Dit boek werd uit de bibliotheek verbannen, maar om de een of andere reden intrigeerde het mij, dus het lag nu al weer een hele poos bij mij.
En eindelijk gelezen, en het is een mooi verhaal. Geschreven in 1995
Dit is de korte inhoud:
'Omdat in zijn dorp geen gelegenheid bestaat zich op de middelbare school voor te bereiden, wordt de elfjarige Joachim Maron naar een katholiek jongensinternaat gestuurd. Op deze kostschool heerst een streng broedersregime, dat volstrekte aanpassing van de scholieren vraagt en elke vorm van onderscheiding, laat staan kritiek of verzet, hardhandig en effectief de kop in drukt. Joachim sluit in deze vijandige sfeer vriendschap met een oude, gebochelde en dove broeder, door iedereen De Mus genoemd vanwege zijn liefde voor de natuur en handigheid in het prepareren van dode vogels. Alleen in diens kalmerende gezelschap weet Joachim even te ontsnappen aan de voortdurende conflicten met zijn leraren. Reinaldus, zijn klasseleraar, Timmer, de pianodocent, De Brug, de gymleraar, of Stalen Jesus, de hoofdsurveillant, laten geen gelegenheid voorbij gaan de jongens in het gareel te commanderen.'
De taal doet echt Brabants aan, en de sfeer eveneens. Het speelt aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, in een tijd waarin het er op internaten niet altijd even kies aan toe ging. Er is gelukkig geen sprake van seksueel misbruik, maar de manier waarop die broeders, enkelen dan toch, de jongens intimideren, is best akelig. En slaan doen ze dus wel!
‘alles zien die rotkraaien... je kunt geen pas doen of ze komen aanfladderen in hun zwarte togen.’
De jongen behaalt uitstekende punten, maar heel misprijzend en laatdunkend wordt gezegd dat hij echt niet naar het gymnasium kan. Zijn gedrag - vlijt heet dat - wordt aanvankelijk nog met een zesje beoordeeld, maar zakt naar een vier als hij in het openbaar verzet aantekent. De ouders worden er bij geroepen, en Joachim denkt dat ze op bezoek komen. Dat is natuurlijk heel leuk voor hem. Maar zijn moeder geeft aan dat ze bij de broeder geroepen zijn, en niet voor hem komen. Nou ja!
Gelukkig is er de Mus, al vinden de anderen de omgang met die broeder niet door de beugel kunnen.
Voor een groot deel is dit boek autobiografisch.
Ik vond het mooi.