Non-fictie

Simon Sebag Montefiore

http://www.simonsebagmontefiore.com

 

Catharina de Grote & Potjomkin
Een keizerlijke liefdesrelatie en de opmars van het Russische rijk
Simon Sebag Montefiore


Catharina de Grote heerste (als Duitse) over Rusland van 1762 tot 1796. Haar generaal, medeheerser en minnaar Potjomkin/Serenissimus veroverde Oekraïne en de Krim, waardoor Rusland toegang kreeg tot de Zwarte Zee. Hij stichtte in het zuiden ook een aantal steden, die nu in Oekraïne liggen (of sinds de aanhechting van de Krim weer in Rusland (n.v.j.a.).
Beide geniale toppers kregen meer aandacht om hun liefdesleven dan om hun politieke en culturele prestaties.
Ook voor dit boek heeft Montefiore vele archieven en steden bezocht in verschillende landen.


Grigori Potjomkin werd in 1739 geboren in Tsjizjova, nabij Smolensk, op 350 km van Moskou en 900 van Sint-Petersburg (SPB). Zijn familie bezat een bescheiden landgoed met 430 lijfeigenen (p. 37). Rusland had toen 8 miljoen lijfeigenen op een bevolking van 19 miljoen of 42% (p. 46). Na de dood van zijn vader trok het gezin naar Moskou, waar Potjomkin de hoogste cijfers haalde op school (p. 50). Op zijn elfde nam hij al dienst in het leger, op zijn zestiende ging hij naar de universiteit, waar hij weer schitterde. Sjoevalov, adviseur en minnaar van keizerin Elisabeth (1741-1761), haalde hem naar Sint-Petersburg en stelde hem voor aan de tsarina. Maar in 1760 werd hij van de universiteit verwijderd. Hij ging in het leger en werd bewaker van het keizerlijk paleis.


Aan het hof woonde sinds haar veertiende ook Sophia von Anhalt-Zerbst, een Duitse uit Stettin (1729-1796). Toen ze in 1744 (op haar vijftiende ) door de tsarina uitgekozen werd om te trouwen met opvolger Peter, liet ze zich orthodox dopen tot Jekatarina. In 1745 trouwden ze. Peter bleek totaal onbekwaam als echtgenoot en als vorst.
In 1754 beviel Catharina van een troonopvolger, Paul, van wie de vader ook hoveling Saltykov kon zijn. In 1757 beviel ze van Anna; de vader was Poniatowski (p. 65). In 1762 kreeg ze een zoontje Aleksej; de vader was Grigori Orlov, lid van de militaire garde. In dat jaar pleegde ze haar staatsgreep en werd ze tsarina. Peter moest troonsafstand doen en werd daarna gewurgd. Orlov speelde er een rol in, Potjomkin niet.
In september 1762 werd Catharina in Moskou gekroond tot tsarina: zij zette zelf de kroon op haar hoofd (p. 86-88).


In 1768 verklaarde het Ottomaanse rijk de oorlog aan Rusland. Generaal Potjomkin werd de held: hij hield de 12.000 Tataarse ruiters tegen. En op zee leden de Turken in 1770 hun grootste nederlaag sinds Lepanto (1571, p. 128).
Vanaf 1772/1773 werd Catharina verliefd op Potjomkin en omgekeerd (p. 87-90 en p. 133). Maar haar minnaar Orlov takelde hem zo toe dat hij blind werd aan zijn linkeroog (p. 111). Vanaf februari 1774 deelden ze het bed (p. 150-152). Hun liefdesbrieven schreven ze in het Frans en in het Russisch.
Geleidelijk kreeg Potjomkin zijn plaats in de regering.  In juni 1774 trouwden Catharina en Potjomkin in het geheim in de Sint-Sampsonievskikathedraal in SPB (p. 192-193), die onlangs nog overdreven gerestaureerd werd. Er bestaan meerdere versies over dit huwelijk. Hun relatie hield stand, hoewel beiden ook met anderen het bed deelden. Catharina had minstens 12 minnaars (p. 227).

Potjomkin speelde vooral een politieke en militaire rol in het zuiden, in de strijd tegen de Ottomanen. Hij stichtte er steden, annexeerde de Krim (1783), bouwde de Zwarte Zeevloot uit zoals zijn voorbeeld Peter de Grote de Oostzeevloot uitgebouwd had.
De ‘Potjomkindorpen’ blijken een leugen te zijn van een jaloerse westerling, die nooit in het zuiden is geweest: Georg von Helbig, een verbitterde gezant uit Saksen. Hij verzon rond 1790 de term “Potemkinsche Dörfer”. De dorpen, die tijdens de tocht over de Dnjepr te zien waren, waren volgens hem beschilderde houten panelen, die telkens verplaatst werden (p. 504-508).


Potjomkin bouwde wel degelijk Cherson (nu een havenstad van 330.000 inwoners), Sebastopol (de haven van de Zwarte Zeevloot met 380.000 inwoners), Simferopol (de hoofdstad van de Krim met 363.000 inwoners), Jekaterinoslav (Dnjepropetrovsk of Dnipro, ‘de stad van Brezjnev’ met 1,2 miljoen inwoners) en Odessa (1 miljoen) (p. 355-367). Honderdduizenden mensen werden aangelokt om die nieuwe steden te bevolken: Albanezen, Grieken, Armeniërs, Corsicanen, Joden, Britten. Hij liet ook wijngaarden aanleggen, zijde produceren, schepen bouwen en stond aan het hoofd van een industrieel imperium met glas-, steen- en andere fabrieken. Hij heerste als een keizer over het zuiden. Nooit gaf een tsaar zoveel macht aan een wederhelft (p. 356-357).


In 1787 ging Catharina eindelijk het zuiden bezoeken. Dat gebeurde in de ijzige kou, met 14 koetsen, 124 sleeën en 560 paarden. Iedereen was gekleed in berenvachten. Onder weg ontmoette Catharina ook nog keizer Jozef II, die samen met haar Cherson, Sebastopol en de Krim bezocht (p. 438-496).
Zij bewonderden de prestaties van Potjomkin en … 200 amazones: mooie Albanese meisjes (p. 499).


In 1789 werd Catharina nog een laatste keer verliefd, nu op de 40 jaar jongere Platon Zoebov (p. 562-564). Potjomkin was toen in het zuiden, waar hij de ene na de andere overwinning behaalde op de Turken. Zijn laatste paleis was in Iasi, toen Moldavië, nu Oost-Roemenië. In december 1790 werd Izamajil door zijn medewerker Soevoerov veroverd op de Turken: alle 4.000 Turkse soldaten werden gedood.


In maart 1791 was Potjomkin op het toppunt van zijn macht. Hij reisde naar SPB om er gevierd te worden. In juli 1791 vertrok hij weer naar Iasi: dit was zijn laatste rit. Hij werd ziek na jaren van nerveuze spanning, seksuele uitspattingen, te hard werken en afmattende tochten. Bovendien woedde er een koortsepidemie in het zuiden. Hij kreeg koorts, die verdween niet meer. Hij weigerde kinine en at te veel, in het besef dat hij toch ging sterven. Hij weende bitter omdat hij Catharina niet meer zou zien. Hij stierf op 5 oktober 1791, slechts 52 jaar oud, net zoals Peter de Grote in 1725. De doodsoorzaak was waarschijnlijk een longontsteking.


Pas zeven dagen later bereikte het nieuws SPB. De keizerin viel flauw. Geen enkel koppel uit de geschiedenis behaalde zoveel politieke successen als Potjomkin en Catharina (p. 648 – 649). Hij werd (aanvankelijk) begraven in Iasi. Vijf jaar later, op 6 november 1796, kreeg Catharina een beroerte. Zij was zo zwaar dat vijf mannen haar niet op een bed konden leggen.


Haar opvolger Paul I wreekte zich op Potjomkin door van zijn Taurisch Paleis een kazerne te maken en van de Wintertuin een paardenstal en door zijn bibliotheek te verbannen naar Kazan, het enige voorbeeld van bibliografische wraak in de geschiedenis (p. 654). De auteur vergeet dan de verschrikkelijke brandstichting van de KU Leuven-bibliotheek in 1914 door de Duitsers. Nadien werd Paul zelf vermoord.


In 1905 werd de revolutie ingeluid in Odessa met de muiterij op de Pantserkruiser Potjomkin. De ‘Richelieutrappen’ kregen de naam ‘Potjomkintrappen’ (p. 657). Zijn Taurisch Paleis werd op 6 januari 1918 de geboorte- en de begraafplaats van de Russische democratie: de Grondwetgevende Vergadering kwam er bijeen, zowel voor de eerste als voor de laatste keer, want de Rode Gardisten jaagden alle volksvertegenwoordigers eruit. Pas in 1991 had Rusland weer een democratisch parlement (p. 657).


De Sint-Katharinakerk in Cherson werd door de bolsjewieken omgevormd tot ‘Antireligieus Museum Cherson’. In 1930 lagen daar de schedel, de beenderen en wat kleren van Potjomkin. Ze werden in een nieuwe kist gestopt en zo werd Potjomkin  een tweede keer begraven. En in 1986 werd hij na een forensisch onderzoek een derde keer begraven. De kerk is nu in ere hersteld en zit weer vol met gelovigen. Een witte grafsteen vermeldt de prestaties van Potjomkin (p. 660).


Het Russische rijk is inmiddels uit elkaar gevallen en de meeste veroveringen van Potjomkin en de steden die hij stichtte, zijn niet meer Russisch maar Oekraïens. Zijn ingewanden bevinden zich in Roemenië, zijn beenderen in Oekraïne en zijn hart wellicht in Rusland (p. 662).


Beoordeling

Montefiore heeft na uitvoerig onderzoek weer een knap boek geschreven, met veel kennis van zaken. En hij heeft ook de moeite gedaan om ongeveer alle genoemde plaatsen zelf te bezoeken.


De grote verdienste is dat hij aantoont dat Potjomkin niet enkel een minnaar was van vele vrouwen (en vice versa), maar dat hij bijzonder veel politieke, militaire en culturele talenten had, iets wat zelfs zijn tegenstanders Joseph de Ligne en Alexandre De Langeron nadien toegaven (p. 648-652). En Poesjkin zei in 1824: aan hem hebben we de Zwarte Zee te danken (p. 650).


We vernemen ook veel over de toenmalige Europese politiek en oorlogen en we lezen terloops dat het Ottomaanse rijk ten onrechte beschouwd werd als Turks: vaak was enkel de sultan een Turk, de dagelijkse bestuurders van Slavische afkomst, hun lijfwachten 500 Albanezen, hun harem vooral Slavische meisjes en vrouwen, afkomstig van slavenmarkten op de Krim. En tot 1700 was het Servo-Kroatisch een belangrijke taal aan het hof (p. 291-294).


Het boek is te gedetailleerd en wat langdradig in het begin, maar des te spannender en meeslepend op het einde. Er staan vrij veel drukfoutjes in. Ik noem er eentje: de Poolse deling was niet in 1722 (p. 669), maar in 1772, 1793 en 1795.


Op p. 14 beweert de auteur dat Stalin vlak voor zijn dood besloot om de Krim aan de Oekraïense Socialistische Sovjetrepubliek te schenken. Dat lijkt ongeloofwaardig, want Stalin toonde zelden spijt over zijn fouten. Chroesjtsjov bracht in 1953 een bezoek aan de Krim en was geschokt door de miserabele toestand daar na de deportatie door Stalin van de Tataren in 1944. Hij gaf het eiland aan Oekraïne in 1954 in de context van de revisie van Stalins beleid. Dit werd in 2014 ongedaan gemaakt door Poetin. In de Sovjettijd sprak niemand daarover: het was een technisch detail uit de woelige jaren 50.

De voetnoten zijn weergegeven door nummertjes in de tekst, maar ze zijn weggelaten in de Nederlandse vertaling: we moeten ze zelf zoeken op de site van de auteur (http://simonsebagmontefiore.com). Er is wel een uitgebreide literatuurlijst (p. 677-706) en een degelijk register (p. 707-720). Heel dikwijls moeten we zelf het jaartal zoeken bij de vele data. Maar voor de rest biedt het boek zeer veel kwaliteit.


ISBN 978-90-003-6856-3 | Paperback | 720 pagina's | Uitgeverij Spectrum, Amsterdam/Lannoo, Tielt, oktober 2021
met foto’s, personenlijst, kaarten, stambomen, literatuur, register | vertaald door Jeske Nelissen

© Jef Abbeel, 4 januari 2022 www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Stalin: De jeugdjaren
Simon Sebag Montefiore


Over Stalin bestaan al genoeg degelijke biografieën, o.a. van Robert Conquest, Robert Service en Oleg Chlevnjoek. Maar die gaan niet specifiek over zijn jeugdjaren (1878-1917). Daar is weinig over gepubliceerd, omdat er lange tijd beperkt materiaal beschikbaar was. Er zijn slechts drie serieuze boeken over: van Robert Tucker, Edward Ellis Smith en Aleksandr Ostrovski. Sinds de openstelling van de archieven van Georgië, van andere Kaukasus-landen en van de vroegere Sovjet-Unie, is er veel informatie beschikbaar.


Dit boek is het resultaat van 10 jaar onderzoek in archieven van 23 steden en 9 landen plus van vele interviews met getuigen of kinderen van getuigen.


In zijn vorig boek (‘Stalin. Het hof van de rode tsaar’, 2004) besprak Montefiore(°1965) de periode waarin Stalin aan de macht was (1917/1924-1953). Het kreeg verschillende prijzen, evenals dit boek.


Het begint met een spannende proloog: Stalins eerste bomaanslag op een geldkoets in Tiflis/Tbilisi in 1907. Er vielen 40 doden en vele gewonden. Het was het begin van een lange reeks dodelijke overvallen op koetsen en schepen.


Dan komt de trouw van zijn ouders in 1872. Zijn (vermoedelijke) vader had een bloeiend schoenenatelier, maar dronk zich arm, werd gewelddadig en liet zijn vrouw en zoon in de miserie achter. Dank zij een priester kon Stalin, toen nog Jozef Dzjoegasjvili, studeren. Hij was de beste leerling. Op zijn zestiende ging hij in 1894 naar het seminarie van Tiflis, waar 600 toekomstige priesters opgeleid werden. Hij was er intern. Aanvankelijk waren zijn cijfers goed, maar vanaf 1896 werden ze steeds slechter. Dertien keer werd hij betrapt op het lezen van verboden boeken en in 1898 werd hij lid van de RSDAP: de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, de latere bolsjewieken. In mei 1899 werd de rebel weggestuurd.


Hij werkte in 1901 drie maanden als weerman en organiseerde stakingen. Daarna werkte hij nooit meer en leefde hij op kosten van anderen (p. 107). In 1902 liet hij de olieraffinaderij van de Frans-Joodse Rothschilds in brand steken en fabrieksdirecteuren doodschieten. Hij belandde in de gevangenis. In 1903 werd hij een eerste keer verbannen naar Siberië. Tussen 1881 en 1904 werden op 23 jaar slechts 11.879 mensen verbannen naar Siberië. Tussen 1906 en 1909 waren dat er 32.000, van wie er 18.000 ontsnapten. Tijdens Stalin waren ze met 28 miljoen, van wie miljoenen omkwamen in de goelag of door te zware dwangarbeid.


Tijdens de tsaren kwamen ze terecht in gastgezinnen en kregen ze zakgeld. Stalin kon er lezen, vissen en jagen. De ballingen sliepen vaak in dezelfde kamer als de lokale meisjes, bij wie Stalin altijd succes had. Lenin reisde zelfs in eerste klas naar Siberië, las er 250 kilo boeken en had er een meid in dienst. Trotski zei dat hij er leefde zoals de goden op de Olympus (p.137). Lenin was van adel en leefde van de inkomsten van zijn landgoederen. Zijn Joodse afkomst bleef in Rusland  geheim tot in de jaren ’90 (p. 170-171).


In januari 1904 ontsnapte Stalin al uit Siberië. Bloedige Zondag (9 januari 1905) maakte hij mee van op afstand. In februari van dat jaar werden velen vermoord: Armeniërs door Azeri’s en daarna omgekeerd: er lagen minstens 2.000 doden in Bakoe, waar Stalin toen was en rijke Armeniërs afperste. En in Odessa vonden dodelijke pogroms op Joden plaats. Bovendien werden 3.600 ambtenaren gedood of verwond. Tegelijk moest de tsaar een vernederende vrede tekenen met Japan, dat zijn leger en vloot vernietigd had (p. 163).
Op 17 oktober 1905 stemde hij in met een grondwet, een parlement en vrije pers (p. 166).


Op 25 december 1905 ontmoette Stalin voor het eerst Lenin in Tampere (Finland). Op die plaats is nu het Leninmuseum gevestigd, dat zich op zijn site ‘The Birthplace of the Soviet Union’ noemt. In april 1906 ontmoette hij Lenin opnieuw op een congres in Stockholm en voor het eerst Feliks Dzerzjinski, ook ex-seminarist en later hoofd van de gevreesde Tsjeka (Geheime Dienst). Verder ook collega’s die hij in 1936-38 genadeloos liquideerde: Rykov en de Joden Zinovjev en Kamenev (p. 183).


Op 15-16 juli 1906 trouwde Stalin met Kato Svanidze. Dat was kerkelijk, op vraag van Kato. Negen maanden later werd Jakov geboren. In mei 1907 leerde Stalin zijn concurrent Trotski kennen in Londen.


Het revolutionaire klimaat bleef toenemen: in 1905 waren er 86.000 politieke gevangenen, in 1909 het dubbele: 170.000 (p. 205). In 1907 week Stalin uit naar Bakoe, de oliestad van de families Nobel en Rotschild. Bakoe produceerde toen de helft van de wereldolie en de Nobelprijzen werden betaald met oliewinst. Maar de 48.000 arbeiders hadden een levensverwachting van 30 jaar (p. 213-216).


In november 1907 stierf Kato op amper 22 jaar, wellicht aan tyfus. Ze was net als haar zoontje door Stalin verwaarloosd, zoals ook Trotski zijn vrouw en zijn twee dochters verwaarloosde. In 1932, bij de zelfmoord van zijn tweede vrouw (Nadja), zei Stalin dat hij ook haar had verwaarloosd. Zijn zoontje Jakov dumpte hij bij de moeder van Kato.


In 1908 reisde hij naar Zwitserland om Lenin te bezoeken. Die had geregeld geld nodig en Stalin bezorgde hem dat door overvallen, ontvoeringen en door afpersing van de Rotschilds en andere kapitalisten. In 1920 verloren die alles: het Rode Leger veroverde Bakoe en onteigende de oliebronnen. De slag om Stalingrad (23 augustus 1942-2 februari 1943) ging trouwens om Bakoe: Hitler had olie nodig (p. 215-227).


In 1909 werd Stalin nog eens naar Siberië verbannen. Hij had er altijd succes bij de meisjes en vrouwen en hij wist weer snel te ontsnappen. Tussen 1908 en 1917 was hij maar anderhalf jaar vrij (p. 235-241).


De auteur suggereert geregeld dat Stalin contacten had bij de tsaristische geheime politie, mogelijk een tsaristisch agent was, maar hij zegt tegelijk dat er geen bewijzen zijn. Hij gebruikte de politiemannen wel om zelf inlichtingen te krijgen (p. 241-249).


In september 1911 werd Stolypin, de laatste grote staatsman van Rusland, vermoord in de schouwburg van Kiev, in aanwezigheid van de tsaar. Stalin ontsnapte in september 1911 weer uit zijn ballingschap, maar werd kort daarop weer opgepakt en veroordeeld tot drie jaar Vologda. Na alweer een ontsnapping, werd hij in juli 1912 verbannen naar Narym, waar hij na 38 dagen alweer ontsnapte (p. 262-278).


In januari 1913 verbleef hij in Wenen, waar hij zijn belangrijkste werk schreef: “Marxisme en het nationaliteitenvraagstuk”. Op dat moment woonde Hitler ook in Wenen, maar de twee hebben elkaar nooit ontmoet, ook niet in augustus 1939.


In februari 1913 mocht Stalin nog eens naar Siberië, nu naar het ijskoude Toeroechansk, aan de Jenesei. Deze verbanning duurde vier jaar, veel langer dus dan de vorige vijf samen. In het dorp Koerejka stonden 8 hutten en woonden slechts 67 mensen. Hier maakte hij in 1914 op zijn 36ste een 13-jarig meisje, Lidia Pereprygina, zwanger. In december 1914 beviel ze, maar de baby stierf kort daarna. In 1916 werd ze opnieuw zwanger van Stalin en in 1917 kreeg ze een zoontje, Aleksander. De onwettige kinderen van Stalin moesten in de jaren 30 bij de geheime dienst ondertekenen dat ze altijd zouden zwijgen over hun afkomst (p. 320-329).


In februari 1917 brak de revolutie los in Petrograd. Op 1 maart  werd er een Voorlopige Regering gevormd en tegelijk een sovjet die even machtig was. Op 2 maart deed Nicolaas II troonsafstand. Kerenski, minister van justitie, liet de bannelingen terugkeren en de gevangenen vrij. Op 12 maart arriveerde Stalin in Petrograd als een vrij man (p. 331-332). In heel Rusland waren er toen geen 25.000 bolsjewieken (p. 336). In april kwamen Lenin en co aan in hun trein, in mei Trotski (p. 341-344). In de zomer van 1917 werd de 16-jarige Nadja Alliloejeva verliefd op de 39-jarige Stalin, die bij de familie inwoonde (p. 356-357).


Op 25 oktober pleegden de bolsjewieken hun staatsgreep. Kerenski kon ontsnappen in een auto van de Amerikaanse ambassade. De deuren van het Winterpaleis waren niet eens op slot toen de revolutionairen er op 26 oktober om 2 u ’s nachts binnendrongen. De ministers gaven zich over en werden afgevoerd naar de Petrus- en Paulus-vesting. Een bestorming heeft nooit plaatsgevonden, behalve in de film van Eisenstein (p. 372-374).


De nieuwe meesters begonnen meteen van alles te plunderen in het Winterpaleis, vooral de wijnkelders van de tsaar en de meisjes van het vrouwenpeloton werden verkracht. De coup was een lachertje, de repressie die volgde niet: op 27 oktober maakte Lenin een einde aan de vrije pers, op 2 november stelde hij de dictatuur in over het proletariaat, op 7 december richtte hij de gevreesde Tsjeka op. Dan volgden de vuurpelotons. Lenin gaf de bevelen tot schieten, Stalin voerde ze uit.
De auteur vermeldt niet dat Lenin bij de enige vrije verkiezingen slechts 25% haalde, maar toch alle macht greep. De eerstvolgende verkiezingen vonden pas in 1989 plaats!


In de epiloog mijmert Montefiore over de familie van Stalin, over de zelfmoord van Nadja, over familieleden en trouwe medewerkers die door Stalin uitgemoord werden tijdens zijn terreur of in 1941 bij de Duitse inval. Hij herhaalt nog eens dat Stalin minstens twee buitenechtelijke kinderen had: Konstantin Koezakov en Aleksandr Davydov (p. 388-392).
En hij stelt Stalin verantwoordelijk voor de dood van 20 miljoen mensen, van wie 1,5 miljoen tijdens de Grote Terreur van 1937-1938 (p. 402).


Beoordeling

Montefiore heeft opnieuw een indrukwekkend boek geschreven, met kennis van zaken en veel archiefonderzoek. Hij kent zowel de Russische als de Georgische en de Joodse geschiedenis, cultuur, gewoontes en gerechten. Geregeld vermeldt hij dat bepaalde informatie hier voor het eerst gepubliceerd wordt. Het register is enorm uitgebreid en zeer volledig. Het bevat ook de begrippen en namen die enkel in de voetnoten voorkomen. Het valt me op dat er voor die tijd al zoveel foto’s van Stalin waren en ook dat zoveel meisjes en vrouwen verliefd werden op een man die arm was, pover gekleed, een beetje mank liep en meer in de gevangenis vertoefde dan thuis.


Enkele detail-opmerkingen: dikwijls staat er een datum zonder jaartal: dat moet je dus zelf aanvullen. De vele Russische woorden staan niet in het Cyrillisch schrift: ook dat mag de lezer zelf doen. Het boek bevat veel details die er weinig toe doen en citaten die door de auteur verzonnen zijn. Wellicht is dat om het meer leesbaar te maken.


Wellicht had de auteur wat meer aandacht mogen schenken aan de psychologische ontwikkeling van Stalin: de klappen die hij thuis kreeg van zijn vader, de druk van zijn moeder om priester te worden, de druk die er op het seminarie was, waar de Georgische taal streng verboden was,  kortom: de evolutie van verdrukte tot verdrukker. En zijn overgang van seminarist naar  communistische leider.


De stamboom op p. 7 dateert van 2007 en verschillende ‘nog levenden’ zijn inmiddels overleden, o.a. Joeri Zjdanov (1918-2006) en Jozef Morozov (1945-2008).


Soms staat er een drukfout: Prem op p. 9 moet Perm zijn; 34 op p. 310 moet 36 zijn (leeftijd van Stalin in 1914); nihilistisch op p. 108 moet nihilist zijn; Lenin was 8 jaar ouder dan Stalin, geen ‘30’ (p. 21); Stalins vader overleed in 1910: hij was toen 60, geen ‘55’ (p. 243). Bij de biografen (p. 21) ontbreekt Oleg Chlevnjoek, maar hij staat wel in het dankwoord (p. 405); op de kaartjes ontbreken wel wat plaatsnamen: de lezer houdt er best een atlas van Rusland bij.


In verhouding tot zijn omvang en kwaliteit is dit boek een koopje.

ISBN 978-90 003-7326-0 | Paperback | 528 pagina's incl stamboom, kaarten, foto’s, noten, register | Uitgeverij Spectrum, Amsterdam /Lannoo, Tielt, juli 2021

© Jef Abbeel, 22 december 2021 www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Stalins jeugdjaren
Van Rebel tot Rode Tsaar


In Stalins jeugdjaren wordt zijn leven beschreven vanaf zijn geboorte 18 december 1878 tot aan de oktoberrevolutie in 1917, en beslaat dus de eerste negenendertig jaar van zijn leven. Wel iets langer dan alleen zijn jeugdjaren, lijkt mij.


Zijn jeugd wordt in negatieve zin gedomineerd door zijn vader die, aanvankelijk eigenaar van een goedlopend schoenmakersbedrijf, stevig aan de drank verslaafd raakt, nadat zijn eerste twee kinderen kort na hun geboorte overlijden. Als kind is Stalin als de dood voor zijn vader die hem onder invloed van de alcohol veelvuldig en hardhandig slaat, ook zijn moeder schijnt niet zachtzinnig met hem te zijn omgegaan. Het huwelijk loopt op de klippen en Stalin wordt alleen door zijn moeder opgevoed, al probeert zijn vader nog steeds invloed op hem uit te oefenen.


Stalin was een ijverige en goede leerling, en zijn moeder wil dat hij verder gaat studeren voor priester. Zijn vader probeert dit te voorkomen en wil dat hij bij hem het schoenmakersvak gaat leren. Uiteindelijk belandt Stalin, die door vrienden van zijn moeder financieel wordt bijgestaan, voor vijf jaar in het seminarium van Tbilisi in Georgië, zo’n 60 kilometer ten zuidoosten van zijn geboorteplaats Gori.


Aanvankelijk behoort Stalin tot de betere leerlingen, maar na verloop van tijd worden zijn studieprestaties minder en begint hij zich meer en meer te verzetten tegen het strenge regime dat er heerst. Hij begint allerlei verboden boeken te lezen ( o.a. Darwin en Victor Hugo) en het geloof belachelijk te maken. Door deze activiteiten raakt hij veelvuldig in de clinch met de leiding en na vijf jaar wordt hij, tot groot verdriet van zijn moeder, van het seminarium verwijderd.
Na deze periode ontpopt Stalin, aanhanger van de bolsjewistische beweging, zich als een reactionaire tegenstander van het tsaristische regime. Deze beweging organiseert onder talloze schuilnamen vele aanslagen, roofovervallen en afpersingen. De naam Stalin neemt hij pas veel later aan, zoals alle kopstukken van het Sovjet regime.


Om zijn doelen te bereiken omringt Stalin zich met keiharde criminelen die zijn ideeën uitvoeren. Het geld, waar het bij de gewelddadige acties om gaat, wordt o.a. doorgesluist naar Lenin en gebruikt voor illegale propaganda, waar Stalin vele stukken voor schrijft.
Ondertussen trouwt hij en krijgt een zoon. Stalin is echter altijd overal en nergens, zodat er van een gezinsleven geen sprake is, en als zijn vrouw, die ernstig ziek is, op jonge leeftijd sterft verkeert hij ook elders. Na deze gebeurtenis volgt een rouwperiode van een half jaar, maar naar zijn zoon zal hij nooit meer omkijken, die laat hij over aan de zorgen van de familie van zijn vrouw. Stalin zal in zijn leven meerdere relaties aangaan met vrouwen waaruit kinderen worden geboren, die hij net zo makkelijk achter zich laat.


Stalin wordt meerdere malen door de politie opgepakt en verbannen, maar hij weet telkens te ontsnappen, wat hem de verdenking oplevert een spion van de Ochrana, de geheime politie van het late Russische Rijk, te zijn. Hier is echter nooit overtuigend bewijs voor geleverd.
Na zijn laatste ballingschap van vier jaar in Siberië en het aftreden van tsaar Nicolaas II arriveert Stalin in Sint-Petersburg en sluit zich aan bij Lenin, waarmee hij de oktoberrevolutie beleeft. Stalin wordt benoemd tot volkscommissaris van Nationaliteiten en zal uiteindelijk als secretaris-generaal tot zijn dood in 1954 zijn gruwelbewind, met zijn vele miljoenen slachtoffers, uitoefenen.


Het boek geeft een uitstekend gedocumenteerde beschrijving van de eerste negenendertig jaar van Stalin’s leven. Een minpunt vind ik dat er weinig beschrijvingen zijn van Stalins politieke denkbeelden. Was hij uitsluitend een opportunist, voor persoonlijke doeleinden? Als dat zo is, komt dat naar mijn gevoel te weinig naar voren. Inzicht hoe Stalin heeft kunnen uitgroeien tot zo’n monsterlijk persoon heb ik niet gekregen. Dat lijkt mij eerlijk gezegd ook onmogelijk. Waarschijnlijk is het zo dat zulke personen altijd en overal de macht kunnen grijpen als de gelegenheid zich voordoet.


ISBN 978 90 468 0239 7 | Paperback met flappen | 368 blz. | co-uitgever Standaard Uitgeverij | uitg. Nieuw Amsterdam mei 2007
oorspronkelijke titel The Young Stalin, vertaling Hans E. van Riemsdijk

© Cavendish, mei 2007

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik hier!

 

Geschreven geschiedenis
Brieven die de wereld hebben veranderd
Simon Sebag Montefiore


Dit boek biedt een uiterst gevarieerd overzicht van bijzondere brieven uit de wereldgeschiedenis, van 3000 voor Christus tot heden. ‘Het zijn brieven die op de een of andere manier een verandering teweeg hebben gebracht – in tijden van oorlog en vrede, in kunst en cultuur’, pag. 13.


De vele brieven zijn ingedeeld in allerlei genres, al blijft dat natuurlijk enigszins discutabel omdat een brief vaak meer dimensies in zich heeft en in meer dan één genre zou passen. Dat is echter niet het belangrijkste. De rubrieken geven een goede indruk van wat de lezer in dit boek zal tegenkomen: liefde, familie, scheppingskracht, ontdekking, toerisme, oorlog, bloed, vernietiging, rampspoed, vriendschap, gekte, fatsoen, bevrijding, noodlot, macht, ondergang, vaarwel. Het is een brede staalkaart van ons menselijk leven.


De inleiding vertelt iets over de verschillende schrijftechnieken die in de loop van de geschiedenis zijn toegepast. - Brieven zijn in woorden van Goethe ‘de kortstondige adem van het leven’. - Ook worden de genres kort belicht in de inleiding zodat de lezer alvast een indruk krijgt en nieuwsgierig wordt naar wat er komt. Elke brief is voorzien van een historische inleiding zodat de achtergrond, waaruit de brief is ontstaan, duidelijk wordt.


Enkele brieven die mij opvielen:


Jacques Brel schreef in 1958 een innige liefdesbrief aan zijn vrouw Miche. Datzelfde deed ook Napoleon.
Bijzonder is in de rubriek ‘liefde’ de brief uit 1944 van een vrouw in een concentratiekamp aan haar man die in een ander kamp gevangen zit.


Opvallend zijn verschillende brieven van Willem van Oranje aan zijn broers en aan zijn moeder. Er zijn overigens veel bekende personen van wie een brief is opgenomen: o.a. Stalin, keizer Augustus en farao Ramses de Grote komen we tegen.


Michelangelo beklaagt zich in een brief uit 1509 over zijn werkzaamheden in de Sixtijnse kapel en beschrijft in plastische taal hoe uitputtend het is om de fresco-schilderingen aan te brengen.


Van Mozart is een liefdesbrief opgenomen die nogal ordinair van taal is. Hij is gericht aan zijn nicht Marianne en de beschrijving van Mozarts seksuele activiteiten is eigenlijk van een laag niveau. Je krijgt zo een heel andere kijk op zijn elegante muziek!


Wilbur Wright schreef in 1899 over zijn droom om te kunnen vliegen en dat zou drie jaar later ook het geval zijn.
Columbus uit zich in 1493 lyrisch over zijn gemaakte ontdekkingsreizen en hetgeen hij elders in de wereld heeft gezien. Het enthousiasme spat er vanaf. Hij eindigt zijn brief met deze woorden: ‘En laten we ons verheugen, niet alleen over de gelukzaligheid van ons geloof maar ook over de toename van onze wereldse bezittingen, waarvan niet alleen Spanje maar het hele christendom deelgenoot zal zijn. Zoals dit allemaal is volbracht is het hier beknopt verteld. Vaarwel’, pag. 116 – 117.


Actueel in onze tijd, waarin we de bevrijding van de Tweede Oorlog herdenken, zijn de brieven van generaal Eisenhower op 5 juni 1944 aan de manschappen van D-day. De ene brief is een aanmoediging voor de strijd, de andere brief was geschreven voor het geval dat de landing niet zou slagen.


Opvallend is de in stevige taal geschreven brief van Tito aan Stalin in 1948 waarin hij duidelijk maakt dat er met hem niet te spotten valt: ‘Houd op met het sturen van mensen om mij te vermoorden! We hebben er al vijf gepakt, een van hen met een bom en een andere met een geweer…. Als jij niet ophoudt met het sturen van moordenaars, zal ik een heel snel werkende naar Moskou sturen, en wees ervan overtuigd, dat hoef ik maar één keer te doen’, pag. 144.


De brief van de Duitse rijkskanselier aan de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken uit 1914 is historisch interessant omdat deze het begin van de Eerste Wereldoorlog inluidt.


President Truman van de VS blikt in 1963 terug op het gebruik van de atoombom op Hiroshima en Nagasaki. Hij staat nog steeds helemaal achter zijn toenmalige beslissing in 1945 en zag dit als enige uitweg om snel de oorlog te beëindigen.


Verder zijn er brieven van Roosevelt aan Churchill in 1939 en van Hitler aan Mussolini daterend uit 1941.


Gandhi schreef in 1940 een brief aan Hitler waarin hij een vriendelijk maar dringend appèl op hem doet. Tevergeefs zoals uit de jaren daarin is gebleken….


Aangrijpend is de brief van Jackie Kennedy aan Chroesjtsjov op 1 december 1963, een week na de moord op haar man John. Zij uit hierin op keurige maar krachtige wijze de zorg van John Kennedy om de wereldvrede en hoopt dat de Russische leider dezelfde intentie heeft.


Verder is er een brief van Aletta Jacobs, de voorvechter van het vrouwenkiesrecht, uit 1929 en van Rosa Parks, de Amerikaanse vrouw die ‘niet opstond’ zoals het boek van Martin Luther King heet.


Mooi is de brief van Chroesjtsjov aan John F. Kennedy uit 1962 waarin de Cuba-crisis tot een einde komt. ‘Laten we daarom staatsmannelijke wijsheid aan de dag leggen. Ik stel voor: wij, aan onze kant, zullen verklaren dat onze schepen richting Cuba geen wapens zullen vervoeren, van welke soort ook. U verklaart dat de Verenigde Staten niet Cuba zullen binnenvallen en geen steun zullen verlenen aan machten die een invasie in Cuba van plan zouden kunnen zijn. Dan zou de noodzaak van de aanwezigheid van onze militaire specialisten in Cuba verdwenen zijn’, pag. 250.


Er zijn ook brieven uit onze eigen tijd: die van George Bush aan Bill Clinton uit 1993 en de brief van Trump aan Kim Jong-un uit 2018 in de hem kenmerkende stijl.


Mooi is de brief van Leonard Cohen aan zijn oude liefde Marianne uit 2016, voor wie hij het lied ‘So long Marian’ schreef. De brief bereikte haar nog kort voor haar dood en deed haar goed. De brief heeft een ontroerend slot: ‘Goede reis oude vriendin. Ik zie je aan het einde van de weg. Eindeloos veel liefde en dankbaarheid. Leonard’, pag. 282.


Een prachtige en gevarieerde bundel, al zal niet elke brief elke lezer aanspreken maar dat hoeft ook niet. Dat neemt niet weg dat er genoeg in dit boek valt te beleven dat de moeite waard is.


ISBN 978 90 00 36860 0 | Hardcover | 318 pagina’s | Unieboek Spectrum Utrecht | augustus 2019 |
vertaling: Martine Both

© Evert van der Veen, 17 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER