Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

De genade
Hans Theys


‘Wat jij mij wilt vertellen, weet je al. Maar wat je nog niet weet, is wat ik zie, voel en denk als ik naar je werk kijk. Jij maakt jezelf kwetsbaar door het te maken en te tonen, ik moet mezelf kwetsbaar maken door te vertellen wat het bij mij oproept.’


Dit is een citaat van Versluys, de docent, wiens verdwijning onderzocht wordt door rechercheur Breukmans.
De schoonmaakster heeft het gemeld nadat ze ontdekte dat Karel Versluys, kunstcriticus  en docent aan een kunstacademie, al een paar weken niet thuis is geweest. Ze omschrijft de man als correct en proper. Ze wist te vertellen dat hij gescheiden was en een zoon van zestien had. De buurman vertelt dat er sprake is van meerdere vrouwen en een stuk of vier stiefkinderen, voor wie Versluys zich verantwoordelijk voelde.
Terwijl Breukmans het onderzoek oppakt en de mensen uit Versluys’omgeving ondervraagt, wordt diens auto gevonden, in het kanaal. Maar geen lichaam.


De studenten vonden hem een gek, die ook niet echt op een goede manier les kon geven. Breukmans vindt brieven van de studente Laura. ‘Lieve Karel’ noemt ze hem. Zij zegt tegen Breukmans: ‘De man was vreemd, maar niet achterlijk.’ en ‘Ik had medelijden met hem. Hij had iets kwetsbaars waardoor ik hem wilde troosten.’ Had Versluys een relatie met deze Laura?


Breukmans praat met Mike, een vriend van Versluys bij de AA: ‘Hij wilde altijd iedereen redden.’
Met de buurman: ‘Hij is een beetje kinderlijk. Het type dat gestudeerd heeft, maar eigenlijk niets nuttigs weet. Heel onpraktisch. Je kon hem alles wijsmaken.’ Maar de buurman weet wel te vertellen dat er schilderijen verdwenen zijn. Is er sprake van een roofoverval? Maar er zijn geen inbraaksporen.
De stiefzoon:  ‘Hij was een beetje ongewoon. Maar waarom dat zo was zou ik niet kunnen zeggen.'
Een ex zegt: ‘Hij was een manipulator, een dominant persoon.’
Een andere ex: ‘De man was een wandelende catastrofe.’


Dan wordt ook Versluys zelf gevonden. Het lijkt er op dat hij vermoord is.
Maar Breukmans weet het nog niet zo net. Zijn onderzoek levert verrassende dingen op.


En dan is dit verhaal afgelopen, en volgt een tweede verhaal, De verlossing genaamd. Nu is Versluys zelf de hoofdpersoon. We volgen hem op zijn laatste dagen. Dood is hij absoluut. Maar de omstandigheden, komen die overeen met wat Breukmans geconstateerd heeft? En wie was deze man over wie men zo verschillend oordeelde?

We weten immers intussen dat Breukmans zelf net zo’n raadselachtige figuur is als Versluys.Behalve dat hij een geheim koestert, heeft hij een tic: hij koopt vers brood om in zijn auto te leggen: er gaat niets boven de geur van versgebakken brood, vindt hij. Er is een oude tante, een yogalerares en er zijn de boeken. Boeken over insecten, waar hij graag in leest. Ook is hij fan van Philip Roth.
Hij is niet bepaald een doorsnee politieman, zoals dit boek ook geen doorsnee misdaadverhaal is. En een kunstwerk dat geen unanieme reactie oproept. Is dat debet aan het kunstwerk? Of aan de persoon die beoordeelt?
Voor ieder ander is een mens een ander. Wie ben je in je eigen ogen en in die van een ander?


De twee verhalen vormen een wonderlijke samensmelting, die je vaker moet lezen om te kunnen begrijpen wat de schrijver nu eigenlijk wil vertellen. En al die dromen? Beide personages dromen, toevallig ook beide over die indiaan? Vragen, en nog meer vragen. En of je antwoorden krijgt op al je vragen?
Niet? Dan lees je het toch nog een keer! Dat is absoluut geen straf, het is een wonderlijk boek, de stijl is prettig. Er zijn veel verwijzingen, naar boeken, naar muziek, naar kunst, die nooit opdringerig worden. De sfeer is ietwat wazig, dromerig zogezegd, en dat betekent dat je bij iedere lezing nieuwe dingen ontdekt. Een fijn boek!


Hans Theys (1976) is een Vlaamse filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en regisseerde toneelstukken en maakte films. Eveneens is hij de auteur van tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars. De genade is zijn romandebuut.


ISBN 9789048860227 | paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Lebowski | maart 2021

© Marjo, 27 mei 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een opsomming van tekortkomingen
Ine Boermans


‘Hoe uiten uw klachten zich precies?’ vraagt hij. ‘Als ik de was sta te vouwen denk ik bijvoorbeeld: die arme mensen stonden ook gewoon de was te vouwen voor ze de volgende dag samen met hun kinderen werden vergast in Auschwitz.’


De ik-verteller zit bij de psycholoog, omdat ze dit soort dwanggedachten heeft. Niet alleen over de Jodenvervolging, haar gedachten kunnen ook gaan over de vleesindustrie, of zeehondenbaby’s. Zelfs over uitgestorven dinosauriërs. Allerlei gruwelijkheden passeren de revue. Maar vanwaar deze verregaande empathie, zoals de psycholoog het noemt?
Hij adviseert haar om dan maar eens goed te huilen als zulke gedachten haar weer overvallen. Maar dat advies werkt niet. Alles opschrijven is een ander advies, hetgeen ze dus doet.
En zoals psychologen dat doen: samen duiken ze in haar verleden.


Dan blijkt dat haar vader meestal boos was op haar. Of teleurgesteld. Het was nooit goed in zijn ogen. Lot was vier jaar toen haar ouders gingen scheiden. Ze bleef bij haar moeder. Het leven was makkelijk, haar moeder was makkelijk, vond alles best. Dat was een doorn in het oog van haar vader die ze om de week zag. Hij drong er dan ook op aan dat ze bij de keuze die ze op haar twaalfde zou moeten maken, voor hem zou kiezen. Hij had meer geld, was hoger opgeleid, sterker in opvoeden, dus, waarom zou ze twijfelen? Lot had geen verweer, en haar moeder had immers een nieuwe vriend, dus die redde het wel. Haar vader had ook een nieuwe vrouw, maar die bemoeide zich niet met Lot, negeerde haar liever.


‘Ik veranderde en mijn vader vond het allemaal maar lastig, vies en banaal. Dat ik ongesteld werd, een bh moest, groeide en jongens en kleren leuk vond. Hij vond het ordinair, zijn toekomstige vrouw ook. ‘


Ook na de in zijn ogen enige juiste keuze bleef haar vader negatief afgeven op haar moeder. Hij vond niets goed wat zij gedaan had, hij zou het anders doen.
Daar kwam Lot al snel achter. Ze moest een modelkind worden. Dat lukte haar natuurlijk niet.
Ze moest er wel zijn, maar ze mocht zich niet laten horen. Vriendinnetjes over de vloer, dat was lastig. Haar eerste vriendje, dat ging natuurlijk ook fout. (al heel wat trouwens dat ze de jongen mee naar huis nam!)


