René van Stipriaan

De Zwijger
Het leven van Willem van Oranje
René van Stipriaan


Wat een lijvig boekwerk is dit geworden! Eerst 700 bladzijden tekst. Daarna 250 bladzijden voor notenapparaat, bibliografie en register. Ondanks de omvang is het een vlot leesbaar en heel boeiend verhaal geworden. Neem hoofdstuk 8 met de titel: Een tweede leven (1572-1576). Hier lezen we hoe Oranje, de eens rijke en machtige edelman die een leven in weelde in Brussel had geleid, in 1572 totaal berooid uitweek naar Holland, een gewest van meren en veengebieden, bewoond door boeren, kooplui en burgers. Daarna volgen kleurrijke beschrijvingen van het beleg van steden als Haarlem, Alkmaar en Leiden. De opstand tegen koning Filips II scheerde permanent langs de afgrond en Oranje had er zijn lot en leven aan verbonden.


De opstand was uitgelopen op een wrede oorlog waarin de bevolking van ingenomen steden compleet werd uitgemoord (Mechelen, Maastricht, Zutphen, Naarden), de boerenbevolking geterroriseerd werd door rondtrekkende huursoldaten, complete oogsten verwoest werden en vruchtbare grond onder water werd gezet. Dit alles met armoede en hongersnood als gevolg. Hoe hielden de mensen het vol, vraagt de lezer zich af.


René van Stipriaan schrijft in de allerlaatste regel van het boek: “Ik heb alleen maar opgeschreven hoe ik denk dat het zit.” Voor elke historicus is het zaak om zich los te maken van het eigen perspectief. Dan kun je inderdaad het beste zo dicht mogelijk bij de feiten blijven en zo min mogelijk je mening daar doorheen vlechten. Zoals een journalist nieuws en commentaar van elkaar gescheiden moet houden. Het gaat Van Stipriaan dus om een feitelijk en objectief verslag zonder de lezer met zijn commentaar voor de voeten te lopen. Daar is hij over het geheel genomen prima in geslaagd.


In het onderstaande gedeelte reageer ik op een aantal opmerkingen van Van Stipriaan. Ik heb steeds naar een pagina in zijn boek verwezen en daar plaats ik vervolgens kanttekeningen bij. Het is geen kritiek, het zijn reflecties op wat Van Stipriaan schrijft.


Verschil van inzicht over religie was de smeerolie in de godsdienstoorlogen in de zestiende eeuw. Voor ons is het nu lastig om daar begrip voor op te brengen. Wij zijn geneigd sympathie te hebben met gematigden als Erasmus en Coornhert. Calvinisten zien we dan al gauw als scherpslijpers. Zo wordt hageprediker Hermannus Moded (ca. 1520-1603) getypeerd als ‘de geslepen volksmenner’ (blz. 283) en Petrus Datheen (1531-1588) gerekend tot de ‘radicalen en militanten’ (blz. 351).


Mannen als Moded en Datheen hadden echter meegemaakt hoe hun vrienden en geloofsgenoten op de brandstapel kwamen of levend begraven werden. Zij groeiden op in een tijd van bloedige vervolging van andersdenkenden.


Moded waagde als hageprediker steeds weer zijn leven. Op zijn hoofd stond een prijs. Bij een arrestatie was hij zeker van de doodstraf. Toch keerde Moded zich tegen de Beeldenstorm uit 1566. G.P. van Itterson noemt hem in het Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme deel 3 ‘onbevreesd’ omdat hij met gevaar voor eigen leven geloofsgenoten bleef opzoeken. Het is een kwestie van perspectief als een auteur kiest voor ‘onbevreesd’ dan wel ‘geslepen volksmenner’ hoewel de feiten hetzelfde zijn.


Petrus Datheen was een vroom monnik in een klooster van de Karmelieten bij Ieper. Toen hij meemaakte dat op last van zijn kerk een jongen van negentien jaar werd verbrand omdat hij protestant was, trad hij uit en werd calvinist. Datheen staat bekend als de man die geen compromissen wilde sluiten (blz. 353). Toch zette hij als voorzitter van de Synode van Dordrecht (1578) zijn handtekening onder een oproep aan de overheid om religievrede voor katholieken en calvinisten in te voeren (blz. 520). Dat een concilie het omgekeerde zou doen, was uitgesloten. Wie is er dan militant en radicaal?


Mannen als Moded en Datheen zagen een rooms-katholieke kerk die Wendelmoet Claesdochter in 1527 op de brandstapel zette met een zakje buskruit op de borst, omdat ze boeken van Luther las. Nog in 1597 werd Anna Utenhove levend begraven in Vilvoorde. Haar misdaad: ze was protestant. Met alleen haar hoofd nog boven de aarde kreeg ze nog één kans om haar geloof te herroepen. Ze weigerde, waarop het graf werd dichtgegooid.
Waar waren toen de gematigde katholieken met wie Oranje wilde samenwerken? En hoe gemakkelijk zouden die katholieken zich weer in de oude situatie voegen als Spanje de strijd zou winnen? Zoals Oranje de Spaanse koning niet meer kon vertrouwen, zo vertrouwden deze calvinisten de Katholieke Kerk niet meer. Dat was hun perspectief.


Vaak wordt de calvinisten verweten dat ze geen haar beter zijn dan hun roomse vervolgers. Naast de Beeldenstorm (1566), gaat het dan al gauw ook over de Gorcumse martelaren (1572) en Michaël Servet (1511-1553).  Laten we ze alle drie even beknopt langslopen.


De Beeldenstorm werd door veel calvinistische leiders, Calvijn voorop, afgekeurd. Aan de Beeldenstorm deden inderdaad calvinisten mee, maar lang niet allemaal, en zoals gebruikelijk zag ook allerlei gespuis zijn kans schoon om zijn slag te slaan. Het vernielen van beelden is vanuit cultureel oogpunt te betreuren, maar is niet te vergelijken met het verbranden van mensen. De QR-code uit onze tijd kun je ook niet op één lijn stellen met de Jodenster in de bezettingsjaren, al doen sommigen dat helaas wel. En zo is het levend verbranden van mensen echt van een andere orde dan het neerhalen van beelden. De Inquisitie was oorzaak, de Beeldenstorm het gevolg.


Dan Michaël Servet, die ‘er alleen maar afwijkende denkbeelden over de Drie-eenheid op nahield. Met medeweten van Calvijn werd de doodstraf opgelegd en voltrokken’ (blz. 522).
Wat zijn de feiten? De rijkswetten in het Habsburgse imperium verplichtten elk stadsbestuur om ketters aan te houden en te berechten. Sinds de dagen van keizer Justinianus (483-565) was het leerstuk van de Drie-eenheid een grondzuil in het staatsrecht en het fundament van de kerk. Dat had alles te maken met de stabiliteit en rust van de openbare orde. Het stadsbestuur van Genève had daarom geen keus en arresteerde Servet die uit vrije wil naar Genève was gegaan omdat hij wist dat op dat moment de positie van Calvijn wankel was. Genève stelde Servet voor de keus: óf terugkeren naar Frankrijk óf de rechtszitting afwachten.


In Frankrijk wachtte Servet een zekere dood, want hij was daar al door de Inquisitie ter dood veroordeeld, maar hij was ontsnapt uit de gevangenis. Dus koos Servet voor het proces in Genève, erop gokkend dat Calvijn ten val zou komen. Omdat het om een kwestie van de kerkelijke leer ging, was het nodig een theoloog te raadplegen. Zoals gezegd was het stadsbestuur op dat moment niet op de hand van Calvijn. Maar ze konden niet om hem heen, want hij was de meest vooraanstaande theoloog in de stad.


In het proces met Servet was Calvijn dus geen officier van justitie, geen aanklager, geen rechter, maar getuige-deskundige. Het proces loopt uit op een veroordeling. Wat moet het vonnis worden? Verbanning of de doodstraf? Na raadpleging van de steden die bondgenoot van Genève zijn (Bern, Zürich, Schaffhausen en Bazel) en hun unanieme besluit wordt het de doodstraf. Gezien deze feiten gaat het wel erg ver om Calvijn als de verantwoordelijke bij uitstek te houden voor de dood van Servet. Met het zinnetje ‘met medeweten van Calvijn’ … enz, miszegt Van Stipriaan niets. Maar de argeloze lezer denkt wel: daar heb je die onverdraagzame Calvijn weer. Met de opmerking in de regel erboven doet Van Stipriaan afbreuk aan de ernst van het vergrijp van Servet. Voor de tijdgenoten raakte zijn opvatting aan majesteitsschennis. De opmerking ‘alleen maar’ is het perspectief dat wij nu hebben.


Tot slot de Gorcumse martelaren. Veel kloosters hadden in die tijd een slechte reputatie omdat de kloosterlingen niet in armoede, maar in weelde leefden. De ‘papen’ waren om die reden vaak wijd en zijd gehaat. Daar komt nog bij dat er in veel kloosters weinig terecht kwam van een celibatair leven. Het zedelijk verval was en is helaas een structureel probleem binnen de katholieke kerk. Of dit verwijt ook aan de Gorcumse monniken gemaakt kan worden, is onbekend. Hoe het zij, ze werden in 1572 door de geuzen gevangengenomen en naar Den Brielle gebracht. Daar zijn ze door Lumey, bijgenaamd het wilde zwijn van de Ardennen, tegen de uitdrukkelijke orders van Oranje in, gemarteld en opgehangen. Lumey kon handelen als ‘een psychopaat’ (blz. 319) schrijft Van Stipriaan. Hij handelde in ieder geval niet in opdracht. Niet van Oranje en niet van de kerk.


Het zijn drie kwesties die in de katholieke tegenpropaganda tot in lengte van jaren uitgespeeld bleven worden. In 1675 werden de Gorcumse martelaren zalig verklaard. In 1867 kwamen ze op de lijst van heilige martelaren. Geen woord echter over Wendelmoet Claesdochter of Anna Utenhove. Geen woord over vervolgingen die binnen de katholieke kerk geen uitzondering, maar regel waren. Bizar is dat Lumey aan het eind van zijn leven weer rooms werd en naar eigen zeggen absolutie voor zijn zonden had gekregen (Wikipedia).


Weer een ander verwijt luidt dat Calvinisten eropuit zouden zijn om te heersen over de staat. In de praktijk was precies het omgekeerde het geval. Zodra in Leiden het Spaanse gevaar was geweken en er een universiteit was gesticht, wilde het stadsbestuur de kerk naar de hand zetten door predikanten en ouderlingen te benoemen. Dat was in heel Holland het patroon. Al in 1576 stelde Oranje samen met de magistraat een notitie samen waarin de staat het laatste woord kreeg over kerkelijk beleid, het benoemen van predikanten en ouderlingen en het beslissen over leergeschillen (blz. 565). De kerk moest zich dus tegen overheidsinmenging in puur kerkelijke zaken verzetten.


Van het indrukwekkende ideaal van Oranje van staten, waarin burgers van uiteenlopend geloof vreedzaam naast elkaar leven, was in de 16e eeuw nergens sprake. Als Oranje echt van mening was dat katholieken en protestanten het over de kern van het geloof eens waren (blz. 230-231, 522) dan is hij wel erg naïef geweest. Er was een enorm verschil van inzicht over de positie van de paus, over de mis, over het gezag van de Bijbel, over geloof en goede werken, over beelden- en reliekenverering, het celibaat, het nut van kloosters en monniken. Waar waren de twee groepen het eigenlijk wel over eens, kun je je afvragen.


De Unie van Utrecht (1579) legde met instemming van de calvinisten de grondslag voor het principe van de gewetensvrijheid. Dat was in de 16e eeuw het hoogst haalbare. In Duitsland was het noordelijk deel van het land voor de Luthersen en het zuidelijk deel voor de Katholieken. Elk gebied zijn eigen religie. In de Habsburgse landen inclusief Spanje was alleen ruimte voor Katholieken. In Frankrijk werden Hugenoten vervolgd. Calvijn stemde niet in met gewapend verzet, maar raadde de Hugenoten aan te emigreren naar landen waar ze vrij waren. In de Republiek woonden alle soorten gelovigen door elkaar, had iedereen gewetensvrijheid, maar was de gereformeerde kerk de publieke kerk.


In 1572 pleegde Jean Jaurequy een moordaanslag op Oranje. Wekenlang zweefde Oranje op de rand van de dood. Met de dood voor ogen zei Oranje tegen zijn hofpredikant: “De barmhartigheid van God, en alleen de barmhartigheid van God zal mijn redding zijn”. Van Stipriaan tekent hierbij aan: ‘Het klonk ootmoedig, maar welke overwegingen naar dit inzicht leidden, bleef in het midden’ (blz. 631).


Zoekt Van Stipriaan hier geen ootmoed, maar berekening achter? Dat gaat wel wat ver. Oranje zweefde tussen leven en dood. Dan heb je je hoofd er nog wel erg goed bij. En de vraag naar de overwegingen van Oranje is niet zo moeilijk te beantwoorden. Het was de kern van de Reformatie dat de mens zich in laatste instantie toevertrouwde aan de barmhartigheid van God. Uit deze woorden op dat moment uitgesproken zou je eerder kunnen afleiden dat het geloof van Oranje oprecht was.


Wat was de drijfveer van Oranje om de strijd tegen Filips II te beginnen en vol te houden? Gekwetste eer en eigenbelang? ‘Het lot van de Nederlanden en de welvaart van het huis van Nassau waren in het hoofd van Oranje innig met elkaar verbonden’, schrijft Van Stipriaan (blz. 701). Het is heel goed mogelijk. De meeste mensen worden in meer of mindere mate door eigenbelang gedreven. A. Th. Van Deursen schrijft weer dat Oranje de Nederlanden niet in de steek wilde laten ‘zodat de wreedheid van de Spanjaarden zich als een zondvloed over hen heen zou storten. Dat zou verraad zijn. Geen persoonlijk levensgevaar, zo besloot hij, kon daartegen opwegen’ (De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702, blz. 111). Weer dezelfde feiten maar twee perspectieven.


Op bladzijde 711 slaat Van Stipriaan een beetje door. Hij dicht Oranje op basis van diens laatste beeltenis een verlangen toe naar het christendom uit de eerste eeuwen, ‘een christendom dat nog niet leed aan theologische principekwesties en kerkscheuringen’. Je ‘leest’ dan wel erg veel in dit schilderij. En daarenboven werd het christendom ook in de geboortejaren al geteisterd door leergeschillen. Denk aan Montanus, aan Arius, aan Nestorius, aan Pelagius, aan de strijd over de naturen van Christus.


De opstand tegen Filips II begon met meningsverschillen over de rol van de hoge adel in het bestuur van het land en over de vrijheid van geloof. Het debat werd steeds schriller van toon en werd de lont voor het ontbranden van een bloedige oorlog. Iedereen is het erover eens dat de keiharde repressie van Alva averechts heeft gewerkt. In opdracht van zijn meester die geen ketters in zijn rijk wenste. In 1570 deed de koning er nog een schepje bovenop. In de Ordonnatie op de Criminele Justitie bepaalde hij dat tovenaars en heksen scherper dan voorheen vervolgd moesten worden. In het gewest Holland werd in 1595 op grond van een arrest van de Hoge Raad elke vervolging tegen deze personen gestaakt. Dat had de volle instemming van calvinistische predikanten. Die herinnerden zich nog te goed de verschrikkingen van Alva’s Raad van Beroerten en wilden tortuur en galg buiten de Republiek houden. In het gereformeerde vorstendom de Palts vonden zelfs helemaal geen toverijprocessen plaats. (Jan Stronks, Toverij, contramagie en bijgeloof 1580-1800. Geleerde debatten over duivelse zaken, blz. 292, 297, 300). In Spanje werden tussen 1619 en 1629 alleen al in Catalonië maar liefst honderd vrouwen opgehangen wegens hekserij (Trouw, 27 januari 2022, pag. 13). Soms vallen de militante calvinisten weer mee en zijn ze nuchterder dan veel van hun tijdgenoten. In hun Bijbel vonden ze niets over het bestaan van heksen, dus geloofden ze er niet in.


Van Stipriaan schreef een knap boek. Het verhaal mag in grote lijnen bekend zijn, het is op een nieuwe en frisse manier geschreven, aangevuld met tal van nieuwe feiten en inzichten. De vele afbeeldingen zijn een aangename aanvulling op de tekst. Het boek is ook bijna vlekkeloos uitgegeven. Mocht het echter tot een herdruk komen dan moet de naam Arent van Dorp ook op bladzijde 386 met een ‘t’ worden geschreven. Daarnaast zitten er nog wel wat overlappingen en herhalingen in het boek. De stof van de eerste negen bladzijden in hoofdstuk 7 hoort eigenlijk in het voorgaande hoofdstuk thuis. De beginselen van het Huis der Liefde worden op drie verschillende plekken uiteengezet (blz. 354, 467, 526). Een zakenregister naast het personenregister zou de toegankelijkheid van het boek verbeteren.


Het boek voldoet aan wetenschappelijke normen, het is integer geschreven en ook nog eens heel leesbaar. Met recht een standaardwerk, waar schrijver en uitgever mee gecomplimenteerd mogen worden.


René van Stipriaan (1959) is cultuurhistoricus. Samen met Geert Mak schreef hij Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis. Met Luc Panhuysen stelde hij Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog samen. Tevens schreef Van Stipriaan een biografie over Gerbrandt Adriaensz. Bredero.


ISBN 9789021402758 | Hardcover | Omvang: 944 blz. | Uitgeverij Querido Facio | november 2021

© Henk Hofman, 19 januari 2022

Lees de reacties op het Forum en/of reageer HIER.