Arjaan van Nimwegen

Van Tol kijkt om


Van Tol is een man van een jaar of zestig. Een eenzelvige man, die ook niet anders lijkt te willen dan afstand nemen en niemand lief te hebben. Alleen zijn kleinzoon Jeroen kan hem nog vertederen. Jeroen is dertien, een mongooltje, en hij komt in de weekenden bij Van Tol. Met zijn vuile was, zijn Tamagotchi en zijn ontwapenende charme. Al wil hij het niet, Van Tol weet dat hij van de jongen houdt.
De dwangmatige en geordende wereld van een mongool past overigens heel goed bij die van hemzelf. Vaste gewoontes en regels houden hem overeind, een manier om zijn verleden tot zwijgen te dwingen.
Van Tol is kleermaker geweest. Hij had een compagnon, die hem bedrogen heeft. Op de avond dat het tot Van Tol doordringt, brandt zijn huis af en komt zijn moeder om het leven. Zijn compagnon is verdwenen, en zijn vrouw ook. Alleen hun dochtertje is er nog... Maar er gebeuren dingen waardoor hij zijn zorgvuldig opgebouwde façade niet langer in stand kan houden. Zijn oudoom overlijdt; hij krijgt anonieme zwijgtelefoontjes; en in de tas van Jeroen vindt hij een ring die hij heel goed kent... het is een teken dat zijn verleden dan misschien wel door hem zelf verdrongen is, maar dat er mensen zijn die het daar niet mee eens zijn.


Van Nimwegen heeft er voor gekozen om geen algemene wetende verteller te gebruiken, maar Van Tol zelf te laten vertellen.
Zo hebben we geen kennis over het verleden, over al de lijken in de kast bij Van Tol, maar delen we zijn langzaam groeiende zorg dat het verleden niet begraven schijnt te kunnen blijven. Soms haalt hij herinneringen op, om zijn gedrag te rechtvaardigen. Als hij op de begrafenis van zijn oudoom ronddwaalt door het huis waar hij onplezierige herinneringen aan heeft, komen die gebeurtenissen boven.
Deze indirecte manier van vertellen maakt alles geheimzinnig. Wat is er eigenlijk allemaal gebeurd? Waarom is Van Tol zo afwerend tegen de verzorgster van Jeroen? Waarom wil hij niet praten met die man in het park, die Jeroen schijnt te kennen?
Het is een indringend verhaal, en ik heb het meteen een tweede keer gelezen. Toen waren de verwijzingen duidelijk, maar dat maakte het verhaal er niet minder mooi op. Mede door de stijl, de soms korte, onafgemaakte zinnen, en daarnaast haast poëtische volzinnen.
Waarom hebben we niet meer van deze schrijver gehoord?


"In de gangspiegel keek zijn kop hem betrapt aan. Een bevroren kop. Mooi was hij nooit geweest, en dat speet hem nu niet. Wat hem ontstelde was iets anders: de volstrekte stijlloosheid van dat hoofd. De man die hij altijd dacht te spelen, ook voor zichzelf, was een afstandelijke, beschaafde heer, stijfjes maar beleefd, zonder dat het in hoffelijkheid ontaardde. Zo zag hij zichzelf in zijn koppigheid: leed plooide voorhoofd en konen, wijsheid krulde de mondhoeken tot een melancholiek, laatmiddeleeuws portret. Een rechtvaardige. Nu werd hij overvallen door een zure man, een bekrompen zeikerd. Vleesloze lippen, troebele, koude ogen. Hij rilde van de griezel en wist het weer: nooit had hij van zichzelf gehouden."


Stond op de longlist voor de Libris Literatuurprijs 2003


Paperback | 127 Pagina's | Wereldbibliotheek augustus 2002 ISBN10: 9028419764 | ISBN13: 9789028419766

© Marjo, september 2007

Reageren? Klik hier!