Tenslotte loopt ze weg, ze is dan zeventien en gaat terug naar haar moeder. Gevolg: opnieuw strijd tussen haar ouders. Het resultaat is dat ze bij geen van beiden blijft wonen. Ze woont nog niet lang op zichzelf als haar moeder komt te overlijden.
Dan komen de brieven. Kantjes vol schrijft haar vader, over de tekortkomingen. Van Lot natuurlijk, maar ook van haar moeder. Steeds opnieuw schrijft hij dat hij zo’n goede vader voor haar is geweest en dat hij nu zo teleurgesteld in haar is. En steeds refereert hij aan de boterhammen met geprakte sardientjes die hij altijd klaarmaakte voor haar. Natuurlijk houdt ze helemaal niet van sardientjes. Een terugkerend thema: haar ondankbaarheid.
En toch trapt Lot erin als haar vader zegt dat ze weer mag komen. Ze wil geen wees meer zijn. Ze voelt zich eenzaam en zwak.


‘Ik ben toch wel blij dat je toegeeft dat ik gelijk had wat betreft het goed gebruiken van de kaasschaaf,’ zei mijn vader als ik mocht komen eten. ‘Dat je inziet dat je dat altijd fout hebt gedaan en begrijpt waarom ik daar zo boos om werd.’
Zelf had ik geen enkele herinnering aan het wel of niet goed gebruiken van de kaasschaaf. Toch knikte ik schuldbewust.’


Als hij haar verhalen aanhoort, trekt de psycholoog de conclusie dat haar vader een narcist is. En dat soort mensen, zegt hij, moet geen kinderen opvoeden.
Hij vindt een manier om Lot te leren met haar probleem om te gaan, maar het is niet gemakkelijk. Intussen heeft Lot zelf een gezin en ze wil haar kinderen hun opa niet onthouden.
Maar een narcist blijft natuurlijk een narcist.


Het verhaal lijkt een verzameling columns, stukken tekst, kort of wat langer, met een humor die minstens ironisch te noemen is, maar vaak ook naar het absurde neigt. De lach die bij de eerste pagina’s opwelt vergaat je al snel als je achter deze toon een ellendige verstoorde jeugd gaat vermoeden. Tussen deze teksten door die wisselend gaan over haar jeugd en de consulten bij de psycholoog, zijn er korte brieven die Lot schrijft aan haar overleden moeder.
‘Je liefhebbende lievelingsdochter’. (ze heeft geen broers of zussen)


Een opsomming van tekortkomingen is een schrijnend verhaal over geestelijke mishandeling.
Ondanks de ernst van het thema  is dit debuut zeer leesbaar is door de toon waarop Ine Boermans het verhaal schrijft.


Ine Boermans (1976) studeerde af aan kunstacademie Minerva in Groningen en is de afgelopen jaren ook gaan schrijven. Ze publiceerde essays en korte verhalen in De Gids, hard/hoofd, Papieren Helden en Tirade.


ISBN 9789493081864 | Paperback | 176 pagina's | Uitgeverij Orlando | januari 2021

© Marjo, 20 maart 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Leegland
Marjan Brouwers


Van Nederland zoals wij het kennen is nog maar weinig over na een klimaatoorlog, overstromingen en aardbevingen. Er is een enclave rond Amersfoort-aan-Zee, er is de Archipel Amsterdam, en ten zuiden van deze overgebleven bewoonbare gebieden ligt ook de enclave Nijmegen. En, Leegland.


Zou dat Leegland, een gebied in het noorden waar vele mensen naar toe vluchten, een verzinsel zijn of zou het wel degelijk bestaan?
De president van Amersfoort-aan-Zee beweert van niet. Wie de enclave verlaat is ten dode opgeschreven. Maar waarom zou je vluchten? Hebben mensen het niet goed daar?
Niet dus. Er is een flinke tweedeling: de aanhangers van de president hebben het goed, en zijn leger ook. Maar een groot deel van de burgerbevolking is arm, en heeft er moeite mee zich aan de regels te houden. Wie dat niet doet, riskeert zware straffen: brandmerken is nog het minste, de beul hakt handen af, of deelt stokslagen uit. Ook verbanning kan je te wachten staan, naar Fort Zwolle.
Het is geen ideale samenleving.
En dan kun je nog ziek worden, er heerst een dodelijk virus, het Vikingvirus.


Wetenschapper Walter Rademaker werkt hard aan een oplossing, een geneesmiddel voor dat virus. Zijn zoon Julius helpt hem, net als diens halfzus Eva.
Als Julius ontdekt wat zijn vader eigenlijk doet - en gedaan heeft - is hij geschokt en absoluut bereid om het meisje te helpen dat op zijn pad komt. Als hij naar Fort Zwolle gestuurd wordt, ontmoet hij in de trein Senna, een soldate die gebrandmerkt is en verbannen wordt wegens desertie.
Als de trein aangevallen wordt door rebellen – die zijn er ook nog – weten ze samen te ontsnappen.
Een spannend avontuur volgt, waarin ze elkaar een paar keer kwijt raken. Ze ontmoeten mensen van allerlei pluimage, met allemaal een eigen agenda. Het is niet altijd duidelijk wie betrouwbaar is en wie niet.


‘Goed dan, ik ga mee, maar als ik ook maar een moment aan haar twijfel, schakel ik haar uit.’
‘Zo’n oud vrouwtje?’
‘Geloof me, ik heb peuters soldaten zien doden. Kinderen met granaten in hun knuistjes. Dus ja, ik maak haar dood als ze iets probeert.’
‘Wat jij wil, soldatenmeisje,’ zei Julius met een brede grijns en haastte zich op zijn zwabberbenen achter het oude mensje aan. Sukkel, dacht Senna. Die vertrouwt echt iedereen. Leven wij in dezelfde verrotte wereld?
Julius keek over zijn schouder en lachte naar haar. ‘Kom je?’


De proloog (niet dit stukje tekst!) trekt de lezer onmiddellijk het verhaal in: een pasgeboren kind wordt door zijn eigen vader bij de moeder weggehaald. Subject J52A belandt in een laboratorium.
Daarna volgt het verhaal dat vanuit wisselend perspectief verteld wordt, vooral dat van Senna en Julius, maar ook Eva doet mee.
Deze fictieve wereld wordt overtuigend beschreven, vooral omdat er zoveel elementen inzitten die helemaal niet zo bizar zijn als je zou denken. En omdat het verhaal in Nederland speelt, zelfs al heet het niet meer zo, is het herkenbaar. Zelfs al is er dwangarbeid, en is bidden verboden.
Het levert een intrigerende en spannende dystopische roman op. Hopelijk wordt het nooit onze toekomst, maar…


Marjan Brouwers (1963, Midwolde) studeerde Engels aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft columns, brochures en andere teksten voor allerlei opdrachtgevers en maakte samen met Jeannette van Ditzhuijzen eerder een boek over kastelen in Nederland.
In mei 2016 verscheen hun roman Ren, Janina, ren!, een verhaal dat zich in Polen afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Leegland is haar echte debuut.


Zie ook http://leegland.nl


ISBN 9789054523888 | paperback |250 pagina's | Uitgeverij Passage| oktober 2020
Ook voor Young Adults

© Marjo, 18 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De tussenzus
Vincent Kortmann


Het boek begint met een spreekbeurt die Tommie houdt. Het moet gaan ‘over jezelf’.


‘Wat krijg je als je een dichteres kruist met een politicus?
Een kind dat allitererend liegt? Iemand die rijmend zijn zakken vult?’


Hier wordt voor de lezer al duidelijk dat Tommie geen normale jongen is. Of dat tenminste zijn ouders niet doorsnee zijn. Dat zal niet zonder gevolgen blijven…


Tommie Boezerman heeft zijn achttiende verjaardag bereikt. Hij besluit van school af te gaan, ook al zit hij in het examenjaar. Wat hij dan wel wil, dat weet hij (nog) niet. 
Het is tekenend voor de situatie thuis dat zijn vader het allemaal best vindt, als hij maar niet de hele dag thuis rondhangt, maar ook iets nuttigs doet. Dat wordt de kringloop, drie dagen in de week rijdt hij met de oudere Jaap in het busje om spullen op te halen. Het bevalt hem eigenlijk prima, met Jaap kan hij het goed vinden. Hij heeft misschien wel meer aan deze man dan aan zijn vader.
De vader, Manfred, is een politicus, een charmeur, die het niet zo nauw neemt met de regels. Hij toont geen interesse in het leven van zijn zoon. Zijn assistente Jessica regelt alles voor hem. Ook het contact met Tommie.


Sinds zijn moeder is overleden – Tommie was toen acht jaar, ze verdronk in de Waddenzee - heeft hij diverse au-pairs gehad – allemaal jong, mooi en Frans, uitgekozen door zijn vader(!). Sinds zijn veertiende moet hij het zelf maar uitzoeken in het grote luxueuze huis. 
In dat huis woont ook Cleo. Zij is de dochter van een eerdere relatie van Manfred, door haar moeder achtergelaten. Tommie behandelt haar als zijn zus, maar dat is ze natuurlijk niet.


Wat ze gemeen hebben is hun achtergrond. Hun ouders waren er nauwelijks voor hen. Terwijl Cleo rebelleert - ze is dol op wapens, hetgeen misschien minder strookt met het feit dat ze zeer milieubewust is. Ze is veganistisch en eet macrobiotisch.
Tommie lijkt zich ‘normaal’ te gedragen, maar hij wordt beheerst door een stille woede. Hij probeert zich zijn moeder te herinneren, was zij er wel voor hem toen ze nog leefde? Hij maakt er notities van. Maar het blijft surrogaat. Als hem door zijn vroegere lerares Mascha gevraagd wordt om een toneelstuk te schrijven voor zijn voormalige school, schrijft hij zijn woede van zich af. Dat verzoek deed Mascha evenwel niet zomaar: zij is bezig aan een proefschrift over de dichteres Katinka Tonken. En dat is Tommies moeder.


Echte spanning lijkt er niet in het verhaal te zitten, Vincent Kortmann houdt zich in. Maar de lezer voelt wel dat er iets broeit onder de oppervlakte. De tragiek van Tommies leven is voelbaar. Er staat iets te gebeuren.
Cleo’s hobby neemt verdachte vormen aan, terwijl ook het toneelstuk uit de hand loopt. Tommie denkt dat alles goed zal komen als het eenmaal opgevoerd wordt…


Grote thema’s worden als terloops aangestipt. De karakters van Tommie en in mindere mate Cleo worden goed uitgewerkt, de nevenpersonages doen ter zake. De hoofdrolspelers zijn jongeren, daar horen licht erotische scenes bij. We weten niet wat Cleo bezielt, omdat Tommie het vertelperspectief vormt, maar er wordt gehint dat zij hun relatie anders ziet dan hij. 


Het verhaal is geschreven op een lichte toon, met een dosis wrange humor. Het is een verhaal dat blijft hangen, de figuur Tommie kruipt onder de huid van de lezer. Het is razend knap dat je zonder het expliciet op te schrijven de lezer toch duidelijk maakt hoe het met de jongen gesteld is.
Heel mooi debuut!


Vincent Kortmann (1975) volgde de Schrijversvakschool in Groningen die hij in 2007 afrondde. Hij schreef al eerder enkele kortverhalen, maar De tussenzus is zijn debuutroman.


ISBN  9789025457853  | paperback | 576 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | augustus 2020

© Marjo, 20 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Phineas' feest
Sophie Tak


Dit uitzonderlijke verhaal begint bij de wereldvreemde Hilmar Ouwenaer die al twintig jaar afgezonderd leeft in een tent. Zijn enige gezelschap is Knurft, de hond. Hilmar zit te wachten op Max, zijn enige vriend die hij ook al twintig jaar niet gezien heeft. Het bezoek jaagt hem angst aan maar hij kijkt er ook naar uit. Uiteindelijk valt het allemaal, zoals zo vaak als je ergens tegenop ziet, enorm mee.


Max vertelt over de twee dochters van Hilmar, Adelien die inmiddels neurowetenschapper is en Lea, die het ene na het andere kind baart. Binnenkort is er een kraamfeest wegens de geboorte van de jongste van Lea, Phineas. Max is uitgenodigd, hij mag een introducé meenemen, zou het niet eens tijd worden dat Hilmar zijn gezicht weer eens laat zien? Natuurlijk zegt hij nee totdat Max vertelt dat Tanneke een nieuwe vriend heeft ... Tanneke de ex-vrouw en grote liefde van Hilmar. Opeens wil Hilmar wèl mee, want Tanneke blijft van hem, ook al is hij weg. Over Hilmars zoon, Johannes, wordt geen woord gesproken.


In de volgende hoofdstukken getiteld Adelien, Johannes, Lea en Tanneke lezen we, afwisselend zich afspelend in het heden en verleden, waarom Hilmar vertrokken is.


Adelien is plomp en groot.


"Alles aan haar was net een slagje ruimer dan bij anderen. Ze bewoog zich log, nam bedachtzame passen, draaide haar hoofd traag, als een vriendelijke olifant. [...] Van boven was Adelien net een American football-speler, terwijl ze van onderen meer weg had van een hen met flinke kippendijen die uitliepen in stakerige kippenpootjes.
En nu was er dus dat scheldwoord.
Het leek alsof haar lichaam er nog groter van werd, alsof het ernaar ging staan."


Ze leeft samen met oud schoolgenoot Wobbe, een blonde holenbeer, en leidt een redelijk tevreden bestaan. Vlak voor het kraamfeest komt ineens haar zwervende broer Johannes weer in beeld. Het is een schok, maar ook prettig, ze is blij hem te zien. We lezen wat er zich vroeger allemaal afgespeeld heeft tussen haar en Johannes. Adelien hield van haar broertje maar hij maakte het iedereen soms wel érg moeilijk. Helaas Johannes kan niet bij haar blijven, hij moet maar naar Lea...


In het hoofdstuk Johannes komen we eindelijk te weten wie hij is en vooral wat er zich allemaal in zijn hoofd afspeelt en dat maakt hem interessant. De zeer intelligente man leeft op de golven van zijn gevoelens en emoties en die variëren van euforisch, diepzwart tot zwaar agressief. Hij bloeit totaal op als iemand aardig voor hem is, maar dat kan zomaar omslaan in achterdocht en waandenkbeelden. Hij wil zo graag dat mensen van hem houden, dwingt zichzelf steeds weer om positief te denken maar verpest het voor zelf ook iedere keer door zijn onvoorspelbare gedrag. Je hebt met de jongen te doen. Je gunt hem zijn gezinsgeluk, hij wil zo ontzettend graag een fijn en positief leven. Waarom snapt niemand dat nou?


"Als een rups zal hij zich verpoppen, tot er in zijn lichaam geen zwerversmolecuul meer over is. [...]
Samen lopen ze over de Weesperzijde terug naar Adeliens huis. En hij fluit zelfs een deuntje en hij merkt dat hij anders begint te lopen, hup het hoofd hoog, de armen losjes mee, de rug kaarsrecht, hier komt hij! En Adelien lacht naar hem en verdomd, wat voelt dit goed, hier, met haar, met zijn bloedeigen zus, ja!
Maar dan gebeurt er iets wat niet zou moeten gebeuren, iets wat alles weer voor eventjes verpest, en zo moet je altijd op je hoede zijn voor momenten van geluk want geluk is tenslotte niet vele meer dan het korte moment dat je met je armen in de lucht op je fiets zit en lachend omkijkt naar je vrienden en de zon die je voelt, voordat je op een vrachtwagen knalt. Op de stoep zitten twee dikke duiven die weigeren voor hem aan de kant te gaan. [...]"

Deze Johannes is nu dus onderweg naar het grote gezin van lieve Lea, zijn zusje die altijd zo aardig voor hem was. Die hem zocht toen hij zoek was. Hij verheugt zich erop. Als hij bij Lea gearriveerd is geniet hij van het gezinsleven, totdat die stem in zijn hoofd weer begint...


Ondertussen is Lea druk met de voorbereidingen van het feest, zij kan Johannes er eigenlijk niet bij hebben. In dit hoofdstuk over Lea leren we de échte gedachten en gevoelens van haar kennen en die zijn op zijn zachts gezegd zeer verrassend én verwarrend.
En dan zijn er natuurlijk nog Tanneke en Hilmar ...


Het verhaal moet even op gang komen maar dan heeft het je ook volledig in zijn greep. Het bijzondere van dit verhaal is dat de schrijfster uitstekend het 'show don't tell' principe heeft toegepast. Je beseft wat zij schrijft en wat voor gevolgen dat heeft of heeft gehad, maar genoemd wordt het niet. De hele familiegeschiedenis blijkt ook uiteindelijk totaal anders in elkaar te zitten dan je aanvankelijk dacht en dat heeft enorm verstrekkende gevolgen gehad. Dat besef dringt pas langzaam tot je door. Sophie Tak heeft namelijk sluipenderwijs de spanning fantastisch weten op te bouwen en er een indrukwekkende draai aan weten te geven.
Al met al een onthutsend debuut dat nog een flinke tijd nodig heeft om helemaal  te bezinken.


Sophie Tak is Neerlandicus en docent Nederlands. In haar studietijd voerde ze de redactie over literair tijdschrift Moxi, waarin ze ook zelf verhalen en columns publiceerde. Ze schreef recensies voor Trouw en was redacteur van VakTaal.


ISBN 9789026348044 | Paperback met flappen | 331 pagina's | Uitgeverij Ambo Anthos | mei 2020

© Dettie, 24 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Onomkeerbaar
Ines Nijs


Had haar moeder echt gedacht dat ze er mee weg zou komen dat ze haar dochter niets vertelde over haar afkomst?


Er is geen vader in het leven van Zoé, die zich als ze ouder wordt steeds meer begint af te vragen over haar leven. Ze woonde bij haar moeder, maar omdat die moest werken - in hotel Le Grand Veneur was ze schoonmaakster – was Zoé bij Gust en Bertha. Toen ze tien jaar oud was, kwam Bertha te overlijden en is er geen andere keuze: Zoé moet naar het internaat bij de nonnen.
In die kille omgeving wordt Zoé achttien, ze zit voor haar eindexamen, en ze begint onderzoek te doen. Ze wil weten wie haar vader is, waarom ze geen familie heeft, waarom haar moeder geestelijk niet in orde is. Wat houden haar moeder en de nonnen voor haar verborgen? Want dat de nonnen meer weten heeft ze al snel door. Vooral zuster Godelieve.


‘Ooievaars brengen geluk’, zeggen ze. Zoé heeft de vogels zien staan toen ze uit het raam keek, net voordat de lerares geschiedenis de opdracht geeft aan haar leerlingen: een werkstuk maken over de oorlog. Bovendien ziet ze op een van de dia’s die de lerares laat zien haar vader. Ze weet het zeker. Maar hoe kan ze dat weten? Ze wil nu eindelijk de antwoorden die ze altijd al zocht.


Als die antwoorden mondjesmaat komen, ontdekt ze ook dat ze eigenlijk al meer wist dan ze zich bewust was. Heden en verleden vallen in elkaar. Maar als ze denkt te weten wie haar vader is, moet ze ook nog naar hem op zoek. De apotheose komt tijdens de reis die de eindexamenklas maakt naar Italië, waar nog meer geheimen begraven liggen.
Maar is het zo verstandig geweest om kost wat kost de waarheid te achterhalen? Ze kan nooit meer niet weten, die kennis is onomkeerbaar.


Het verhaal speelt in de jaren zeventig, grotendeels in een internaat in een nonnenklooster, geen warme voedingsbodem voor een jong meisje. Als lezer denk je dan ook vaak dat het anders gekund had, gemoeten had. Maar de tijdgeest was anders. Bepaalde dingen vertel je een kind niet en volwassenen beseften niet dat juist die onwetendheid onzeker maakt. Zoé is ook nog een gevoelig kind, kwetsbaar in haar zoektocht naar liefde en geborgenheid. Ze voelt zich in de steek gelaten door haar zwijgzame moeder, door de stugge nonnen. Ze valt makkelijk ten prooi aan dat meisje in haar klas die haar als een kwade geest op de huid zit en die de eerste stappen op weg naar de liefde weet te bederven.
Zoé denkt dat kennis haar behalve duidelijkheid ook veiligheid zal brengen. Zij kan niet anders dan doorgaan. Ze moet weten.


In een verhaal vol spanning plaatst de schrijfster ons in de geest van een jong meisje. Met haar willen we eveneens weten en zijn we huiverig voor de antwoorden.
Prachtige stukjes tekst sleuren ons mee.


‘Alsof haar woorden ze hebben opgeroepen, zijn ze er plots.
De herinneringen. Ongevraagd pinnen ze me vast in de bank. Kijk hoe je hier binnenkwam, die allereerste dag, zeggen ze. Weet je nog? Met die zielige vlechtjes en die vlekken op je jurk.
‘Zoé?’ De lerares geschiedenis, de ingewijde in het verleden, de schikgodin die de draden spint en weeft en knipt, legt haar hand op mijn arm. Ik schud ze af en spring met een onhandige beweging op uit de bank. Struikelend over mijn voeten loop ik het klaslokaal uit, op de vlucht voor de herinneringen die hun klauwen in mij slaan en die ik niet kwijtraak. Niet aan het einde van de gang, niet achter de hoek, nergens. Ze lopen met me mee. Ze zijn hier thuis. Hun kleur, hun geur hangt overal om me heen en dringt zich in alles aan me op. Ze zijn als de uien die Bertha en Gust pelden aan de eetkamertafel. De buitenkant eerst. Droog en knisperend tot de bovenste laag bovenkomt, gelig verlept. Haast vanzelf valt ze eraf. De tweede laag is witter, er zit een vliesje op dat prikt aan de ogen en het knipperen begint. Bij de derde helpt het knipperen niet meer. En daar zit de kern. De kern en de tranen.’


Het verhaal verloopt niet chronologisch. Zonder aanduiding vloeien heden en verleden in elkaar over. Niet dat het onduidelijk wordt voor de lezer, het is precies zoals het voor Zoé ook werkt.


Deze debuutroman is prachtig, qua verhaal, en qua stijl. Hopelijk krijgen we meer van dit van deze nieuwe schrijfster.
Het motto is zeer treffend gekozen! Het is een gezegde van Kahlil Gibran:


‘Tussen wat wordt gezegd en niet bedoeld en wat wordt bedoeld en niet gezegd gaat de meeste liefde verloren.’


Ines Nijs (1968) is filoloog van opleiding, freelance redacteur van beroep. Ze woont en werkt afwisselend in België en Senegal.


ISBN 9789062657759| paperback | 224 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | april 2020

© Marjo, 10 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ik herinner me jou
Elly Persons


Op het laatste moment besluit Yvonne, een vriendin, mee te reizen met Ellen (53 jaar) waardoor ze apart van elkaar komen te zitten in het vliegtuig. Dat maakt dat Ellen naast een man komt te zitten die een vriendelijk en aantrekkelijk gezicht heeft. Ze praten wat, hij woont met zijn vrouw en twee zoons, in een bergdorpje, Mijas Pueblo, bij Malaga. Deze laatste plaats is de vakantiebestemming van Ellen. Mark Rolner (46 jaar) vertelt dat hij appartementen verhuurt. Ze hebben een erg gezellig gesprek en de vrijgezelle Ellen vindt het jammer dat hij al bezet is.


Eenmaal op haar vakantiebestemming kan ze Mark maar niet uit haar hoofd zetten. Het verrast haar dan ook dat hij een vriendschapsverzoek stuurt via facebook. Natuurlijk accepteert ze zijn verzoek. Yvonne waarschuwt Ellen, ze heeft toch al eens een relatie met een getrouwde man gehad, ze weet toch waar dat op uitdraaide? Toch blijft Mark evengoed steeds maar door haar hoofd spoken.


Ellen weet overigens precies wat ze wil, zij bepaalt ook zelf wat ze wel of niet gaat doen in de vakantie. Een bezoek aan Granada en Sevilla, zoals haar vriendin graag wil, weigert ze tot teleurstelling van Yvonne. Ook later blijkt dat ze een sterk eigen willetje heeft...


Eenmaal thuis reageert Mark, tot Ellens verbazing, met een privéberichtje op een facebookverhaaltje van Ellen en dat zal achteraf het begin blijken van een zeer onstuimige tijd. Ellen geeft dan namelijk te kennen dat ze hem erg leuk vindt en dat blijkt wederzijds, ook Mark is diep onder de indruk van Ellen. Het draait er op uit dat hij naar Nederland komt en het knettert nog steeds flink tussen de twee.
Binnen een paar maanden staat hun wereld op zijn kop. Mark verlaat zijn vrouw, die met de kinderen terugkeert naar Nederland. Ellen zegt haar goedbetaalde baan op, verkoopt haar huis en emigreert naar Spanje. Ze trekt bij Mark in, in Villa la Vida.
Ellen weet het zeker, dit is dé man!


Natuurlijk is de begintijd er een die ze op roze wolkjes doorbrengen, de verliefdheid spat er vanaf. De Villa is overigens wel ongezellig volgens Ellen. En dat hij zijn kinderen nog niet wil blootstellen aan een ontmoeting met haar, vindt ze eigenlijk wel heel raar... En zijn beste vrienden zijn ook niet echt geweldig in Ellens ogen... Ze maakt zelfs ruzie met ze.


Langzamerhand komt dus het verschil van opvattingen tussen het stel naar voren. Het komt erop neer dat Mark Ellens houding niet begrijpt en zij snapt niet dat hij niet inziet hoe lastig het allemaal voor haar is. Bovendien heeft zij àlles opgegeven voor hem... De paniek slaat af en toe dan ook flink toe. Heeft ze wel het juiste gedaan? Hoe zal dit allemaal aflopen?


De scheiding van Mark verloopt ook niet vlekkeloos. Zijn ex wil het onderste uit de kan en dat stoort Ellen behoorlijk evenals enkele andere zaken.
Ondanks dit alles barst Ellen overigens wel van de leuke ideeën voor werk dat ze graag wil realiseren.


Het verhaal loopt langzaam naar een climax en de vraag is, wordt het overhaaste besluit om samen verder te leven een deceptie of vinden ze uiteindelijk de weg naar elkaar?


Het moeilijke is dat dit verhaal gebaseerd is op ware gebeurtenissen 'over de zoektocht naar liefde', volgens de flaptekst. 'Over het onder ogen zien van je angsten en eerlijk naar jezelf durven zijn.' Een feelgood roman wordt het elders ook genoemd. Maar die beloftes worden niet waargemaakt. In mijn ogen is het vooral een worsteling om een relatie die zo veelbelovend begon in stand te houden. Het onder ogen zien van de angsten en eerlijk naar jezelf zijn zie ik niet gebeuren.
Ellen is zelfs vrij egocentrisch neergezet. Er is weinig zelfreflectie en weinig empathie. Maar dat maakt het verhaal ook wel levendig. Maar echt heel diep gaat het niet. Maar wat is waar en wat is niet waar?

Het verhaal wordt in een heel vlotte stijl geschreven is, hoewel af en toe een beetje te uitvoerig. Het is soms alsof je een vakantieverslag leest in plaats van een roman. Maar toch wil je verder lezen omdat je benieuwd bent of ze het samen redden.
Is het boek een aanrader? Ja en nee, het is maar waar je van houdt. Wil je een verhaal dat plezierig wegleest dan is het een aanrader. Wil je een verhaal zoals de flaptekst belooft, met wat meer diepgang, dan volgt waarschijnlijk een teleurstelling. Aan jou de keus.


Elly Persons (1965) heeft eerder gepubliceerd in een aantal verhalenbundels. In 2016 kwam ze op een shortlist van de Boekenweek schrijfwedstrijd. Dit is haar eerste roman. Naast schrijver is Elly ook eigenaar van het bedrijf Trouwen in Spanje. Op verschillende mooie locaties aan de Costa del Sol organiseert ze voor aanstaande bruidsparen hun droomdag. Daarnaast werkt ze parttime als communicatieadviseur. Meer over Elly kun je lezen op: www.meerdanschrijven.nl


ISBN 9789492719379 | Paperback | 323 pagina's | Uitgeverij Keytree | mei 2021

© Dettie, 6 juli 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Buitenaards koraal
Mark de Haan


Deel 7 in de Extazereeks. Dat is een debutantenreeks, een gezamenlijk initiatief van het literair tijdschrift Extaze en Uitgeverij In de Knipscheer. Zoals van andere debutanten verscheen ook van Mark de Haan eerder werk in het tijdschrift Extaze.
Dit is zijn prozadebuut, in de vorm van zeven verhalen.


Buitenaards Koraal is niet de titel van een verhaal. Het komt voor in ‘Machmut Kanzal’, het eerste verhaal. Het duidt op de witte schotels die in zijn arme wijk tegen de gevels hangen. In ‘Machmut Kanzal’ wordt de tegenstelling geaccentueerd tussen de wereld van de moslims en de moslimhaters.

Machmut is een ijverige jongen, zoon van een vrijwel ingeburgerde moslim. Om iets voor zichzelf te kunnen kopen loopt Machmut een krantenwijk, door de arme – de schotels – en de rijke wijken. Hij hoeft nu hij vijftien is niet meer mee naar de moskee, maar zijn ouders gaan wel. Iedere vrijdag.


De vader van zijn vriend Japik is activist: hij loopt mee in protestmarsen tegen het pas in het dorp gevestigde asielzoekerscentrum. Daarbij dragen de mensen spotprenten van de profeet met zich mee, die Japiks vader getekend heeft.
Ach, zegt Japik, dat is humor toch? Machmut weet toch ook wel dat moslims hun vrouwen onderdrukken? Dat een vrouw niets te vertellen had?
Ja, de verhouding tussen zijn moeder en vader is misschien ongelijk, erkent hij, maar het is een liefdevol huwelijk! Terwijl het bij zijn Hollandse vriend Japik thuis vaak hommeles was waarbij er geschreeuwd werd, en met servies gesmeten.


En dan is het vrijdag, Machmut ziet een ander soort demonstratie langskomen. Mensen hebben een tekst op hun shirt: IK BEN DE AL-MEDINAHMOSKEE.
Hij vraagt zich af wat dit betekent, en dan staat daar Japik…
Een einde waarbij je de rillingen over het lijf lopen, maar helaas is het wel realistisch.


Dat geldt ook voor het verhaal ‘BRIN17VA’ dat intrigerend begint:


‘Ik zou kunnen beginnen met een kleine exegese van de titel. Sommige lezers stellen dat mogelijk op prijs. Maar ik ben er niet voor de lezer. De lezer is er voor de lezer.’


Denk er van wat je wil…
Wat volgt is het verhaal over MdH (eh..misschien?) Hij woont in een krot, dat hij langzaam nog verder afbreekt. Het is koud. Hij heeft het koud. Hij rukt alles wat brandbaar is los en stookt het op. Bijna had hij ook die brief in het vuur geworpen. De aankondiging van een reünie. Zijn maat verklaart hem voor gek als hij zegt te zullen gaan. ‘Wie zou je in godsnaam willen terugzien? En wie van hen zou jou willen terugzien? Je gaat niet. Natuurlijk ga je niet. ’Maar MdH gaat wel. En pas dan zal de lezer te volle begrijpen wat er precies aan de hand is.
Wie is deze man die zich bezig houdt met het bouwen van een maquette van roerstaafjes? Toevallig - of toch niet – een maquette van BRIN17VA. De avond verloopt dramatisch. Is er opzet in het spel?


Het verhaal ‘Ene Wim’ lijkt surrealistisch. Een niet na te vertellen verhaal over de maakbaarheid van de mens, met de hulp van drugs, vaccinatie en volksverlakkerij. Actuele onderwerpen, maar door de manier waarop ze in het verhaal gebruikt zijn gelukkig te bizar om echt te kunnen zijn. Toch?


Zo zijn er zeven verhalen die allemaal anders zijn en toch ook iets gemeen hebben: er is steeds een hoofdpersoon die geconfronteerd wordt met een harde werkelijkheid zoals die in het verhaal past.


Voor de lezer ontvouwt zich die ietwat absurde werkelijkheid langzaam tot een vaak onverwachte climax. Doordat er steeds een maatschappijkritische noot in het verhaal zit geven ze je een ongemakkelijke gevoel. Literatuur schuurt, zegt men. Dat doen deze  verhalen zeker! De lezer blijft steeds achter met een unheimisch gevoel.


Mark de Haan (1987) studeerde Nederlandse Taal en Cultuur in Leiden. Na zijn studie werkte hij tien jaar in het bedrijfsleven. De tijd die overschoot gebruikte hij om verhalen te schrijven. Deze bundel is het resultaat.


ISBN 9789493214194  | paperback | 152 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | november 2020

© Marjo, 5 mei 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Winteruren
Filip Bastien


De ik-verteller, Richard Waeyenberghe, slijt zijn dagen aan het bed van zijn echtgenote. Zij is ongeneeslijk ziek en begint ook nog te dementeren. Als vanzelf gaat Richards gedachten naar het leven dat hij geleid heeft. En wij als lezer volgen hem in de gedachtesprongen.


Anna-Maria, de vrouw met wie hij getrouwd was, was misschien niet zijn grote liefde, maar het leven verloopt niet altijd zoals je dat wenst. Zeker niet als je geboren bent in 1915.
Hij heeft de Eerste Wereldoorlog niet bewust meegemaakt, maar de familie is er wel door getekend. Als Richard in het ziekenhuis belandt na een auto-ongeluk, laat zijn moeder haar hevige schrik zien. Ze kan niet ook nog haar zoon verliezen! Natuurlijk weet Richard dat zijn vader omgekomen is in de oorlog, maar zijn moeder wilde er nooit over praten. Maar nu komt ze dan eindelijk met informatie. En de laatste brief van zijn vader, waarin hij schrijft over een concessie die hij heeft op land in Congo.
Maar wat meer indruk maakt op zijn zoon is dit:


‘Als je na de oorlog naar deze velden komt en ik ben er niet meer, kuier dan tussen de klaprozen. Luister naar hun gefluister en denk aan mij. Laat me niet zomaar verzinken tussen de rimpels van de tijd.’


We weten het: de Tweede Wereldoorlog volgt. Richard gaat in het verzet, wordt opgepakt, en verzeilt in Breendonk, het beruchte ‘opvangkamp’ waar de Duitsers dissidenten, verzetslieden, gijzelaars en Joden naar toe brachten en hen bloot stelden aan uithongering en martelingen.
Ook Richard overleeft het ternauwernood. Hij weet te ontsnappen, naar Duinkerken.


Dit is de ene kant van het verhaal. Het andere gaat over de twee vrouwen die een grote rol speelden in zijn leven. Anna-Maria natuurlijk, maar ook Josephine. In de relaties met deze twee vrouwen speelt de achtergrond zoals we die kennen uit de geschiedenis een grote rol: de vooroorlogse jaren, de oorlog, de Expo in Brussel, een tijdbeeld van de vijftig- en zestigerjaren, Congo, het communisme en de Val van de Muur.
Maar ook de molen in Bredene en de kermis in Eeklo in 1925 - de ‘kleine’ geschiedenis - komen aan bod.


Richard wordt steeds opnieuw geconfronteerd met gebeurtenissen buiten hem om, die wel danig ingrijpen in zijn leven. Steeds opnieuw moet hij moeilijke keuzes maken. Ook de daden van de vrouwen, en de manier waarop zij beslissingen nemen zorgen ervoor dat hij niet het leven kan leiden dat hij voor ogen had. Zal hij nog een herkansing krijgen als zijn vrouw het leven voor het eeuwige heeft verruild? En hoe dan?


Richard Van Waeyenberghe, zo heet de grootvader van de schrijver. Op deze persoon is het verhaal losjes gebaseerd, hetgeen in een nawoord uitgelegd wordt. De foto’s in het boek, uit het privéfamiliealbum, maken dat duidelijk: het is een ode aan de niet-gekende grootvader.


De vorm van het verhaal is bijzonder. Terwijl de ‘basis’ zich afspeelt in 1990, gezeten naast zijn stervende vrouw, laat de hoofdpersoon zijn gedachten los, heen en weer in de tijd. Die tijdstippen hangen samen met de wereldgeschiedenis, maar zijn niet chronologisch. Gelukkig wordt wel heel duidelijk boven het hoofdstuk aangegeven wanneer het vertelde zich afspeelt. Naast een psychologische roman is het ook een historische roman. Bastien verweeft deze twee genres tot een boeiend geheel.


Filip Bastien is Vlaming, en verbergt dat niet. We komen dus Vlaamse woorden tegen als kasseien, plezant en smout. Maar ook stuten en jutekakooie, een stuk lastiger. Toch stoort dat niet, en is vooral in de stukken tekst over Eeklo, dus de jonge jaren van de hoofdpersoon.
Filip Bastien kreeg als eerste Vlaamse auteur de Indie Award juryprijs 2018, voor de meest memorabele hoofdpersoon.
Na het winnen van de prijs werd het boek opnieuw uitgegeven bij Hamley Books.


ISBN 9789463967051| paperback |300 pagina's | Uitgeverij Hamley Books| februari 2020

© Marjo, 21 februari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Confrontaties
Simone Atangana Bekono


Niet zeuren en hard werken.


Dat is wat Salomé Atabong, de jongste dochter van een Kameroense vader en een Nederlandse moeder, haar hele leven al te horen krijgt. Slim is ze wel, maar helaas, dat is niet genoeg. Omdat ze zwart is, zijn haar hoge punten eerder een extra reden voor haar klasgenoten om haar het leven zuur te maken.


Haar vader, op wie ze lijkt, leert haar en haar oudere zus de boksbal te gebruiken. Niet met je laten sollen, zegt hij. Miriam wil er niet veel van weten, die lost het anders op, maar Salomé weet dan al dat kracht hebben iets goed kon doen. Waarom lijdzaam accepteren - wat niet in haar natuur ligt – als ze ook terug kan vechten?
Ga door de vijand heen, zegt hij. ‘Het zijn een mond en een vuist en ze zoenen.’


Ze is zestien als de bom barst. Er gebeurt dan iets wat haar in de cel doet belanden. Ze moet naar een jeugddetentiecentrum, waar ze behandeld moet worden.
Als haar therapeut een van de mensen blijkt te zijn die meegewerkt heeft aan een televisieprogramma over Afrika, waar de draak gestoken werd met de Afrikaanse cultuur, slaat Salomé volledig dicht. Ze weigert te praten met een racist. Maar wil ze daar weg komen dan zal ze concessies moeten doen. Vooral moet ze dan accepteren dat ze het mikpunt zal blijven wat ze ook doet.


De thuissituatie is ook al niet rooskleurig: haar vader is ziek en zal waarschijnlijk niet beter worden en haar zus is het huis uit.


‘Het is 25 februari 2008 en er zijn twee Salomés en ik ben er maar één van en misschien niet eens het originele exemplaar.’


Salomé voelt zich verscheurd. Ze is zichzelf niet. Of juist wel?


‘De ene Salomé haalt tienen voor proefvertalingen Grieks, is op vakantie geweest, speelt piano zonder bladmuziek, en ik ben in een heel vreemde, parallelle tijd terechtgekomen, waarin ik tijdens therapie een perforator van Frits’ bureau pakt en tegen het raam smijt. Het glas brak niet omdat ramen hier natuurlijk niet zomaar breken. Ik was zo kwaad dat het niet brak dat ik riep dat ik dood wilde. Ik word met de dag dramatischer. Het boeit toch niet.
Ik denk alleen nog maar in wat mama, als Miriam en ik elkaar voor kankerditofdat uitschelden of het woord fucking gebruiken ‘extreme termen’ noemt. Ik weet nog steeds niet wat me overkwam daarnet. De extreme termen vlogen uit mijn bek als kogels.’


Salomé reageert heftig, niet alleen omdat ze een puber is. De woede beheerst haar, ze kan er geen kant mee uit. En wat als ze terugkomt in haar dorp. Hoe zullen de dorpelingen reageren? Kan ze wel weer naar school? Die woede is vanaf het begin voelbaar, door de stijl die gehanteerd wordt. Die is kortaf, soms staccato.


Simone Atangana Bekono is ook dichter. Goede poëzie is emotie. Emotie beheerst dit boek. Confrontaties heeft een poëtische en bittere sfeer, zonder ook maar ergens larmoyant te worden. Een sfeer die nog lang blijft nawerken.
Kom je te weten wat aan haar straf ten grondslag ligt? Jawel. Maar het speelt nauwelijks een rol, behalve op het einde, dat je overigens snel vergeten bent. Het voorafgaande is belangrijker omdat hier een intelligente puber aan het woord is die met zichzelf overhoop ligt, hetgeen toegespitst is op haar zwart zijn waar ze steeds maar weer mee geconfronteerd wordt.


Prachtige en indringende debuutroman, absoluut ook geschikt voor de bovenbouw van middelbare school.


Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ met een bundeling van gedichten en brieven getiteld hoe de eerste vonken zichtbaar waren, die in herdruk verscheen bij Wintertuin Uitgeverij.


ISBN 9789048842438 | paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Lebowski | september 2020

© Marjo, 3 december 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De achtbaantester
Nancy Olthoff


‘Leven. Hoe anderen het doen is hem een raadsel. Niet nadenken over je vieze vaat al dan niet meteen afwassen, en waar die keuze mee te maken heeft. Verder associëren, hij is er heel goed in: van aangekoekte Brinta naar de dood. Via bord, afwas, regels, vader, controle, mama, dood. Of het nou om de afwas gaat of om een lieveheersbeestje op zijn schouder, uiteindelijk heeft alles met de dood te maken’


Het is geen vrolijk leven dat Herman van Dusselen, een alleenstaande dertiger, leidt. Na het overlijden van zijn ouders gaf oom Frans, zijn voogd, hem ondanks dat hij pas achttien was toestemming om in het ouderlijk huis te blijven wonen. Dat vond hij fijn, want daar kon hij zijn hobby uitoefenen: knikkeren.
In de knikkerkamer heeft hij 800 knikkers, netjes geordend, en allerlei soorten knikkerbanen. Ze zijn zijn trouwe, altijd aanwezige toeverlaat voor als hij zich niet prettig voelt. Als de herinneringen hem bestormen.


Hij heeft niet zo’n prettige jeugd gehad: zijn ouders waren overbezorgd en streng. Wat was hij boos toen hij niet mee mocht op schoolkamp, de enige kans die hij had om er op school bij te gaan horen. Hij kreeg een zak knikkers als troost, nou, die liggen nog ergens, onaangeroerd.
Tijdens een vakantie - hij was 8 jaar oud - is zijn moeder onder vreemde omstandigheden verongelukt. Nadien was er alleen zijn vader, niet bepaald een vrolijke man. Zijn motto was ‘wie mikt op een zeven, krijgt nooit een tien.’
En nu is Herman alweer jaren alleen. Met zijn knikkers. Parel. Confetti, Picasso, en nog vele andere.


De dag dat het pasje in de brievenbus valt, verandert zijn leven. Daar staat op:

                                  HERMAN VAN DUSSELEN, GRATIS TOEGANG, GEHELE MAAND FEBRUARI

Vlak bij zijn huis is het pretpark Wonderland. Ook een plek met vervelende herinneringen. Het is nu de kans om dat te veranderen. Om eindelijk te gaan leven. Dat is zoals duidelijk is niet bepaald gemakkelijk. Herman loopt tegen hindernissen aan. En terwijl hij probeert daar mee om te gaan is er ook het verleden dat hem op de meest ongelegen momenten overvalt. En er is oom Frans die binnenkort zal overlijden.


‘Pareltje wordt omhooggetrokken, verliest snelheid en wordt losgelaten in een doorzichtige buis. Je kunt dit met meer knikkers tegelijk doen, maar het risico van een opstopping is hem te groot. Bovendien: waarom zou je?
Als je echt respect hebt voor je knikkers, wil je ze een voor een laten rollen.’


De achtbaantester is tegelijk een tragedie en een komedie. Het gaat over rouw, maar ook over liefde.
Het is prachtig geschreven, wat langere zinnen als het verhaal enigszins beschouwend wordt, maar meestal gebruikt de schrijfster een kordate stijl. Korte zinnen. Woorden. Een stijl die je nauwkeuriger laat lezen, en dat is precies wat dit boek vereist: aandacht. Je wordt er voor beloond, net als wanneer Herman zijn vrienden loslaat op de knikkerbaan. Herman is een enigszins wereldvreemd, maar daar is hij zich terdege van bewust. De achtbaantester vertelt over zijn worsteling om mee te doen, er bij te horen. Om op kamp te gaan, net als iedereen.
Een zeer geslaagd debuut, dat doet uitkijken naar meer.


Nancy Olthoff (Den Haag, 1977) schrijft speeches en strategische teksten voor CEO’s, ministers en staatssecretarissen.


ISBN 9789493081536 | paperback | 204 pagina's | Uitgeverij Orlando | juni 2020

© Marjo, 21 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waarom we huizen bouwen
Renée Kapitein


‘Je moet je fiets laten maken. En je tanden poetsen, en nieuwe tandpasta kopen en ook een nieuwe tandenborstel of eigenlijk moet je een elektrische van de tandarts. Bij wie je een afspraak moet maken, bij de tandarts of bij de mondhygiënist of meteen bij allebei. Je moet een verzekering hebben die dat betaalt, of eentje die het niet betaalt en dan het geld opzijzetten zodat je het zelf betalen kunt. Sowieso moet je geld apart zetten, voor als je wasmachine kapotgaat of je fiets…’


We moeten een heleboel in ons leven. Het lijkt een ongeschreven wet dat mensen streven naar een vaste relatie om samen een huishouden te beginnen, kinderen horen er ook bij en liefst een goede baan. Een volwassen mens hoort verantwoordelijk gedrag te vertonen. Maar wat als je niet in dit plaatje past? Als je je een buitenstaander voelt?


Anna is een jonge vrouw, ze heeft een master in communicatiewetenschappen. Werk heeft ze wel, maar het is geen baan waar ze echt voor gaat. Een relatie volhouden is haar nog niet gelukt en een eigen plek om te wonen heeft ze evenmin. Ze woont in de huizen van anderen.


Als we haar ontmoeten heeft ze net te horen gekregen dat haar tijdelijke contract niet omgezet zal worden naar een vast contract. Op zich is ze daar niet rouwig om, maar nu ze haar tijdelijke woning al snel moet verlaten – de bewoner daarvan komt terug – wordt haar toekomst wel erg onzeker.
Een vriendin geeft een housewarming. Zij leeft wel een leven volgens het stramien! Anna heeft weinig zin om te gaan, maar vindt dat ze niet zomaar kan wegblijven.
Dus ze gaat op weg zonder dat ze zich er in verdiept heeft hoe ze daar moet komen. Typisch Anna.


En inderdaad: ze kan het adres niet vinden. Erger: ze kent het adres niet eens uit haar hoofd en haar telefoon is uitgevallen. Zo komt het dat ze ergens op een groot parkeerterrein strandt en in De Poolcirkel terecht komt, een hangar waarin zich een restaurant bevindt.
Als ze buiten gaat roken ontmoet ze Bor, die op het parkeerterrein in een oude caravan woont, omdat dat de enige manier is om een stuk grond toegewezen te krijgen. Bor heeft een droom: een huis bouwen. Niet zomaar een huis, nee, het huis dat hij zelf getekend heeft.
Het klikt tussen Anna en Bor, en gaandeweg raakt Anna betrokken bij de bouw van het huis, dat dan niet meer zijn huis is, maar ‘ons huis’.


We hebben tegen die tijd al aardig in de gaten dat Anna (nog?) niet echt een verantwoordelijke volwassene is. Ze neemt het leven zoals het komt. De droom van Bor lijkt uit te komen, het huis ontstaat langzaam. Maar een huis bouwen is verantwoordelijkheid nemen en daar blijkt Bor ook niet zo goed in te zijn. Bor is een dromer en wil helemaal niet stoppen met dromen.
Als ze hard op weg lijken te zijn naar het huisje, boompje, beestje dat je na schijnt te moeten streven, lijkt een zekere toekomst dichterbij te komen. Maar wil ze dit eigenlijk wel?


‘Alles in mij wil naar huis, maar ik weet niet waar dat is.’


Dit verhaal is een protest. Een protest tegen de voortjakkerende maatschappij waarin we van alles moeten, en liefst nog snel ook. Volwassen worden, verantwoordelijkheid nemen, maar wat nou als je daar geen zin in hebt? Kun je dan ook een goed leven leiden?


Het verhaal is geschreven op een luchtige licht ironische toon. Toch is het best een zwaar onderwerp, het zijn toch wel keuzes voor het leven die gemaakt moeten worden, en is Anna een romanfiguur, er zullen veel jonge mensen worstelen met dit dilemma. Maar of er een antwoord op is? Want waarom bouwen we eigenlijk huizen?


Renée Kapitein (Amsterdam, 1987) studeerde Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Tijdens en na haar studie woonde ze in veertien huizen, om ten slotte na twee weken kamperen een ligplaats voor een woonboot te bemachtigen. Ze schrijft korte verhalen, sketch comedy voor theater en scenario’s en ze maakt podcasts. ‘Waarom bouwen we huizen’ is haar debuut.


ISBN 9789026346873 | Paperback | 264 pagina’s | Uitgeverij Ambo Anthos | april 2020

© Marjo, 12 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER