Non-fictie

Rinus Spruit

altDe rietdekker
Rinus Spruit


Jan, de vader van de schrijver, is de jongste zoon in het gezin Spruit, geboren in het begin van de vorige eeuw op Zuid-Beveland. Zijn vader en twee oudere broers zijn rietdekkers. Zijn vader heeft al snel door dat hij een slimme zoon heeft, dus moet Jan al vanaf het moment dat hij kan lezen en schrijven voor zijn vader de rekeningen schrijven. Ook al wil hij net als zijn broers het dak op, als ‘klein broertje’ komt dat er pas van als hij veertien jaar is. 
In de tussentijd moet hij thuisblijven.
‘Jan’, zei hij, ‘ je moeder is nie goêd, je mò tuus bluve, jie mot op je moeder passe.’
Moeder was zelden ‘goed’, ze deed wat ze moest doen, maar meer ook niet. Toch: geen kwaad woord over moeder...
En als hij dan, veertien jaar oud, eindelijk mee mag, laten zijn broers hem alleen riet sjouwen en aangeven. Ook als zijn broer Bram twee jaar weg is, naar Borculo waar hij andere en betere technieken leerde, komt het er niet echt van.
De eerste decennia van de vorige eeuw: hoe anders was het leven honderd jaar geleden! Het was sappelen voor je boterham, en je moest zorgen voor je oude dag. Er waren geen voorzieningen voor iemand die werkeloos was, voor ouden van dagen, je was op jezelf aangewezen.
Voor dag en dauw opstaan en hele dagen hard werken, met alleen de zondag om bij te komen (zodat de dominee komt klagen dat vader Spruit zit te slapen in de kerk), dat kunnen wij ons niet meer voorstellen.


‘De oude mannetjes in de smederij in ’s-Heerenhoek. Uitgedoofde leventjes. Ze stonden bij het vuur, je zag hun silhouetten. De smid wakkerde het vuur aan met de blaasbalg, de vonken vlogen in het rond, het was mooi om te zien. En de oude mannetjes stonden daar maar, lekker warm achter de bak met antracietkooltjes. En daar bleven ze staan tot de middag. Want het was warmte die geen geld kostte en thuis was het ook maar niks want dikwijls woonden ze bij hun schoondochter en die was allang blij als die ouwe eventjes weg was.’


Dit alles en meer vertelt vader Jan aan zijn zoon Rinus, die het weer opschrijft in het boek dat wij nu kunnen lezen. Over een doodgewoon gezin, over een vader, krom van het werken en van een schuldgevoel dat hem nooit verlaten heeft. Het rietdekkersvak wordt niet doorgegeven; de zonen van Jan kunnen goed leren, en de meester op school komt vertellen dat ze beter door kunnen leren. Het is een verhaal van een eeuw waarin de tijden snel veranderden. Het verhaal over een vader, verteld door zijn liefhebbende zoon Rinus. Een mooi verhaal.


ISBN 9789059362604 |Paperback |143 pagina's |Uitgeverij Cossee |juni 2009

© Marjo, 16 februari  2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De rietdekker
Een familiegeschiedenis
Rinus Spruit


Rinus Spruit vertelt het verhaal van zijn Zeeuwse vader en grootvader. Ze waren rietdekkers en het bestaan was hard.
Opa Spruit stond voor dag en dauw op om, voordat hij op pad ging, stapels boterhammen met reuzel en suiker voor zijn gezin klaar te maken. Oma draaide zich nog eens lekker om. Oma was dikwijls 'nie goëd'. Ze bleef tot de middag in de bedstee liggen of kwam er de hele dag niet uit.
Jan, de vader van Rinus vertelt:


Als moeder nie goëd was, was ze moeilijk, vervelend. Ze zag er dan ook altijd wat grauw uit. Toch knapte ze altijd weer op en dan ging het weer een tijdje goed. Maar een paar weken later was het dan weer fout. Van dokter Luijks uit 's- Heerenhoek kreeg ze altijd grote flessen medicinale drank. Meêstergoëd, noemde moeder het.


Het drankje hielp niet. Het bleef sukkelen met moeder. Als ze warm aten had moeder rundvlees en rundvleesjus. Ze had ook een schaaltje roomboter, en aparte pannetjes groente zoals gekookte appeltjes en peertjes, want dat was goed voor haar, zei ze. Man en kinderen kregen varkensvlees van het door hen zelf geslachte varken. Moeder koos ook met zorg het grootste ei voor zichzelf bij het ontbijt, want zij moet aansterken... Ze overleefde haar moegewerkte man dik, ze werd 94.


De angst bij opa Spruit om later oud en armoedig achter te blijven is groot, er was in die tijd (1920) nog geen pensioenvoorziening, voor de oude dag. Daar moest flink voor gespaard worden en dat betekende heel hard werken.
Later namen zijn zonen Jan en Bram het rietdekken over, ondanks het zware werk, was het hun lust en leven. Tot grote teleurstelling van vader Jan zal niemand hem opvolgen. Zijn kinderen kunnen goed leren en de onderwijzers kwamen vertellen dat het zonde zou wezen als ze niet verder leerden...

De verhalen over opa Spruit zijn door zijn zoon Jan vertelt en Rinus vertelt op zijn beurt weer over zijn vader en de ziekelijke opoe die later bij hun inwoonde. Rinus vond opoe wel leuk, zat graag bij haar. Ook vertelt hij met lichte weemoed over het mooie rietdekkersvak wat hij diep in zijn hart best wel had willen leren..


In het boekje staan prachtige Zeeuwse woorden en uitdrukkingen, zoals 'Bram heeft vliegende kennissen'. - Bram was de broer van Jan en hij had altijd rare ideeën volgens opa. -
Rinus vertelt, in korte hoofdstukken, met verfijnde humor en liefdevol inzicht over zijn vader. Rinus weet dat  Jan het erg vond dat geen van zijn kinderen hem opvolgde in het bedrijf maar vader wist zich er telkens weer overheen te zetten. Vol liefde vertelt hij over de man die langzamerhand oud wordt en zijn geliefde beroep niet meer kan uitoefenen, en volgt hem tot aan zijn sterfbed toe. Het boekje is een mooi monument voor grootvader en vader Spruit en levert tevens een prachtig tijdsbeeld op.
Veel meer moet ik er niet over vertellen, het is een verhaal waar je zelf van moet genieten, een verhaal dat je gewoon moet lezen. Mooi!


ISBN 9789059362604 Paperback 143 pagina's Uitgeverij Cossee juni 2009

Dettie, 25 januari 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER