mislukten, de handel lag stil, het moet een vreselijke tijd geweest zijn. Ook als je niets te lijden had van rondtrekkende troepen of oorlogsgeweld.
En dan waren er ook nog af en toe uitbreken van pest.


Het moeten barre tijden geweest zijn, hetgeen dus niet geheel en al te wijten was aan de Opstand van de geuzen. Hun wreedheden werden misschien zelfs overtroffen door wat de Spaanse soldaten deden.
Het verhaal van de geuzen. Indringend en met verve verteld door Serrien.
Wat gebeurde er precies in Den Briel? Wie waren de martelaren van Gorkum? Wat hield het beleg van Naarden in? Wie was die vrouw, Kenau?


Dit en nog veel en veel meer kun je lezen in dit boek.
Een verhaal dat begon in de stad die we nu kennen als Valenciennes, en zich vandaar uit naar het Noorden uitbreidde. Eerst als bosgeuzen, later als watergeuzen speelden zij een belangrijke rol in strijd tegen de Spaanse overheersing en dus bij het ontstaan van de onafhankelijke Nederlanden. Na 1578 werd de rol van de geuzen steeds kleiner, maar dat ze belangrijk geweest zijn in de geschiedenis van de Lage Landen moge duidelijk zijn!


Achterin vinden we een stamboom der geuzen, een wie is wie en een uitgebreide bibliografie. Plus in het boek overzichtskaarten en prenten uit die tijd.
En er is de website www.pieterserrien.be/inopstand


Pieter Serrien (1985) is historicus en auteur van vijf succesvolle boeken waarin persoonlijke getuigenissen van soldaten en burgers tijdens de twee wereldoorlogen centraal staan: Tranen over Mortsel (2008), Oorlogsdagen (2013), Zo was onze oorlog (2014), Van onze jongens geen nieuws (2015) en Elke dag angst (2016).


ISBN 9789464103182 | Hardcover | 624 pagina's | Uitgeverij Horizon | oktober 2022

© Marjo, 15 januari 2023

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Yoga voor thuis
50 kaarten & instructieboek voor jouw eigen yogales
Natalie Heath


Deze kaartenset maakt yoga toegankelijker en helpt je om een regelmatige yogaroutine op te bouwen. Elke dag een paar oefeningen doen werkt beter dan eens per week een lange sessie. Ik adviseer je een dagelijks doel te stellen en dit dertig dagen vol te houden. De resultaten zullen je verrassen, ook al heb je maar tijd voor één kaart.

Bovenstaande woorden zijn geschreven door Nathalie Heath die een kaartenset met yogahoudingen heeft gemaakt met daarbij een instructieboekje over hoe de kaartenset toegepast kan worden. Yoga helpt je o.a. om bewuster te worden van je lichaam en je lichaamshouding hiermee te verbeteren, omdat je bewegingen uitvoert die heel goed zijn voor je lichaam.

Het instructieboekje begint met 'Het belang van ademhaling', die essentieel is voor jezelf en de oefeningen.
We kunnen gelijk de pranayamaoefening uitvoeren, (Pranayama = ademhaling) die kort en bondig wordt uitgelegd.
Daarna volgt een opsomming van eventuele hulpmiddelen zoals een yogablok, yogabolster, yogadeken en/of een yogariem. Je kunt deze hulpmiddelen gebruiken als je voelt dat je wat extra ondersteuning nodig hebt.

Daarna kunnen we overgaan op het gebruik van de kaartenset die bestaat uit 50 kaarten.
Op de voorkant van de kaart - ca. 15 x 11 cm. - zie je de houding uitgebeeld en op de achterkant staat beschreven hoe je die houding het beste kunt uitvoeren met heel duidelijke uitleg erbij én hoe lang je de oefening moet doen. Deze lengte wordt aangeduid in de vorm van aantal ademhalingen, zoals: Blijf 5 -10 ademhalingen in deze houding.

je kunt natuurlijk zelf kiezen welke houding je wilt uitvoeren maar in het instructieboekje zijn ook 25 aaneensluitende oefeningen (flows) opgenomen. Elk van die 25 flows hebben een eigen doel. Zoals een flow van ca.9 oefeningen om te rusten en te resetten, of een flow om diep te slapen, of een flow om een afweerboost aan jezelf geven enz. Maar je kunt ook een eigen serie flows maken door middel van de kaarten. Er is zelfs een flow die je zittend op een stoel kunt uitvoeren.

De kaarten zijn duidelijk. Ook wordt aangegeven welke oefeningen voor de wat gevorderde yogabeoefenaar zijn. Maar de meeste oefeningen zijn voor iemand die begint goed uit te voeren.

Al met al is het een mooie combinatie van kaarten en flows die yoga een stuk toegankelijker maakt. Het fijne is ook dat je al de oefeningen gewoon thuis kunt doen.
Aanrader, misschien een idee om gelijk in het nieuwe jaar mee te beginnen.

ISBN 9789401305327 | 50 kaarten + instructieboekje in doos | Altamira | 16 februari 2022

© Dettie, 4 januari 2022

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Achille
Lot en liefde in tijden van oorlog
Luckas vander Taele


‘Dat ik besta, heb ik aan de Eerste Wereldoorlog te danken. Vijftien miljoen soldaten en burgers verloren er hun leven, maar ik kreeg het mijne cadeau, weliswaar veertig jaar na de wapenstilstand. Als de jaren tussen 1914 en 1918 banale vredesjaren waren geweest, dan was mijn grootvader Achille nooit naar Engeland gegaan. Dan had hij daar niet Joséphine, de vrouw van zijn leven, gezien. Hun wegen zouden elkaar nooit gekruist hebben.’

Het toeval. Het lot. En een onvoorspelbare toekomst.


Luckas Vander Taelen is er door gefascineerd. De rol die het toeval speelt in een mensenleven. Zo trekt de grootvader van de schrijver naar het Belgische front als de oorlog uitbreekt, er van overtuigd dat hij snel weer thuis zal zijn.


‘Ze kunnen niet weten dat ze over een paar dagen ondergedompeld zullen worden in een uitzichtloze donkere wereld van verwoesting, geweld en dood.’


In dit aangrijpende verhaal vertelt Luckas vander Taele diverse verhalen.

Dat van zichzelf: dat hij louter door toeval  op aarde is (zoals wij allemaal natuurlijk). Dat van zijn grootvader Achille, die de ervaring van de Eerste Wereldoorlog nooit echt te boven kwam, maar wel overleefde. Het verhaal leest ook als een gids door het stuk van de Westhoek, de streek rond de Ieperlee, aan het IJzerfront, waar zijn grootvader in de loopgraven zat, een streek waar vander Taele zelf graag fietst, nog meer nu hij zelf het verhaal van zijn grootvader kent. Dat verhaal kent hij omdat Achille brieven schreef aan zijn broer die het geluk had in Engeland te zitten – afgekeurd voor actieve dienst en deze broer de brieven overschreef en bewaarde.


We lezen met hem mee, om Achille te volgen als hij langzaam maar onontkoombaar de tragiek leert kennen die zijn maten overvalt. Zelf zal hij zijn leven lang nachtmerries overhouden aan deze vreselijke jaren, al waren er ook lichtpuntjes. Zo was er de ontmoeting met het meisje dat later zijn vrouw zou worden, de ontmoeting met de koning en koningin, en de gastvrijheid van Vlaamse boeren.

Bijzonder aan dit boek is dat Luckas vander Taele speelt met de tijd. Hij beschrijft hoe hij door de Westhoek fietst en hoe het voelt alsof zijn grootvader bij hem is. Hij vertelt over enkele bijzondere voorvallen, die op hem overkomen als is zijn te jong overleden vader bij hem.


‘Kom jongen, zegt Achille. Mijn grootvader staat voor mij in het driedelig pak dat hij altijd droeg als hij met mij als kleine jongen ergens heen ging. Hij glimlacht en neemt me bij de hand mee, een paar tientallen meter verder langs de oever van de Ieperlee.’


Een klein boekje, maar een groot verhaal. Indrukwekkend, intrigerend en aangrijpend.


Luckas Vander Taelen (Aalst, 1958) werkte als tv-regisseur voor het legendarische Strip-Tease en maakte de documentairereeksen De Laatste Getuigen en Arm Wallonië. Hij is columnist voor De Tijd.


ISBN 9789464369601 | Paperback met flappen | 138 pagina's | Uitgeverij Ertsberg | november 2022

© Marjo, 31 december 2022

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Dader onbekend
Het Y-chromosoom als sleutel tot onopgeloste moordzaken
Sofie Claerhout

Schrijfster Sofie Claerhout is forensisch onderzoeker, met name geïnteresseerd in DNA onderzoek. Ze raakte gefascineerd door het mannelijk Y-chromosoom, nadat ze proefondervindelijk had vastgesteld dat dit speciale chromosoom nauwelijks verandert als het doorgegeven wordt van vader op zoon. Zo kan een moordenaar gevonden worden aan de hand van het DNA-staal van een verre neef. Een dader laat immers sporen na!
De meeste daders van strafzaken met letsel worden gepleegd door mannen, dus dan zou het logisch zijn dat forensisch onderzoekers zich speciaal richten op dat Y-chromosoom.

Dat is dan ook waar Sofie Claerhout zich sterk voor maakt. Maar helaas is het nog niet zo ver. Er zitten nogal haken en ogen aan, waar vooral privacy een hindernis vormt.
Het DNA moet namelijk vrijwillig worden afgestaan, en mag ook niet onuitputtelijk opgeslagen blijven. In diverse landen gelden daar andere regels voor.

In dit boek worden diverse moordzaken genoemd, waarbij met de hulp van DNA de dader werd gevonden, nog jaren na de misdaad. Cold cases kunnen met de methode van Claerhout opgelost worden. Mits zich in de omgeving van de misdaad voldoende vrijwilligers aanmelden. Mannelijke vrijwilligers.


‘Als we een match hebben tussen een van die vrijwilligers en het DNA dat op de crime scene is gevonden, kunnen we exact weten hoe ver in zijn familie we de dader moeten zoeken. Dat laat de speurders toe het net rond die moordenaar te sluiten. Als hij nog leeft, mag hij nu bang worden.’

Claerhout beperkt zich niet tot België. Ook worden er zaken uit Nederland genoemd,  waar men qua regelgeving, dus de mogelijkheid om DNA onderzoek te verrichten een jaar of tien voorloopt op België, zodat haar methode tot de oplossing van enkele cold cases geleid heeft. Dat België gezien wordt als de wereldtop op het gebied van forensische technieken, dankzij Claerhout, maakt het wrang dat de wetgeving achterloopt. Wat lees je allemaal in dit boek?


Nogal technisch wordt uitgelegd hoe DNA gevonden wordt, vervolgens uitgepluisd wordt tot bruikbaar materiaal voor een onderzoek, specifiek gericht op het Y-chromosoom. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van genealogie, omdat mannen behalve dit specifieke chromosoom vaan ook hun achternaam doorgeven. Al die stamboomhobbyisten blijken heel nuttig!
Ook gaat ze in op de risico’s, want die zijn er wel degelijk. Je kan er namelijk ook mensen mee selecteren voor foute doeleinden.

Of dingen ontdekken die een geheim in een familie blootleggen. (als het Y-chromosoom van broers niet overeenkomt, waar komt dat dan door?) Privacy en een goede wetgeving zijn cruciaal.
En dan de kosten. Ook niet onbelangrijk natuurlijk. En wat als de dader een vrouw is?

Belangrijk ook is dat Sofie Claerhout een vlotte pen heeft. Haar boek mag dan gebaseerd zijn op lastige technieken en wetenschappelijk onderzoek in laboratoria, ze legt op een zeer leesbare manier en met humor uit hoe het allemaal zit.


‘DNA is uniek, maar toch is in ongeveer 99,9 % procent van DNA-code gelijk aan dat van onze medemensen. Een verrassend hoog cijfer? Eigenlijk is dat heel logisch, want we zien er allemaal min of meer hetzelfde uit. We hebben allemaal een hoofd, schouder, knie en teen (knie en teen). We zien er duidelijk uit als mensen, niet als een chimpansee… of een banaan. Met een chimpansee hebben we meer dan 95% van ons DNA gemeenschappelijk. En met een banaan? De volle 60%.’

Sofie Claerhout (Kortrijk) is de eerste Belgische doctor in de forensische genetica. Zij doet onderzoek naar het mannelijk Y-chromosoom, waarmee ze vastgelopen moordzaken kan oplossen - als de Belgische wetgever dat zou toelaten.


ISBN 9789401485418 | Paperback | 296 pagina's | Uitgeverij Lannoo | oktober 2022

© Marjo, 29 december 2022

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER