Leonie Wolters

Frank Ankersmit: 'De erfenis is op'
Waarom de Europese cultuur zich opnieuw moet uitvinden
Leonie Wolters


Historica Leonie Wolters interviewt emeritus hoogleraar Frank Ankersmit over zijn filosofisch-historisch denken. Hij is geschiedfilosoof en was als 10-jarig jongetje al gefascineerd door Einstein.


Ankersmit begon met wis- en natuurkunde maar ging daarna geschiedenis studeren en ontdekte dat hier zijn hart lag. Geschiedenis definieert hij als volgt: ‘een selectie en ordening van historische feiten’, pag. 89. Daarin heeft hij een ontwikkeling doorgemaakt: ‘Ik had aanvankelijk een typisch antiquarische belangstelling voor het verleden’, pag. 98. Hij maakt duidelijk wat hij daaronder verstaat en hoe hij steeds duidelijker is gaan zien dat gebeurtenissen pas achteraf tot geschiedenis worden en dan in een bepaald kader worden geplaatst en gepresenteerd. Welke verbanden legt de historicus?


Interessant is zijn terloopse opmerking over Napoleon III die in 1870 een niersteen had. Mag je dit in verband brengen met de Frans-Pruisische oorlog, zo vraagt Ankersmit zich af. Zijn vrouw nam tijdens zijn ziekte regeringszaken voor hem waar en het conflict tussen Frankrijk en Duitsland leidde tot de Frans-Pruisische oorlog in 1870. Die leidde tot de Eerste Wereldoorlog en daar vloeide de Tweede Wereldoorlog weer uit voort. Ankersmit noemt dit ‘if-history’: ‘wat als’. In dit geval: hoe was de geschiedenis verlopen wanneer Napoleon III geen niersteen had gehad? Een interessante gedachte!


In het eerste gesprek komt naar voren dat Ankersmit heimwee heeft naar het culturele leven van de 18e eeuw: ‘Ik had graag in die tijd geleefd’, pag. 25. Hij is van mening dat we sindsdien iets zijn kwijt geraakt: ‘Ik mis de beschaving, de esprit, en het raffinement in de sociale omgang van de 18e eeuw’, pag. 48.
Een dergelijk heimwee is vanuit de bevoorrechte positie als hoogleraar, die toen en nu behoort tot de intellectuele elite en bovenlaag van de bevolking begrijpelijk. Hij miskent echter de armoede waarin veel, zo niet de meeste, mensen toen leefden, het ontbreken van sociale en hygiënische voorzieningen en de economische uitbuiting van de arbeidende klasse.


In een ander gesprek staat de kunst centraal. Ankersmit heeft niet zoveel affiniteit met moderne kunst. Kunst helpt ons om de wereld te zien zoals deze is: ‘Kunst kan je opmerkzaam maken op aspecten van de werkelijkheid die je zonder de kunst niet gezien zou hebben’, pag. 56. Kunst laat ons de wereld om ons heen en is daarom voor iedereen bestemd.

Een groot deel van het boek is gewijd aan onze duiding van historische feiten. Ankersmit maakt duidelijk – maar het kost wel enige inspanning om hem daarin te volgen – dat gebeurtenissen achteraf gezien nooit objectief zijn. Geschiedenis onderscheidt zich daarin van exacte wetenschappen omdat er altijd sprake is van een subjectief element. Het is de historicus die in zijn visie bepaalt hoe historisch feiten worden gepresenteerd.
Belangrijk vindt Ankersmit dat dingen binnen hun context worden gezien. Dat doen we achteraf want dán ontstaat pas wat wij geschiedenis noemen. Op het moment dat het gebeurt, is het de actualiteit van de dag. Geschiedenis is dan ook ‘present maken van iets dat afwezig is’, pag. 115, het is ‘het geheugen van de mensheid’, pag. 116.


Het begrip representatie speelt in het denken van Ankersmit een centrale rol. Daardoor werkt het verleden door in ons huidige handelen en beïnvloedt het onze keuzen. Wij worden daardoor geïnspireerd door het verleden en wat er achter ons ligt, werkt door in ons leven.
Samenvattend, met de representatie die je hier en nu, in het heden maakt van het verleden, maak je het afwezige verleden weer present (als de representatie ervan) waardoor die representatie een brug kan slaan tussen het verleden, het heden waarin je nu leeft en de toekomst waaraan je vorm wilt geven’, pag. 121.
Het standpunt van de historicus en de tijd waarin hij leeft, is daarin bepalend: ‘gebeurtenissen zijn pas onderdeel van een ‘historische realiteit’ wanneer we ontdekten, besloten of concludeerden dat we nu in een latere tijd leven’, pag. 373 – 374.


Verder gaat het in deze bundel over de democratische vertegenwoordiging van het volk en de beperkingen daarvan. Ook de volksvertegenwoordiging en de onderlinge verhoudingen binnen de EU komen ter sprake. Ondanks de nodige bedenkingen – Ankersmit is niet te spreken over de invoering van de euro – vindt hij de EU waardevol: ‘Europa is mijn continent, het is mij ontzaglijk dierbaar’, pag. 195.
Kritisch is Ankersmit over wat hij ‘refeodalisatie van het publieke domein’. Hij bedoelt  daarmee de privatisering waarbij de centrale overheid taken delegeert naar lagere overheden en andere instanties. Ankersmit ziet daarin een terugkeer naar het vroegere feodale systeem waarin het publieke domein versplintert. De overheid raakt haar verantwoordelijkheden kwijt.


Een boeiende maar niet altijd gemakkelijke bundel. De vragen zijn helder en zinnig, die geven goed richting aan de gesprekken.


ISBN 9789492538161 | Other formats | 416 pagina's | ISVW uitgevers | maart 2018

© Evert van der Veen, 13 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER