Canto 7 Louteringsberg.
Geplaatst: 24 mar 2006, 16:55
Korte inhoud van Louteringsberg canto 7 :
Sordello merkt Vergilius op en vraagt wie hij is.
Na kennismaking omhelst Sordello de knieën van Vergilius als zijn meerdere.
Vergilius maakt het lot der klassieke helden kenbaar, die de ware God niet kenden maar wel vol heidense deugden zaten, en die bijgevolg tevreden moeten zijn met hun statuut van rambo van het limbo van de hel.
Vergilius vraagt aan Sordello een binnenweg (een innerlijke weg als je wil) naar de eigenlijke poort van het vagevuur, want hier is het nog altijd een soort voorgeborchte ( voorvagevuur, pre-purgatorio) waar de zielen slechts lijden door het wachten op zich.
(Gedachten en gevoelens zijn al “binnen-wegen”, niet ?)
De avond valt echter reeds en Sordello raadt hen aan een nachtverblijf te zoeken.
Vergilius vraagt waarom men ’s nachts niet kan verderstijgen : omwille van een innerlijk of uiterlijk obstakel ?
Sordello antwoordt dat alleen in het licht en de helderheid vordering in de zuivering kan gemaakt worden.
(Op aarde is alles halfobstakel- halfmiddel, hier – net zoals in de liefde - is alles halfwerkelijk-halfzinnebeeld. Zo zie ik het.)
(En wat we nog niet weten is dat ’s nachts de slang van het kwade hier nog rondkruipt.)
Sordello leidt Dante en Vergilius naar een soort inzink, het blijkt een heerlijk bloemen- en geurendal.
Op het gazon zingen schimmen psalmen.
Sordello duidt hen vanop de helling en in de schemering enkele figuren aan :
allemaal adel op een veld van lelie :
keizer Rudolf, de vader van Albert van Oostenrijk uit de vorige canto,
koning Ottocar van Bohemen, en zijn zoon Wenzel (Wenceslas),
de “nasetto” of piepneus (kleine neus) koning Filips de Stoute, vader van Filips de Schone en Karel van Valois.
De “maschio naso”(macho-neus) is Karel van Anjou in duet met de zware Peter van Aragon.
Etc.
De Beatrice die Dante hier ziet is niet de zijne maar de gemalin van Karel van Anjou.
De laagst gezetene is ook de laagste in adellijke rang.
Een heraldisch canto.
Sordello merkt Vergilius op en vraagt wie hij is.
Na kennismaking omhelst Sordello de knieën van Vergilius als zijn meerdere.
Vergilius maakt het lot der klassieke helden kenbaar, die de ware God niet kenden maar wel vol heidense deugden zaten, en die bijgevolg tevreden moeten zijn met hun statuut van rambo van het limbo van de hel.
Vergilius vraagt aan Sordello een binnenweg (een innerlijke weg als je wil) naar de eigenlijke poort van het vagevuur, want hier is het nog altijd een soort voorgeborchte ( voorvagevuur, pre-purgatorio) waar de zielen slechts lijden door het wachten op zich.
(Gedachten en gevoelens zijn al “binnen-wegen”, niet ?)
De avond valt echter reeds en Sordello raadt hen aan een nachtverblijf te zoeken.
Vergilius vraagt waarom men ’s nachts niet kan verderstijgen : omwille van een innerlijk of uiterlijk obstakel ?
Sordello antwoordt dat alleen in het licht en de helderheid vordering in de zuivering kan gemaakt worden.
(Op aarde is alles halfobstakel- halfmiddel, hier – net zoals in de liefde - is alles halfwerkelijk-halfzinnebeeld. Zo zie ik het.)
(En wat we nog niet weten is dat ’s nachts de slang van het kwade hier nog rondkruipt.)
Sordello leidt Dante en Vergilius naar een soort inzink, het blijkt een heerlijk bloemen- en geurendal.
Op het gazon zingen schimmen psalmen.
Sordello duidt hen vanop de helling en in de schemering enkele figuren aan :
allemaal adel op een veld van lelie :
keizer Rudolf, de vader van Albert van Oostenrijk uit de vorige canto,
koning Ottocar van Bohemen, en zijn zoon Wenzel (Wenceslas),
de “nasetto” of piepneus (kleine neus) koning Filips de Stoute, vader van Filips de Schone en Karel van Valois.
De “maschio naso”(macho-neus) is Karel van Anjou in duet met de zware Peter van Aragon.
Etc.
De Beatrice die Dante hier ziet is niet de zijne maar de gemalin van Karel van Anjou.
De laagst gezetene is ook de laagste in adellijke rang.
Een heraldisch canto.